Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Gezinsbijslagen - Pensioen- of rentetrekkers - Bijslagen voor wezen - Bijslagen ten laste van staat van woonplaats - Niveau van bijslagen hoger in Lid-Staat die pensioen of rente uitkeert - Recht op pensioen of rente niet krachtens nationale wettelijke regeling van Lid-Staat die uitkering verschuldigd is alleen, doch krachtens regels inzake samentelling - Recht op aanvullende bijslag - Geen
(Verordeningen van de Raad nr. 1408/71, art. 77, lid 2, b-i, en 78, lid 2, b-i, en nr. 2001/83)
Samenvatting
De artikelen 77, lid 2, sub b-i, en 78, lid 2, sub b-i, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 2001/83, moeten aldus worden uitgelegd, dat het bevoegde orgaan van een Lid-Staat niet gehouden is, aan pensioen- of rentetrekkers of aan wezen die in een andere Lid-Staat wonen, aanvullende gezinsbijslagen toe te kennen ingeval het bedrag van de door de woonstaat uitgekeerde gezinsbijslagen lager is dan dat van de in de wettelijke regeling van de eerste Lid-Staat voorziene bijslagen, wanneer het recht op pensioen of rente, of het recht van de wees, niet uitsluitend uit hoofde van in deze staat vervulde verzekeringstijdvakken is verkregen, doch is ontleend aan de toepassing van de in de verordening neergelegde regels inzake samentelling.
Het recht op aanvullende gezinsbijslagen, naast de door de staat van woonplaats uitgekeerde bijslagen veronderstelt immers een recht op pensioen en rente of wezenrecht dat krachtens de nationale wettelijke regeling alleen van een andere Lid-Staat dan de staat van woonplaats is verworven. In een situatie waarin de pensioen- of rentetrekker, of de wees, zijn rechten enkel ontleent aan de toepassing van de in de verordening neergelegde regels inzake samentelling, verliezen de betrokkenen door toepassing van de artikelen 77 en 78, volgens welke de bijdragen worden toegekend overeenkomstig de wetgeving van de staat van woonplaats, evenwel niet de bijslagen die zij enkel aan de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat ontlenen.
Partijen
In zaak C-59/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Sozialgericht Nuernberg (Bondsrepubliek Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
F. Bastos Moriana,
C. Aguilera Reyes,
C. Gordo Valle,
F. Romero Ramos,
R. Moscato,
A. Muñoz Abato
en
Bundesanstalt fuer Arbeit,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 77, lid 2, sub b, 78, lid 2, sub b, en 79, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, J. C. Moitinho de Almeida, J. L. Murray en L. Sevón, kamerpresidenten, P. J. G. Kapteyn, C. Gulmann (rapporteur), D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet, G. Hirsch, P. Jann en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: N. Fennelly
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- F. Bastos Moriana, C. Aguilera Reyes, C. Gordo Valle, F. Romero Ramos en A. Muñoz Abato, vertegenwoordigd door A. Pérez Garrido, hoofd van de sociale dienst van het consulaat-generaal van Spanje te Duesseldorf,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en G. Thiele, Assessor bij dit ministerie, als gemachtigden,
- de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Navarro González, directeur generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschappen, en M. Bravo-Ferrer Delgado, abogado del Estado voor het Hof van Justitie, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia, lid van haar juridische dienst, en H. Kreppel, bij deze dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van F. Bastos Moriana, C. Aguilera Reyes, C. Gordo Valle, F. Romero Ramos en A. Muñoz Abato, vertegenwoordigd door A. Pérez Garrido; de Duitse regering, vertegenwoordigd door B. Kloke, Oberregierungsrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde; de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Pérez de Ayala Becerril, abogado del Estado voor het Hof van Justitie, als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door J. Grunwald, juridisch adviseur, als gemachtigde, ter terechtzitting van 10 september 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 oktober 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 16 januari 1995, ingekomen bij het Hof op 7 maart daaraanvolgend, heeft het Sozialgericht Nuernberg het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 77, lid 2, sub b, 78, lid 2, sub b, en 79, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6; hierna: "verordening").
2 Deze vragen zijn gerezen in gedingen tussen F. Bastos Moriana, C. Aguilera Reyes, C. Gordo Valle, F. Romero Ramos alsmede R. Moscato en A. Muñoz Abato (hierna: "verzoekers") en de Bundesanstalt fuer Arbeit, het met de uitvoering van de wet op de kinderbijslag (Bundeskindergeldgesetz) belaste Duitse orgaan, over rechten op aanvullende gezinsbijslagen.
3 De eerste vier verzoekers, van Spaanse nationaliteit, hebben gedurende bepaalde tijdvakken in Duitsland gewerkt, waar zij verplichte premies aan de pensioenverzekering voor werknemers hebben betaald. Enkele jaren na hun terugkeer naar Spanje werden zij invalide. Na samentelling van de in Duitsland en in andere Lid-Staten vervulde tijdvakken werd hun krachtens artikel 45 van de verordening een recht op een rente wegens arbeidsongeschiktheid toegekend.
4 Van de laatste twee verzoeksters is er een van Italiaanse nationaliteit en woonachtig in Italië, terwijl de andere van Spaanse nationaliteit is en in Spanje woont. Zij zijn weduwen van Italiaanse respectievelijk Spaanse onderdanen die in Duitsland hebben gewerkt, waar zij verplichte premies aan de pensioenverzekering voor werknemers hebben betaald, en vervolgens naar hun eigen land zijn teruggekeerd. Na samentelling van de in Duitsland en in andere Lid-Staten vervulde tijdvakken ontvangen zij krachtens artikel 45 van de verordening Duitse weduwepensioenen. Hun kinderen daarentegen hebben geen Duitse wezenrente ontvangen.
5 Verzoekers hebben bij de Bundesanstalt fuer Arbeit verzoeken ingediend met het oog op de toekenning van Duitse bijslagen voor kinderen ten laste voor hun kinderen, voor zover deze bijslagen worden toegekend voor langere tijdvakken of voor een hoger bedrag dan die in hun woonstaat. Verzoekers verzoeken dus om een aanvullende bijslag gelijk aan het verschil tussen de Duitse bijslag en die in hun woonstaat (hierna: "aanvullende bijslag").
6 Volgens verzoekers zijn hun verzoeken gerechtvaardigd gelet op de artikelen 77 en 78 van de verordening, zoals door het Hof uitgelegd in de arresten van 12 juni 1980 (zaak 733/79, Laterza, Jurispr. 1980, blz. 1915), 9 juli 1980 (zaak 807/79, Gravina, Jurispr. 1980, blz. 2205) en, laatstelijk, 11 juni 1991 (zaak C-251/89, Athanasopoulos e.a., Jurispr. 1992, blz. I-2797). Uit die rechtspraak volgt huns inziens, dat aan rechthebbenden op pensioen of rente aanvullende bijslagen verschuldigd zijn, ook al wordt het recht op pensioen of rente alleen ontleend aan de bepalingen van de verordening betreffende de samentelling van de in verschillende Lid-Staten vervulde tijdvakken.
7 De Bundesanstalt fuer Arbeit wees deze verzoeken af. Zij achtte de aangevoerde rechtspraak van het Hof niet toepasselijk op de onderhavige zaken, aangezien de uitkering van een aanvullende bijslag in het kader van de artikelen 77 en 78 van de verordening slechts verschuldigd zou zijn, indien het recht op pensioen of rente, of het recht van de wees, uitsluitend uit hoofde van in Duitsland vervulde tijdvakken van verzekering is verkregen. Aan deze voorwaarden zouden verzoekers niet voldoen.
8 Volgens artikel 77, lid 2, sub b-i, van de verordening zijn bijslagen voor kinderen ten laste van pensioen- of rentetrekkers verschuldigd aan "de rechthebbende op pensioen of rente (...) krachtens de wettelijke regelingen van meer dan één Lid-Staat:
i) overeenkomstig de wettelijke regeling van die van deze Staten, op het grondgebied waarvan hij woont, indien het recht op een van de (...) bijslagen aldaar wordt ontleend aan de wettelijke regeling van deze Staat, eventueel met inachtneming van artikel 79, lid 1, onder a".
9 Zo ook bepaalt artikel 78, lid 2, sub b-i, van de verordening, dat de bijslagen voor wezen, de kinderbijslagen daaronder begrepen, "voor de wees van een overleden werknemer of zelfstandige die aan wettelijke regelingen van meer dan één Lid-Staat onderworpen was", worden toegekend:
"i) overeenkomstig de wettelijke regeling van die van deze Staten, op het grondgebied waarvan de wees woont, indien het recht op een van de (...) bijslagen aldaar wordt ontleend aan de wettelijke regeling van die Staat, eventueel met inachtneming van artikel 79, lid 1, onder a".
10 Artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 bepaalt:
"De bijslagen in de zin van de artikelen 77 en 78 worden, volgens de overeenkomstig deze artikelen bepaalde wettelijke regeling, door en voor rekening van het met de uitvoering van die wettelijke regeling belaste orgaan verleend, alsof de pensioen- of rentetrekker, of de overledene uitsluitend aan de wettelijke regeling van de bevoegde Staat onderworpen was geweest.
Echter:
a) indien deze wettelijke regeling bepaalt dat het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op bijslagen afhankelijk is van de duur der tijdvakken van verzekering, van arbeid, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, wordt deze tijdsduur, eventueel met inachtneming van artikel 45, respectievelijk 72, vastgesteld;
(...)"
11 Het Sozialgericht Nuernberg, waarbij de beroepen tegen de beschikkingen van de Bundesanstalt fuer Arbeit aanhangig zijn, heeft de behandeling van de zaken geschorst en het Hof van Justitie de navolgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Moet artikel 77, lid 2, sub b, juncto artikel 79, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat voor kinderen ten laste van pensioen- of rentetrekkers die in een Lid-Staat niet alleen op grond van de wettelijke regeling in deze Lid-Staat, maar ook op grond van de cooerdinerende voorschriften van het sociale-zekerheidsrecht van de Gemeenschap een recht op een pensioen of rente hebben verworven, door de Lid-Staat waarin de rechthebbenden op pensioen of rente niet wonen, gezinsbijslagen moeten worden betaald bij wege van aanvullende bijslag gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de bijslagen waarin die Lid-Staat voorziet en de door de woonstaat betaalde of voorziene bijslagen?
2) Moet artikel 78, lid 2, sub b, juncto artikel 79, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat voor wezen van een overleden werknemer of zelfstandige die aan de wettelijke regelingen van meer dan één Lid-Staat onderworpen was, indien in een Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan hij onderworpen was, geen recht op wezenpensioen wordt ontleend aan de regeling van die Lid-Staat alleen, noch aan de cooerdinerende voorschriften van het sociale-zekerheidsrecht van de Gemeenschap, door de Lid-Staat waarin de wezen niet wonen, gezinsbijslagen moeten worden betaald bij wege van aanvullende bijslag, gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de bijslagen waarin die Lid-Staat voorziet en de door de woonstaat betaalde en voorziene bijslagen?
3) Indien bij een bevestigend antwoord op de eerste en de tweede vraag een recht op gezinsbijslagen bestaat, moet dan het bedrag van de aanvullende bijslag worden verminderd naar verhouding van de tijdvakken van verzekering in de Lid-Staat tot soortgelijke tijdvakken van verzekering in de staat van de woonplaats (of een andere Lid-Staat)?
4) Staat de omstandigheid dat een krachtens een overeenkomst inzake sociale zekerheid toegekend pensioen of rente niet overeenkomstig artikel 94, lid 5, van verordening (EEG) nr. 1408/71 is herzien, in de weg aan een recht op aanvullende bijslagen?"
12 Bij beschikking van 9 november 1995, ingekomen ter griffie van het Hof op 16 november daaraanvolgend, heeft het Sozialgericht Nuernberg de vierde prejudiciële vraag ingetrokken, daar zij ten voordele van de betrokken werknemers was geregeld.
De eerste twee vragen
13 Met zijn eerste twee vragen wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of de artikelen 77, lid 2, sub b-i, en 78, lid 2, sub b-i, van de verordening aldus moeten worden uitgelegd, dat het bevoegde orgaan van een Lid-Staat aan pensioen- of rentetrekkers, of aan wezen, die in een andere Lid-Staat wonen, aanvullende gezinsbijslagen moet toekennen, indien het bedrag van de door de woonstaat verleende gezinsbijslagen lager is dan het bedrag van de in de wettelijke regeling van de eerste Lid-Staat voorziene bijslagen, ook al is het recht op pensioen of rente, of het recht van de wees, niet uitsluitend uit hoofde van in die staat vervulde verzekeringstijdvakken verkregen.
14 Volgens verzoekers, de Spaanse regering en de Commissie vereist het in de artikelen 48 en 51 EG-Verdrag neergelegde beginsel van het vrije verkeer van werknemers, dat deze vraag bevestigend wordt beantwoord, in dier voege dat de aanvullende gezinsbijslagen ook verschuldigd zijn indien het recht op het Duitse pensioen of de Duitse rente, of het recht van de wees, alleen wordt ontleend aan de bepalingen van de verordening betreffende de samentelling van de in verschillende Lid-Staten vervulde tijdvakken. Anders zou de werknemer gehinderd kunnen zijn, zich in een andere Lid-Staat te vestigen, uit vrees de gezinsbijslagen te verliezen waarop hij recht zou hebben indien hij in dezelfde Lid-Staat bleef wonen. Zij beklemtonen hiermee, dat het niet de gedachte is van de bescherming van de krachtens de wetgeving van één land verworven rechten, die bepalend is voor de uitlegging van de artikelen 77 en 78 van de verordening. Dienaangaande verwijzen zij naar de rechtspraak van het Hof volgens welke het doel van de artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag niet zou worden bereikt, indien werknemers ten gevolge van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer voordelen op het gebied van de sociale zekerheid zouden verliezen (zie onder meer arrest van 28 november 1991, zaak C-186/90, Durighello, Jurispr. 1991, blz. I-5773, r.o. 15 en 16, en arrest Athanasopoulos, reeds aangehaald, r.o. 35 en 37).
15 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de in de artikelen 77 en 78 vervatte regelgeving ertoe strekt, de Lid-Staat te bepalen waarvan de wettelijke regeling de verlening van bijslagen voor kinderen ten laste van pensioen- of rentetrekkers of voor wezen beheerst, waarbij de bijslagen dan in beginsel alleen volgens de wettelijke regeling van deze staat worden verleend. Uit de leden 2, sub b-i, van deze twee artikelen volgt, dat wanneer de pensioen- of rentetrekker of de overleden werknemer aan de wettelijke regelingen van verschillende Lid-Staten onderworpen is geweest, de betrokken bijslagen worden verleend overeenkomstig de wettelijke regeling van de staat op het grondgebied waarvan de pensioen- of rentetrekker of de wees van de overleden werknemer woont.
16 Het Hof heeft evenwel gepreciseerd, dat deze bepalingen aldus moeten worden uitgelegd, dat het recht op gezinsbijslagen ten laste van de woonstaat van de rechthebbende op een invaliditeits- of ouderdomspensioen of van de wees, het recht op hogere gezinsbijslagen, dat voorheen ten laste van een andere Lid-Staat is verkregen, niet doet vervallen. In deze omstandigheden is een aanvullende bijslag ten belope van het verschil tussen deze twee bedragen, door deze laatste Lid-Staat verschuldigd (zie met name arresten Laterza en Gravina, reeds aangehaald).
17 Deze uitlegging van de artikelen 77 en 78 van de verordening is gebaseerd op het door het Hof herhaaldelijk in herinnering gebrachte beginsel, dat het doel van de artikelen 48 tot en met 51 niet zou worden bereikt, indien werknemers ten gevolge van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer voordelen op het gebied van de sociale zekerheid zouden verliezen, welke hun in ieder geval reeds door de wettelijke regeling van één Lid-Staat zijn gewaarborgd (zie met name arrest van 21 oktober 1975, zaak 24/75, Petroni, Jurispr. 1975, blz. 1149, r.o. 13). De bepalingen van de verordening kunnen derhalve geen toepassing vinden, wanneer zij een vermindering meebrengen van de uitkeringen waarop de betrokkene krachtens de wettelijke regeling van één enkele Lid-Staat aanspraak kan maken op grond van enkel onder die wettelijke regeling vervulde verzekeringstijdvakken (zie, in die zin, arrest Petroni, reeds aangehaald, r.o. 16).
18 De toepassing van de artikelen 77 en 78 van de verordening, die de woonstaat als enige bevoegd verklaren om de betrokken gezinsbijslagen te verlenen, kan evenwel tot gevolg hebben, dat de betrokkenen hun rechten op bijslagen die zij alleen aan de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat ontlenen, worden ontnomen. Om deze reden heeft het Hof deze bepalingen in de arresten Laterza en Gravina (reeds aangehaald) aldus uitgelegd, dat het beginsel dat één enkele staat de bijslagen verschuldigd is, op het gebied van de gezinsbijslagen een uitzondering kent op grond waarvan de andere Lid-Staat verplicht is een aanvullende bijslag toe te kennen.
19 Gelet op de redenering die aan deze uitzondering ten grondslag ligt, kan de werkingssfeer ervan niet worden uitgebreid in dier voege, dat een aanvullende bijslag ook wordt toegekend wanneer de pensioen- of rentetrekker, of de wees, zijn rechten enkel ontleent aan de toepassing van de in de verordening neergelegde regels inzake samentelling. In die situatie immers verliezen de betrokkenen door toepassing van de artikelen 77 en 78 niet de bijslagen die zij enkel aan de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat ontlenen.
20 Noch het arrest Athanasopoulos, noch het arrest Durighello (beide reeds aangehaald) kunnen tegen een dergelijke uitlegging worden aangevoerd.
21 In het eerste van deze arresten werd het Hof verzocht, zijn voormelde rechtspraak op het gebied van aanvullende bijslagen te preciseren. Het ging met name om de vraag, of deze aanvullende bijslagen slechts moesten worden toegekend, indien de rechten op pensioen of rente in de Lid-Staat aan het orgaan waarvan de aanvullende bijslagen werden gevraagd, waren verkregen vóór de verlegging van de woonplaats van de betrokkene, en indien de kinderen ten laste van de pensioen- of rentetrekker vóór de verlegging van de woonplaats worden geboren. De redenering die het Hof volgde om deze twee vragen ontkennend te beantwoorden, doet niet af aan de kern van de rechtspraak van het Hof betreffende de aanvullende bijslagen, volgens welke een recht op een dergelijke aanvulling een alleen krachtens de nationale wettelijke regeling verworven recht op pensioen of rente, of recht van een wees, veronderstelt.
22 Hetzelfde geldt voor het arrest Durighello (reeds aangehaald). Die zaak had betrekking op een andere situatie dan de onderhavige, met name doordat daarin vragen rezen betreffende de invloed van de artikelen 77 tot en met 79 op de toepassing van een wettelijke regeling in de Lid-Staat waar de migrerende werknemer woonde. In die zaak waren de migrerende werknemer die rechthebbende op het pensioen was, in zijn woonstaat de in de nationale wettelijke regeling voor gepensioneerden voorziene gezinsbijslagen voor de echtgenoot ten laste geweigerd, op grond dat hij het recht op dit pensioen krachtens de bepalingen van de verordening had verkregen. Onder die omstandigheden kon het Hof zich ertoe beperken, ter beantwoording van de prejudiciële vragen voor recht te verklaren, dat de artikelen 77 tot en met 79 van de verordening zich er niet tegen verzetten, dat een wettelijke regeling zoals die aan de orde was, werd toegepast op een persoon die uit hoofde van de verordening een ouderdomspensioen ontving.
23 Mitsdien moet op de eerste twee vragen worden geantwoord, dat de artikelen 77, lid 2, sub b-i, en 78, lid 2, sub b-i, van de verordening aldus moeten worden uitgelegd, dat het bevoegde orgaan van een Lid-Staat niet gehouden is, aan pensioen- of rentetrekkers of aan wezen die in een andere Lid-Staat wonen, aanvullende gezinsbijslagen toe te kennen ingeval het bedrag van de door de woonstaat uitgekeerde gezinsbijslagen lager is dan dat van de in de wettelijke regeling van de eerste Lid-Staat voorziene bijslagen, wanneer het recht op pensioen of rente, of het recht van de wees, niet uitsluitend uit hoofde van in deze staat vervulde verzekeringstijdvakken is verkregen.
De derde vraag
24 Gelet op het antwoord op de eerste twee prejudiciële vragen behoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
25 De kosten door de Duitse en de Spaanse regering alsmede de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Sozialgericht Nuernberg bij beschikking van 16 januari 1995 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De artikelen 77, lid 2, sub b-i, en 78, lid 2, sub b-i, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, moeten aldus worden uitgelegd, dat het bevoegde orgaan van een Lid-Staat niet gehouden is, aan pensioen- of rentetrekkers of aan wezen die in een andere Lid-Staat wonen, aanvullende gezinsbijslagen toe te kennen ingeval het bedrag van de door de woonstaat uitgekeerde gezinsbijslagen lager is dan dat van de in de wettelijke regeling van de eerste Lid-Staat voorziene bijslagen, wanneer het recht op pensioen of rente, of het recht van de wees, niet uitsluitend uit hoofde van in deze staat vervulde verzekeringstijdvakken is verkregen.
Full & Egal Universal Law Academy