Conclusie van de advocaat generaal
A - De feiten
1 Met dit verzoek om een prejudiciële beslissing stelt de Symvoulio Epikrateias (Raad van State = de hoogste rechterlijke instantie op het gebied van het bestuursrecht) te Athene het Hof een vraag over een bepaling van Grieks recht die de rechtsverhouding tussen toeristengidsen en reisorganisatoren regelt. In het hoofdgeding vordert Syndesmos ton en Elladi Touristikon kai Taxidiotikon Grafeion (Verbond van reisorganisatoren in Griekenland; hierna: "verzoeker") de nietigverklaring van een beschikking van de Griekse minister van Werkgelegenheid, waarbij deze een beslissing van de Administratieve rechtbank voor arbitrage in tweede aanleg te Athene uitvoerbaar had verklaard. Bij laatstgenoemde beslissing was een beslissing bevestigd waarmee de Administratieve rechtbank voor arbitrage in eerste aanleg te Athene ingevolge artikel 37 van wet nr. 1545/1985 een collectief arbeidsgeschil had beslecht tussen verzoeker en Enosis Efopliston Epivatikon Plion (Vereniging van reders van passagiersschepen) enerzijds, en Somateio Diplomatouchon Xenagon (Organisatie van gediplomeerde toeristengidsen) anderzijds. Dit collectieve arbeidsgeschil betrof de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden van toeristengidsen.
2 Genoemd artikel 37 van wet nr. 1545/1985 bepaalt: "Toeristengidsen die de voor de uitoefening van het beroep van toeristengids vereiste vergunning hebben en zich jegens een reisorganisator, een lid van de Vereniging van reders van passagiersschepen of een buitenlandse reisorganisatie, hetzij rechtstreeks hetzij middels de filialen of agentschappen daarvan in Griekenland, verbinden om de door dezen georganiseerde toeristische programma's uit te voeren, gaan een arbeidsovereenkomst aan; de verhouding met de werkgever wordt beheerst door de desbetreffende bepalingen van het Griekse arbeidsrecht."
3 De toelating tot het beroep van toeristengids is reeds eerder het voorwerp geweest van een procedure voor het Hof.(1) Daarin ging het om de vraag, of de Helleense Republiek voor het verrichten van diensten door toeristengidsen die een groep toeristen uit een andere Lid-Staat naar Griekenland begeleiden, een vergunning mag verlangen waarvoor een met een diploma af te sluiten beroepsopleiding vereist is, wanneer deze dienst bestaat in het rondleiden van deze toeristen langs andere plaatsen dan musea of historische monumenten, welke uitsluitend met een gespecialiseerde professionele gids kunnen worden bezichtigd. Het Hof beantwoordde deze vraag ontkennend, omdat het daarin een schending van artikel 59 van het Verdrag zag.
4 De verwijzende rechter wijst erop, dat ingevolge artikel 37 de rechtsverhouding tussen toeristengidsen en reisbureaus dwingend wordt aangemerkt als arbeidsovereenkomst - met als gevolg dat Grieks recht van toepassing is -, wanneer aan de voorwaarden van artikel 37 is voldaan. Hij verwijst in dit verband zowel naar de toelichting op de bepaling als naar het doel dat de wetgever zich had gesteld. Dit laatste was volgens de verwijzende rechter de definitieve beslechting van de sinds lang tussen deze contractpartijen bestaande arbeidsconflicten.
5 Somateio Diplomatouchon Xenagon (Organisatie van gediplomeerde toeristengidsen) en Panellinia Omospondia Xenagon (Griekse Vereniging van toeristengidsen) hebben in het hoofdgeding geïntervenieerd.
6 De verwijzende rechter vraagt zich af, of artikel 37 van de Griekse wet in strijd is met artikel 59 en volgende EG-Verdrag, waarin het vrij verrichten van diensten is geregeld. Hij heeft het Hof daarom de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Is artikel 37 van wet nr. 1545/1985, dat bij vervulling van de daarin genoemde voorwaarden de betrokken partijen bindt aan de rechtsvorm van de arbeidsovereenkomst - de gebruikelijke vorm waarin toeristengidsen hun diensten onder de in dat artikel genoemde voorwaarden verrichten - in strijd met de artikelen 59 en volgende van het Verdrag? Zo ja, is deze regeling dan gerechtvaardigd om redenen van het algemeen belang bij de handhaving van de arbeidsvrede in de gevoelige sector van de toeristische diensten, ter zake waarvan de Griekse Staat als toeristisch land een redelijk en gerechtvaardigd belang heeft om regelend op te treden?"
B - Discussie
7 Blijkens de bewoordingen van de prejudiciële vraag wil de nationale rechter weten, of artikel 37 van wet nr. 1545/1985 in strijd is met de artikelen 59 en volgende EG-Verdrag. Daarmee verzoekt hij de uitlegging en toetsing van nationaal recht. Het Hof is evenwel in het kader van artikel 177 EG-Verdrag niet bevoegd, het nationale recht uit te leggen of de verenigbaarheid daarvan met het gemeenschapsrecht te toetsen.(2) Volgens vaste rechtspraak evenwel moet de vraag aldus worden opgevat, dat de nationale rechter het Hof vraagt, of de artikelen 59 en volgende EG-Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan de toepassing van een bepaling waarbij de - gelijk de in geding zijnde - contractverhouding van toeristengidsen onder de genoemde voorwaarden dwingend als arbeidsovereenkomst wordt aangemerkt.(3)
8 Een ander punt dat tot niet-ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag zou kunnen leiden, wordt genoemd door de Commissie. In haar schriftelijke opmerkingen wijst zij erop, dat uit de verwijzingsbeschikking niet blijkt, of het hoofdgeding ook betrekking heeft op onderdanen van andere Lid-Staten. Volgens de Commissie is derhalve niet zeker, of het gemeenschapsrecht wel van toepassing is en of de uitlegging van het gemeenschapsrecht voor de beslechting noodzakelijk is. Volgens vaste rechtspraak is het in beginsel een zaak van de nationale rechter om uit te maken of een prejudiciële vraag over het gemeenschapsrecht voor de beslechting van het geschil vereist is. Bovendien betreft de vraag van de verenigbaarheid van artikel 37 met het gemeenschapsrecht de geldigheid van artikel 37 en daarmee de toepasselijkheid van deze bepaling in het hoofdgeding.(4) Enkel in gevallen dat de procedure van artikel 177 van het Verdrag door de nationale rechter kennelijk werd misbruikt, heeft het Hof het verzoek om een prejudiciële beslissing afgewezen.(5) Van een dergelijk kennelijk misbruik is in casu evenwel niet gebleken. Integendeel, men kan zich heel wel voorstellen, dat verzoeker in het hoofdgeding, het Verbond van in Griekenland gevestigde reisorganisatoren, ook de in Griekenland gevestigde buitenlandse reisorganisatoren vertegenwoordigt. De prejudiciële vraag is dus niet als niet-ontvankelijk aan te merken. Overigens heeft ook de Commissie zich in haar schriftelijke opmerkingen over de gestelde vraag uitgelaten.
9 Een ander punt, dat door interveniënten is aangehaald en dat ter terechtzitting uitvoerig aan de orde is gekomen, is de vraag of artikel 37 wel van toepassing is op de onderdanen van andere Lid-Staten en of er derhalve een verband bestaat met het gemeenschapsrecht. Interveniënten nemen in hun schriftelijke opmerkingen ter zake geen duidelijk standpunt in. Zij betogen, dat de regeling enkel betrekking heeft op gediplomeerde toeristengidsen die in Griekenland zijn gevestigd. Toeristengidsen uit andere Lid-Staten vallen er niet onder. Interveniënten baseren hun opvatting hierop, dat de in geding zijnde regeling enkel geldt voor gediplomeerde toeristengidsen en dat dit diploma, zoals het Hof in het vorige arrest heeft vastgesteld, voor gidsen uit andere Lid-Staten die een groep naar Griekenland begeleiden, niet noodzakelijk is. Enkel voor rondleidingen in musea en andere bijzonder belangrijke plaatsen is een dergelijk diploma vereist. Uit het feit dat een dergelijk diploma voor buitenlandse gidsen niet vereist is, concluderen interveniënten, dat artikel 37, dat enkel op gediplomeerde gidsen betrekking heeft, niet op buitenlandse toeristengidsen van toepassing is.
10 Deze redenering gaat niet op. Uit het feit dat een dergelijk diploma voor gidsen uit andere Lid-Staten niet absoluut vereist is, kan niet worden geconcludeerd, dat er geen buitenlandse gidsen zijn die een dergelijk diploma bezitten. In elk geval mag onderdanen van de Unie niet worden belet, zulk een diploma te verwerven. Ook kan men zich heel wel voorstellen, dat een buitenlandse gids er belang bij heeft, een dergelijk diploma te verwerven. Alleen in het bezit van deze bijzondere toelating mag hij in geheel Griekenland rondleidingen geven en zo een groep toeristen volledige service bieden. Het is derhalve alleszins denkbaar, dat een gediplomeerd gids bij de aanstelling ten opzichte van andere gidsen in het voordeel is, daar het ook voor de reisorganisatoren zelf gunstig kan zijn een gids in dienst te nemen die in heel Griekenland rondleidingen kan geven. Het is dan ook heel goed mogelijk, dat ook toeristengidsen uit andere Lid-Staten over een dergelijk diploma beschikken, wat betekent dat artikel 37 op hen van toepassing is.
11 Het is weliswaar - gelijk interveniënten betogen - niet de taak van het Hof nationaal recht uit te leggen, maar de Griekse regering heeft ter terechtzitting desgevraagd zelf erkend, dat artikel 37 in een enkel geval op buitenlanders van toepassing zou kunnen zijn. In dit verband moet erop worden gewezen, dat bij de toetsing van een mogelijke schending van de bij het Verdrag gegarandeerde fundamentele vrijheden de omvang van die schending niet ter zake doet. Ook geringe schendingen zijn schendingen van het gemeenschapsrecht.(6)
12 Ten slotte kan een verband met het gemeenschapsrecht ook worden afgeleid uit het feit dat artikel 37 buitenlandse reisbureaus en hun vestigingen uitdrukkelijk noemt en deze daarmee in de regeling betrekt.
13 Uit het voorgaande volgt, dat het gemeenschapsrecht, in casu de artikelen 59 en volgende EG-Verdrag, in beginsel toepasselijk kan zijn. Of de vrijheid van dienstverrichting inderdaad is geschonden zal ik hierna onderzoeken.
14 De artikelen 59 en volgende EG-Verdrag regelen het vrij verrichten van diensten. Volgens artikel 60, eerste alinea, zijn als diensten te beschouwen de dienstverrichtingen die gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voor zover de bepalingen betreffende het vrij verkeer van goederen, kapitaal en personen daarop niet van toepassing zijn. Volgens artikel 60, tweede alinea, sub d, omvatten de diensten met name werkzaamheden van de vrije beroepen. Volgens artikel 60, derde alinea, kan degene die de diensten verricht zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in het land waar de dienst wordt verricht, onder dezelfde voorwaarden als die welke dat land aan zijn eigen onderdanen oplegt.
15 Gelijk het Hof in zijn arrest in de zaak Commissie/Griekenland vaststelde, kunnen de werkzaamheden van een uit een andere Lid-Staat dan Griekenland afkomstige toeristengids die de deelnemers aan een georganiseerde reis vanuit die Lid-Staat naar Griekenland begeleidt, rechtens twee verschillende vormen aannemen. De reisorganisator kan een beroep doen op gidsen die bij hem in loondienst zijn; hij kan echter ook zelfstandige toeristengidsen inschakelen. In het eerste geval verleent de reisorganisator de dienst aan de toeristen via zijn eigen toeristengidsen. In het tweede geval is het de toeristengids zelf die de dienst verricht ten behoeve van de reisorganisator.(7)
16 Gaan wij er nu vanuit, dat artikel 37 ook geldt voor buitenlandse toeristengidsen of reisorganisatoren, dan zijn er verschillende categorieën van gevallen te onderscheiden waaronder de dienst kan worden gerangschikt, zodat ook de belemmering verschillende vormen kan aannemen.
17 Als eerste noem ik het geval dat ook in het vorige arrest aan de orde was. Een toeristengids uit een andere Lid-Staat komt in het kader van zijn werkzaamheden voor een eveneens in een andere Lid-Staat dan Griekenland gevestigde reisorganisator met een groep toeristen voor een georganiseerde reis naar Griekenland. Voor de toepasselijkheid van artikel 37 op een dergelijk geval ga ik er in casu vanuit, dat de gids over het vereiste diploma beschikt. Zoals het Hof eerder vaststelde, kan ook een zelfstandige toeristengids zulke werkzaamheden verrichten. In dat geval zal de toeristengids zijn dienst, bestaande in het begeleiden van de groep toeristen in Griekenland, verrichten ten behoeve van de reisorganisator uit een andere Lid-Staat. De plaats waar de dienst wordt verricht is dan Griekenland. Daarbij is niet van belang, dat de dienstverrichter en de dienstontvanger in dezelfde Lid-Staat gevestigd zijn. Bij de afbakening van de materiële werkingssfeer van de artikelen 59 en volgende EG-Verdrag moet men zich laten leiden door het beeld van een gemeenschappelijke markt waarop alle economische activiteiten binnen de Gemeenschap zijn bevrijd van beperkingen op grond van nationaliteit en woonplaats. Binnen de structuur van artikel 60, eerste alinea, waarin tegenover diensten andere activiteiten worden gesteld die worden beheerst door andere door het Verdrag toegekende vrijheden, omvat het vrij verrichten van diensten in ieder geval de grensoverschrijdende uitwisseling van "producten" die geen goederen zijn.(8) Artikel 59 dient dus toepassing te vinden in alle gevallen waarin een dienstverrichter zijn diensten aanbiedt op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die waar hij is gevestigd, ongeacht de plaats van vestiging van degenen te wier behoeve die diensten worden verricht.(9)
18 De in geding zijnde dienst is dus een dienst in de zin van de artikelen 59 en volgende. Derhalve kan ook worden getoetst of de vrijheid van dienstverrichting is belemmerd.
19 In dit verband moet worden opgemerkt, dat volgens de verwijzende rechter de dienstverrichting van toeristengidsen ten behoeve van reisorganisatoren in het kader van de uitvoering van georganiseerde programma's, gewoonlijk de vorm van een arbeidsovereenkomst heeft. Hij noemt in dit verband bepaalde criteria die volgens de commentatoren van het arbeidsrecht en de rechtspraak in Griekenland als voornaamste kenmerken van een arbeidsverhouding worden gezien, bijvoorbeeld dat het tijdstip en het voorwerp van de prestatie dwingend zijn voorgeschreven. De arbeidsovereenkomst is daarom inderdaad de dwingend voorgeschreven rechtsvorm waarin de diensten van toeristengidsen onder de eerdergenoemde voorwaarden gewoonlijk worden verricht. Ook interveniënten wijzen op de ondergeschiktheid in technische, economische en persoonlijke zin die kenmerkend is voor de verrichting van werkzaamheden in het kader van georganiseerde reizen. Evenzo wordt degene die gelijktijdig in dienst is van meer dan één werkgever als werknemer aangemerkt. Ook de Griekse regering wijst erop, dat in de rechtspraak tot nu toe herhaaldelijk is bevestigd, dat de tussen toeristengidsen en reisorganisatoren in het kader van georganiseerde reizen bestaande verhouding naar Grieks recht een arbeidsverhouding is.
20 Ik merk op, dat deze opvattingen uitgaan van de criteria van het Griekse arbeidsrecht en het Griekse begrip van werknemer. Bovendien knopen zij aan bij de contractvorm die in Griekenland gewoonlijk wordt gekozen. Dit sluit evenwel niet uit, dat zulke prestaties in andere Lid-Staten een andere rechtsvorm krijgen en dan een dienstverrichting zijn. Ook in Griekenland is een andere dan de gebruikelijke vorm zeker niet ondenkbaar. Bovendien worden ook andere diensten, die onder dezelfde voorwaarden worden verricht - verzoeker noemde ter terechtzitting als voorbeeld tolken en taalleraren - niet altijd verricht in de vorm van een arbeidsovereenkomst. Men kan er daarom niet van uitgaan, dat de verhouding tussen toeristengidsen en reisorganisatoren in het kader van georganiseerde reizen altijd als arbeidsverhouding moet worden aangemerkt, zeker niet nu het Hof in de vorige zaak uitdrukkelijk heeft verklaard, dat een toeristengids bij een georganiseerde reis zowel werkzaam kan zijn als zelfstandige - dat wil zeggen in het kader van een dienstverrichting - als op basis van een arbeidsovereenkomst. De Griekse regering stelt weliswaar, dat door Griekse rechters herhaaldelijk is bevestigd dat de overeenkomst een arbeidsrechtelijk karakter heeft, maar ik wijs erop, dat - zoals uit de verwijzingsbeschikking blijkt - deze rechters steeds na beoordeling van het concrete geval aan de hand van bepaalde criteria tot deze conclusie kwamen. Het stond derhalve niet bij voorbaat vast, dat de te beoordelen prestatie in de vorm van een arbeidsovereenkomst werd verricht.
21 De Griekse regering wijst er in deze context op, dat het in Griekenland om praktische redenen voor een toeristengids vrijwel onmogelijk is, werkzaam te zijn als zelfstandige. Griekenland telt onnoemelijk veel belangrijke archeologische vindplaatsen, die wijd verspreid liggen, en niet steeds in de nabijheid van dorpen en steden. Het is voor toeristengidsen dan ook onmogelijk in al deze plaatsen gevestigd te zijn. Voorts beschikken zij niet over de infrastructuur om toeristen naar de verschillende bezienswaardigheden te vervoeren. Het is daarom noodzakelijk, met reisbureaus samen te werken. Ik merk hierover op, dat dit wellicht voor de meerderheid van de gevallen geldt. Het is echter in beginsel mogelijk, dat een toeristengids in Griekenland als zelfstandige werkzaam is. Verder betreffen alle hier te beoordelen categorieën van gevallen de werkzaamheden van een toeristengids voor een reisbureau in het kader van een georganiseerde reis. Ook in dit kader moet de toeristengids een overeenkomst voor het verrichten van diensten kunnen sluiten. Of hij dit uiteindelijk uit praktische overwegingen zal doen, is zijn zaak. Beslissend is, of hij althans deze mogelijkheid heeft gehad.
22 In het zojuist besproken geval zijn de bepalingen voor het vrij verrichten van diensten derhalve toepasselijk.
23 Dan moet nu worden nagegaan, of in dit geval de vrijheid van de toeristengids om een dienst te verrichten voor het reisbureau, door artikel 37 wordt beperkt. Aangezien ingevolge artikel 60, derde alinea, van het Verdrag de dienst kan worden verricht onder dezelfde voorwaarden als die welke voor de eigen onderdanen gelden, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden. Een dergelijke openlijke discriminatie doet zich in casu niet voor; artikel 37 maakt immers geen onderscheid naar de nationaliteit van de toeristengids.
24 Daarnaast zou sprake kunnen zijn van verkapte discriminatie. Deze doet zich voor, wanneer weliswaar andere criteria worden aangelegd dan de nationaliteit, maar het resultaat toch discriminatie van onderdanen van andere Lid-Staten is.(10)
25 Ik zie evenwel geen verkapte discriminatie in dit geval, aangezien artikel 37 geen enkel onderscheidingscriterium bevat. Integendeel, de bepaling geldt zonder onderscheid voor alle toeristengidsen die in het bezit zijn van een diploma. Volgens interveniënten en de Griekse regering is om deze reden ook geen sprake van schending van de vrijheid van dienstverrichting.
26 Er moet evenwel op worden gewezen, dat artikel 59 EG-Verdrag niet alleen verplicht tot afschaffing van iedere discriminatie van de dienstverrichter op grond van diens nationaliteit, maar tevens tot opheffing van iedere beperking - ook indien deze zonder onderscheid geldt voor binnenlandse dienstverrichters en dienstverrichters uit andere Lid-Staten - die de werkzaamheden van de dienstverrichter die in een andere Lid-Staat is gevestigd en aldaar rechtmatig gelijksoortige diensten verricht, verbiedt of anderszins belemmert.(11) Gelijk de Commissie en verzoeker terecht stellen, laat artikel 37 geen enkele ruimte voor vrijheid van dienstverrichting van toeristengidsen uit andere Lid-Staten.(12) Doordat de werkzaamheden van de toeristengids die met een groep toeristen in Griekenland rondreist, dwingend als arbeidsovereenkomst naar Grieks recht worden aangemerkt, wordt hem elke mogelijkheid als zelfstandig toeristengids werkzaam te zijn en daarmee ook elke mogelijkheid een dienst te verrichten, ontnomen. Verzoeker wijst er uitdrukkelijk op, dat zelfs wanneer beide partijen dit wensen, geen overeenkomst tot het verrichten van diensten kan worden gesloten. Bovendien wijst hij er terecht op, dat het Hof in zijn eerdere arrest uitdrukkelijk het recht van de zelfstandige toeristengids om diensten te verrichten, heeft erkend. Ongeacht de vorm die de overeenkomst had, wordt deze thans aangemerkt als arbeidsovereenkomst naar Grieks recht, hetgeen werkgever en werknemer de daarbij behorende verplichtingen oplegt.
27 Zowel de Griekse regering als interveniënten wijzen er in dit verband op, dat buitenlandse toeristengidsen ook nu nog als zelfstandige gids een groep naar Griekenland kunnen vergezellen. Dit is immers in het eerdere arrest vastgesteld en geëist. Dat is wel juist, maar het verandert niets aan het feit dat een toeristengids die over een diploma beschikt, in Griekenland thans uitsluitend in het kader van een arbeidsovereenkomst werkzaam kan zijn. Daarmee heeft hij geen enkele vrijheid van dienstverrichting meer, daar hij geen toegang meer heeft tot de dienstenmarkt van Griekenland.(13)
28 In deze eerste categorie van gevallen moet voorts nog aandacht worden besteed aan een andere dienstverrichting die eventueel beperkt zou kunnen zijn, namelijk de dienst die het reisbureau verricht ten behoeve van de toeristen. In de vorige procedure verklaarde het Hof, dat de dienst van het reisbureau wordt bemoeilijkt doordat dit de begeleiding van de groep in Griekenland niet in handen kan geven van eigen toeristengidsen uit zijn land.(14) Het onderhavige geval ligt anders, maar men mag niettemin aannemen, dat de dienst van het reisbureau ook in dit geval wordt belemmerd. In casu wordt het het reisbureau onmogelijk gemaakt, met de gediplomeerde toeristengids die de groep moet begeleiden een overeenkomst tot het verrichten van diensten te sluiten. Voor de prestatie wordt immers de vorm van een arbeidsovereenkomst naar Grieks recht dwingend voorgeschreven.
29 Bovendien moet worden bedacht, dat het reisbureau zich als ontvanger van de dienst van de toeristengids kan beroepen op een beperking van de vrijheid van dienstverrichting. Het Hof heeft ten aanzien van de rechten van dienstontvangers tot nu toe bepaald, dat zij de vrijheid hebben, zich voor het ontvangen van een dienst naar een andere Lid-Staat te begeven.(15) Bovendien heeft het Hof in het vorige arrest onderzocht, of de toeristen in casu een beperking ondervonden. Zo een beperking kan alleen relevant zijn, ingeval de toeristen als ontvanger van een dienst deze beperking ondervonden.(16)
30 In dat geval wordt het reisbureau als ontvanger van de dienst weliswaar niet beperkt in zijn vrijheid om zich voor het ontvangen van diensten naar een andere Lid-Staat te begeven, maar kan het de dienst niet ontvangen omdat deze door artikel 37 wordt uitgesloten. In een dergelijk geval moet de dienstontvanger zich op zijn vrijheid van dienstverrichting kunnen beroepen.
31 In de zaak Commissie/Griekenland is bovendien een beperking voor de toeristen aangenomen, doordat zij niet kunnen kiezen tussen hun buitenlandse reisbegeleider en een Griekse toeristengids. Een dergelijke beperking is er in casu niet, daar de toeristen nog steeds kunnen kiezen tussen de buitenlandse toeristengids of een niet-contractueel aan een reisbureau gebonden Griekse toeristengids.(17) Dat de vorm van de prestatie, namelijk een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst tot het verrichten van diensten, een beperking voor de toeristen kan meebrengen, zie ik niet direct in. Zou een dergelijke beperking voortvloeien uit het Griekse arbeidsrecht en de daarin vervatte vormvereisten van arbeidsovereenkomsten, dan is het aan de nationale rechter om dit te onderzoeken en in voorkomend geval als beperking aan te merken.
32 Als tweede categorie wil ik het geval bespreken, dat een toeristengids die een diploma in de zin van artikel 37 bezit, in Griekenland voor een georganiseerde reis een overeenkomst sluit met een Grieks of een buitenlands reisbureau. Ook hier gaat het om een dienst van de toeristengids ten behoeve van het reisbureau. Deze is zonder meer aan te merken als een dienst in de zin van artikel 59, daar de toeristengids de dienst verricht in een andere Lid-Staat dan zijn woonland. Waar het betrokken reisbureau gevestigd is, speelt daarbij geen rol.
33 Ook dit is geen geval van openlijke discriminatie. Verzoeker stelt echter, dat artikel 37 leidt tot verkapte discriminatie van buitenlandse toeristengidsen op grond van hun nationaliteit. Ook de Commissie wijst overigens op deze mogelijkheid. Beide gaan er daarbij van uit, dat doordat de prestatie in de vorm van een arbeidsovereenkomst moet worden verricht, de toeristengids als werknemer steeds verplicht is, in de vestigingsplaats van het reisbureau dan wel op de plaats van de dienstverrichting aanwezig te zijn. Voor de nakoming van een dergelijke arbeidsovereenkomst in Griekenland zou de toeristengids derhalve zijn woonplaats naar Griekenland moeten verplaatsen. Daar het evenwel in het kader van de vrijheid van dienstverrichting slechts gaat om tijdelijke werkzaamheden in Griekenland zou de uitvoering van een arbeidsovereenkomst in Griekenland onder deze omstandigheden onmogelijk zijn. Het zou feitelijk onmogelijk zijn om voor een tijdelijke prestatie in Griekenland een woonplaats in Griekenland in te richten en tegelijkertijd - voor de hoofdactiviteit - de woonplaats in het land van herkomst in stand te houden. Dit wordt volgens verzoeker nog versterkt doordat - zoals verzoeker ter terechtzitting onweersproken heeft gesteld - tot op heden in Griekenland geen gegarandeerd maandsalaris voor toeristengidsen bestaat. Artikel 37 zou dan ook leiden tot discriminatie van toeristengidsen die niet in Griekenland woonachtig zijn. Daar dit meestal onderdanen van andere Lid-Staten zal betreffen, zou artikel 37 dus ook een discriminatie op grond van nationaliteit inhouden.
34 Met deze zienswijze ben ik het niet eens. Van discriminatie op het gebied van het vrije verkeer van diensten kan alleen al geen sprake zijn, omdat de verrichting van diensten in het kader van een georganiseerde reis alle gediplomeerde toeristengidsen zonder meer verboden wordt. De mogelijkheid een dienst te verrichten kan dan ook voor toeristengidsen uit andere Lid-Staten niet ingrijpender beperkt zijn dan voor Griekse toeristengidsen. Verzoeker en de Commissie hebben veeleer het oog op de werkzaamheden van toeristengidsen die reeds dwingend in het kader van een arbeidsovereenkomst worden verricht. Eigenlijk gaat het dus om de mogelijkheid van buitenlandse toeristengidsen om als werknemer in Griekenland werkzaam te zijn, een kwestie van vrij verkeer van werknemers ingevolge artikel 48 EG-Verdrag derhalve.
35 Volgens verzoeker en de Commissie leidt artikel 37, door de vorm van de arbeidsovereenkomst dwingend voor te schrijven, ertoe dat het verrichten van werkzaamheden door buitenlandse toeristengidsen wordt belemmerd, ook wat het vrije verkeer van werknemers betreft. Ik kan het hiermee niet geheel eens zijn. Ook in het kader van een overeenkomst voor het verrichten van diensten is de toeristengids verplicht, op het tijdstip dat de dienst wordt verricht, aanwezig te zijn op de plaats van de dienstverrichting. Dat de arbeidsovereenkomst de voorgeschreven vorm is, betekent dus geen grotere belasting van de buitenlandse toeristengids. Derhalve kan in dit verband niet worden geconcludeerd, dat toeristengidsen die niet uit Griekenland afkomstig zijn worden gediscrimineerd.
36 Wel moet er op dit punt op worden gewezen, dat het aan de nationale rechter is de nationale regels betreffende de arbeidsovereenkomst uit te leggen. Zoals uit het arrest in de zaak Bosman blijkt, kunnen regels die de toegang tot de arbeidsmarkt van andere Lid-Staten rechtstreeks beïnvloeden, het vrije verkeer van werknemers belemmeren.(18)
37 Artikel 48 wordt in de prejudiciële vraag weliswaar niet genoemd, maar volgens vaste rechtspraak wordt de omvang van de toetsing door het Hof bepaald door het doel, de nationale rechter met het oog op de toepassing van het gemeenschapsrecht in het aan hem voorgelegde geschil een bruikbaar antwoord te kunnen geven.(19) Aangezien het in casu voor de verwijzende rechter van belang is, te weten of artikel 37 in strijd is met een bepaling van gemeenschapsrecht, moet ook een mogelijke schending van artikel 48 in de beoordeling worden betrokken.
38 Bovendien kan ook in deze situatie weer als een beperking van de vrijheid van dienstverrichting van de toeristengids worden gezien, dat hij niet de mogelijkheid heeft, in het kader van een georganiseerde reis met het betrokken reisbureau een overeenkomst tot het verrichten van diensten te sluiten. Het verrichten van een dienst wordt hem daardoor volledig onmogelijk gemaakt.
39 Verzoeker stelt daarnaast, dat een schending van de vrijheid van dienstverrichting ook valt af te leiden uit de analoge toepassing van de formulering in het arrest Bosman, volgens hetwelk sprake is van belemmering van het vrije verkeer van werknemers, wanneer de toegang tot de arbeidsmarkt in een andere Lid-Staat wordt belemmerd.(20) Uit het betoog van verzoeker kan niet precies worden opgemaakt, hoe hij deze analogie ziet. De bedoeling zal zijn, dat wordt nagegaan, of in casu sprake is van een belemmering van de toegang tot de dienstenmarkt van de andere Lid-Staat. Dat is inderdaad het geval, aangezien het verrichten van een dienst onmogelijk is gemaakt. De door verzoeker voorgestelde analogie is echter overbodig. Het Hof heeft ook met betrekking tot de vrijheid van dienstverrichting beslist, dat maatregelen die de toegang tot de dienstenmarkt in andere Lid-Staten rechtstreeks belemmeren, binnen de werkingssfeer van artikel 59 vallen.(21) Een analoge toepassing van de rechtspraak inzake artikel 48 is derhalve niet noodzakelijk.
40 In het geval waarin de toeristengids uit een andere Lid-Staat met een in een andere Lid-Staat dan Griekenland gevestigd reisbureau een overeenkomst sluit, kan ook de door het reisbureau aan de toeristen in Griekenland verleende dienst een dienst in de zin van artikel 59 EG-Verdrag zijn. Dit is inderdaad het geval, aangezien het reisbureau dat niet in Griekenland gevestigd is, daarmee een grensoverschrijdende dienst verricht. Ook wat deze dienst betreft, zie ik geen discriminatie, daar op Griekse en buitenlandse reisbureaus geen uiteenlopende regelingen worden toegepast of daartussen enig onderscheid wordt gemaakt. Niettemin moet ook hier worden gezegd, dat de vrijheid van dienstverrichting van het reisbureau wordt beperkt doordat het niet in staat is met de betrokken toeristengids een overeenkomst te sluiten. Uit dien hoofde kan het ook - zoals ten aanzien van de eerste categorie van gevallen reeds is uiteengezet - als ontvanger van de dienst van de toeristengids zich beroepen op een belemmering van de vrijheid van dienstverrichting. Op de vraag, onder welke voorwaarde een in Griekenland gevestigd reisbureau zich jegens de Griekse Staat op zijn vrijheid van dienstverrichting kan beroepen, kom ik bij mijn bespreking van de derde categorie van gevallen terug.(22)
41 Wat een eventuele belemmering van de toeristen aangaat, verwijs ik naar mijn uiteenzetting over de eerste categorie van gevallen.(23)
42 Ten slotte wil ik het geval bespreken van een Griekse toeristengids die voor een buitenlands reisbureau een georganiseerde reis in Griekenland begeleidt. Ook voor hem is ingevolge artikel 37 de arbeidsovereenkomst de dwingend voorgeschreven vorm, mits hij uiteraard in het bezit is van het desbetreffende diploma. Ook in dit geval verricht de toeristengids een in het kader van artikel 59 relevante dienst. Hij verricht deze ten behoeve van het buitenlandse reisbureau, waarbij dit zich in de persoon van de toeristen over de grens naar Griekenland begeeft om de dienst te ontvangen.
43 Voor de kwestie van de openlijke of verkapte discriminatie verwijs ik naar mijn uiteenzetting over de vorige groep van gevallen.(24)
44 Wat de beperking van de vrijheid van dienstverrichting in het algemeen betreft, moet worden geconstateerd dat deze zich ook in het onderhavige geval voordoet, daar de toeristengids elke mogelijkheid wordt ontnomen om een dienst te verrichten in de zin van artikel 59. Het reisbureau uit een andere Lid-Staat kan zich in dit geval als ontvanger op zijn vrijheid van dienstverrichting beroepen.(25) Men kan zich afvragen, of ook de Griekse toeristengids zich jegens de Griekse Staat op zijn vrijheid van dienstverrichting kan beroepen. Volgens vaste rechtspraak is dit mogelijk, wanneer de diensten worden verricht ten behoeve van ontvangers die in een andere Lid-Staat gevestigd zijn.(26)
45 Dit is in casu het geval, want de dienst wordt verricht ten behoeve van het reisbureau, dat in een andere Lid-Staat gevestigd is. Het gaat er dus om, dat zich een grensoverschrijdend moment voordoet. Hieraan doet daarom niet af, dat de dienst in Griekenland wordt verricht, want wanneer men de feitelijke dienstverrichting beziet, zijn het de toeristen die voor het reisbureau de grens overschrijden om de dienst te ontvangen.
46 In deze situatie kan de toeristengids zich daarom jegens Griekenland op zijn vrijheid van dienstverrichting beroepen.
47 In de tweede plaats moet in dit verband opnieuw de dienst van het reisbureau aan de toeristen onder de loep worden genomen, die wordt belemmerd doordat het reisbureau niet meer vrij kan kiezen of het de toeristengids aanstelt in het kader van een arbeids- dan wel een dienstenovereenkomst.
48 Een belemmering voor de toeristen acht ik ook in dit geval niet aanwezig. Zou om aan het Hof onbekende, in Griekenland gelegen redenen een dergelijke belemmering moeten worden onderzocht, dan is dit een zaak van de nationale rechter.
49 Ik ga er derhalve van uit, dat artikel 37 in meerdere gevallen en constellaties tot een belemmering van de vrijheid van dienstverrichting van toeristengidsen respectievelijk reisbureaus leidt.
50 Verzoeker beroept zich bovendien op schending van artikel 48. Volgens hem brengt het feit dat voor incidentele werkzaamheden de vorm van een arbeidsovereenkomst dwingend is voorgeschreven, ook de verplichte afdracht van premies voor de sociale verzekering mee. Waar de werkzaamheden in Griekenland evenwel slechts van incidentele aard zijn, is de toeristengids dus in een andere Lid-Staat gevestigd en verricht hij aldaar zijn hoofdwerkzaamheden. Dat wil zeggen, dat hij ook in die andere Lid-Staat bij het sociale-verzekeringsstelsel is aangesloten. De premies in Griekenland leveren hem derhalve geen extra sociale bescherming op, en deze zijn daarom onverenigbaar met artikel 48. Verzoeker beroept zich daartoe op het arrest Kemmler.(27) Dit klemt volgens hem te meer, nu ook de werkgever verplicht is premies te betalen. Zonder deze premiebetalingen zou hij in staat zijn, de toeristengids een hoger loon te betalen, hetgeen noodzakelijk is om een buitenlandse toeristengids, die van woonplaats moet veranderen om in Griekenland werkzaam te kunnen zijn, tot deze woonplaatswijziging in staat te stellen.
51 Het probleem is niet, dat de toeristengids eventueel tweemaal premies moet betalen, maar dat voor zijn rechtsverhouding de vorm van een arbeidsovereenkomst dwingend is voorgeschreven. Er zijn stellig ook toeristengidsen die vrijwillig als werknemer in Griekenland werkzaam zijn. Ook voor hen doet zich onder omstandigheden het probleem voor, dat zij dubbele sociale premies moeten afdragen. Dit probleem wordt echter niet veroorzaakt door artikel 37, want het geldt niet alleen voor het in artikel 37 geregelde beperkte gebied van de werkzaamheden van toeristengidsen, maar voor elke werknemer die in een Lid-Staat verplicht verzekerd is voor de sociale zekerheid en tijdelijk in een andere Lid-Staat werkt. Het probleem van de dubbele premiebetaling vindt veeleer zijn oorzaak in andere regelingen die tot deze betaling verplichten (waarbij de vraag is of er in casu een dergelijke regeling is). Verzoeker gaat er daarbij vanuit, dat artikel 37 noodzakelijkerwijs tot dubbele afdracht leidt, hetgeen evenwel, zoals gezegd, niet het geval is.
52 Verzoeker beroept zich bovendien op schending van de handelsvrijheid en - zoals blijkt uit de rechtspraak die hij aanhaalt(28) - de vrije beroepsuitoefening. Dit zijn communautaire grondrechten, waaraan naast de gemeenschapsinstellingen ook de Lid-Staten gebonden zijn, voor zover zij het gemeenschapsrecht uitvoeren, in het bijzonder bij de omzetting van richtlijnen in nationaal recht of de uitvoering van verordeningen.(29) Het onderhavige geval betreft evenwel door een Lid-Staat vastgesteld nationaal recht, dat niet dient ter uitvoering van gemeenschapsrecht. Er kan daarom in casu geen beroep worden gedaan op schending van communautaire grondrechten.
53 Nadat men tot de conclusie is gekomen, dat de artikelen 59 en volgende EG-Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat deze aan een regeling met de inhoud van artikel 37 in de weg staan, moet worden nagegaan, of een dergelijke schending eventueel gerechtvaardigd zou kunnen zijn. Dit probleem komt aan de orde in het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag.
54 Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan het vrij verkeer van diensten als grondbeginsel van het Verdrag slechts worden beperkt door bepalingen die hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang en die gelden voor iedere persoon of onderneming die op het grondgebied van de Lid-Staat van ontvangst werkzaam is. De gestelde eisen moeten in het bijzonder objectief noodzakelijk zijn voor de bescherming van deze redenen van algemeen belang en mogen niet verder gaan dan ter bereiking van deze doelstellingen noodzakelijk is.(30)
55 Alle partijen in de procedure verwijzen naar deze rechtspraak van het Hof, maar bij de toepassing van genoemde criteria komen zij tot verschillende uitkomsten. Zo wijst de verwijzende rechter er reeds op, dat artikel 37 voor de handhaving van de arbeidsvrede in de gevoelige sector van de diensten door georganiseerde rondleidingen, die rechtstreeks verband houdt met het vitale belang van het toerisme voor de Griekse economie, om redenen van algemeen belang noodzakelijk en in dit licht gerechtvaardigd is. Deze mening zijn ook interveniënten en de Griekse regering toegedaan; zij wijzen erop, dat artikel 37 is ingevoerd ter handhaving van de arbeidsvrede en de stabiliteit in de gevoelige sector van de diensten op het gebied van het toerisme, een gebied dat voor de Griekse economie van groot belang is. Volgens interveniënten is met deze stabiliteit de sociale zekerheid van de personen die in de toeristensector werkzaam zijn, bedoeld. Ook de Griekse regering heeft ter terechtzitting gesteld, dat artikel 37 de toeristengidsen onder de bescherming van het Griekse arbeidsrecht brengt.
56 De Commissie en verzoeker daarentegen komen tot de conclusie, dat er in casu geen sprake is van dwingende redenen van algemeen belang.
57 Door het Hof zijn tot dusverre als dwingende redenen van algemeen belang bijvoorbeeld erkend(31): de werknemersbescherming(32), de consumentenbescherming(33), het behoud van het nationaal historisch en artistiek bezit(34), de exploitatie van de archeologische, historische en artistieke rijkdommen en de ruimst mogelijke verspreiding van de kennis van de kunst en cultuur van een land.(35)
58 Op dit laatste heeft de Griekse regering zich in de vorige procedure beroepen. In de onderhavige zaak heeft zij zich ter terechtzitting weliswaar ook op deze grond beroepen en gewezen op het grote cultuurbezit van het land, maar uitsluitend om te illustreren dat voor dergelijke landen het toerisme van groot belang is voor de nationale economie. Ook in haar schriftelijke opmerkingen wijst zij op de gevolgen die het reeds jaren slepende CAO-conflict voor deze belangrijke economische sector heeft gehad.
59 Ook in de toelichting op de in geding zijnde wet wordt uitsluitend gewezen op de nadelige gevolgen van het CAO-conflict voor het toerisme in Griekenland en voor het openbaar belang.
60 Het is niet de taak van het Hof, het nationale recht uit te leggen. Uit het naar voren gebrachte blijkt evenwel, dat artikel 37 is ingevoerd om een langdurig CAO-conflict te beslechten en daarmee verdere schade aan het toerisme - en daarmee de economie van het land - te vermijden. De Griekse regering zelf heeft ter terechtzitting gesteld, dat de maatregel is genomen om de goede werking van de nationale economie te waarborgen. Zoals verzoeker evenwel terecht betoogt, kunnen nationale economische doelstellingen ingevolge de rechtspraak van het Hof geen redenen van openbare orde en algemeen belang zijn die een beperking van een door het Verdrag beschermd grondrecht rechtvaardigen.(36) Daarmee wil ik niet zeggen, dat de Griekse regering niet een zonder meer gerechtvaardigd belang bij de werking van haar economie heeft. Dit doel mag evenwel niet ten koste van de deelnemers aan het economisch verkeer uit andere Lid-Staten en dus in strijd met het Verdrag worden nagestreefd.
61 Betreffende de stelling van de Griekse regering en interveniënten, dat artikel 37 noodzakelijk was voor de handhaving van de arbeidsvrede, betoogt de Commissie dat de handhaving van de arbeidsvrede geen reden van algemeen belang kan zijn, wanneer het erom gaat een CAO-conflict te beslechten. Zij licht dit niet nader toe.
62 Mijns inziens kan de handhaving van de arbeidsvrede stellig als reden van algemeen belang worden erkend. Blijkens het aangevoerde lijkt evenwel vast te staan, dat de handhaving van de arbeidsvrede in casu werd nagestreefd als middel tot een bepaald doel en dat het eigenlijke doel van de maatregel de goede werking van de economische toerismesector was. Of dit volstaat om het bestaan van dwingende redenen van algemeen belang aan te nemen ter beperking van de vrijheid van dienstverrichting, lijkt mij uiterst twijfelachtig, aangezien nationale economische belangen op zich niet volstaan om een dergelijke beperking te rechtvaardigen. En dan moet vervolgens nog worden onderzocht, of de Griekse regering zich voor het bereiken van haar doel van een rechtmatig middel heeft bediend.
63 Wanneer de Griekse regering stelt, dat zij de toeristengidsen onder de bescherming van het Griekse arbeidsrecht wil brengen, kan dit niet als werknemersbescherming in de zin van dwingende redenen van algemeen belang worden erkend. Enerzijds wordt niet verduidelijkt, in hoeverre het Griekse arbeidsrecht de toeristengids bijzondere bescherming biedt. Anderzijds is het niet de bedoeling, werknemers te beschermen, maar personen de vrijheid tot het verrichten van diensten te ontnemen door hen hoe dan ook rechtens als werknemer aan te merken.
64 In de toelichting op de Griekse wet heet het - zonder dat dit nader wordt verklaard - dat aan de voor de rechtspositie van de loontrekkenden ongunstige onduidelijkheid een einde moet worden gemaakt. Ook deze grond rechtvaardigt geen aantasting van de in het Verdrag gewaarborgde vrijheid van dienstverrichting.
65 Ten slotte heeft de Griekse regering ter terechtzitting verklaard, dat zij de maatregel heeft genomen om de hoge kwaliteit van de diensten aan de consument veilig te stellen. Als eerste doel noemt zij echter de goede werking van de nationale economie. Weliswaar kan een slechte werking in de toerismesector ook de kwaliteit van de diensten van toeristengidsen nadelig beïnvloeden, maar anderzijds brengen slechte diensten van toeristengidsen weer schade toe aan de nationale economie. Op grond van deze wisselwerking en omdat op de consumentenbescherming niet nader is ingegaan, lijken mij ook hier economische motieven op de voorgrond te staan. Ik kom dan ook tot de conclusie, dat er geen sprake is van een rechtvaardiging om dwingende redenen van algemeen belang.
66 Ofschoon reeds op deze gronden geen rechtvaardiging van de schending van de vrijheid van dienstverrichting kan worden aanvaard, wil ik hierna nog onderzoeken, of de Griekse regering ter verwezenlijking van haar doel de in geding zijnde maatregel mocht nemen. Een criterium in dit verband is dat de maatregel geschikt is voor de verwezenlijking van de gestelde doelen. Dit lijkt mij om verschillende redenen niet het geval. In de eerste plaats wordt door geen van de partijen betoogd, dat het voor de beslechting van het CAO-conflict noodzakelijk is, de activiteit van zelfstandige toeristengidsen uit andere Lid-Staten, respectievelijk ten behoeve van reisbureaus uit andere Lid-Staten, op het gebied van georganiseerde reizen, te beperken. Er wordt zelfs niet gesteld, dat deze activiteit van enige invloed is op het CAO-conflict. Reeds daarom kan een beperking van de activiteit van toeristengidsen uit andere Lid-Staten, respectievelijk ten behoeve van reisbureaus uit andere Lid-Staten, niet geschikt zijn voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel.
67 In de tweede plaats is blijkens hetgeen ook de Griekse regering ter terechtzitting heeft verklaard, het CAO-conflict thans nog altijd niet bijgelegd. Artikel 37 heeft derhalve het ermee nagestreefde doel niet kunnen verwezenlijken en het kan dan ook niet worden aangemerkt als een bepaling die geschikt is ter rechtvaardiging van een beperking van de vrijheid van dienstverrichting. Blijkens verzoekers verklaring ter terechtzitting is artikel 37 bovendien evenmin geschikt gebleken voor de bescherming van de positie van de in de toeristenbranche werkzame personen, aangezien uit deze verklaring onweersproken blijkt, dat het tot op heden zelfs niet mogelijk is geweest om in het kader van de dwingend voorgeschreven arbeidsovereenkomst een vast maandloon te garanderen. Ten slotte wordt niet uiteengezet, in hoeverre artikel 37 de consumentenbelangen kan beschermen door de kwaliteit van de diensten van toeristengidsen te garanderen. In eerste instantie moet de kwaliteit worden verzekerd door de opleiding die van de toeristengids wordt geëist en niet door het karakter van de rechtsverhouding waarbinnen hij zijn diensten aanbiedt. Ik concludeer dan ook, dat artikel 37 niet geschikt was voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel (dat zoals gezegd geen gerechtvaardigd algemeen belang vormt).
68 Hieruit volgt automatisch, dat artikel 37 ook geen ter verwezenlijking van het doel noodzakelijke maatregel is.
69 Voorts volgt hieruit, dat een ongeschikte maatregel tegelijkertijd een onevenredige maatregel in engere zin is. De Griekse regering staat namelijk een minder ingrijpend middel ter beschikking: zij zou de toeristengidsen en reisbureaus uit andere Lid-Staten uitdrukkelijk van artikel 37 kunnen uitsluiten - te meer nu naar zij zelf verklaart, slechts weinig buitenlandse toeristengidsen door deze regeling worden geraakt.
70 Uit het voorgaande volgt, dat artikel 37 in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat ook op deze grond niet kan worden geconcludeerd, dat de schending van de vrijheid van dienstverrichting door artikel 37, gerechtvaardigd is.
71 Ik kom dan ook tot de slotsom, dat de artikelen 59 en volgende EG-Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat een bepaling als artikel 37 daarmee in strijd is. Deze bepaling is evenmin gerechtvaardigd op grond van het algemeen belang en bovendien is zij onevenredig.
C - Conclusie
72 Ik geef het Hof daarom in overweging, de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
"De artikelen 59 en volgende EG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat een bepaling als artikel 37 van wet nr. 1545/1985, waarbij onder de daarin gestelde voorwaarden aan de betrokkenen de vorm van de arbeidsovereenkomst dwingend wordt voorgeschreven, daarmee in strijd is. De schending van de vrijheid van dienstverrichting die door deze bepaling wordt veroorzaakt, is geen geoorloofd middel voor de verzekering van de arbeidsvrede op het voor een toeristisch land gevoelige gebied van de verrichting van toeristische diensten."
(1) - Arrest van 26 februari 1991 (zaak C-198/89, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1991, blz. I-727).
(2) - Arresten van 13 maart 1984 (zaak 16/83, Prantl, Jurispr. 1984, blz. 1299, r.o. 10); 17 juni 1975 (zaak 7/75, Echtelieden F., Jurispr. 1975, blz. 679, r.o. 10), en 20 februari 1973 (zaak 54/72, FOR, Jurispr. 1973, blz. 193, r.o. 8).
(3) - Arresten van 22 september 1988 (zaak 212/87, Unilec, Jurispr. 1988, blz. 5075, r.o. 6 e.v.); 11 juni 1987 (zaak 14/86, Pretore di Salò, Jurispr. 1987, blz. 2545, r.o. 15 e.v.), en 13 maart 1986 (zaak 54/85, Mirepoix, Jurispr. 1986, blz. 1067, r.o. 6).
(4) - Arrest van 9 februari 1995 (zaak C-412/93, Leclerc-Siplec, Jurispr. 1995, blz. I-179, r.o. 11 en 12).
(5) - Zie mijn conclusie van 20 september 1995 in zaak C-415/93 (Bosman, Jurispr. 1995, blz. I-4921, I-4930, punt 68 e.v., waarin nog naar andere zaken wordt verwezen).
(6) - Arrest van 13 december 1989 (zaak C-49/89, Corsica Ferries, Jurispr. 1989, blz. 4441, r.o. 8).
(7) - Arrest Commissie/Griekenland (reeds aangehaald in voetnoot 1, r.o. 5).
(8) - Zie mijn conclusie van 5 december 1990 bij het arrest van 26 februari 1991 (zaak C-154/89, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1991, blz. I-659, I-666, punt 17).
(9) - Arrest Commissie/Griekenland (aangehaald in voetnoot 1, r.o. 10).
(10) - Zie mijn conclusie bij het arrest van 26 februari 1991 (Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald in voetnoot 8, punt 27).
(11) - Arrest van 25 juli 1991 (zaak C-76/90, Säger, Jurispr. 1991, blz. I-4221, r.o. 12).
(12) - Arresten van 4 december 1986 (zaak 205/84, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1986, blz. 3755, r.o. 52), en 6 juni 1996 (zaak C-101/94, Commissie/Italië, Jurispr. 1996, blz. I-2691, r.o. 31). Daarbij wordt als ontkenning van het vrij verrichten van diensten aangemerkt, wanneer voor het verrichten van de dienst een vestigingsvereiste wordt gesteld.
(13) - Arrest van 10 mei 1995 (zaak C-384/93, Alpine Investments, Jurispr. 1995, blz. I-1141, r.o. 35 e.v.).
(14) - Arrest Commissie/Griekenland (aangehaald in voetnoot 1, r.o. 17).
(15) - Arresten van 2 februari 1989 (zaak 186/87, Cowan, Jurispr. 1989, blz. 195, r.o. 15), en 31 januari 1984 (gevoegde zaken 286/82 en 26/83, Luisi en Carbone, Jurispr. 1984, blz. 377, r.o. 16).
(16) - Arrest Commissie/Griekenland (aangehaald in voetnoot 1, r.o. 17); zie ook arrest van 17 mei 1994 (zaak C-18/93, Corsica Ferries Italia, Jurispr. 1994, blz. I-1783, r.o. 21).
(17) - Zo zou een deelnemer aan een georganiseerde reis heel wel kunnen besluiten, de Akropolis niet te bezichtigen met de (gediplomeerde) reisbegeleider van de groep, maar met een door hem aangetrokken zelfstandig werkzame Griekse gids met diploma.
(18) - Arrest van 15 december 1995 (zaak C-415/93, Bosman, Jurispr. 1995, blz. I-4921, r.o. 103).
(19) - Arrest van 28 juni 1978 (zaak 70/77, Simmenthal, Jurispr. 1978, blz. 1453, r.o. 57 en 58).
(20) - Arrest Bosman (aangehaald in voetnoot 18, r.o. 103).
(21) - Zie in het bijzonder het arrest Alpine Investments (aangehaald in voetnoot 13, r.o. 33 e.v.).
(22) - Zie punt 44.
(23) - Zie punt 17 e.v., in het bijzonder punt 31.
(24) - Zie punt 23 e.v. en 33 e.v.
(25) - Arrest Luisi en Carbone (aangehaald in voetnoot 15, r.o. 16).
(26) - Arrest Alpine Investments (aangehaald in voetnoot 13, r.o. 30) en de aldaar genoemde verwijzingen.
(27) - Arrest van 15 februari 1996 (zaak C-53/95, Jurispr. 1996, blz. I-703).
(28) - Arresten van 13 december 1979 (zaak 44/79, Hauer, Jurispr. 1979, blz. 3727, r.o. 31 e.v.), en 7 februari 1985 (zaak 240/83, ADBHU, Jurispr. 1985, blz. 531, r.o. 9 e.v.).
(29) - Arresten van 25 november 1986 (gevoegde zaken 201/85 en 202/85, Klensch e.a., Jurispr. 1986, blz. 3477, r.o. 8 e.v.), en 13 juli 1989 (zaak 5/88, Wachauf, Jurispr. 1989, blz. 2609, r.o. 19).
(30) - Arrest Säger (aangehaald in voetnoot 11, r.o. 15); arresten van 25 juli 1991 (zaak C-288/89, Collectieve Antennevoorziening Gouda, Jurispr. 1991, blz. I-4007, r.o. 13 e.v.); 30 november 1995 (zaak C-55/94, Gebhard, Jurispr. 1995, blz. I-4165, r.o. 37), en 31 maart 1993 (zaak C-19/92, Kraus, Jurispr. 1993, blz. I-1663, r.o. 32).
(31) - Arrest Collectieve Antennevoorziening Gouda (aangehaald in voetnoot 30, r.o. 14).
(32) - Arrest van 17 december 1981 (zaak 279/80, Webb, Jurispr. 1981, blz. 3305, r.o. 19); 3 februari 1982 (gevoegde zaken 62/81 en 63/81, Seco, Jurispr. 1982, blz. 223, r.o. 14), en 27 maart 1990 (zaak C-113/89, Rush Portuguesa, Jurispr. 1990, blz. I-1417, r.o. 18).
(33) - Arresten van 4 december 1986 (zaak 220/83, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1986, blz. 3663, r.o. 20; zaak 252/83, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1986, blz. 3713, r.o. 20, en Commissie/Duitsland, aangehaald in voetnoot 12, r.o. 30).
(34) - Arrest van 26 februari 1991 (zaak C-180/89, Commissie/Italië, Jurispr. 1991, blz. I-709, r.o. 20).
(35) - Arrest van 26 februari 1991 (zaak C-154/89, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1991, blz. I-659, r.o. 17), en arrest Commissie/Griekenland (aangehaald in voetnoot 1, r.o. 21).
(36) - Arrest Collectieve Antennevoorziening Gouda (aangehaald in voetnoot 30, r.o. 11, 27-29), en arrest van 25 juli 1991 (zaak C-353/89, Commissie/Nederland, Jurispr. 1991, blz. I-4069, r.o. 45-48) betreffende dwingende redenen van algemeen belang ter rechtvaardiging van een beperking van de vrijheid van diensten; arresten van 26 april 1988 (zaak 352/85, Bond van Adverteerders, Jurispr. 1988, blz. 2085, r.o. 32 en 33), en 4 mei 1993 (zaak C-17/92, Distribuidores Cinematográficos, Jurispr. 1993, blz. I-2239, r.o. 15 en 20-22) betreffende redenen van openbare orde in de zin van artikel 56 EG-Verdrag ter rechtvaardiging van een discriminatie op het gebied van de vrijheid van diensten.
Full & Egal Universal Law Academy