Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de Gemeenschappen - Spanje - Overgangsmaatregelen - Landbouw - Schorsing van rechten bij invoer - Verordening nr. 3416/91 - Werkingssfeer - Conserven van tonijn op olijfolie uit Spanje - Daarvan uitgesloten
(Toetredingsakte van 1985, art. 75, punt 4; verordening nr. 3416/91 van de Commissie, art. 1, lid 1)
2 Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen - Navordering van rechten bij invoer of bij uitvoer - "Gegevens die bevoegde autoriteiten zelf hebben verstrekt en laatstgenoemde binden" - Begrip - Gegevens betreffende tariefindeling die in concreet geval rechtstreeks aan bepaalde marktdeelnemer zijn meegedeeld bij handeling die onder categorie valt die in verordening nr. 1715/90 van Raad op uitputtende wijze is gedefinieerd
(Verordeningen van de Raad nr. 1697/79, art. 5, lid 1, en nr. 1715/90)
3 Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen - Navordering van rechten bij invoer of bij uitvoer - Voorwaarden voor toepassing van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 - Beoordeling door nationale rechterlijke instanties - Vergissing van administratie "die belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken" - Beoordelingscriteria
Samenvatting
4 De schorsing van de residuele douanerechten die ingevolge artikel 75, punt 1, van de Toetredingsakte van toepassing zijn op de uitvoer vanuit Spanje naar de Gemeenschap van de Tien, voorzien in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 3416/91 betreffende een aantal residuele rechten die in 1991 van toepassing zijn in het kader van de tariefafbraak overeenkomstig de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal voor de in de bijlage bij verordening nr. 3835/90 tot wijziging van de verordeningen nrs. 3831/90, 3832/90 en 3833/90 voor wat betreft het stelsel van algemene tariefpreferenties van toepassing op bepaalde produkten van oorsprong uit Bolivia, Colombia, Ecuador en Peru opgesomde landbouwprodukten, is niet van toepassing op de invoer van conserven van tonijn op olijfolie uit Spanje.
De bepalingen waarbij douanerechten worden geschorst, moeten immers strikt en overeenkomstig hun formulering worden uitgelegd, zodat zij niet met voorbijgaan van de letter ervan kunnen worden toegepast op produkten die er niet in zijn vermeld.
Het is juist, dat verordening nr. 3416/91 moest voorkomen dat de uit Spanje en Portugal ingevoerde landbouwprodukten minder gunstig werden behandeld dan dezelfde, uit de vier in verordening nr. 3835/90 bedoelde derde landen ingevoerde en aan de preferentiële regeling onderworpen produkten, en dat conserven van tonijn op olijfolie behoren tot de in laatstbedoelde verordening opgesomde landbouwprodukten; dit neemt evenwel niet weg, dat in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 3416/91 niet wordt verwezen naar artikel 173 van de Toetredingsakte - waarvan het Vierde deel een hoofdstuk 3 "Landbouw" en een hoofdstuk 4 "Visserij" bevat -, dat in een geleidelijke afschaffing van de douanerechten voor visserijprodukten voorziet.
Bovendien is voor de schorsing van de douanerechten op visserijprodukten een handeling van de Raad vereist. Artikel 75, punt 4, van de Toetredingsakte, waarop de betrokken verordening is gebaseerd, verleent de Commissie wel de bevoegdheid om voor de in dat artikel vermelde produkten de douanerechten te schorsen, doch geen enkele bepaling van de Toetredingsakte verleent haar de bevoegdheid om hetzelfde te doen voor visserijprodukten.
5 Alleen de handelingen betreffende de tariefindeling van goederen die de bevoegde autoriteiten in een concreet geval rechtstreeks aan een bepaalde marktdeelnemer verstrekken en die onder de categorie vallen die op uitputtende wijze is gedefinieerd in verordening nr. 1715/90, zijn "gegevens die de bevoegde autoriteiten zelf hebben verstrekt" in de zin van artikel 5, lid 1, eerste streepje, van verordening nr. 1697/79 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer.
6 Artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer stelt drie voorwaarden opdat degene die de douanerechten verschuldigd is, er recht op heeft dat de bevoegde autoriteiten niet tot navordering overgaan. Het staat aan de nationale rechter na te gaan, of aan die voorwaarden is voldaan. Het gaat om de volgende voorwaarden: de bevoegde autoriteiten moeten zelf een vergissing hebben begaan; het moet de belastingschuldige redelijkerwijze onmogelijk zijn geweest de vergissing te ontdekken, en de belastingschuldige moet te goeder trouw hebben gehandeld en moet aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte hebben voldaan.
Bij de beoordeling van de vraag, of de belastingschuldige de vergissing van de autoriteiten al dan niet redelijkerwijze kon ontdekken, moet met name worden gelet op de aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken ondernemer en de mate van de door hem betrachte zorgvuldigheid. Tot de in aanmerking te nemen relevante omstandigheden behoren de complexiteit van de wetgeving, de formulering van de doelstelling van de betrokken bepalingen, het feit dat de vergissing ook in andere handelingen van de betrokken Lid-Staat is begaan, en het bestaan van meningsverschillen tussen de Lid-Staten over de wijze waarop de relevante bepalingen moeten worden uitgelegd.
Partijen
In de gevoegde zaken C-47/95, C-48/95, C-49/95, C-50/95, C-60/95, C-81/95, C-92/95 en C-148/95,
betreffende acht verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Tribunale di Genova, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Olasagasti & C. Srl (C-47/95), Comarcon SNC (C-48/95), Ghezzi Alimentari Srl (C-49/95), Fredo Srl (C-50/95), Cateringros Srl (C-60/95), Intercod Srl (C-81/95), Nuova Castelli SpA (C-92/95), Igino Mazzola SpA (C-148/95),
en
Amministrazione delle Finanze dello Stato,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3416/91 van de Commissie van 25 november 1991 betreffende een aantal residuele rechten die in 1991 van toepassing zijn in het kader van de tariefafbraak overeenkomstig de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal (PB 1991, L 324, blz. 11), en van artikel 5 van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB 1979, L 197, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, L. Sevón, D. A. O. Edward (rapporteur), P. Jann en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: N. Fennelly
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Olasagasti & C. Srl, vertegenwoordigd door A. Ghibellini, advocaat te Genua,
- Igino Mazzola SpA, vertegenwoordigd door G. Barabino, advocaat te Genua,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door I. M. Braguglia, avvocato dello Stato,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Aresu, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Italiaanse regering en de Commissie ter terechtzitting van 11 juli 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 september 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikkingen van 26 januari, 16, 17 en 23 februari, en 9 en 30 maart 1995, ingekomen bij het Hof tussen 23 februari en 12 mei 1995, heeft het Tribunale di Genova het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3416/91 van de Commissie van 25 november 1991 betreffende een aantal residuele rechten die in 1991 van toepassing zijn in het kader van de tariefafbraak overeenkomstig de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal (PB 1991, L 324, blz. 11), en van artikel 5 van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB 1979, L 197, blz. 1).
2 Deze vragen zijn gerezen in een aantal geschillen tussen de Italiaanse vennootschappen Olasagasti & C. Srl (C-47/95), Comarcon SNC (C-48/95), Ghezzi Alimentari Srl (C-49/95), Fredo Srl (C-50/95), Cateringros Srl (C-60/95), Intercod Srl (C-81/95), Nuova Castelli SpA (C-92/95) en Igino Mazzola SpA (C-148/95) en de Italiaanse autoriteiten betreffende de navordering van douanerechten ter zake van tussen 30 november 1991 en 31 december 1992 ingevoerde conserven van tonijn op olijfolie uit Spanje.
3 Artikel 75, punt 1, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23; hierna: "Toetredingsakte") voorziet in een geleidelijke afschaffing van de douanerechten bij invoer tussen de Gemeenschap van de Tien en Spanje. Deze afschaffing diende voor de meeste produkten in acht stappen plaats te vinden, terwijl voor een aantal bijzondere, sub a, b, c, en d van die bepaling genoemde produkten een ander tijdschema gold.
4 Artikel 75, punt 4, bepaalt, dat ten aanzien van produkten die onder een gemeenschappelijke marktordening vallen, volgens een bepaalde procedure kan worden besloten dat het Koninkrijk Spanje of de Gemeenschap van de Tien, naar gelang van het geval, overgaan tot afschaffing of tot volledige of gedeeltelijke schorsing van de douanerechten die op de in die bepaling vermelde produkten van toepassing zijn.
5 Artikel 75 behoort tot hoofdstuk 3 "Landbouw", waarvan artikel 67, lid 1, bepaalt:
"Het onderhavige hoofdstuk heeft betrekking op landbouwprodukten met uitzondering van de produkten die vallen onder verordening (EEG) nr. 3796/81 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten."
6 Op grond van artikel 75, punt 4, van de Toetredingsakte bepaalt artikel 1 van verordening nr. 3416/91:
"1. Tot en met 31 december 1991 worden de residuele rechten die volgens artikel 75, punt 1, en artikel 243, punt 1, van de Toetredingsakte op de invoer in de Gemeenschap van de Tien van toepassing zijn, volledig geschorst voor de in de bijlage bij verordening (EEG) nr. 3835/90 genoemde landbouwprodukten.
De in de vorige alinea bedoelde schorsing geldt niet voor de in artikel 94, lid 1, van de Toetredingsakte bedoelde produkten van hoofdstuk 15 van de gecombineerde nomenclatuur.
2. Wanneer de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief opnieuw worden geschorst voor de in de bijlage bij verordening (EEG) nr. 3835/90 genoemde produkten van oorsprong uit Bolivia, Colombia, Ecuador en Peru, is het bepaalde in lid 1 van overeenkomstige toepassing voor de duur van de schorsing."
7 Uit de derde overweging van de considerans van verordening nr. 3416/91 blijkt, dat deze verordening ten doel heeft te voorkomen, dat uit Spanje en Portugal ingevoerde landbouwprodukten minder gunstig worden behandeld dan de produkten die vallen onder verordening (EEG) nr. 3835/90 van de Raad van 20 december 1990 tot wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 3831/90, (EEG) nr. 3832/90 en (EEG) nr. 3833/90 voor wat betreft het stelsel van algemene tariefpreferenties van toepassing op bepaalde produkten van oorsprong uit Bolivia, Colombia, Ecuador en Peru (PB 1990, L 370, blz. 126). Krachtens artikel 3 van die verordening worden de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief volledig geschorst voor de uit die vier landen afkomstige produkten die in de bijlage bij de verordening zijn opgesomd. Tot laatstbedoelde produkten behoren de bereidingen en conserven van vis (post 1604 van de gecombineerde nomenclatuur).
8 Bij verordening (EEG) nr. 3587/91 van de Raad van 3 december 1991 (PB 1991, L 341, blz. 1) is de bij verordening nr. 3835/90 ingestelde preferentiële behandeling verlengd tot en met 31 december 1992.
9 Tussen 30 november 1991 en 31 december 1992 voerden verzoeksters in de hoofdgedingen conserven van tonijn op olijfolie uit Spanje in Italië in. Aanvankelijk werden over die invoer geen douanerechten geheven, daar de Italiaanse autoriteiten van oordeel waren dat deze goederen onder de bij verordening nr. 3416/91 ingestelde schorsingsregeling vielen. De circulaires nrs. 6507/UCTD van 29 november 1991 en 1914/UCTD van 22 februari 1992 hadden immers de volledige werking van de schorsingsregeling bevestigd. Naar aanleiding van een advies van de diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (nota van 14 oktober 1992 aan alle Taric-correspondenten in de Lid-Staten) stelden de Italiaanse autoriteiten evenwel circulaire nr. 1632/III van 27 oktober 1992 vast, waarin was vermeld dat de betrokken regeling alleen op andere produkten dan vis toepassing kon vinden.
10 In haar advies stelde de Commissie vast, dat er in een aantal Lid-Staten twijfel was gerezen over de op visserijprodukten toepasselijke rechten, en bevestigde zij voorts, dat de in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 3416/91 bedoelde schorsing van de douanerechten enkel gold voor vanuit Portugal en Spanje naar de Gemeenschap verzonden landbouwprodukten die binnen de werkingssfeer vielen van artikel 243, lid 1, voor Portugal en artikel 75, punt 1, voor Spanje van de Toetredingsakte.
11 Op basis daarvan kwamen de douaneautoriteiten van Ventimiglia en Genua tot de slotsom, dat de in verordening nr. 3416/91 bedoelde vrijstelling niet van toepassing was op de onder post 1604 van de gecombineerde nomenclatuur vallende visserijprodukten, daar artikel 1 van de verordening uitdrukkelijk naar artikel 75 van de Toetredingsakte verwijst, en niet naar artikel 173, dat de visserijprodukten betreft. Bijgevolg hebben zij van verzoeksters in de hoofdgedingen bij afzonderlijke beschikkingen betaling gevorderd van de verschuldigd gebleven rechten, vermeerderd met moratoire interessen.
12 Verzoeksters in de hoofdgedingen zijn daarvan in beroep gekomen bij het Tribunale di Genova, stellende dat volgens de gemeenschapsregeling landbouwprodukten mede de visserijprodukten en de met die produkten verband houdende produkten van de eerste verwerking omvatten, zoals de "bereidingen en conserven van vis", bedoeld in de bijlage bij verordening nr. 3835/90. Zij voegden daaraan toe, dat voldaan was aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79.
13 Verordening nr. 1697/79, die van toepassing was tot en met 31 december 1993 en vervolgens is vervangen door het bij verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 (PB 1992, L 302, blz. 1) ingevoerde communautair douanewetboek, bepaalde, dat wanneer de bevoegde douaneautoriteiten van de Lid-Staten constateren dat het bedrag van de rechten dat wettelijk verschuldigd is, niet van de belastingschuldige is opgeëist, zij binnen een termijn van drie jaar een vordering tot navordering inleiden.
14 Artikel 5 bepaalde evenwel:
"1. De bevoegde autoriteiten kunnen niet tot navordering overgaan wanneer het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer ten aanzien waarvan achteraf wordt geconstateerd dat het lager is dan het wettelijk verschuldigde bedrag, is berekend:
- hetzij op basis van gegevens die de bevoegde autoriteiten zelf hebben verstrekt en laatstgenoemde binden;
- hetzij op basis van algemene bepalingen die later bij een rechterlijke beslissing ongeldig worden verklaard.
2. De bevoegde autoriteiten behoeven niet over te gaan tot navordering van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat niet is geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en voldaan heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte.
De gevallen waarin het bepaalde in de eerste alinea kan worden toegepast, worden vastgesteld overeenkomstig de uitvoeringsbepalingen die zijn vastgesteld volgens de procedure van artikel 10."
15 In die omstandigheden heeft de nationale rechter de behandeling van de zaken geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:
"1) Is de schorsing van douanerechten op de invoer vanuit Spanje van de in de bijlage bij verordening (EEG) nr. 3835/90 genoemde landbouwprodukten, waarin artikel 1 van verordening (EEG) nr. 3416/91 van 25 november 1991 voorziet, van toepassing op de invoer van conserven van tonijn op olijfolie van oorsprong uit dat land?
2) Kunnen de bevoegde douaneautoriteiten op basis van artikel 5, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van 24 juli 1979 - aangevuld door verordening (EEG) nr. 1715/90 van 20 juni 1990 - en van artikel 2 van de uitvoeringsverordening (EEG) nr. 2164/91 van 23 juli 1991 overgaan tot navordering van douanerechten die bij de invoer niet zijn geïnd omdat zij ten gevolge van een onjuiste uitlegging van de geldende gemeenschapsregeling als volledig geschorst werden beschouwd, terwijl die douanerechten achteraf ingevolge een andersluidende uitlegging van die regeling die de Commissie na advies van haar juridische dienst heeft gegeven, verschuldigd bleken te zijn, wanneer de belastingschuldige heeft voldaan aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte en niet is gebleken, dat hij wist dat de aanvankelijke uitlegging van de gemeenschapsregeling door de Italiaanse autoriteiten onjuist was?"
16 Bij beschikking van de president van het Hof van 16 juni 1995 zijn de zaken C-47/95, C-48/95, C-49/95, C-50/95, C-60/95, C-81/95, C-92/95 en C-148/95 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsook voor het arrest.
De eerste vraag
17 In artikel 38 EG-Verdrag worden visserijprodukten tot de landbouwprodukten gerekend.
18 In de Toetredingsakte wordt de uitdrukking "landbouwprodukten" in dezelfde betekenis gebruikt als in het Verdrag. In het vierde deel van de Toetredingsakte is echter een tweedeling gemaakt: hoofdstuk 3 behandelt de andere landbouwprodukten dan visserijprodukten, hoofdstuk 4 de visserijprodukten.
19 De bij artikel 1, lid 1, van verordening nr. 3416/91 geschorste residuele rechten zijn die bedoeld in artikel 75, punt 1, van de Toetredingsakte, een artikel dat tot hoofdstuk 3 van het vierde deel behoort en dus ingevolge artikel 67, lid 1, uitsluitend betrekking heeft op landbouwprodukten niet zijnde visserijprodukten die vallen onder de gemeenschappelijke marktordening voor de visserijsector, ingesteld bij verordening (EEG) nr. 3796/81 van de Raad van 29 december 1981 (PB 1981, L 379, blz. 1).
20 Er zij aan herinnerd, dat de bepalingen waarbij douanerechten worden geschorst, strikt en overeenkomstig hun formulering moeten worden uitgelegd, zodat zij niet met voorbijgaan van de letter ervan kunnen worden toegepast op produkten die er niet in zijn vermeld (zie, in deze zin, arrest van 18 maart 1986, zaak 58/85, Ethicon, Jurispr. 1986, blz. 1131, r.o. 13).
21 Het is juist, dat verordening nr. 3416/91 volgens de derde overweging van de considerans moest voorkomen dat de uit Spanje en Portugal ingevoerde landbouwprodukten minder gunstig werden behandeld dan dezelfde, uit de vier in verordening nr. 3835/90 bedoelde derde landen ingevoerde en aan de preferentiële regeling onderworpen produkten, en dat conserven van tonijn op olijfolie behoren tot de in laatstbedoelde verordening opgesomde landbouwprodukten; dit neemt evenwel niet weg, dat in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 3416/91 niet wordt verwezen naar artikel 173 van de Toetredingsakte, dat in een geleidelijke afschaffing van de douanerechten voor visserijprodukten voorziet.
22 In dit verband zij opgemerkt, dat voor Portugal dezelfde regeling geldt. Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 3416/91 verwijst immers naar artikel 243, punt 1, van de Toetredingsakte, een bepaling die identiek is met artikel 75, punt 1, en die betrekking heeft op andere landbouwprodukten dan visserijprodukten; het verwijst evenwel niet naar artikel 360, dat de visserijprodukten betreft.
23 Daarbij komt, dat de Commissie tot de in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 3416/91 voorziene schorsing van de douanerechten heeft besloten op basis van artikel 75, punt 4, van de Toetredingsakte, waarin haar, gelijk in artikel 243, punt 4, voor Portugal, de bevoegdheid wordt verleend om voor de in dat artikel vermelde produkten de douanerechten te schorsen. De Toetredingsakte bevat daarentegen geen enkele bepaling die de Commissie de bevoegdheid verleent om de douanerechten voor visserijprodukten te schorsen.
24 Zoals de advocaat-generaal in punt 18 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is voor de schorsing van de douanerechten op visserijprodukten een handeling van de Raad vereist. De Commissie is dus niet bevoegd om voor de visserijprodukten in een dergelijke schorsing te voorzien.
25 Daaruit volgt, dat de schorsing van de residuele douanerechten die ingevolge artikel 75, punt 1, van de Toetredingsakte van toepassing zijn op de uitvoer vanuit Spanje naar de Gemeenschap van de Tien, voorzien in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 3416/91 voor de in de bijlage bij verordening nr. 3835/90 opgesomde landbouwprodukten, niet van toepassing is op de invoer van conserven van tonijn op olijfolie uit Spanje.
De tweede vraag
26 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 5 van verordening nr. 1697/79 aldus moet worden uitgelegd, dat de bevoegde douaneautoriteiten niet tot navordering van douanerechten kunnen overgaan die ten tijde van de invoer niet zijn geïnd ten gevolge van een onjuiste uitlegging van de toepasselijke gemeenschapsrechtelijke bepalingen door diezelfde autoriteiten, wanneer de belastingschuldige bij zijn douaneaangifte aan alle communautaire voorschriften heeft voldaan en niet is gebleken, dat hij wist dat de gegeven uitlegging onjuist was.
27 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat artikel 5 van verordening nr. 1697/79 in twee verschillende regelingen voorziet.
28 De eerste, die van artikel 5, lid 1, betreft het geval waarin het bedrag van de rechten ten aanzien waarvan achteraf wordt geconstateerd dat het lager is dan het wettelijk verschuldigde bedrag, berekend is op basis van algemene bepalingen die later bij een rechterlijke beslissing ongeldig zijn verklaard (tweede streepje) of op basis van gegevens die de bevoegde autoriteiten zelf hebben verstrekt en laatstgenoemden binden (eerste streepje).
29 Volgens vaste rechtspraak kunnen deze gegevens alleen handelingen betreffende de tariefindeling van goederen zijn, die de bevoegde autoriteiten in een concreet geval rechtstreeks aan een bepaalde marktdeelnemer verstrekken (zie, in die zin, arrest van 28 juni 1990, zaak C-80/89, Behn Verpackungsbedarf, Jurispr. 1990, blz. I-2659, r.o. 22).
30 Bovendien is, zoals het Hof heeft opgemerkt in zijn arrest van 8 april 1992 (zaak C-371/90, Beirafrio, Jurispr. 1992, blz. I-2715, r.o. 15), de categorie handelingen van de douaneautoriteiten die onder die bepalingen vallen, op uitputtende wijze gedefinieerd in verordening (EEG) nr. 1715/90 van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de inlichtingen die door de douaneautoriteiten van de Lid-Staten worden verstrekt op het gebied van de indeling van goederen in de douanenomenclatuur (PB 1990, L 160, blz. 1).
31 Aangezien de circulaires nrs. 6507/UCTD en 1914/UCTD niet de tariefindeling betreffen van de goederen waarom het in de hoofdgedingen gaat, en het geen handelingen betreffende de tariefindeling van goederen zijn die de bevoegde autoriteiten in een concreet geval rechtstreeks aan een bepaalde marktdeelnemer hebben verstrekt, is artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1697/79 dus niet van toepassing in een situatie als de onderhavige.
32 De tweede regeling, die van artikel 5, lid 2, van dezelfde verordening, stelt drie voorwaarden opdat degene die de douanerechten verschuldigd is, er recht op heeft dat de bevoegde autoriteiten niet tot navordering overgaan. Over deze bepaling bestaat vaste rechtspraak (zie, laatstelijk, arrest van 14 mei 1996, gevoegde zaken C-153/94 en C-204/94, Faroe Seafood e.a., Jurispr. 1996, blz. I-2465).
33 In de eerste plaats moeten de bevoegde autoriteiten zelf een vergissing hebben begaan. Los van het probleem van de bindende kracht van de circulaires nrs. 6507/UCTD en 1914/UCTD, kan de verwijzende rechter in de hoofdgedingen rekening houden met het feit, dat de Italiaanse autoriteiten aanvankelijk hebben bevestigd dat zij niet zouden pogen over te gaan tot inning van het recht over goederen als conserven van tonijn op olijfolie die tijdens de toepassingsperiode van de verordening uit Spanje waren ingevoerd.
34 In de tweede plaats moet het de belastingschuldige, ondanks zijn beroepservaring en de door hem te betrachten zorgvuldigheid, redelijkerwijze onmogelijk zijn geweest de vergissing van de bevoegde autoriteiten te ontdekken. Daarbij kan de verwijzende rechter om te beginnen rekening houden met de complexiteit van de in casu toepasselijke bepalingen, en met name met het feit dat de term "landbouwprodukten" in artikel 38 van het Verdrag ook de visserijprodukten omvat. Voorts kan hij rekening houden met het doel van verordening nr. 3416/91, namelijk op uit Spanje afkomstige produkten dezelfde schorsingsregeling toe te passen als ingevolge een andere verordening geldt voor bepaalde produkten - waaronder visconserven - van oorsprong uit Bolivia, Colombia, Ecuador en Peru. Ten slotte kan hij in aanmerking nemen, dat verordening nr. 3416/91 uitdrukkelijk verwijst naar de verordening waarbij de schorsingsregeling voor de produkten van oorsprong uit de vier voormelde Zuidamerikaanse landen is ingevoerd.
35 In de derde plaats verlangt artikel 5 van verordening nr. 1697/79, dat de belastingschuldige te goeder trouw heeft gehandeld en dat hij aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte heeft voldaan. Ook dit dient de verwijzende rechter te beoordelen.
36 Gezien het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat het aan de nationale rechter staat om vast te stellen, of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79. Bij de beoordeling van de vraag, of de belastingschuldige de vergissing van de autoriteiten al dan niet redelijkerwijze kon ontdekken, moet met name worden gelet op de aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken ondernemer en de mate van de door hem betrachte zorgvuldigheid. Tot de in aanmerking te nemen relevante omstandigheden behoren de complexiteit van de wetgeving, de formulering van de doelstelling van de betrokken bepalingen, het feit dat de vergissing ook in andere handelingen van de betrokken Lid-Staat is begaan, en het bestaan van meningsverschillen tussen de Lid-Staten over de wijze waarop de relevante bepalingen moeten worden uitgelegd.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
37 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunale di Genova bij beschikkingen van 26 januari, 16, 17 en 23 februari, en 9 en 30 maart 1995 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De schorsing van de residuele douanerechten die ingevolge artikel 75, punt 1, van de Toetredingsakte van toepassing zijn op de uitvoer vanuit Spanje naar de Gemeenschap van de Tien, voorzien in artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3416/91 van de Commissie van 25 november 1991 betreffende een aantal residuele rechten die in 1991 van toepassing zijn in het kader van de tariefafbraak overeenkomstig de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal voor de in de bijlage bij verordening (EEG) nr. 3835/90 van de Raad van 20 december 1990 tot wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 3831/90, (EEG) nr. 3832/90 en (EEG) nr. 3833/90 voor wat betreft het stelsel van algemene tariefpreferenties van toepassing op bepaalde produkten van oorsprong uit Bolivia, Colombia, Ecuador en Peru opgesomde landbouwprodukten, is niet van toepassing op de invoer van conserven van tonijn op olijfolie uit Spanje.
2) Het staat aan de nationale rechter om vast te stellen, of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide. Bij de beoordeling van de vraag, of de belastingschuldige de vergissing van de autoriteiten al dan niet redelijkerwijze kon ontdekken, moet met name worden gelet op de aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken ondernemer en de mate van de door hem betrachte zorgvuldigheid. Tot de in aanmerking te nemen relevante omstandigheden behoren de complexiteit van de wetgeving, de formulering van de doelstelling van de betrokken bepalingen, het feit dat de vergissing ook in andere handelingen van de betrokken Lid-Staat is begaan, en het bestaan van meningsverschillen tussen de Lid-Staten over de wijze waarop de relevante bepalingen moeten worden uitgelegd.
Full & Egal Universal Law Academy