Conclusie van de advocaat generaal
1 De Hoge Raad der Nederlanden heeft verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 5, sub 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: "Executieverdrag"), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland(1), bij het Verdrag van 25 oktober 1982 betreffende de toetreding van de Helleense Republiek(2), en bij het Verdrag van 26 mei 1989 betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek ("Verdrag van San Sebastián").(3)
2 Artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag bepaalt, voor zover voor de onderhavige zaak van belang, dat ten aanzien van geschillen over arbeidsovereenkomsten onder meer bevoegd is het gerecht van de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht.
De feiten
3 P. W. Rutten, een in Nederland woonachtig Nederlands onderdaan, trad op 1 augustus 1989 in dienst bij Cross Medical BV, een Nederlandse dochtervennootschap van de te Londen gevestigde vennootschap naar Engels recht Cross Medical Ltd. Zijn arbeidsovereenkomst bevatte een beding waarbij de Kantonrechter te Amsterdam als bevoegde rechter ten aanzien van geschillen van arbeidsrechtelijke aard werd aangewezen, alsmede een rechtskeuze voor Nederlands recht. Op 31 mei 1990 werd de overeenkomst tussen Rutten en Cross Medical BV beëindigd wegens de slechte financiële situatie van die vennootschap, waarop Rutten in dienst trad bij Cross Medical Ltd. In de nieuwe arbeidsovereenkomst was verrassend genoeg noch een rechtskeuze, noch een forumkeuze opgenomen.
4 Rutten bleef in Nederland wonen. Zowel vóór als na de verandering van werkgever verrichte hij ongeveer twee derde deel van zijn werkzaamheden in Nederland; het overige deel schijnt hij in verschillende andere landen te hebben verricht (hoewel niet in alle stukken hetzelfde wordt gezegd, worden in dit verband Engeland, Schotland, Ierland, de Verenigde Staten, Duitsland en België genoemd). Hij had in zijn woning in Nederland een kantoor ingericht, van waaruit hij zijn reizen voorbereidde en plande, waar hij al het voor zijn werkzaamheden relevante materiaal had opgeslagen en waar hij na elke reis terugkeerde.
5 Op 1 oktober 1991 werd Rutten door Cross Medical Ltd ontslagen. Hij stelde bij de Kantonrechter te Amsterdam een vordering in tot betaling van achterstallig salaris en rente. Cross Medical Ltd betwistte de bevoegdheid van de Nederlandse rechter met het argument, dat Rutten zijn arbeid gewoonlijk in het Verenigd Koninkrijk had verricht. De Kantonrechter te Amsterdam verklaarde zich evenwel bevoegd van de door Rutten ingestelde vordering kennis te nemen. Tegen het vonnis van de Kantonrechter, voor zover in het bevoegdheidsincident gewezen, stelde Cross Medical Ltd hoger beroep in bij de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, die dat vonnis vernietigde. Daarop stelde Rutten beroep in cassatie in bij de Hoge Raad, die het Hof de volgende vragen heeft voorgelegd:
"1) Aan de hand van welke maatstaven moet, indien een werknemer ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst in meer dan één land zijn arbeid verricht, worden beoordeeld of hij in één van die landen gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag?
2) Is daarbij beslissend, of mede van belang, of hij in één van die landen het grootste deel van zijn arbeidstijd doorbrengt, dan wel een groter gedeelte van zijn arbeidstijd doorbrengt dan in het andere land of de andere landen?
3) Is daarbij mede van belang of de werknemer in één van deze landen woonachtig is en een kantoor heeft, van waaruit hij zijn buiten dit land te verrichten werkzaamheden voorbereidt of administreert, en waar hij na iedere in verband met zijn arbeid gemaakte buitenlandse reis terugkeert?"
Artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag
6 Artikel 5, sub 1, vormt een van de uitzonderingen op de in artikel 2 geformuleerde algemene regel, dat degenen die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat, voor de gerechten van die staat moeten worden opgeroepen. Zoals in het rapport Jenard betreffende het Executieverdrag wordt verklaard, zijn die uitzonderingen hierdoor gemotiveerd, dat "er een rechtstreeks aanknopingspunt bestaat tussen het geschil en de rechter die daarvan kennis moet nemen".(4)
7 Tot 1989 luidde artikel 5, sub 1, als volgt:
"De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, kan in een andere Verdragsluitende Staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:
1) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd."(5)
8 Bij het Verdrag van San Sebastián is artikel 5, sub 1, gewijzigd; het luidt thans als volgt:
"De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, kan in een andere Verdragsluitende Staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:
1) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd; ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst is dit de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht; wanneer de werknemer niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, kan de werkgever tevens worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen."
9 In de onderhavige zaak draait het om de betekenis van de woorden "de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht". De vaststelling van die plaats in een concreet geval is een feitelijke kwestie, die aan de nationale rechter moet worden overgelaten; het Hof is met name verzocht aan te geven, welke factoren bij die vaststelling een rol kunnen spelen, indien de werknemer zijn arbeid in meer dan één land verricht.
10 Het Hof is nog niet in de gelegenheid geweest zich uit te spreken over de betekenis van bovenstaande zinsnede. Bij gebreke van rechterlijke richtsnoeren ter zake, zal ik de ontstaansgeschiedenis van de bepaling kort uiteenzetten. Voor een meer uitvoerige bespreking verwijs ik naar mijn conclusie in de zaak Mulox IBC.(6)
11 De wijziging die het Verdrag van San Sebastián in artikel 5, sub 1, heeft aangebracht, wordt besproken in het op dat verdrag betrekking hebbende rapport van de hand van de heren de Almeida Cruz, Desantes Real en Jenard.(7) Daarin staat te lezen, dat met die wijziging "is geprobeerd het Verdrag van Lugano(8) zonder daarvan al te veel af te wijken te verbeteren, overeenkomstig de richtsnoeren van het Hof van Justitie voor wat betreft de bescherming van de zwakste contractpartner".(9) In het rapport wordt in het bijzonder verwezen naar 's Hofs arrest in de zaak Six Constructions(10), dat is gewezen na de ondertekening van het Verdrag van Lugano, maar vóór de vaststelling van de definitieve tekst van het Verdrag van San Sebastián.
12 De relevante bepaling van het Verdrag van Lugano, eveneens artikel 5, sub 1, luidt als volgt:
"De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, kan in een andere Verdragsluitende Staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:
1) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd; ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst is dit de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht en, wanneer de werknemer niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, de plaats waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen."
13 Het enige verschil tussen de tekst van artikel 5, sub 1, van het Verdrag van Lugano en die van artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag, zoals gewijzigd bij het Verdrag van San Sebastián, is, dat in laatstgenoemde bepaling de mogelijkheid om (wanneer de werknemer niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht) te dagvaarden in de plaats waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen, enkel openstaat voor de werknemer. Dat is de verbetering waarnaar in het rapport betreffende het Verdrag van San Sebastián wordt verwezen en waarmee wordt beoogd uitdrukking te geven aan het streven naar bescherming van de sociaal zwakste partij bij de overeenkomst. De aanleiding voor die verbetering vormde het arrest Six Constructions, waarin het Hof erop wees dat de tekst van het Verdrag van Lugano, door bevoegdheid te verlenen aan de rechter van de plaats waar de werkgever gevestigd is, ook wanneer deze de eisende partij is, nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor de sociaal zwakste partij bij de arbeidsovereenkomst.(11)
14 Met artikel 5, sub 1, van het Verdrag van Lugano wensten de opstellers van dat verdrag kennelijk aan te sluiten bij de uitspraken van het Hof in de zaken Ivenel(12) en Shenavai(13) (zie punt 23, sub c, van het rapport betreffende het Verdrag van San Sebastián), alsmede bij het Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst(14) (zie het rapport Jenard-Moeller betreffende het Verdrag van Lugano(15), punten 37-40).
15 Bij gebreke van een specifieke bepaling voor arbeidsovereenkomsten in de van vóór 1989 daterende versies van het Executieverdrag, besliste het Hof in het arrest Ivenel, dat de verbintenis die voor de toepassing van artikel 5, sub 1, in aanmerking moest worden genomen bij vorderingen, gebaseerd op verschillende verbintenissen uit een arbeidsovereenkomst, die was waardoor de overeenkomst werd gekarakteriseerd, in de regel de verbintenis om arbeid te verrichten.(16) In het arrest Shenavai verklaarde het Hof in een obiter dictum, dat in het geval van een geschil betreffende verschillende verbintenissen uit een zelfde overeenkomst, die alle aan de rechtsvordering van een verzoeker ten grondslag liggen, de aangezochte rechter zich bij het bepalen van zijn bevoegdheid zal laten leiden door het beginsel dat de bijzaak de hoofdzaak volgt, "accessorium sequitur principale"; met andere woorden, bij de verschillende in geding zijnde verbintenissen zal de hoofdverbintenis bepalend zijn voor de bevoegdheid van het gerecht.(17) Die twee overwegingen vormden samen met artikel 6, lid 2, van het Verdrag van Rome de inspiratiebron voor de verwijzing in artikel 5, sub 1, van het Verdrag van Lugano (en dus ook voor die in artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag) naar de plaats "waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht".
16 Volgens artikel 6, lid 2, van het Verdrag van Rome wordt de arbeidsovereenkomst, bij gebreke van een rechtskeuze, beheerst door:
"a) het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, zelfs wanneer hij tijdelijk in een ander land te werk is gesteld, of
b) het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen, wanneer deze niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht,
tenzij uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land, in welk geval het recht van dat andere land toepasselijk is."
17 Uit het rapport Giuliano-Lagarde betreffende het Verdrag van Rome(18) blijkt, dat bij de opstelling van artikel 6 rekening werd gehouden met het feit dat de belangen van de partijen bij een arbeidsovereenkomst kunnen verschillen, en werd gestreefd naar een betere bescherming van "de partij die in sociaal-economisch opzicht in de contractuele relatie de zwakkere is".(19)
18 Dat het streven naar een passende bescherming van de sociaal zwakste partij bij de overeenkomst een factor is die bij de uitlegging van artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag in aanmerking moet worden genomen, bevestigde het Hof in het arrest Ivenel met betrekking tot de van vóór 1989 daterende versie van die bepaling.(20) Na een uiteenzetting van de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5, sub 1, verklaarde het Hof in dat arrest bovendien, dat die bepaling op het gebied van overeenkomsten in het bijzonder beoogde bevoegdheid te verlenen aan de gerechten van het land dat een rechtstreekse aanknoping had met het geschil, en dat bij een arbeidsovereenkomst deze aanknoping inzonderheid gelegen was in de op de overeenkomst toepasselijke wet.(21) Ik kom later nog op deze punten terug.
De zaak Mulox IBC
19 Het Hof kreeg opnieuw met de van vóór 1989 daterende versie van artikel 5, sub 1, te maken in de zaak Mulox IBC(22), waarin het ging om een werknemer die zijn arbeid in meer dan één verdragsluitende staat had verricht. Ofschoon 's Hofs uitspraak in die zaak betrekking heeft op de vroegere versie van artikel 5, sub 1, kan zij naar mijn mening niettemin helpen bij de uitlegging van de huidige versie. Het Hof legde die oude versie namelijk uit in het licht van zijn uitspraken in de zaken Ivenel en Shenavai; zoals wij hebben gezien, was de in 1989 aangebrachte wijziging, waarover het Hof zich thans dient uit te spreken, grotendeels door die uitspraken geïnspireerd.
20 Het Hof overwoog, dat bij een arbeidsovereenkomst de plaats van uitvoering van de relevante verbintenis voor de toepassing van artikel 5, sub 1, Executieverdrag niet moet worden vastgesteld overeenkomstig het nationale recht dat volgens de collisieregels van de aangezochte rechter toepasselijk is, maar wel aan de hand van eenvormige criteria die het Hof dient vast te stellen op basis van de opzet en de doelstellingen van het Executieverdrag.(23)
21 Het Hof verwees bovendien naar zijn overweging in het arrest Ivenel, dat rekening moet worden gehouden met het streven naar een passende bescherming van de sociaal zwakste partij bij de overeenkomst, in dit soort zaken de werknemer. Een dergelijke passende bescherming kan het best worden verzekerd, wanneer de gerechten van de plaats waar de werknemer zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult, bevoegd zijn ten aanzien van geschillen betreffende een arbeidsovereenkomst. Op die plaats kan de werknemer zich namelijk met minder moeite tot de rechter wenden of zich aldaar verdedigen.(24)
22 In die overweging klinkt het door mij in mijn conclusie in die zaak tot uitdrukking gebrachte standpunt door, dat de werknemer het recht moet hebben zijn werkgever op te roepen voor het gerecht van de plaats waar hij werkt: voor dergelijke geschillen is die plaats het natuurlijke forum en het zal in de meeste gevallen het meest geschikte forum zijn voor de werknemer, aan wie de mogelijkheid om zijn vordering daar in te stellen, niet mag worden ontnomen enkel omdat zijn werkgever in een andere verdragsluitende staat woonachtig is.(25)
23 In het arrest Mulox IBC verwees het Hof naar eerdere rechtspraak (zoals hiervóór uiteengezet)(26), volgens welke in geval van meerdere verbintenissen die uit een zelfde overeenkomst voortvloeien en alle aan de door de eiser ingestelde rechtsvordering ten grondslag liggen, de hoofdverbintenis bepalend is voor de vaststelling van de rechterlijke bevoegdheid.(27) Vervolgens overwoog het, dat wanneer de arbeid in meer dan één verdragsluitende staat werd verricht, de uitvoering van de contractuele verbintenis in de zin van artikel 5, sub 1, moest worden gelokaliseerd op de plaats waar of van waaruit de werknemer hoofdzakelijk zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervulde. Voor het vaststellen van deze plaats, waartoe de nationale rechter bevoegd was, moest volgens het Hof rekening worden gehouden met de omstandigheid, dat in die zaak de werknemer de hem opgedragen taak uitvoerde vanuit een kantoor in een verdragsluitende staat, waar hij woonachtig was, van waaruit hij zijn werkzaamheden verrichtte en waar hij na iedere zakenreis terugkeerde.(28)
Toepassing op de onderhavige zaak
24 Bij de thans aan het Hof voorgelegde vragen gaat het er hoofdzakelijk om, of de redactie van artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag, zoals gewijzigd bij het Verdrag van San Sebastián, en in het bijzonder de zinsnede "de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht", substantieel afwijkt van de door het Hof in het arrest Mulox IBC aan de oude versie van die bepaling gegeven uitlegging, volgens welke moet worden uitgegaan van "de plaats waar of van waaruit de werknemer hoofdzakelijk zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult"; en zo ja, of dat verschil een afwijking rechtvaardigt van de richtsnoeren die het Hof in het arrest Mulox IBC heeft geformuleerd voor het vaststellen van die plaats in een concreet geval.
25 Ik blijf bij mijn standpunt zoals ik dat in mijn conclusie in de zaak Mulox IBC heb geformuleerd, namelijk dat de van vóór 1989 daterende versie van artikel 5, sub 1,
"aldus moet worden uitgelegd, dat de rechterlijke bevoegdheid wordt gevestigd op de voornaamste arbeidsplaats. In de meeste gevallen zal dit begrip min of meer synoniem zijn met het begrip $plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht' dat in artikel 6 van het Verdrag van Rome en in de Verdragen van Lugano en van San Sebastián wordt gebruikt. Het begrip $voornaamste arbeidsplaats' lijkt echter de voorkeur te verdienen, aangezien daarmee duidelijker tot uitdrukking wordt gebracht, dat van de diverse arbeidsplaatsen van de werknemer er doorgaans een belangrijker is dan de andere. (...) wanneer het Verdrag van San Sebastián in een zaak als de onderhavige van toepassing zou zijn, moet de term $gewoonlijk' niet al te letterlijk worden uitgelegd, maar worden gelezen als de voornaamste plaats van arbeid".(29)
26 Die uitlegging strookt met een aantal uitgangspunten.
27 Ten eerste biedt zij bescherming aan de sociaal zwakste partij bij de overeenkomst, wat in het geval van arbeidsovereenkomsten namelijk de werknemer is: zoals wij hebben gezien, is het streven om een dergelijke bescherming te verzekeren, een element waarmee volgens het Hof rekening moet worden gehouden en dat een rol heeft gespeeld bij de in 1989 in artikel 5, sub 1, aangebrachte wijziging.
28 Ten tweede is zij in overeenstemming met het vereiste van een rechtstreekse aanknoping tussen het geschil en de rechter die daarvan kennis moet nemen.
29 Ten derde impliceert zij, dat de bevoegde gerechten zich bijna altijd zullen bevinden daar waar het de werknemer de minste moeite kost een procedure aan te spannen of zich te verdedigen.
30 Tegen die uitlegging zou kunnen worden ingebracht, dat niet noodzakelijkerwijze rechterlijke bevoegdheid wordt verleend aan de gerechten van het land welks recht van toepassing is. Zoals ik al zei, werd de wenselijkheid om bevoegdheid te verlenen aan een gerecht dat zijn eigen recht zal kunnen toepassen in plaats van buitenlands recht, in het arrest Ivenel een van de voornaamste criteria bij de uitlegging van artikel 5, sub 1, genoemd.
31 Ik geloof echter niet, dat dit bezwaar de voordelen van de door mij voorgestane uitlegging kan tenietdoen. Zoals ik in mijn conclusie in de zaak Mulox IBC al zei: hoe wenselijk het ook moge zijn om bij arbeidsgeschillen rechterlijke bevoegdheid te verlenen aan de gerechten van het land welks recht van toepassing is, dit zal zelfs na de harmonisatie van de regels inzake het toepasselijke recht bij het Verdrag van Rome in de praktijk niet altijd mogelijk zijn.(30) In die conclusie ging ik vrij uitvoerig in op de moeilijkheden die zich onvermijdelijk voordoen wanneer wordt getracht te verzekeren, dat de lex causae en de lex fori samenvallen. Ik kwam dan ook tot de conclusie, dat het fout zou zijn om het belang van de band tussen de rechterlijke bevoegdheid en de lex causae in arbeidsgeschillen te overdrijven.(31) Ik ben die mening nog steeds toegedaan.
32 Wanneer derhalve een werknemer ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst in meer dan één land zijn arbeid verricht, zijn de maatstaven aan de hand waarvan moet worden beoordeeld, of hij in één van die landen gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, in wezen dezelfde als die aan de hand waarvan voorheen had moeten worden beoordeeld, of hij in één van die landen hoofdzakelijk zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervulde. In het arrest Mulox IBC heeft het Hof reeds een aantal van die maatstaven aan de hand gedaan: in het bijzonder de omstandigheid dat de werknemer een kantoor had in een verdragsluitende staat, waar hij woonachtig was, van waaruit hij zijn werkzaamheden verrichtte en waar hij na iedere zakenreis terugkeerde.(32)
33 Ofschoon de Commissie het eens is met het door mij in mijn conclusie in de zaak Mulox IBC vertolkte standpunt, dat de term "gewoonlijk" niet al te letterlijk moet worden uitgelegd, kan in haar ogen moeilijk zomaar worden gesteld, dat "gewoonlijk" en "hoofdzakelijk" synoniemen zijn: het eerste begrip verwijst haars inziens eerder naar de tijdsduur van de door de werknemer verrichte arbeid, het tweede naar het zwaartepunt van de werkzaamheid. Zij stelt echter vervolgens, dat de term "hoofdzakelijk", zoals blijkt uit het arrest Mulox IBC(33), impliceert, dat voor de toepassing van de vroegere versie van artikel 5, sub 1, verschillende criteria in aanmerking moesten worden genomen, waaronder de in elk van de betrokken landen doorgebrachte tijd. Door de nieuwe redactie van artikel 5, sub 1, vooral door het gebruik van de term "gewoonlijk", zou op dit criterium meer nadruk worden gelegd. De Commissie komt tot de slotsom, dat de nationale rechter daarom in de eerste plaats zal moeten nagaan, gedurende welke perioden de werknemer in de verschillende landen heeft gewerkt. Heeft de werknemer in één verdragsluitende staat duidelijk meer dagen gewerkt dan in de andere, dan zijn de gerechten van die staat in beginsel bevoegd kennis te nemen van uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende geschillen.
34 Ofschoon die redenering naar alle waarschijnlijkheid in de meeste gevallen tot het juiste resultaat zal leiden, ben ik er niet van overtuigd, dat een zo ruime formulering moet worden gebezigd. Ik blijf erbij dat, zoals ik in mijn conclusie in de zaak Mulox IBC zei, betekenis moet worden toegekend aan de plaats waar de werknemer zijn kantoor heeft, en aan de wijze waarop hij dat kantoor gebruikt. In die zaak stelde ik, dat zelfs indien de werknemer meer dan de helft van het jaar op reis was in andere landen, en in het land waar zijn kantoor zich bevond, in feite geen enkele klant bezocht, in mijn ogen moeilijk het vermoeden kon worden weerlegd, dat zijn voornaamste arbeidsplaats zich bevond op de plaats waar het centrum van zijn werkzaamheden was.(34) Ik geloof niet, dat die stelling door de nieuwe redactie van artikel 5, sub 1, aan kracht heeft ingeboet. Indien een werknemer die zakenreizen maakt naar verschillende andere landen, zijn werkzaamheden voorbereidt en plant vanuit zijn kantoor, waar hij na elke reis terugkeert, is het kunstmatig om ervan uit te gaan, dat hij zijn arbeid "gewoonlijk" of "hoofdzakelijk" verricht in enig ander land dan dat waar hij zijn kantoor heeft, dat het centrum van zijn werkzaamheden is.
35 De Commissie vervolgt, dat andere factoren, zoals de plaats van het kantoor en de woonplaats, ook een rol spelen. Met betrekking tot het belang dat aan die factoren moet worden gehecht, maakt zij een onderscheid al naargelang het criterium van de arbeidstijd in dezelfde richting wijst als die andere factoren of niet. Deze benadering lijkt mij onnodig ingewikkeld in de context van de onderhavige zaak, waar een dergelijke moeilijkheid zich duidelijk niet voordoet. Een en ander laat ook zien, dat het gevaarlijk is te veel gewicht toe te kennen aan het criterium van de arbeidstijd en te weinig aan de plaats waar zich het centrum van de werkzaamheden van de werknemer bevindt.
36 Wat het woonplaatscriterium betreft, volsta ik met de opmerking, dat dit weliswaar in de omstandigheden van een bepaald geval een relevante factor kan zijn, maar dat hieraan, om de redenen die ik in mijn conclusie in de zaak Mulox IBC(35) heb uiteengezet, geen beslissende betekenis mag worden toegekend.
37 Ik wil beklemtonen hoe belangrijk het is om, telkens wanneer sprake is van een werknemer die in verschillende landen werkzaam is, serieus te proberen de voornaamste plaats van arbeid vast te stellen. Daarmee kan worden gewaarborgd, dat bevoegdheid wordt verleend aan de gerechten van een land dat een reële band met het geschil heeft.(36) Dat resultaat zal niet altijd worden bereikt, wanneer een beroep wordt gedaan op de alternatieve aanknopingsfactor die bij het Verdrag van San Sebastián is ingevoerd, te weten de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen. Behalve dat ik op dit gevaar wil wijzen, lijkt het mij in het kader van de onderhavige zaak niet noodzakelijk, de reikwijdte van die alternatieve aanknopingsfactor te onderzoeken.
38 Concluderend ben ik derhalve van mening, dat de in de vragen van de nationale rechter genoemde bijkomende factoren stuk voor stuk relevante criteria zijn voor de vaststelling, waar de werknemer zijn arbeid gewoonlijk verricht.
39 Tot slot wijs ik erop, dat de voordelen van de door mij voorgestane uitlegging van artikel 5, sub 1, goed worden geïllustreerd door het voor de verwijzende rechter aanhangig geding. Rutten woont in Nederland. Hij heeft een kantoor in Nederland, van waaruit hij zijn werkzaamheden voorbereidt en plant en waar hij na elke reis terugkeert, en hij brengt ongeveer twee derde van zijn arbeidstijd in Nederland door, terwijl het overige deel in verschillende andere landen wordt doorgebracht. Het is duidelijk, dat het arbeidsgeschil een groot aantal rechtstreekse aanknopingspunten met Nederland heeft. Rutten te verplichten zijn vordering in te stellen bij een rechter in het Verenigd Koninkrijk, zou noch in overeenstemming zijn met het algemene streven naar bescherming van de sociaal zwakste partij, noch met de concrete uitvoering van dat streven in dergelijke zaken, die erin bestaat te verzekeren, dat de werknemer zich kan wenden tot het forum dat voor hem het meest geschikt is.
Conclusie
40 Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, de vragen van de Hoge Raad te beantwoorden als volgt:
"Artikel 5, sub 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals laatstelijk gewijzigd bij het Verdrag van 26 mei 1989 betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, moet aldus worden uitgelegd, dat in het geval van een arbeidsovereenkomst waarvan de uitvoering meebrengt, dat de werknemer zijn werkzaamheden in meer dan één staat verricht, de plaats waar de werknemer zijn arbeid gewoonlijk verricht, in de zin van deze bepaling, de plaats is waar of van waaruit de werknemer hoofdzakelijk zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult. De nationale rechter dient deze plaats vast te stellen met inachtneming van alle relevante feiten, waaronder met name het feit dat de werknemer het grootste deel van zijn arbeidstijd doorbrengt in één van die staten, waar hij woont en een kantoor heeft, van waaruit hij zijn buiten die staat te verrichten werkzaamheden voorbereidt of administreert, en waar hij na iedere in verband met zijn arbeid gemaakte buitenlandse reis terugkeert."
(1) - PB 1978, L 304, blz. 77.
(2) - PB 1982, L 388, blz. 1.
(3) - PB 1989, L 285, blz. 1.
(4) - PB 1979, C 59, blz. 1, 22.
(5) - De tekst van de oorspronkelijke versie van 1968 was iets anders, maar kwam in wezen op hetzelfde neer; de geciteerde versie is die zoals gewijzigd bij het Toetredingsverdrag van 1978.
(6) - Arrest van 13 juli 1993 (zaak C-125/92, Jurispr. 1993, blz. I-4075).
(7) - PB 1990, C 189, blz. 35.
(8) - Verdrag van 16 september 1988 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (van toepassing tussen de lidstaten van de EVA en de Lid-Staten van de EEG) (PB 1988, L 319, blz. 9).
(9) - Punt 23, sub c, van het rapport.
(10) - Arrest van 15 februari 1989 (zaak 32/88, Jurispr. 1989, blz. 341).
(11) - Zie r.o. 13 en 14 van het arrest.
(12) - Arrest van 26 mei 1982 (zaak 133/81, Jurispr. 1982, blz. 1891).
(13) - Arrest van 15 januari 1987 (zaak 266/85, Jurispr. 1987, blz. 239).
(14) - PB 1980, L 266, blz. 1.
(15) - PB 1990, C 189, blz. 57.
(16) - R.o. 15 en 20 alsmede het dictum van het arrest.
(17) - R.o. 19 van het arrest.
(18) - PB 1980, C 282, blz. 1.
(19) - Blz. 25.
(20) - R.o. 16 en 17 van het arrest.
(21) - R.o. 15 van het arrest.
(22) - Reeds aangehaald in voetnoot 6.
(23) - R.o. 16 van het arrest.
(24) - R.o. 18 en 19 van het arrest.
(25) - Punt 29 van mijn conclusie.
(26) - Punt 15.
(27) - Arrest Shenavai, reeds aangehaald in voetnoot 13, r.o. 19.
(28) - R.o. 22-25 van het arrest.
(29) - Punten 32 en 37.
(30) - Punt 27 van mijn conclusie.
(31) - Zie punten 27 en 28.
(32) - R.o. 25 van het arrest.
(33) - De Commissie baseert zich op de Franse en de Nederlandse tekst van het arrest, die de term "principalement", respectievelijk de term "hoofdzakelijk" bezigen.
(34) - Punt 33.
(35) - Punt 34.
(36) - Zie verder mijn conclusie in de zaak Mulox IBC, punten 35 en 37.
Full & Egal Universal Law Academy