Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Sociale politiek - Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid - Verlate betaling van uitkeringen van sociale zekerheid, te wijten aan bij richtlijn 79/7 verboden discriminatie - Recht op rentevergoeding over uiteindelijk uitbetaalde bedragen - Geen
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 6)
2 Gemeenschapsrecht - Aan particulieren toegekende rechten - Schending door Lid-Staat - Verplichting om aan particulieren veroorzaakte schade te vergoeden - Voorwaarden - Modaliteiten voor vergoeding - Toepassing van nationaal recht - Grenzen
Samenvatting
3 Artikel 6 van richtlijn 79/7 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid vereist niet, dat een particulier rente vergoed kan krijgen over bedragen die uit hoofde van achterstallige uitkeringen van sociale zekerheid zijn betaald, wanneer de verlate betaling van de uitkeringen te wijten is aan een bij richtlijn 79/7 verboden discriminatie.
De uit hoofde van uitkeringen van sociale zekerheid verschuldigde bedragen, die aan de betrokkenen worden betaald door de bevoegde organen, die onder meer tot taak hebben na te gaan, of aan de ter zake geldende regels is voldaan, hebben namelijk geenszins het karakter van een vergoeding van geleden schade en er kan dan ook geen sprake zijn van toepassing van de redenering die het Hof heeft gevolgd in het arrest van 2 augustus 1993 (zaak C-271/91, Marshall) met betrekking tot een schadeloosstelling die het herstel van een daadwerkelijke gelijke behandeling mogelijk maakt, en volgens welke de toekenning van rente overeenkomstig de toepasselijke nationale regels als een wezenlijke bestanddeel van een dergelijke schadeloosstelling moet worden beschouwd. Hoewel artikel 6 van richtlijn 79/7 de Lid-Staten verplicht de nodige maatregelen te nemen opdat eenieder die meent bij de toekenning van uitkeringen van sociale zekerheid het slachtoffer te zijn geweest van een door de richtlijn verboden discriminatie, de onwettigheid van die discriminatie kan doen vaststellen en betaling kan verkrijgen van de uitkeringen waarop hij zonder die discriminatie recht zou hebben gehad, kan de vergoeding van rente over achterstallige uitkeringen dus niet als een essentieel onderdeel van dat recht worden beschouwd.
4 Een Lid-Staat is gehouden tot vergoeding van de schade die hij wegens hem toe te rekenen schendingen van het gemeenschapsrecht aan een particulier heeft toegebracht. Die verplichting bestaat wanneer aan drie voorwaarden is voldaan, te weten: de geschonden rechtsregel moet ertoe strekken aan particulieren rechten toe te kennen, de schending moet voldoende gekwalificeerd zijn en er moet een direct causaal verband bestaan tussen de schending van de op de staat rustende verplichting en de door de benadeelde personen geleden schade.
Onder voorbehoud van het recht op schadevergoeding, dat zijn grondslag rechtstreeks in het gemeenschapsrecht vindt wanneer aan die drie genoemde voorwaarden is voldaan, staat het aan de Lid-Staat om in het kader van het nationale aansprakelijkheidsrecht de gevolgen van de veroorzaakte schade ongedaan te maken, met dien verstande dat de door de nationale wettelijke regelingen ter zake van schadevergoeding gestelde voorwaarden niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor gelijksoortige nationale vorderingen gelden, en dat zij het verkrijgen van schadevergoeding niet nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken.
Partijen
In zaak C-66/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de High Court of Justice of England and Wales, Queen's Bench Division, in het aldaar aanhangig geding tussen
The Queen
en
Secretary of State for Social Security, ex parte: E. Sutton,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het gemeenschapsrecht met betrekking tot het recht op vergoeding van rente over bedragen die zijn betaald uit hoofde van een achterstallige uitkering van sociale zekerheid die valt onder de werkingssfeer van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, G. F. Mancini (rapporteur), J. C. Moitinho de Almeida en L. Sevón, kamerpresidenten, P. J. G. Kapteyn, C. Gulmann, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet, G. Hirsch, P. Jann en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- E. Sutton, vertegenwoordigd door R. Drabble, QC, geïnstrueerd door C. George van de Child Poverty Action Group,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door C. Vajda, Barrister,
- de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde,
- de Zweedse regering, vertegenwoordigd door L. Nordling, rättschef bij de afdeling buitenlandse handel van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Docksey en M. Wolfcarius, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van E. Sutton, vertegenwoordigd door R. Drabble; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins en S. Richards, Barrister; de Zweedse regering, vertegenwoordigd door E. Brattgård, departementsråd bij de afdeling buitenlandse handel van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en de Commissie ter terechtzitting van 25 juni 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 september 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 12 oktober 1994, ingekomen bij het Hof op 13 maart 1995, heeft de High Court of Justice of England and Wales, Queen's Bench Division, krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van het gemeenschapsrecht met betrekking tot het recht op vergoeding van rente over bedragen die zijn betaald uit hoofde van een achterstallige uitkering van sociale zekerheid die valt onder de werkingssfeer van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen E. Sutton en de Secretary of State for Social Security (hierna: "Secretary of State") betreffende de vergoeding van rente over bedragen die zijn betaald uit hoofde van een achterstallige uitkering van sociale zekerheid, genaamd Invalid Care Allowance (toelage voor gehandicaptenzorg; hierna: "ICA").
Richtlijn 79/7
3 Volgens artikel 1 beoogt richtlijn 79/7 de geleidelijke tenuitvoerlegging, wat betreft de in artikel 3 genoemde gebieden van de sociale zekerheid en van de andere factoren van sociale bescherming, van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.
4 Uit artikel 2 volgt, dat de richtlijn van toepassing is op de beroepsbevolking - met inbegrip van zelfstandigen, van werknemers en zelfstandigen wier arbeid is onderbroken door ziekte, ongeval of onvrijwillige werkloosheid en van werkzoekenden - alsmede op gepensioneerde of invalide werknemers en zelfstandigen.
5 Krachtens artikel 4 houdt het beginsel van gelijke behandeling in, dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de regelingen, de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening, de berekening van de prestaties, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de prestaties.
6 Artikel 6 verplicht de Lid-Staten ertoe, in hun interne rechtsorde de nodige voorschriften op te nemen om eenieder die meent te zijn benadeeld door de niet-toepassing van het beginsel van gelijke behandeling, de mogelijkheid te bieden om zijn rechten voor het gerecht te doen gelden na eventueel een beroep op andere bevoegde instanties te hebben gedaan.
7 Artikel 7, lid 1, sub a, bepaalt, dat de richtlijn geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om van haar werkingssfeer uit te sluiten "de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties".
Het toepasselijke nationale recht
8 Section 37(1) van de Social Security Act 1975 (hierna: de "Act"), zoals gewijzigd, bepaalt, dat een persoon voor iedere dag die hij zich met de zorg voor een ernstig gehandicapte belast, recht heeft op ICA, voor zover hij regelmatig en in hoofdzaak met die verzorging is belast, hij geen arbeid in loondienst verricht, en de gehandicapte met de betrokkene verwant is in de zin van de geldende wetgeving. In lid 5 van dezelfde Section is bepaald, dat degene die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, geen recht op ICA heeft, tenzij hij onmiddellijk voorafgaand aan het bereiken van die leeftijd daarop recht had dan wel geacht wordt daarop recht te hebben gehad. In het Verenigd Koninkrijk is de pensioengerechtigde leeftijd bepaald op 60 jaar voor vrouwen en op 65 jaar voor mannen.
9 Naar Engels recht is geen rente verschuldigd over achterstallige uitkeringen van sociale zekerheid in het tijdvak voorafgaand aan de voor de betrokkene gunstige beslissing van het bevoegde orgaan.
Het hoofdgeding
10 Sutton, wier dochter in 1968 ziek werd, verzorgt haar sinds dat jaar. Op 19 februari 1987 diende Sutton, die toen 63 jaar was, bij de Adjudication Officer, de nationale bevoegde instantie, een verzoek om toekenning van ICA in. De Adjudication Officer wees dit verzoek af, omdat zij de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt en niet kon worden geacht vóór het bereiken van die leeftijd recht op ICA te hebben gehad.
11 Sutton kwam van dit besluit in beroep bij het Social Security Appeal Tribunal, stellende dat Section 37(5) van de Act in strijd met richtlijn 79/7 was, omdat zij op grond van dit artikel wegens haar leeftijd niet in aanmerking kon komen voor uitkeringen van sociale zekerheid waarop een man van dezelfde leeftijd wel recht zou hebben gehad.
12 Het Tribunal verwierp het beroep en besliste, dat Section 37(5) van de Act niet in strijd met richtlijn 79/7 was, omdat de verschillende behandeling van mannen en vrouwen bij de toekenning van sociale uitkeringen voortvloeide uit de vaststelling van verschillende pensioengerechtigde leeftijden en dus op grond van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn geoorloofd was. Verder viel Sutton niet onder de in artikel 2 van richtlijn 79/7 vastgestelde werkingssfeer daarvan, omdat zij voor het laatst in 1957 had gewerkt.
13 Sutton stelde tegen deze uitspraak hoger beroep in bij de Social Security Commissioner (hierna: de "Commissioner"), die besloot de behandeling van de zaak te schorsen in afwachting van de uitspraak van bepaalde hogere rechterlijke instanties en van het Hof van Justitie in parallelle zaken. Na het arrest van het Hof van 30 maart 1993 (zaak C-328/91, Thomas e.a., Jurispr. 1993, blz. I-1247) besliste de Commissioner, dat de Adjudication Officer zich niet op artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 kon beroepen om op grond van Section 37(5) van de Act de toekenning van ICA aan vrouwen ouder dan 60 jaar te weigeren.
14 Tijdens de mondelinge behandeling op 21 januari 1994 voor de Commissioner verklaarde Sutton, dat zij onder de werkingssfeer van de richtlijn viel, omdat zij, toen haar dochter ziek werd, halve dagen in loondienst werkzaam was. Met gebruikmaking van zijn bevoegdheid om aan de uitbetaling van ICA terugwerkende kracht te verlenen tot één jaar vóór de datum van de aanvraag, besliste de Commissioner derhalve, dat Sutton vanaf 19 februari 1986 tot de datum van haar overlijden recht op ICA had en dat de betaling van de achterstallige ICA-uitkeringen moest worden gecompenseerd met te hoge eerdere betalingen uit hoofde van andere niet-cumuleerbare uitkeringen. Aldus ontving Sutton 5 588,60 UKL aan achterstallige ICA.
15 Bij brief van 8 februari 1994 aan de Secretary of State vorderde de Child Poverty Action Group namens Sutton rente over het haar toegekende achterstallige bedrag. Deze vordering werd door de Secretary of State afgewezen, omdat het nationale recht niet voorziet in de vergoeding van rente over uitkeringen van sociale zekerheid.
16 Sutton stelde tegen dit besluit beroep in bij de High Court of Justice, Queen's Bench Division, met het argument dat zij op basis van het arrest van het Hof van 19 november 1991 (gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90, Francovich e.a., Jurispr. 1991, blz. I-5357) recht had op vergoeding van de schade die zij wegens schending van de richtlijn door het Verenigd Koninkrijk had geleden. Verder zou artikel 6 van de richtlijn de verplichting inhouden tot vergoeding van rente over achterstallige uitkeringen, zoals ook artikel 6 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40), verplicht tot vergoeding van rente over het bedrag dat als schadeloosstelling voor discriminerend ontslag wordt betaald (arrest van 2 augustus 1993, zaak C-271/91, Marshall, "Marshall II", Jurispr. 1993, blz. I-4367).
17 In het kader van dit geding besloot de nationale rechter de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof van Justitie te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
"Indien een aanvrager recht heeft op een nationale uitkering van sociale zekerheid omdat hij binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7/EEG van de Raad valt, heeft de betrokkene dan op grond van het gemeenschapsrecht in de omstandigheden van het onderhavige geval aanspraak op rente over de toegekende uitkering, en zo ja:
i) vanaf welk tijdstip moet de rente worden betaald?
ii) wat is de rentevoet?
iii) moet de rente enkel worden berekend over het saldo dat verschuldigd is na verrekening, overeenkomstig de nationale cumulatiebepalingen, met andere uitkeringen die over hetzelfde tijdvak zijn betaald?"
De prejudiciële vraag
18 Met zijn vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of het gemeenschapsrecht vereist dat een particulier rente vergoed kan krijgen over bedragen die zijn betaald uit hoofde van achterstallige uitkeringen van sociale zekerheid zoals de ICA, wanneer de verlate uitbetaling te wijten is aan een ingevolge richtlijn 79/7 verboden discriminatie. In het bevestigende geval verzoekt hij het Hof te preciseren, op welke wijze die rente dan moet worden berekend.
19 Blijkens de verwijzingsbeschikking zou het recht op rentevergoeding in een dergelijke situatie volgens Sutton kunnen voortvloeien uit artikel 6 van richtlijn 79/7 dan wel uit het beginsel van de aansprakelijkheid van de staat wegens schending van het gemeenschapsrecht. Deze beide mogelijkheden moeten achtereenvolgens worden onderzocht.
Artikel 6 van richtlijn 79/7
20 Met betrekking tot het eerste aspect hebben Sutton en de Commissie eraan herinnerd, dat het Hof in het reeds genoemde arrest Marshall II voor recht heeft verklaard, dat artikel 6 van richtlijn 76/207 aldus moet worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet, dat de vergoeding van de schade geleden door een persoon die het slachtoffer is geworden van een discriminerend ontslag, wordt beperkt door geen rente toe te kennen ter compensatie van het door de ontvanger van de schadevergoeding geleden verlies als gevolg van het tijdsverloop tot het moment van daadwerkelijke betaling van de toegekende hoofdsom.
21 Om te beginnen wijzen Sutton en de Commissie erop, dat de bewoordingen van artikel 6 van richtlijn 79/7 vrijwel identiek zijn aan die van artikel 6 van richtlijn 76/207, dat in het arrest Marshall II in het geding was. Verder streven beide richtlijnen hetzelfde doel na, namelijk de werkelijke gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Ten slotte vormt richtlijn 79/7 de verwezenlijking van een wetgevingsprogramma dat is ingezet met de vaststelling van richtlijn 76/207, die in de vierde overweging van de considerans en in artikel 1, lid 2, verdere maatregelen ter verwezenlijking van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid aankondigt. Onder die omstandigheden zouden de artikelen 6 van de richtlijnen 76/207 en 79/7 op dezelfde wijze dienen te worden uitgelegd.
22 Hieruit zou volgen, dat artikel 6 van richtlijn 79/7 verplicht tot het vergoeden van rente over achterstallige sociale uitkeringen, wanneer de verlate betaling van de uitkeringen te wijten is aan een ingevolge de betrokken richtlijn verboden discriminatie op grond van geslacht.
23 Deze uitlegging kan niet worden aanvaard. Het arrest Marshall II betrof namelijk de toekenning van rente over bedragen die verschuldigd waren ter vergoeding van schade ten gevolge van een discriminerend ontslag. Zoals het Hof in rechtsoverweging 31 van dat arrest opmerkte, mag in dat verband bij een volledige vergoeding van de geleden schade geen enkel aspect, zoals het tijdsverloop, waardoor de waarde van de schadevergoeding feitelijk kan afnemen, buiten beschouwing blijven. De toekenning van rente volgens de toepasselijke nationale regels moet dus worden beschouwd als een wezenlijk bestanddeel van een schadeloosstelling die het herstel van een daadwerkelijke gelijkheid van behandeling beoogt.
24 Het hoofdgeding heeft daarentegen betrekking op de aanspraak op rente over bedragen die verschuldigd zijn uit hoofde van uitkeringen van sociale zekerheid. Dergelijke uitkeringen worden aan de betrokkenen betaald door de bevoegde organen, die onder meer tot taak hebben na te gaan, of aan de ter zake geldende regels is voldaan. Hieruit volgt, dat de betaalde bedragen geenszins het karakter van een vergoeding van geleden schade hebben en dat de redenering van het Hof in het arrest Marshall II niet op een dergelijke situatie toepasbaar is.
25 Hoewel artikel 6 van richtlijn 79/7 de Lid-Staten verplicht de nodige maatregelen te nemen opdat eenieder die meent bij de toekenning van uitkeringen van sociale zekerheid het slachtoffer te zijn geweest van een door de richtlijn verboden discriminatie, de onwettigheid van die discriminatie kan doen vaststellen en betaling kan verkrijgen van de uitkeringen waarop hij zonder die discriminatie recht zou hebben gehad, kan de vergoeding van rente over achterstallige uitkeringen niet als een essentieel onderdeel van dat recht worden beschouwd.
26 Die conclusie kan niet worden weerlegd met het argument dat de Commissie ontleent aan de arresten van 16 juli 1992 (gevoegde zaken C-63/91 en C-64/91, Jackson en Cresswell, Jurispr. 1992, blz. I-4737) en 13 juli 1995 (zaak C-116/94, Meyers, Jurispr. 1995, blz. I-2131), waaruit zou blijken dat uitkeringen van sociale zekerheid die verband houden met het arbeidsproces, binnen de werkingssfeer van richtlijn 76/207 kunnen vallen. Wanneer dergelijke uitkeringen wegens een door richtlijn 76/207 verboden discriminatie met vertraging worden toegekend, is volgens de Commissie overeenkomstig het in het arrest Marshall II vermelde beginsel rente over de achterstallige uitkeringen verschuldigd. Niets zou er immers op wijzen, dat het beginsel van gelijke behandeling in het geval van een uitkering die onder richtlijn 79/7 valt, een beperktere strekking zou hebben dan volgens richtlijn 76/207, zodat voor beide richtlijnen dezelfde conclusie zou moeten worden getrokken.
27 Die redenering berust op een verkeerde veronderstelling. Uit het arrest Jackson en Cresswell en uit het arrest Meyers blijkt inderdaad, dat bepaalde uitkeringen van sociale zekerheid onder richtlijn 76/207 vallen, maar dat betekent niet, dat artikel 6 van die richtlijn, zoals uitgelegd in het arrest Marshall II, verplicht tot vergoeding van rente over achterstallige uitkeringen wanneer de verlate betaling ervan te wijten is aan een ingevolge de betrokken richtlijn verboden discriminatie op grond van geslacht. Want bedragen die uit hoofde van een uitkering van sociale zekerheid worden betaald, hebben, ongeacht welke richtlijn van toepassing is, niet het karakter van een schadevergoeding, zodat een verplichting tot rentevergoeding noch op artikel 6 van richtlijn 76/207 noch op artikel 6 van richtlijn 79/7 kan worden gebaseerd.
Het beginsel van de aansprakelijkheid van de Lid-Staat wegens schending van het gemeenschapsrecht
28 Derhalve moet de tweede in de verwijzingsbeschikking genoemde mogelijkheid worden onderzocht, namelijk of het recht op rentevergoeding over achterstallige uitkeringen van sociale zekerheid kan voortvloeien uit het beginsel van aansprakelijkheid van de staat wegens schending van het gemeenschapsrecht.
29 Dienaangaande stelt Sutton, dat het Verenigd Koninkrijk richtlijn 79/7 niet naar behoren in nationaal recht heeft omgezet en dat zij als gevolg van de te late betaling van de haar toekomende ICA een verlies heeft geleden. De werkelijke waarde van het bedrag waarop zij recht had, is door de inflatie immers verminderd. Hieruit leidt zij af, dat het Verenigd Koninkrijk verplicht is de schade die het haar door de schending van deze richtlijn heeft veroorzaakt, te vergoeden door betaling van een bedrag overeenkomend met de gemiste rente.
30 De regering van het Verenigd Koninkrijk is daarentegen van mening, dat het beginsel van aansprakelijkheid van de Lid-Staat wegens schending van het gemeenschapsrecht niet op de feiten van het hoofdgeding van toepassing is. Immers, in deze situatie en anders dan in de zaak Francovich, is het door de richtlijn voorgeschreven resultaat, de betaling van uitkeringen van sociale zekerheid, bereikt.
31 Dienaangaande moet er eerst aan worden herinnerd dat, zoals het Hof meermaals heeft verklaard, het beginsel van de aansprakelijkheid van de staat voor de schade van particulieren als gevolg van aan de staat toe te rekenen schendingen van het gemeenschapsrecht inherent is aan het systeem van het Verdrag (arrest Francovich, reeds aangehaald, r.o. 35; arresten van 5 maart 1996, gevoegde zaken C-46/93 en C-48/93, Brasserie du pêcheur en Factortame, Jurispr. 1996, blz. I-1029, r.o. 31; 26 maart 1996, zaak C-392/93, British Telecommunications, Jurispr. 1996, blz. I-1631, r.o. 38; 23 mei 1996, zaak C-5/94, Hedley Lomas, Jurispr. 1996, blz. I-2553, r.o. 24 en 8 oktober 1996, gevoegde zaken C-178/94, C-179/94, C-188/94, C-189/94 en C-190/94, Dillenkofer e.a., Jurispr. 1996, blz. I-4845, r.o. 20).
32 Uit de genoemde rechtspraak volgt, dat een Lid-Staat verplicht is tot vergoeding van de aldus veroorzaakte schade, wanneer aan drie voorwaarden is voldaan, te weten: de geschonden rechtsregel moet ertoe strekken aan particulieren rechten toe te kennen, de schending moet voldoende gekwalificeerd zijn en er moet een direct causaal verband bestaan tussen de schending van de op de staat rustende verplichting en de door de benadeelde personen geleden schade (reeds aangehaalde arresten Brasserie du pêcheur en Factortame, r.o. 51; British Telecommunications, r.o. 39; Hedley Lomas, r.o. 25; Dillenkofer, r.o. 21). De beoordeling van die voorwaarden is afhankelijk van de verschillende situaties (arrest Dillenkofer, r.o. 24).
33 Ten slotte volgt uit de vaste rechtspraak sinds het arrest Francovich (reeds aangehaald, r.o. 41-43), dat onder voorbehoud van het recht op schadevergoeding dat zijn grondslag rechtstreeks in het gemeenschapsrecht vindt wanneer aan de drie hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan, het aan de Lid-Staat staat om in het kader van het nationale aansprakelijkheidsrecht de gevolgen van de veroorzaakte schade ongedaan te maken, met dien verstande dat de door de nationale wettelijke regelingen ter zake van schadevergoeding gestelde voorwaarden niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor gelijksoortige nationale vorderingen gelden, en niet van dien aard mogen zijn, dat zij het verkrijgen van schadevergoeding nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk maken.
34 De nationale rechter dient aan de hand van het voorgaande te beoordelen, of Sutton in het kader van het bij hem aanhangig geding en van de nationale regeling recht heeft op vergoeding van de schade die zij wegens de schending van het gemeenschapsrecht door een Lid-Staat zou hebben geleden, en eventueel het bedrag van die vergoeding vast te stellen.
35 Op de vraag van de nationale rechter moet dus worden geantwoord, dat artikel 6 van richtlijn 79/7 niet vereist, dat een particulier rente vergoed kan krijgen over bedragen die uit hoofde van achterstallige uitkeringen van sociale zekerheid zoals de ICA zijn betaald, wanneer de verlate betaling van de uitkeringen te wijten is aan een ingevolge richtlijn 79/7 verboden discriminatie. Een Lid-Staat is echter wel gehouden tot vergoeding van de schade die hij wegens schending van het gemeenschapsrecht aan een particulier heeft toegebracht. Wanneer aan de voorwaarden voor een dergelijke verplichting is voldaan, dient de nationale rechter de consequenties uit dit beginsel te trekken.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
36 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Duitse en de Zweedse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de High Court of Justice of England and Wales, Queen's Bench Division, bij beschikking van 12 oktober 1994 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 6 van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, vereist niet, dat een particulier rente vergoed kan krijgen over bedragen die uit hoofde van achterstallige uitkeringen van sociale zekerheid zoals de Invalid Care Allowance zijn betaald, wanneer de verlate betaling van de uitkeringen te wijten is aan een ingevolge richtlijn 79/7 verboden discriminatie. Een Lid-Staat is echter wel verplicht tot vergoeding van de schade die hij wegens schending van het gemeenschapsrecht aan een particulier heeft toegebracht. Wanneer aan de voorwaarden voor een dergelijke verplichting is voldaan, dient de nationale rechter de consequenties uit dit beginsel te trekken.
Full & Egal Universal Law Academy