Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van personen ° Vrijheid van vestiging ° Verschillende centra van werkzaamheid op grondgebied van Gemeenschap ° Nationale regeling die zelfstandige in weerwil van feit dat hij uit dien hoofde is aangesloten bij sociale-zekerheidsregeling in Lid-Staat van woonplaats, verplicht sociale-zekerheidsbijdragen te betalen, die hem geen extra sociale bescherming biedt ° Ontoelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 52)
Samenvatting
Aangezien de vrijheid van vestiging niet beperkt is tot het recht om binnen de Gemeenschap één vestiging te hebben, maar mede de mogelijkheid omvat om, met inachtneming van de voor het beroep geldende gedragsregels, binnen de Gemeenschap meer dan één centrum van werkzaamheid in te richten en te behouden, beoogt artikel 52 van het Verdrag de uitoefening van beroepswerkzaamheden op het gehele grondgebied van de Gemeenschap te vergemakkelijken, en verzet het zich bijgevolg tegen een nationale regeling die de uitbreiding van deze activiteiten buiten het grondgebied van een enkele Lid-Staat ongunstig zou kunnen beïnvloeden. Om die reden staat het eraan in de weg, dat een Lid-Staat personen die reeds als zelfstandige werkzaam zijn in een andere Lid-Staat, waar zij zijn gedomicilieerd en aangesloten zijn bij een sociale-zekerheidsregeling, verplicht aan de sociale-zekerheidsregeling voor zelfstandigen bij te dragen, wanneer die verplichting hun geen extra sociale bescherming biedt.
Partijen
In zaak C-53/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Arbeidsrechtbank te Doornik (België), in het aldaar aanhangig geding tussen
Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (RSVZ)
en
H. Kemmler,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 48, 51, 52 en 59 EG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet (rapporteur), kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en C. Gulmann, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia en B. J. Drijber, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 januari 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 14 februari 1995, ingekomen bij het Hof op 1 maart daaraanvolgend, heeft de Arbeidsrechtbank te Doornik krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 48, 51, 52 en 59 van dat Verdrag.
2 Die vraag is gesteld in het kader van een geschil tussen het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (hierna: "RSVZ") en H. Kemmler over de betaling van bijdragen aan de Belgische sociale-zekerheidsregeling voor zelfstandigen.
3 Kemmler, van Duitse nationaliteit, heeft als zelfstandig advocaat gewerkt te Frankfurt en Brussel. Hij was steeds gedomicilieerd in Duitsland, waar hij bij de sociale-zekerheidsregeling voor zelfstandigen was aangesloten, maar woonde daarnaast gedurende een deel van de in geding zijnde periode te Flobecq (gerechtelijk arrondissement Doornik), in België.
4 In de visie van het RSVZ viel Kemmler onder de Belgische sociale-zekerheidsregeling tot en met 30 juni 1982, toen verordening (EEG) nr. 1390/81 van de Raad van 12 mei 1981 houdende uitbreiding van verordening (EEG) nr. 1408/71, betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, tot zelfstandigen en hun gezinsleden (PB 1981, L 143, blz 1), in werking trad. Bij gebreke van een bilaterale overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Bondsrepubliek Duitsland moest betrokkene immers sociale bijdragen betalen over zijn beroepsbezigheid in België, in de zin van artikel 3, paragraaf 1, van koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen (Belgisch Staatsblad van 29 juli 1967).
5 Op die grond vorderde het RSVZ van Kemmler de niet-betaalde bijdragen voor 1981 en de eerste twee kwartalen van 1982. Kemmler weigerde evenwel te betalen, omdat hij reeds was aangesloten bij de Duitse sociale-zekerheidsregeling voor zelfstandigen en aansluiting bij de Belgische sociale-zekerheidsregeling hem geen enkele extra sociale bescherming kon bieden.
6 Het geschil werd voorgelegd aan de Arbeidsrechtbank te Doornik, die uitlegging van verscheidene bepalingen van het Verdrag noodzakelijk achtte en het Hof de volgende prejudiciële vraag heeft gesteld:
"Moeten de artikelen 48, 51, 52 en 59 EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat zij eraan in de weg staan, dat vóór 1 juli 1982 een Lid-Staat (België) onderdanen van een andere Lid-Staat (de voormalige Bondsrepubliek Duitsland), die op zijn grondgebied een zelfstandige beroepswerkzaamheid verrichtten terwijl zij diezelfde beroepswerkzaamheid ook in de andere Lid-Staat verrichtten, alwaar zij gedomicilieerd waren en onder de sociale-zekerheidsregeling vielen, onderwerpt aan een bijdrageplicht in de sociale-zekerheidsregeling voor zelfstandigen, met name wanneer deze bijdrageplicht aan die onderdanen geen enkele extra bescherming kon bieden?"
7 Om te beginnen zij opgemerkt, dat volgens artikel 2 van verordening nr. 1390/81 aan deze verordening geen enkel recht kan worden ontleend voor een tijdvak dat aan haar inwerkingtreding voorafgaat. Blijkens artikel 4 nu is deze verordening pas op 1 juli 1982 in werking getreden, dat wil zeggen na de voor het hoofdgeding relevante perioden. Zij is dus niet toepasselijk op de onderhavige zaak en in de gestelde vraag wordt dan ook terecht uitsluitend naar de bepalingen van het Verdrag verwezen (zie arrest van 7 juli 1988, zaak 143/87, Stanton, Jurispr. 1988, blz. 3877, r.o. 7).
8 Vervolgens zij erop gewezen, dat blijkens het verwijzingsvonnis de betrokkene geen arbeid in loondienst verricht, maar als zelfstandige werkzaam is in een zowel te Frankfurt als te Brussel ingerichte beroepsstructuur. Zijn situatie valt dus noch onder de artikelen 48 en 51 van het Verdrag betreffende het vrije verkeer van werknemers, noch onder artikel 59 aangaande het vrij verrichten van diensten. Aangezien Kemmler in beide betrokken Lid-Staten een vaste en duurzame inrichting heeft, is enkel artikel 52 betreffende het recht van vestiging nuttig voor de oplossing van het geschil.
9 Dit artikel schrijft de opheffing voor van de beperkingen van vestiging voor onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat. Volgens vaste rechtspraak van het Hof gaat het hier om een gemeenschapsbepaling met rechtstreekse werking. De Lid-Staten dienden deze bepaling derhalve in acht te nemen, ook al bleven zij, zolang een gemeenschapsregeling betreffende het sociaal statuut der zelfstandigen ontbrak, bevoegd deze materie te regelen (zie met name arrest Stanton, reeds aangehaald, r.o. 10).
10 Zoals het Hof heeft beslist (zie met name arrest van 12 juli 1984, zaak 107/83, Klopp, Jurispr. 1984, blz. 2971, r.o. 19), is de vrijheid van vestiging niet beperkt tot het recht om binnen de Gemeenschap één vestiging te hebben, maar omvat zij mede de mogelijkheid om, met inachtneming van de voor het beroep geldende gedragsregels, binnen de Gemeenschap meer dan één centrum van werkzaamheid in te richten en te behouden.
11 De verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van personen beogen aldus de uitoefening van beroepswerkzaamheden op het gehele grondgebied van de Gemeenschap te vergemakkelijken, en staan in de weg aan een nationale regeling die de uitbreiding van die werkzaamheden buiten het grondgebied van een enkele Lid-Staat ongunstig zou kunnen beïnvloeden (zie arrest Stanton, reeds aangehaald, r.o. 13).
12 De regeling van een Lid-Staat, die personen die reeds als zelfstandige werkzaam zijn in een andere Lid-Staat, waar zij zijn gedomicilieerd en aangesloten zijn bij een sociale-zekerheidsregeling, ertoe verplicht aan de sociale-zekerheidsregeling voor zelfstandigen bij te dragen, leidt tot een minder gunstige behandeling van de uitoefening van beroepswerkzaamheden buiten het grondgebied van die andere Lid-Staat. Artikel 52 van het Verdrag verzet zich derhalve tegen een dergelijke regeling, tenzij er een passende rechtvaardiging voor zou bestaan.
13 Dienaangaande zij opgemerkt, dat een regeling zoals in het hoofdgeding aan de orde is, de betrokkenen geen extra sociale bescherming biedt. De belemmering van de uitoefening van beroepswerkzaamheden buiten het grondgebied van een enkele Lid-Staat kan dus in geen geval uit dien hoofde gerechtvaardigd zijn (zie arrest Stanton, reeds aangehaald, r.o. 15).
14 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat artikel 52 van het Verdrag eraan in de weg staat, dat een Lid-Staat personen die reeds als zelfstandige werkzaam zijn in een andere Lid-Staat, waar zij zijn gedomicilieerd en aangesloten zijn bij een sociale-zekerheidsregeling, verplicht aan de sociale-zekerheidsregeling voor zelfstandigen bij te dragen, wanneer die verplichting hun geen extra sociale bescherming biedt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
15 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Doornik bij vonnis van 14 februari 1995 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 52 EG-Verdrag staat eraan in de weg, dat een Lid-Staat personen die reeds als zelfstandige werkzaam zijn in een andere Lid-Staat, waar zij zijn gedomicilieerd en aangesloten zijn bij een sociale-zekerheidsregeling, verplicht aan de sociale-zekerheidsregeling voor zelfstandigen bij te dragen, wanneer die verplichting hun geen extra sociale bescherming biedt.
Full & Egal Universal Law Academy