Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw ° Gemeenschappelijk landbouwbeleid ° Verordeningen ° Totstandkomingsprocedure ° Vrijwaringsmaatregelen ° Verplichting van Commissie om in uitvoeringsverordening termijn op te nemen waarbinnen zaak aan Raad kan worden voorgelegd ° Geen
(Verordening nr. 1932/93 van de Commissie; besluit 87/373 van de Raad)
2. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Groenten en fruit ° Invoer uit derde landen ° Vrijwaringsmaatregelen bij invoer van zure kersen ° Evenredigheidsbeginsel ° Beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen ° Door Gemeenschap met derde landen gesloten interimovereenkomsten betreffende handel ° Schending ° Geen
(Verordening nr. 1932/93 van de Commissie)
Samenvatting
1. Bij de vaststelling van verordening nr. 1932/93 tot vaststelling van vrijwaringsmaatregelen voor de invoer van zure kersen was de Commissie niet verplicht om in die verordening de termijn op te nemen waarbinnen een Lid-Staat de genomen vrijwaringsmaatregelen aan de Raad kan voorleggen. Besluit 87/373 van de Raad tot vaststelling van de voorwaarden die gelden voor de uitoefening van aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden, dat in artikel 3 in de vaststelling van een dergelijke termijn voorziet, is volgens de tweede en derde overweging van zijn considerans namelijk slechts van toepassing op de na de inwerkingtreding ervan verleende uitvoeringsbevoegdheden en kan dus geen afbreuk doen aan de geldigheid van uitvoeringsmaatregelen die zijn genomen op basis van uitvoeringsbevoegdheden die de Commissie vóór de inwerkingtreding ervan zijn verleend. Bovendien moet, wanneer de Raad besluit de in artikel 3 bedoelde procedure te volgen, de termijn waarbinnen elke Lid-Staat het besluit van de Commissie aan de Raad kan voorleggen, worden genoemd in de handeling waarbij de Raad de Commissie de bevoegdheid verleent om vrijwaringsmaatregelen te nemen, en niet in de besluiten die de Commissie op basis van die machtiging kan nemen.
2. De bij verordening nr. 1932/93 in de sector groenten en fruit ingevoerde vrijwaringsmaatregelen bij invoer van zure kersen maken geen inbreuk op het evenredigheidsbeginsel. Die maatregelen, die zijn verkozen boven strengere maatregelen, zoals beperking van de ingevoerde hoeveelheden, waren immers geschikt ter bereiking van het nagestreefde doel, te weten te voorkomen dat de prijzen van de produkten op de gemeenschappelijke markt scherp zouden dalen, en zijn genomen toen een minder streng stelsel, dat van invoercertificaten, niet bleek te voldoen.
De maatregelen maken evenmin inbreuk op het vertrouwensbeginsel, omdat marktdeelnemers geen gewettigd vertrouwen konden hebben in het voortbestaan van een situatie die door besluiten van de instellingen in het kader van hun beoordelingsvrijheid kan worden gewijzigd, te minder nu de Commissie kort vóór de vaststelling van genoemde verordening wegens de ongunstige marktontwikkeling een stelsel van invoercertificaten had ingesteld.
Ten slotte kan men deze maatregelen niet zien als een schending van de interimovereenkomsten betreffende de handel, gesloten tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal enerzijds en de Republiek Polen, de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek en de Republiek Hongarije anderzijds. Artikel 15 van elk van deze overeenkomsten bepaalt weliswaar, dat beide partijen verplicht zijn onderhandelingen te openen wanneer een van hen vrijwaringsmaatregelen in het handelsverkeer in landbouwprodukten neemt, maar deze clausule geldt slechts tussen de overeenkomstsluitende partijen en voorziet in een formaliteit na de vaststelling van vrijwaringsmaatregelen. Er kan dus niet met vrucht een beroep op worden gedaan om de geldigheid van de vrijwaringsmaatregelen zelf te betwisten.
Partijen
In zaak C-64/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Finanzgericht des Landes Brandenburg (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Konservenfabrik Lubella Friedrich Bueker GmbH & Co. KG
en
Hauptzollamt Cottbus,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van verordening (EEG) nr. 1932/93 van de Commissie van 16 juli 1993 tot vaststelling van vrijwaringsmaatregelen voor de invoer van zure kersen (PB 1993, L 174, blz. 35),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, C. Gulmann, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet (rapporteur) en P. Jann, rechters,
advocaat-generaal: M. B. Elmer
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. J. Navarro González, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschappen, en G. Calvo Díaz, abogado del Estado, van de dienst communautaire geschillen, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K.-D. Borchardt, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 juli 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 21 februari 1995, ingekomen ten Hove op 10 maart daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht des Landes Brandenburg krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de geldigheid van verordening (EEG) nr. 1932/93 van de Commissie van 16 juli 1993 tot vaststelling van vrijwaringsmaatregelen voor de invoer van zure kersen (PB 1993, L 174, blz. 35; hierna: "verordening").
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Konservenfabrik Lubella Friedrich Bueker GmbH & Co. KG (hierna: "Lubella") en het Hauptzollamt Cottbus over compenserende heffingen die Lubella krachtens de verordening moest betalen voor de invoer in Duitsland op 19 en 20 juli 1993 van verse zure kersen (GN-code 0809 20 60 0100) uit Polen.
3 De verordening is vastgesteld op basis van de verordeningen (EEG) nr. 1035/72 van de Raad van 18 maart 1972 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (PB 1972, L 118, blz. 1), en nr. 2707/72 van de Raad van 19 december 1972 houdende omschrijving van de wijze van toepassing van vrijwaringsmaatregelen in de sector groenten en fruit (PB 1972, L 291, blz. 3).
4 Artikel 1 van de verordening bepaalt, dat bij invoer in de Gemeenschap van zure kersen (GN-codes 0809 20 20 en 0809 20 60) een minimumprijs geldt en dat, wanneer de prijs bij invoer lager is dan de minimumprijs, een compenserende heffing wordt toegepast die gelijk is aan het verschil tussen die twee prijzen.
5 De Duitse versie van de verordening vermeldt weliswaar de GN-codes voor zure kersen, maar bezigt in de titel, in de considerans en in artikel 1, lid 1, ter aanduiding van de produkten die onder de vrijwaringsmaatregelen vallen, de term "Suesskirschen" ("zoete kersen"). Deze term is door middel van een rectificatie in de Duitse editie van het Publikatieblad van 20 juli 1993 (PB 1993, L 176, blz. 29) vervangen door de term "Sauerkirschen" ("zure kersen").
6 In haar bij het Finanzgericht des Landes Brandenburg ingesteld beroep tegen de heffingsnota stelde Lubella, dat de verordening ongeldig was. In het bijzonder voerde zij aan dat:
° vóór de vaststelling van de verordening het ingevolge artikel 33 van verordening nr. 1035/72 vereiste advies van het comité van beheer niet was ingewonnen;
° in de verordening geen termijn was genoemd waarbinnen de Lid-Staten ze aan de Raad konden voorleggen, zoals bepaald in besluit 87/373/EEG van de Raad van 13 juli 1987 tot vaststelling van de voorwaarden die gelden voor de uitoefening van aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB 1987, L 197, blz. 33; hierna: "besluit comitologie");
° de inhoud van de verordening in de oorspronkelijke versie niet bepaald was, omdat onduidelijk was of zij betrekking had op zoete dan wel op zure kersen;
° de gerectificeerde versie niet zonder terugwerkende kracht kon worden toegepast op op 19 en 20 juli 1993 verrichte importen;
° de verordening niet gerechtvaardigd was door een ernstige marktverstoring of een dreigende ernstige marktverstoring;
° zij geen rechtsgrondslag vond in verordening nr. 2707/72;
° bij de verordening maatregelen waren ingevoerd die ongeschikt waren om marktverstoringen op te heffen;
° de verordening in strijd was met het vertrouwensbeginsel;
° zij niet voldoende met redenen was omkleed, en
° zij niet was gevolgd door consultaties als bedoeld in de artikelen 14 en 15 van de Interimovereenkomsten betreffende de handel en aanverwante zaken tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal enerzijds en de Republiek Polen, de Tjechische en Slowaakse Federatieve Republiek en de Republiek Hongarije anderzijds, respectievelijk goedgekeurd bij de besluiten 92/228/EEG (PB 1992, L 114, blz. 1), 92/229/EEG (PB 1992, L 115, blz. 1) en 92/230/EEG (PB 1992, L 116, blz. 1) van de Raad van 25 februari 1992 (hierna: "interimovereenkomsten").
7 Het Finanzgericht des Landes Brandenburg, dat de twijfel van verzoekster in het hoofdgeding deelt, heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
"1) Is verordening (EEG) nr. 1932/93 van de Commissie, zoals gerectificeerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 20 juli 1993 (PB 1993, L 176, blz. 29), op zodanige wijze tot stand gekomen, dat zij rechtsgevolgen teweeg brengt?
2) Zo ja:
Zijn de bepalingen van verordening (EEG) nr. 1932/93 ook van toepassing op de invoer van zure kersen tot en met 20 juli 1993?
3) Zo ja:
a) Was in 1993 voldaan aan de vereisten voor het nemen van een marktordeningsmaatregel met betrekking tot zure kersen?
b) Vormt de minimumprijsregeling een toelaatbare en geschikte maatregel om de verstoring van de markt ongedaan te maken?
c) Is de minimumprijsregeling verenigbaar met de Interimovereenkomsten van 25 februari 1992 tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Polen, de Republiek Hongarije en de Tjechische en Slowaakse Federatieve Republiek?"
8 Met deze drie prejudiciële vragen wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de verordening geldig is, gelet op de bij hem door verzoekster in het hoofdgeding aangevoerde middelen, die derhalve een voor een moeten worden onderzocht.
De schending van artikel 33 van verordening nr. 1035/72
9 De Commissie en de Spaanse regering betogen, dat het bevoegde comité van beheer vóór de vaststelling van de verordening niet behoefde te worden geraadpleegd. De procedure tot vaststelling van vrijwaringsmaatregelen wordt geregeld in artikel 29, lid 2, van verordening nr. 1035/72, dat niet in een dergelijke raadpleging voorziet en niet verwijst naar de procedure van artikel 33 van die verordening.
10 Artikel 29 van verordening nr. 1035/72, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2454/72 van de Raad van 21 november 1972 (PB 1972, L 266, blz. 1), luidt:
"1. In het handelsverkeer met derde landen kunnen passende maatregelen worden toegepast:
° indien in de Gemeenschap de markt voor een of meer van de in artikel 1 bedoelde produkten als gevolg van invoer of uitvoer ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan, welke de doeleinden van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kunnen brengen,
° (...)
Deze maatregelen kunnen slechts worden toegepast totdat de verstoring opgeheven of het gevaar ervoor geweken is (...)
2. Indien de in lid 1 bedoelde situatie zich voordoet, beslist de Commissie op verzoek van een Lid-Staat of op eigen initiatief ter zake van de noodzakelijke maatregelen, die aan de Lid-Staten worden medegedeeld en onmiddellijk van toepassing zijn. Indien bij de Commissie een dergelijk verzoek van een Lid-Staat wordt ingediend, beslist zij hierover binnen 24 uur na ontvangst van het verzoek.
3. De Lid-Staat kan de maatregel van de Commissie binnen drie werkdagen volgende op de dag van mededeling daarvan aan de Raad voorleggen. De Raad komt onverwijld bijeen. Hij kan de desbetreffende maatregel van de Commissie volgens de stemprocedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag, wijzigen of vernietigen."
Artikel 33, lid 1, van dezelfde verordening bepaalt:
"In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de voorzitter deze procedure bij het comité [van beheer voor groenten en fruit] in, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat."
11 Blijkens zijn bewoordingen verwijst artikel 29 dus niet naar de in artikel 33 omschreven procedure, maar voorziet het in een specifieke procedure voor de vaststelling van vrijwaringsmaatregelen. Deze procedure omvat geen raadpleging van het comité van beheer voor groenten en fruit. Een dergelijke raadpleging behoefde dus niet aan de vaststelling van de verordening vooraf te gaan.
Het niet vermelden van een termijn waarbinnen de zaak aan de Raad kon worden voorgelegd
12 De Commissie en de Spaanse regering betogen, dat de termijn waarbinnen een Lid-Staat de door de Commissie genomen vrijwaringsmaatregelen aan de Raad kan voorleggen, in artikel 29, lid 3, van verordening nr. 1035/72 is bepaald en dat geen enkele bepaling, en in het bijzonder niet het besluit comitologie, ertoe dwingt die termijn te herhalen in de verordening waarbij de maatregelen worden ingesteld.
13 Artikel 3 van het besluit comitologie luidt:
"Wanneer de Raad aan de Commissie de bevoegdheid verleent om een besluit te nemen over vrijwaringsmaatregelen kan de onderstaande procedure worden gevolgd:
° wanneer de Commissie besluit om vrijwaringsmaatregelen te nemen, stelt zij de Raad en de Lid-Staten hiervan in kennis.
Er kan worden voorgeschreven dat de Commissie de Lid-Staten volgens een per geval te bepalen procedure raadpleegt voordat zij haar besluit neemt.
° iedere Lid-Staat kan het besluit van de Commissie binnen een in het betrokken besluit van de Raad te bepalen termijn aan de Raad voorleggen.
(...)"
14 Om te beginnen moet erop worden gewezen, dat het besluit comitologie volgens de tweede en derde overweging van zijn considerans slechts van toepassing is op de uitvoeringsbevoegdheden die de Commissie na de inwerkingtreding ervan zijn verleend, en dus geen afbreuk kan doen aan de geldigheid van uitvoeringsmaatregelen die, zoals in casu, zijn genomen op basis van uitvoeringsbevoegdheden die de Commissie vóór de inwerkingtreding ervan zijn verleend.
15 Voorts blijkt uit artikel 3 van het besluit, dat wanneer de Raad besluit die procedure te volgen, de termijn waarbinnen elke Lid-Staat het besluit van de Commissie aan de Raad kan voorleggen, moet worden vermeld in de handeling waarbij de Raad de Commissie de bevoegdheid verleent om vrijwaringsmaatregelen te nemen, en niet in de besluiten die de Commissie op basis van die machtigingsbevoegdheid kan nemen. De Commissie was dus hoe dan ook niet verplicht een beroepstermijn in de verordening op te nemen.
De inhoud van de verordening
16 De Commissie en de Spaanse regering betogen, dat uit de verordening duidelijk blijkt, dat zij slechts betrekking heeft op zure kersen. In alle taalversies van de verordening, met uitzondering van de Duitse, worden die produkten met de dienovereenkomstige GN-codes genoemd en de Duitse versie, die aanvankelijk enkel een redactiefout in de omschrijving van de produkten, maar niet in de GN-codes bevatte, is op 20 juli 1993 gerectificeerd.
17 Zoals het Hof reeds meermaals heeft verklaard, brengt het vereiste van eenvormige uitlegging van de gemeenschapsverordeningen mee, dat een bepaalde tekst niet op zichzelf kan worden beschouwd, maar in geval van twijfel moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in de andere officiële talen (arresten van 12 juli 1979, zaak 9/79, Koschniske, Jurispr. 1979, blz. 2717, r.o. 6, en 27 maart 1990, zaak C-372/88, Cricket St Thomas, Jurispr. 1990, blz. I-1345, r.o. 19).
18 Met uitzondering van de Duitse versie, hebben alle taalversies van de betwiste verordening enkel betrekking op zure kersen. Zoals de Commissie en de Spaanse regering opmerken, bevatte de Duitse versie van de verordening aanvankelijk een materiële fout ("Suesskirschen" in plaats van "Sauerkirschen") die nadien is gerectificeerd. Aangezien in die versie wel de GN-codes voor zure kersen waren vermeld, kon deze onduidelijkheid door raadpleging van de andere taalversies van de verordening dus gemakkelijk worden opgeheven. Bovendien staat vast, dat de bevoegde Duitse autoriteiten in kennis zijn gesteld van die vergissing en de verordening dus vanaf het begin juist konden toepassen. Onder die omstandigheden kon de inhoud van de verordening niet als onbepaald worden beschouwd.
De terugwerkende kracht van de verordening
19 Volgens de Commissie en de Spaanse regering heeft de verordening geen terugwerkende kracht en kon zij dus wettig worden toegepast op importen die op 19 en 20 juli 1993 plaatsvonden. De rectificatie op 20 juli 1993 van de materiële fout in de Duitse versie van de verordening heeft hun inziens niet tot gevolg gehad, dat de verordening terugwerkende kracht kreeg.
20 Uit het voorgaande volgt, dat het toepassingsgebied van de verordening door de rectificatie in de Duitse uitgave van het Publikatieblad van 20 juli 1993 niet is gewijzigd. Onder die omstandigheden kon de verordening vanaf de datum van haar inwerkingtreding worden toegepast.
Het bestaan van een ernstige marktverstoring of een dreigende ernstige marktverstoring
21 De Commissie en de Spaanse regering betogen, dat toen de verordening werd vastgesteld, de kersenmarkt ernstig dreigde te worden verstoord. De Commissie wijst er in het bijzonder op, dat de invoer in de Gemeenschap van kersen uit derde landen in de oogstjaren 1990 en 1991 sterk was gestegen, met name wegens de schaarse oogst in de Gemeenschap in 1991, en in het oogstjaar 1992 op een hoog peil was gebleven, waardoor in verband met de goede oogst in de Gemeenschap in dat jaar, de marktprijzen sterk daalden. Uit de eerste noteringen voor het oogstjaar 1993 en met name uit Duitse gegevens was gebleken, dat deze voor de produkten van de Gemeenschap nadelige tendens voortduurde. Voorts merkt de Commissie op, dat de door verzoekster in het hoofdgeding genoemde cijfers, die een andere indruk zouden kunnen wekken, enkel betrekking hebben op de invoer van zure kersen in Duitsland en een vergelijking bevatten met het atypische jaar 1992.
22 Uit artikel 29, lid 1, van verordening nr. 1035/72 volgt, dat één van de twee gevallen waarin in het handelsverkeer met derde landen vrijwaringsmaatregelen kunnen worden toegepast, de situatie betreft waarin de markt voor één of meer produkten als gevolg van invoer of uitvoer ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan, welke de doeleinden van artikel 39 EG-Verdrag in gevaar kunnen brengen. Uit artikel 1 van verordening nr. 2707/72 volgt voorts, dat bij de beoordeling of zich een dergelijke situatie voordoet, rekening wordt gehouden met de omvang van de werkelijke of de te verwachten uitvoer of invoer, de beschikbare hoeveelheden op de markt van de Gemeenschap, de prijzen voor inheemse produkten, geconstateerd op de markt van de Gemeenschap, of met de te verwachten ontwikkeling van deze prijzen (met name een tendens tot buitensporige daling of stijging), en wat in het bijzonder de invoer betreft, met de op de markt van de Gemeenschap geconstateerde prijzen van de produkten uit derde landen (met name een tendens tot buitensporige daling), en met hoeveelheden welke uit de markt worden genomen of zouden kunnen worden genomen.
23 Zowel uit de motivering van de verordening als uit de door de Commissie aan het Hof verstrekte gegevens, met name betreffende de hoeveelheden uit derde landen ingevoerde kersen en de marktprijsnoteringen, die niet door verzoekster in het hoofdgeding worden betwist en niet worden ontkracht door de gegevens die zijzelf aan de nationale rechter heeft voorgelegd, volgt dat er op de gemeenschappelijke markt voor kersen in de drie oogstjaren vóór 1993 een sterke stijging van de uit derde landen ingevoerde hoeveelheden en in het voorafgaande oogstjaar een sterke prijsdaling was geregistreerd. Ook staat vast, dat die voor communautaire produkten schadelijke tendens zich zeker zou hebben gehandhaafd wanneer de gemeenschapsautoriteiten geen maatregelen hadden genomen.
24 In die omstandigheden heeft de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door ervan uit te gaan, dat er een dreiging bestond van ernstige verstoringen van de gemeenschapsmarkt, die de in artikel 39 van het Verdrag neergelegde doelstellingen in gevaar konden brengen (zie arrest van 13 juni 1996, zaak C-205/94, Binder, Jurispr. 1996, blz. I-2871, r.o. 22).
De rechtsgrondslag van de maatregelen
25 Volgens de Commissie en de Spaanse regering vindt de bij de verordening ingestelde minimumprijsregeling haar rechtsgrondslag in artikel 29 van verordening nr. 1035/72 juncto artikel 3 van verordening nr. 2707/72. De Commissie merkt meer in het bijzonder op, dat artikel 3 van verordening nr. 2707/72 weliswaar uitdrukkelijk enkel in schorsing van de invoer voorziet, maar dat het, rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd, dat de Commissie diverse maatregelen kan nemen, schorsing van de invoer daaronder begrepen, zonder dat zij verplicht is meteen naar dit uiterste middel te grijpen.
26 Artikel 3, leden 1 en 2, van verordening nr. 2707/72 luidt:
"1. De maatregelen die krachtens artikel 29, lid 2 en lid 3, van verordening (EEG) nr. 1035/72 kunnen worden genomen, zijn:
° wanneer de toestand, bedoeld in lid 1, eerste streepje, van genoemd artikel zich voordoet, de schorsing van de invoer of de uitvoer, dan wel de inning van heffingen bij uitvoer,
° (...)
2. Deze maatregelen mogen slechts worden getroffen voor zover en zolang dit strikt noodzakelijk is."
27 Met betrekking tot soortgelijke bepalingen als die waarom het in het hoofdgeding gaat, heeft het Hof reeds verklaard, dat uit de omstandigheid dat die bepalingen niet uitdrukkelijk voorzagen in de instelling van een compenserende heffing, niet mocht worden afgeleid dat een dergelijke maatregel uitgesloten was. Integendeel, uit het feit dat die bepalingen de algehele of gedeeltelijke opschorting van de invoer toestonden, moest worden geconcludeerd, dat de Commissie een minder strenge regeling, namelijk een minimumprijs met een compenserende heffing, kon invoeren. Indien de Commissie immers vrijwaringsmaatregelen kan nemen die tot volledige stopzetting van de invoer uit derde landen leiden, kan zij zeker minder beperkende maatregelen vaststellen (zie arrest van 13 mei 1971, gevoegde zaken 41/70, 42/70, 43/70 en 44/70, International Fruit Company e.a., Jurispr. 1971, blz. 411, r.o. 65, betreffende de regeling van de gemeenschappelijke marktordening voor groenten en fruit vóór verordening nr. 1035/72; arresten van 12 april 1984, zaak 345/82, Wuensche Handelsgesellschaft, Jurispr. 1984, blz. 1995, r.o. 23; 11 februari 1988, zaak 77/86, National Dried Fruit Trade Association, Jurispr. 1988, blz. 757, r.o. 26, en 5 juli 1988, zaak 291/86, Central-Import Muenster, Jurispr. 1988, blz. 3679, r.o. 39, betreffende de toenmalige regeling van de gemeenschappelijke marktordening voor op basis van groenten en fruit verwerkte produkten).
De evenredigheid van de vrijwaringsmaatregelen
28 De Commissie en de Spaanse regering betogen, dat de bij de verordening ingestelde vrijwaringsmaatregelen evenredig zijn met het nagestreefde doel. De Commissie zet uiteen, dat de gemeenschapsautoriteiten in de ontwikkeling aan het begin van het oogstjaar 1993 aanleiding hadden gevonden eerst een stelsel van invoercertificaten in te voeren. Toen dat echter onvoldoende bleek te zijn om de stijgende invoer en de prijsdaling een halt toe te roepen, besloten zij vervolgens de referentieprijzen niet meer op ingevoerde zure kersen toe te passen, maar een minimumprijsregeling met compenserende heffing in te voeren. Daardoor kon de gewenste stabiliteit worden bereikt met de minst mogelijke schade voor het handelsverkeer.
29 Wat dit punt betreft, kan worden volstaan met op te merken, dat de getroffen vrijwaringsmaatregelen geschikt waren om het nagestreefde doel te bereiken, te weten te voorkomen dat de prijzen van de produkten op de gemeenschappelijke markt scherp zouden dalen, dat die maatregelen zijn genomen toen een minder streng stelsel, namelijk dat van invoercertificaten, niet bleek te voldoen, en dat zij zijn verkozen boven strengere maatregelen, zoals beperking van de ingevoerde hoeveelheden. In die omstandigheden heeft de Commissie het evenredigheidsbeginsel niet geschonden.
Schending van het vertrouwensbeginsel
30 De Commissie en de Spaanse regering betogen, dat de verordening het gewettigd vertrouwen van de betrokken marktdeelnemers ontziet. Zij wijzen erop, dat op het gebied van gemeenschappelijke marktordeningen de marktdeelnemers niet mogen verwachten dat de regeling jaar in jaar uit gehandhaafd blijft, en dat zij dus, wanneer zij voorzichtig en oplettend zijn, bedacht moeten zijn op wijzigingen van die regeling ter aanpassing aan de marktontwikkeling.
31 Volgens vaste rechtspraak van het Hof beschikken de gemeenschapsinstellingen over een ruime beoordelingsmarge bij de keuze van de middelen die voor de verwezenlijking van hun beleid noodzakelijk zijn, en kunnen de marktdeelnemers daarom geen gewettigd vertrouwen hebben in het voortbestaan van een situatie die door besluiten van de instellingen in het kader van hun beoordelingsvrijheid kan worden gewijzigd (zie, onder meer, arresten van 15 juli 1982, zaak 245/81, Edeka Zentrale, Jurispr. 1982, blz. 2745, r.o. 27, en 28 oktober 1982, zaak 52/81, Faust, Jurispr. 1982, blz. 3745, r.o. 27). In het onderhavige geval kan er te minder sprake zijn van schending van het vertrouwensbeginsel, nu de Commissie, kort vóór de vaststelling van de verordening, wegens de ongunstige marktontwikkeling een stelsel van invoercertificaten had ingevoerd.
Het gebrek aan motivering van de verordening
32 Volgens de Commissie en de Spaanse regering is de verordening voldoende met redenen omkleed. In overeenstemming met de eisen die het Hof in zijn rechtspraak aan dit soort maatregelen stelt, doet de considerans van de verordening, gelezen in de context van de destijds door de Commissie genomen maatregelen ter stabilisering van de markt, de wezenlijke elementen uitkomen op basis waarvan de Commissie had besloten de bestreden maatregelen vast te stellen.
33 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet de door artikel 190 EG-Verdrag verlangde motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling. De redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, moet er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uitdrukking komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregelen kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen (zie arrest Binder, reeds aangehaald, r.o. 25).
34 De considerans van de verordening maakt duidelijk, dat aangezien zure kersen niet meer werden beschermd (toepassing van de referentieprijs was met het oog op de toen heersende marktsituatie kennelijk niet de juiste oplossing), en aangezien de gemeenschappelijke markt daardoor ernstige verstoringen dreigde te ondergaan, een stelsel van minimumprijzen en compenserende heffingen is ingevoerd, dat het meest geschikt werd geacht.
35 De verordening bevatte dus de informatie die voor de belanghebbenden nodig was om de bestaansreden ervan te kennen, en voor het Hof om zijn toezicht uit te oefenen. Zij voldeed dus aan het motiveringsvereiste van artikel 190 van het Verdrag.
Schending van de interimovereenkomsten
36 De Commissie en de Spaanse regering betogen, dat de bepalingen van de artikelen 14 en 15 van de interimovereenkomsten door de verordening niet zijn geschonden. In haar opmerkingen beperkt de Commissie zich tot de overeenkomst met de Republiek Polen, het herkomstland van de produkten waarom het in het hoofdgeding gaat, en zij wijst erop, dat na vaststelling van de vrijwaringsmaatregelen onderhandelingen met de Poolse autoriteiten zijn gevoerd, die zelfs tot gunstiger maatregelen voor het daaropvolgende oogstjaar hebben geleid.
37 Wat dat punt betreft, kan worden volstaan met de opmerking, dat artikel 15 van elk van de interimovereenkomsten weliswaar bepaalt, dat beide partijen verplicht zijn onderhandelingen te openen wanneer één van hen vrijwaringsmaatregelen in het handelsverkeer in landbouwprodukten neemt, maar op deze clausule, die slechts tussen de overeenkomstsluitende partijen werkt en die voorziet in een formaliteit na de vaststelling van vrijwaringsmaatregelen, kan hoe dan ook geen beroep worden gedaan om de geldigheid van de vrijwaringsmaatregelen zelf te betwisten. Hieruit volgt, dat ook dit argument moet worden afgewezen.
38 Om al deze redenen moet de nationale rechter worden geantwoord, dat bij onderzoek van de prejudiciële vragen niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de verordening kunnen aantasten.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
39 De kosten door de Spaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht des Landes Brandenburg bij beschikking van 21 februari 1995 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Bij onderzoek van de prejudiciële vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening (EEG) nr. 1932/93 van de Commissie van 16 juli 1993 tot vaststelling van vrijwaringsmaatregelen voor de invoer van zure kersen, kunnen aantasten.
Full & Egal Universal Law Academy