Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Gelijke beloning - Artikel 119 van Verdrag - Werkingssfeer - Betrekkingen in overheidsdienst - Daaronder begrepen
(EG-Verdrag, art. 119)
2 Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Gelijke beloning - Artikel 119 van Verdrag en richtlijn 75/117 - Werkingssfeer - Berekening van anciënniteit van deeltijdwerknemers met oog op bevordering - Daarvan uitgesloten
(EG-Verdrag, art. 119; richtlijn 75/117 van de Raad)
3 Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Toegang tot arbeidsproces en arbeidsvoorwaarden - Gelijke behandeling - Berekening van anciënniteit van deeltijdwerknemers, die gevolgen kan hebben voor hun bevorderingskansen - Maatregel die hoofdzakelijk vrouwen raakt - Ontoelaatbaarheid bij ontbreken van objectieve rechtvaardigingsgronden - Objectieve rechtvaardigingscriteria
(Richtlijn 76/207 van de Raad)
Samenvatting
4 Artikel 119 van het Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het van toepassing is op publiekrechtelijke dienstbetrekkingen. Het ware in strijd met het doel van dit artikel, het overheidspersoneel van het toepassingsgebied ervan uit te sluiten.
5 Een nationale bepaling inhoudende dat voor de berekening van de anciënniteit van de ambtenaren de perioden van tewerkstelling met een arbeidsduur tussen de helft en twee derde van de normale arbeidsduur, slechts voor twee derde meetellen, valt niet onder artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 75/117 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers. Een dergelijke bepaling is hoofdzakelijk bedoeld om vanuit het oogpunt van de anciënniteit de toegang van de ambtenaren te regelen tot hogere ambten, en heeft derhalve slechts indirecte gevolgen voor het bezoldigingsniveau van de betrokkene, na afloop van de bevorderingsprocedure.
6 Richtlijn 76/207 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, verzet zich tegen een nationale wettelijke regeling, bepalende dat voor de berekening van de anciënniteit van de ambtenaren de perioden van tewerkstelling met een arbeidsduur tussen de helft en twee derde van de normale arbeidsduur slechts voor twee derde meetellen, behoudens wanneer deze wettelijke regeling haar rechtvaardiging vindt in objectieve criteria die losstaan van elke discriminatie op grond van geslacht. Hoewel de omstandigheid dat een dergelijke wettelijke regeling een aanzienlijk groter aantal vrouwelijke dan mannelijke werknemers treft, in beginsel een schending van deze richtlijn is, is zulks niet het geval indien, ofschoon voor de met name vrouwelijke deeltijdwerknemers een gunstiger anciënniteitsberekening is toegepast dan die volgens het strikte evenredigheidscriterium, blijkt dat de deeltijdwerknemers normaal minder snel dan de voltijdwerknemers de bekwaamheid en geschiktheid voor hun activiteiten verwerven, en bovendien de bevoegde instanties kunnen aantonen dat de middelen die zijn gekozen ter verwezenlijking van een rechtmatig oogmerk van het sociaal beleid, geschikt en noodzakelijk zijn ter verwezenlijking van het daardoor nagestreefde doel.
Partijen
In zaak C-1/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Bayerische Verwaltungsgericht Ansbach (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
H. Gerster
en
Freistaat Bayern,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag, richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB 1975, L 45, blz. 19), en richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: J. L. Murray (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, P. J. G. Kapteyn en G. Hirsch, rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- H. Gerster, vertegenwoordigd door M. Schilke, advocaat te Nürnberg,
- Freistaat Bayern, vertegenwoordigd door W. Rzepka, Generallandesanwalt bei der Landesanwaltschaft Bayern,
- de Ierse regering, vertegenwoordigd door M. A. Buckley, Chief State Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door M. Finlay, Senior Counsel at the Bar of Ireland, en F. Flanagan, Barrister,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Nicoll, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door D. Pannick, QC,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Docksey, lid van haar juridische dienst, en H. Kreppel, bij de juridische dienst van de Commissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van H. Gerster, vertegenwoordigd door M. Schilke; Freistaat Bayern, vertegenwoordigd door G. Weber, Oberlandesanwalt bei der Landesanwaltschaft Bayern; de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos, adjunct-juridisch adviseur bij de juridische dienst van de Staat, als gemachtigde; de Ierse regering, vertegenwoordigd door M. Finlay en F. Flanagan; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door D. Pannick, en de Commissie, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door K. Bertelsmann, advocaat te Hamburg, ter terechtzitting van 13 juni 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 oktober 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 23 november 1994, bij het Hof ingekomen op 5 januari 1995, heeft het Bayerische Verwaltungsgericht Ansbach krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag, richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB 1975, L 45, blz. 19), en richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen H. Gerster en Freistaat Bayern betreffende de afwijzing door deze laatste van Gersters sollicitatie naar een post waarin bij wege van bevordering diende te worden voorzien.
3 In artikel 119 van het Verdrag is het beginsel neergelegd van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid. Volgens de tweede alinea van dit artikel, is in dit verband onder beloning te verstaan, het gewone basis- of minimumloon of -salaris, en alle overige voordelen in geld of in natura die de werkgever direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt.
4 Artikel 1 van richtlijn 75/117 verwijst naar het beginsel van gelijke beloning, dat "inhoudt dat voor gelijke arbeid of voor arbeid waaraan gelijke waarde wordt toegekend ieder onderscheid naar kunne wordt afgeschaft ten aanzien van alle elementen en voorwaarden van de beloning".
5 Volgens artikel 1, lid 1, van richtlijn 76/207, beoogt zij de tenuitvoerlegging in de Lid-Staten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen, en tot de beroepsopleiding, alsmede ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden. Dit is het "beginsel van gelijke behandeling". Artikel 3, lid 1, bepaalt: "De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht voor wat betreft de toegangsvoorwaarden, met inbegrip van de selectiecriteria, tot beroepen of functies, ongeacht de sector of de bedrijfstak, en tot alle niveaus van de beroepshiërarchie."
6 Artikel 3, lid 2, van het Duitse Grundgesetz (grondwet; hierna: "GG") bepaalt, dat mannen en vrouwen dezelfde rechten hebben. Voorts bepaalt dit artikel, dat de staat de daadwerkelijke toepassing van het beginsel van gelijke rechten voor mannen en vrouwen bevordert en zich inzet om een einde te maken aan de bestaande ongelijkheden. Wat de personeelsleden betreft, ongeacht of zij ambtenaar, bediende of handarbeider zijn, bepaalt artikel 33, lid 2, GG: "Elke Duitser heeft overeenkomstig zijn geschiktheid, bekwaamheid en prestaties, toegang tot alle openbare ambten."
7 Het Beamtenrechtsrahmengesetz (kaderwet inzake openbare ambten; hierna: "BRRG") legt de Länder een aantal verplichtingen op bij de vaststelling binnen hun bevoegdheidssfeer van wettelijke, reglementaire of bestuursrechtelijke bepalingen, waarbij hun op de andere dan dwingende punten een beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. Zo is in § 7 BRRG bepaald, dat de benoemingen geschieden op basis van de geschiktheid, bekwaamheid en prestaties van de kandidaten, zonder onderscheid naar geslacht.
8 Zowel in het kader van de Bondsstaat als in dat van de Länder gelden voor openbare ambten statutaire regelingen, die zijn onderworpen aan de wettelijke bepalingen van de Bondsstaat, of in het geval van de Länder, aan die van de verschillende Länder. De aanwerving, de voorbereidende stage en de loopbaan zijn aldus voor alle categorieën van het overheidspersoneel geregeld.
9 Voor de ambtenaren van het Land Bayern geldt de Laufbahnverordnung (loopbaanregeling; hierna: "LbV"). Volgens deze regeling wordt bij bevordering naar een ambt van een hogere rang rekening gehouden met criteria gebaseerd op verdienste en anciënniteit. Na de vaststelling van de beoordeling door de hiërarchieke chef van de ambtenaar, gaat een termijn, de zogeheten "minimumproeftijd", in vanaf de laatste bevordering van de ambtenaar, en bij het verstrijken van die termijn kan hij in een ambt van een hogere rang worden aangesteld. Een ambtenaar die de beoordeling "zeer goed" heeft gekregen, kan aldus worden bevorderd tot een post van een hogere rang wanneer hij in zijn ambt een dienstanciënniteit van ten minste drie en een half jaar heeft. Had hij evenwel de beoordeling "voldoet ruimschoots aan de gestelde eisen" gekregen, dan zou deze termijn vijf jaar hebben bedragen. Na het verstrijken van de minimumproeftijd, kan de ambtenaar vanaf de "theoretische datum voor bevordering", daadwerkelijk worden bevorderd indien er een vacante post is. Na het verstrijken van de daadwerkelijke proeftijd wordt de ambtenaar op een lijst geplaatst van "personen die voor bevordering in aanmerking komen". De betrokkenen zijn op die lijst gerangschikt volgens de theoretische datum voor bevordering.
10 § 13, lid 2, LbV, dat van toepassing was ten tijde van de feiten in het hoofdgeding, bepaalt, dat "de periodes van tewerkstelling tijdens welke de arbeidsduur minder dan de helft bedroeg van de normale arbeidsduur, niet in aanmerking worden genomen bij de anciënniteitsberekening. De periodes van tewerkstelling tijdens welke de arbeidsduur ten minste overeenkomt met de helft van de normale arbeidsduur, worden voor twee derde daarvan meegerekend bij de anciënniteitsberekening. De periodes van tewerkstelling tijdens welke de arbeidsduur meer dan twee derde van de normale arbeidsduur bedraagt, worden volledig meegerekend bij de anciënniteitsberekening."
11 § 13, lid 2, LbV is in 1995 gewijzigd. Dit artikel bepaalt thans, dat vanaf 17 oktober 1995, met het oog op de berekening van de dienstanciënniteit bij bevordering, deeltijdwerknemers en voltijdwerknemers gelijk worden behandeld. Voorts heet het in deze bepaling, dat om vast te stellen in welke mate periodes met onvolledige arbeidsduur moeten worden meegerekend, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van elk concreet geval. Gelet op de datum waarop Gerster is opgekomen tegen het besluit tot afwijzing van haar sollicitatie, moet evenwel worden vastgesteld, dat deze wijziging op haar niet van toepassing is.
12 Gerster is op 1 augustus 1966 in dienst getreden bij de belastingdienst van de Freistaat Bayern. Zij is op 1 mei 1968 als ambtenaar op proef aangesteld, en op 27 juni 1977 als ambtenaar in vaste dienst; van 7 september 1984 tot 6 september 1987 had zij verlof zonder wedde. Vanaf die datum heeft zij halftijds gewerkt bij het Finanzamt van de Freistaat Bayern.
13 Bij brief van 2 december 1993 heeft Gerster gesolliciteerd naar een vacante post bij het Finanzamt Nürnberg West, met het verzoek bij de beoordeling van haar sollicitatie, voor de berekening van haar dienstanciënniteit rekening te houden met het volledige tijdvak van haar deeltijdarbeid vanaf september 1987.
14 Bij besluit van 5 januari 1994 heeft de Oberfinanzdirektion Nürnberg Gersters sollicitatie afgewezen, op grond dat de vacante post moest worden toegewezen aan een ambtenaar die vóór haar stond op de "lijst van voor bevordering in aanmerking komende kandidaten". Bij besluit van 25 april 1994 heeft de Oberfinanzdirektion de klacht van verzoekster in het hoofdgeding tegen dit besluit ongegrond verklaard.
15 Op 20 mei 1994 heeft Gerster bij de verwijzende rechter beroep ingesteld, stellende dat het besluit tot afwijzing van haar sollicitatie in strijd was met het gemeenschapsrecht, meer in het bijzonder met artikel 119 van het Verdrag en met de richtlijnen 75/117 en 76/207.
16 In deze omstandigheden heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende drie vragen:
"1) Is artikel 119 EEG-Verdrag van toepassing op ambtenaren?
2) Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, is er dan sprake van schending van artikel 119 EEG-Verdrag en van richtlijn 75/117/EEG van de Raad in de vorm van een $indirecte discriminatie van vrouwen', nu § 13, lid 2, tweede zin, van de Laufbahnverordnung (LbV) bepaalt, dat bij de berekening van de anciënniteit van ambtenaren de perioden van tewerkstelling met een arbeidsduur van ten minste de helft tot twee derde van de normale arbeidsduur, slechts voor twee derde meetellen?
3) Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, is er dan sprake van schending van richtlijn 76/207/EEG van de Raad in de vorm van $indirecte discriminatie van vrouwen' met betrekking tot de promotiekansen, nu § 13, lid 2, tweede zin, LbV bepaalt, dat bij de berekening van de anciënniteit van ambtenaren de perioden van tewerkstelling met een arbeidsduur van ten minste de helft tot twee derde van de normale arbeidsduur, slechts voor twee derde meetellen?"
De eerste vraag
17 Artikel 119 van het Verdrag stelt het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid. Zoals het Hof heeft verklaard in zijn arrest van 8 april 1976 (zaak 43/75, Defrenne II, Jurispr. 1976, blz. 455, r.o. 12), is dit beginsel een der grondslagen van de Gemeenschap.
18 Het ware in strijd met het doel van artikel 119, het overheidspersoneel van het toepassingsgebied ervan uit te sluiten. Overigens heeft het Hof in zijn arrest van 21 mei 1985 (zaak 248/83, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1985, blz. 1459, r.o. 16) vastgesteld, dat richtlijn 76/207, zoals ook richtlijn 75/117, ook voor publiekrechtelijke dienstverhoudingen geldt. Het Hof heeft daaraan toegevoegd, dat deze richtlijnen, evenals artikel 119, een algemene strekking hebben, voortvloeiend uit de aard van het erin neergelegde beginsel.
19 Op de eerste vraag moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 119 van het Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het van toepassing is op publiekrechtelijke dienstbetrekkingen.
De tweede vraag
20 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 75/117 zich verzetten tegen een bepaling die inhoudt dat bij de berekening van de anciënniteit van ambtenaren de perioden van tewerkstelling met een arbeidsduur tussen de helft en twee derde van de normale arbeidsduur, slechts voor twee derde worden meegeteld.
21 Het Hof heeft er in zijn arrest van 15 juni 1978 (zaak 149/77, Defrenne III, Jurispr. 1978, blz. 1365, r.o. 20) op gewezen, dat de draagwijdte van artikel 119 niet mag worden uitgebreid tot andere elementen in de arbeidsverhouding dan die waarop het uitdrukkelijk ziet.
22 Volgens Gerster gaat het in het hoofdgeding, zoals in het arrest van 7 februari 1991 (zaak C-184/89, Nimz, Jurispr. 1991, blz. I-297), om een vrijwel automatische regeling voor de overgang naar een ander bezoldigingsniveau, die onder het begrip beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag valt, en in strijd is met richtlijn 75/117.
23 Wanneer, zoals in het hoofdgeding, een ambtenaar op de lijst wordt geplaatst van kandidaten die voor bevordering in aanmerking komen, is zijn overgang naar een post van een hogere rang, en dus naar een hoger bezoldigingsniveau, geen recht maar een loutere mogelijkheid. De daadwerkelijke bevordering hangt af van verschillende elementen, in die zin dat er in de eerste plaats een vacature dient te zijn voor een post van een hogere rang, en in de tweede plaats, dat hij op de lijst van voor bevordering in aanmerking komende kandidaten moet blijven staan. Een bepaling zoals § 13, lid 2, tweede alinea, LbV is dus hoofdzakelijk bedoeld om vanuit het oogpunt van de anciënniteit de toegang van de ambtenaren te regelen tot de lijst van voor bevordering en dus voor hogere ambten in aanmerking komende kandidaten. Zij heeft derhalve slechts indirecte gevolgen voor het bezoldigingsniveau van de betrokkene na afloop van de bevorderingsprocedure.
24 In voormeld arrest Nimz ging het om een bevordering na afloop van een proeftijd op basis van een bepaalde anciënniteit. Deze bevordering vond vrijwel automatisch plaats zodra de betrokkene de voorgeschreven termijn had volbracht zonder te worden ontslagen. De regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, staat weliswaar onrechtstreeks in verband met de bezoldiging, doch betreft de toegang tot bevordering in het kader van een beroepsloopbaan. Een dergelijke ongelijkheid valt dus niet onder artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 75/117.
25 Op de tweede vraag moet derhalve worden geantwoord, dat een nationale bepaling inhoudende dat voor de berekening van de anciënniteit van de ambtenaren de perioden van tewerkstelling met een arbeidsduur tussen de helft en twee derde van de normale arbeidsduur, slechts voor twee derde meetellen, niet onder artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 75/117 vallen.
De derde vraag
26 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of richtlijn 76/207 zich verzet tegen een nationale bepaling inhoudende dat voor de berekening van de anciënniteit van de ambtenaren, de perioden van tewerkstelling met een arbeidsduur tussen de helft en twee derde van de normale arbeidsduur, slechts voor twee derde meetellen.
27 Artikel 1 van richtlijn 76/207 bepaalt, dat de richtlijn de tenuitvoerlegging in de Lid-Staten beoogt van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen.
28 Volgens artikel 3 van deze richtlijn is iedere vorm van discriminatie uitgesloten op grond van geslacht wat betreft de toegangsvoorwaarden, met inbegrip van de selectiecriteria, tot beroepen of functies, ongeacht de sector of de bedrijfstak, en tot alle niveaus van de beroepshiërarchie.
29 Vastgesteld moet worden, dat de nationale bepaling die in het hoofdgeding aan de orde is, geen rechtstreekse discriminatie teweegbrengt, nu de berekeningsmethode voor de anciënniteit van de deeltijdwerknemers niet op basis van geslacht is vastgesteld. Onderzocht moet dus worden, of een dergelijke bepaling een onrechtstreekse discriminatie kan vormen.
30 Volgens vaste rechtspraak is er indirecte discriminatie wanneer de toepassing van een nationale maatregel, al is hij op neutrale wijze geformuleerd, in feite een groter aantal vrouwen dan mannen benadeelt (zie, in die zin, arresten van 14 december 1995, zaak C-444/93, Megner en Scheffel, Jurispr. 1995, blz. I-4741, r.o. 24, en 24 februari 1994, zaak C-343/92, Roks e.a., Jurispr. 1994, blz. I-571, r.o. 33).
31 Volgens § 13, lid 2, LbV wordt bij deeltijds werkend personeel dat langer werkt dan twee derde van de normale arbeidsduur, bij de berekening van de anciënniteit de arbeidsduur volledig meegeteld. Wie ten minste de helft van de normale arbeidsduur werkt, wordt in het kader van de anciënniteitsberekening geacht twee derde van de normale arbeidsduur te hebben gewerkt, doch wanneer minder dan de helft van de normale arbeidsduur wordt gewerkt, wordt daarmee bij de anciënniteitsberekening in het geheel geen rekening gehouden.
32 Vaststaat dus, dat de nationale bepaling die in het hoofdgeding aan de orde is, de deeltijdwerknemers minder gunstig behandelt dan de voltijdwerknemers, aangezien hun anciënniteit langzamer aangroeit, en zij dus eerst later voor bevordering in aanmerking komen.
33 Volgens Gerster zijn in de dienst waarin zij haar anciënniteit heeft verworven, 87 % van de deeltijdwerknemers vrouwen. Uit de vaststellingen van de verwijzende rechter volgt, dat dit percentage eveneens geldt in het ruimere kader van de Beierse overheidsdienst.
34 In een dergelijk geval moet worden vastgesteld, dat bepalingen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, in feite tot gevolg hebben dat vrouwelijke werknemers worden gediscrimineerd ten opzichte van mannelijke werknemers, en dus als strijdig met richtlijn 76/207 moeten worden beschouwd. Dit zou slechts anders zijn, indien het verschil in behandeling van de twee categorieën werknemers zou worden gerechtvaardigd door factoren die losstaan van elke discriminatie op grond van geslacht (zie met name arresten van 13 mei 1986, zaak 170/84, Bilka, Jurispr. 1986, blz. 1607, r.o. 29; 13 juli 1989, zaak 171/88, Rinner-Kühn, Jurispr. 1989, blz. 2743, r.o. 12, en 6 februari 1996, zaak C-457/93, Lewark, Jurispr. 1996, blz. I-243, r.o. 31).
35 Volgens vaste rechtspraak van het Hof, staat het aan de nationale rechter, die bij uitsluiting bevoegd is om de feiten te beoordelen en de nationale wetgeving uit te leggen, om op grond van alle omstandigheden uit te maken, of en in hoeverre een wettelijke regeling, die ongeacht het geslacht van de werknemer van toepassing is doch die in feite vrouwen in sterkere mate treft dan mannen, haar rechtvaardiging vindt in objectieve factoren die losstaan van elke discriminatie op grond van geslacht (zie arrest van 31 maart 1981, zaak 96/80, Jenkins, Jurispr. 1981, blz. 911, r.o. 14, en arresten Bilka, reeds aangehaald, r.o. 36, en Rinner-Kühn, reeds aangehaald, r.o. 15).
36 Volgens verweerder in het hoofdgeding is deze discriminatie objectief gerechtvaardigd, omdat deze regeling gebaseerd is op de noodzaak voor de administratie om in het algemeen een anciënniteitsnorm vast te stellen voor de beoordeling van de beroepservaring van de werknemers, om te kunnen uitmaken of zij in aanmerking komen voor bevordering naar een ambt van een hogere rang. Volgens de Freistaat Bayern moet een deeltijds werkende ambtenaar, om de geschiktheid en de beroepsbekwaamheid te verwerven die nodig zijn om te worden toegelaten tot een ambt van een hogere rang, langer in dienst zijn dan een voltijds werkende ambtenaar.
37 Verzoekster in het hoofdgeding daarentegen stelt, dat zij als deeltijdwerknemer in de loop van haar laatste tien jaar beroepsuitoefening functies heeft uitgeoefend van de hogere rang, waarnaar zij wenst te worden bevorderd.
38 Volgens de verwijzende rechter stelt verweerder in het hoofdgeding, dat de wijziging die in 1995 in de LbV is aangebracht, "bedoeld was ter bevordering van de harmonie tussen het gezinsleven en het beroepsleven". De bescherming van de vrouw in het gezin én in het kader van haar beroepsactiviteit is, zoals die van de man, een beginsel dat in de rechtsorde van de Lid-Staten een belangrijke plaats krijgt als natuurlijk uitvloeisel van de gelijkheid van man en vrouw, en dat door het gemeenschapsrecht is erkend.
39 In het arrest Nimz, reeds aangehaald, heeft het Hof verklaard, dat de zienswijze dat er een specifiek verband bestaat tussen de duur van een beroepsactiviteit en het verwerven van een bepaald niveau van kennis of ervaring, niet meer is dan een generaliserende uitspraak over bepaalde categorieën werknemers, waaruit geen objectieve criteria kunnen worden afgeleid, buiten elke discriminatie om. Ook al gaan anciënniteit en beroepservaring hand in hand, en is een ervaren werknemer beter toegerust voor de hem opgedragen werkzaamheden, toch hangt het objectieve karakter van een dergelijk criterium af van alle omstandigheden van het individuele geval en met name van het verband tussen de aard van de uitgeoefende functie en de ervaring die de uitoefening van deze functie na een bepaald aantal arbeidsuren verschaft.
40 Indien de nationale rechter vaststelt dat, hoewel verzoekster in het hoofdgeding reeds deeltijds het ambt van de hogere rang heeft uitgeoefend waarnaar zij wenst te worden bevorderd, en de anciënniteitsberekening niet volgens een strikt evenredigheidscriterium is geschied, de deeltijdwerknemers normaal minder snel dan de voltijdwerknemers de bekwaamheid en geschiktheid voor hun activiteiten verwerven, en de bevoegde instanties kunnen aantonen dat de middelen die zijn gekozen ter verwezenlijking van een rechtmatig oogmerk van het sociaal beleid, geschikt en noodzakelijk zijn ter verwezenlijking van het daardoor nagestreefde doel, kan de loutere omstandigheid dat de wettelijke bepaling een aanzienlijk groter aantal vrouwelijke dan mannelijke werknemers treft, niet worden beschouwd als een schending van richtlijn 76/207.
41 Indien de verwijzende rechter tot de conclusie komt, dat er geen specifiek verband bestaat tussen de diensttijd en de verwerving van een bepaald kennis- of ervaringsniveau, moet de verplichting van § 13, lid 2, tweede volzin, LbV voor deeltijdwerknemers om een diensttijd te hebben volbracht die een derde langer is dan die van een voltijds werkende ambtenaar, alvorens dezelfde promotiekansen te hebben, worden beschouwd als een schending van de bepalingen van richtlijn 76/207.
42 Mitsdien moet op de derde vraag worden geantwoord, dat richtlijn 76/207 zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling, bepalende dat voor de berekening van de anciënniteit van de ambtenaren de perioden van tewerkstelling met een arbeidsduur tussen de helft en twee derde van de normale arbeidsduur slechts voor twee derde meetellen, behoudens wanneer deze wettelijke regeling haar rechtvaardiging vindt in objectieve criteria die losstaan van elke discriminatie op grond van geslacht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
43 De kosten door de Griekse regering, de Ierse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Bayerische Verwaltungsgericht Ansbach bij beschikking van 23 november 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 119 EG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het van toepassing is op publiekrechtelijke dienstbetrekkingen.
2) Een nationale bepaling inhoudende dat voor de berekening van de anciënniteit van de ambtenaren de perioden van tewerkstelling met een arbeidsduur tussen de helft en twee derde van de normale arbeidsduur, slechts voor twee derde meetellen, valt niet onder artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers.
3) Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, verzet zich tegen een nationale wettelijke regeling, bepalende dat voor de berekening van de anciënniteit van de ambtenaren de perioden van tewerkstelling met een arbeidsduur tussen de helft en twee derde van de normale arbeidsduur slechts voor twee derde meetellen, behoudens wanneer deze wettelijke regeling haar rechtvaardiging vindt in objectieve criteria die losstaan van elke discriminatie op grond van geslacht.
Full & Egal Universal Law Academy