Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Mededinging ° Mededingingsregelingen ° Overeenkomsten tussen ondernemingen ° Begrip ° Overeenkomsten tussen moedermaatschappij en niet-zelfstandige dochtermaatschappijen ° Daarvan uitgesloten ° Eventuele toepassing van artikel 86 van Verdrag
(EG-Verdrag, art. 2, 3, sub c en g, 85, lid 1, en 86)
2. Hogere voorziening ° Middelen ° Loutere herhaling van reeds voor Gerecht aangevoerde middelen en argumenten ° Niet-ontvankelijkheid ° Afwijzing
(' s Hofs Statuut-EG, art. 49; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c)
Samenvatting
1. Wanneer een moedermaatschappij en haar dochtermaatschappijen een economische eenheid vormen waarbinnen de dochtermaatschappijen over geen enkele zelfstandigheid beschikken om hun marktgedrag te bepalen, doch handelen volgens instructies die hun worden verstrekt door de moedermaatschappij die hen volledig controleert, betekent de omstandigheid dat het beleid van laatstgenoemde, in wezen bestaande in de verdeling van de verschillende nationale markten onder haar dochtermaatschappijen, buiten het concern gevolgen kan hebben die de concurrentiepositie van derden kunnen aantasten, niet, dat artikel 85, lid 1, zelfs gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 3, sub c en g, van het Verdrag, moet worden toegepast. Een dergelijke eenzijdige gedraging zou daarentegen wel onder artikel 86 van het Verdrag kunnen vallen, indien aan de toepassingsvoorwaarden van dat artikel was voldaan.
2. Uit artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt, dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, het is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven.
Een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten ° met inbegrip van die welke zijn gebaseerd op door het Gerecht verworpen feiten ° herhaalt of letterlijk overneemt, voldoet niet aan dit vereiste. Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof op grond van artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG niet bevoegd is.
Partijen
In zaak C-73/95 P,
Viho Europe BV, vennootschap naar Nederlands recht, gevestigd te Maastricht (Nederland), vertegenwoordigd door W. Kleinmann, advocaat te Stuttgart, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Loesch, advocaat aldaar, Rue Zithe 8,
requirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 1995 in zaak T-102/92 (Viho/Commissie),
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Langeheine, lid van haar juridische dienst, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
ondersteund door
Parker Pen Ltd, vennootschap naar Engels recht, te Newhaven (Verenigd Koninkrijk),
interveniënte,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, C. N. Kakouris en H. Ragnemalm (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 april 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 14 maart 1995, heeft Viho Europe BV krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van 12 januari 1995 in zaak T-102/92 (Viho/Commissie, Jurispr. 1995, blz. II-17; hierna: "bestreden arrest"), waarbij het Gerecht van eerste aanleg haar beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 30 september 1992 houdende afwijzing van haar klacht van 22 mei 1991 (hierna: "bestreden beschikking") heeft verworpen.
2 Uit de vaststellingen van het Gerecht in het bestreden arrest blijkt het volgende:
"1 Verzoekster, Viho Europe BV, vennootschap naar Nederlands recht (hierna: 'Viho' ), houdt zich bezig met de groothandel, de invoer en de uitvoer van kantoorartikelen.
(...)
4 Parker Pen Ltd (hierna: 'Parker' ), vennootschap naar Engels recht, fabriceert een breed assortiment pennen en soortgelijke artikelen, die zij via dochtermaatschappijen of onafhankelijke distributeurs in geheel Europa verkoopt. De verkoop en afzet van Parker-produkten door haar dochtermaatschappijen alsmede hun personeelsbeleid staat onder toezicht van een regionaal team van drie directeuren, te weten een rayondirecteur, een financieel directeur en een marketing directeur. De rayondirecteur is lid van de raad van bestuur van de moedermaatschappij.
5 Nadat zij vruchteloos had gepoogd met Parker een handelsrelatie op te bouwen en Parker-produkten te kopen op dezelfde voorwaarden als worden toegestaan aan de dochtermaatschappijen en de onafhankelijke distributeurs van Parker, diende Viho op 19 mei 1988 een klacht in op grond van artikel 3 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204; hierna: 'verordening nr. 17' ), waarin zij Parker verweet haar distributeurs de uitvoer van haar produkten te verbieden, de gemeenschappelijke markt op te splitsen in nationale markten en op de nationale markten kunstmatig hoge prijzen voor haar produkten te handhaven.
6 Naar aanleiding van die klacht leidde de Commissie een administratieve procedure in, waarin de overeenkomsten tussen Parker en haar onafhankelijke distributeurs werden onderzocht.
7 Op 22 mei 1991 diende Viho tegen Parker een nieuwe klacht in, die op 29 mei daaraanvolgend bij de Commissie werd ingeschreven en waarin zij betoogde, dat Parkers verkooppolitiek, erin bestaande dat haar dochtermaatschappijen Parker-produkten enkel in het hun toegewezen gebied mogen verkopen, inbreuk maakte op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag (thans EG-Verdrag, hierna: 'Verdrag' ).
8 Nadat Parker op 16 april en 31 mei 1991 opmerkingen had gemaakt in antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar die de Commissie haar op 21 januari 1991 had toegezonden in het kader van het onderzoek naar de overeenkomsten tussen Parker en haar onafhankelijke distributeurs, werd op 4 juni 1991 te Brussel een hoorzitting gehouden, waaraan vertegenwoordigers van Viho, API, Herlitz en Parker deelnamen.
9 In haar aanvullende opmerkingen, ingediend op 21 juni 1991 op verzoek van de Commissie, gaf Parker toe, dat binnen het Parker-concern leveringsaanvragen van plaatselijke klanten worden doorgezonden aan de plaatselijke dochtermaatschappijen, daar die het beste in staat zouden zijn dergelijke aanvragen te beantwoorden. Zo was Viho, een Nederlandse onderneming, nadat zij Parkers Duitse dochtermaatschappij om levering had verzocht, door deze doorverwezen naar de Nederlandse dochtermaatschappij, die voor de gevraagde leveringen moest zorgen.
10 Op 5 maart 1992 liet de Commissie krachtens artikel 6 van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, blz. 2268), aan Viho weten, dat zij voornemens was de klacht van 22 mei 1991 af te wijzen, daar de dochtermaatschappijen van Parker volledig afhankelijk zijn van Parker Pen UK en geen echte zelfstandigheid hebben. Van oordeel, dat Parkers distributiestelsel binnen de grenzen blijft waarbinnen volgens de rechtspraak van het Hof de toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag is uitgesloten, verklaarde de Commissie niet te zien, hoe dit distributiestelsel verder zou gaan dan een normale taakverdeling binnen een concern. Voorts merkte zij op, dat een nieuw onderzoek noodzakelijk zou zijn om eventueel tot een andere conclusie te kunnen komen.
11 In haar op 6 april 1992 aan de Commissie toegezonden opmerkingen betwistte Viho, dat het doorverwijzingsbeleid van het Parker-concern een zuiver interne handeling kon zijn, daar het derden de vrijheid ontnam om zich binnen de gemeenschappelijke markt te bevoorraden waar zij dat willen, en hen verplichtte zich uitsluitend te bevoorraden bij de dochtermaatschappij van hun vestigingsplaats. Een concern zou weliswaar volstrekt vrij zijn bij de organisatie van haar distributie en de afzet van haar produkten in een Lid-Staat aan een dochtermaatschappij kunnen opdragen, maar het zou zich onrechtmatig gedragen wanneer het de kopers dwingt, zich uitsluitend bij één bepaalde dochtermaatschappij te bevoorraden.
12 Op 15 juli 1992 gaf de Commissie, in antwoord op Viho' s klacht van 19 mei 1988, beschikking 92/426/EEG inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/32.725 ° Viho/Parker Pen) (PB 1992, L 233, blz. 27). Daarin stelde zij vast, dat Parker en Herlitz inbreuk hadden gepleegd op artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag door in de tussen hen gesloten overeenkomst een uitvoerverbod op te nemen, en legde zij Parker een boete van 700 000 ECU en Herlitz een boete van 40 000 ECU op. Op de beroepen van Herlitz (T-66/92) en Parker (T-77/92) van respectievelijk 16 en 24 september 1992 tegen die beschikking heeft het Gerecht op 14 juli 1994 twee arresten gewezen (Jurispr. 1994, blz. II-531 en II-549), die in tussentijd kracht van gewijsde hebben verkregen.
De bestreden beschikking
13 Op 30 september 1992 wees de Commissie Viho' s klacht van 22 mei 1991 af. In haar beschikking kwalificeerde de Commissie het distributiestelsel dat Parker had ingevoerd voor de verkoop van haar produkten in Duitsland, Frankrijk, België, Spanje en Nederland door tussenkomst van de in die landen gevestigde dochtermaatschappijen, als in overeenstemming met de voorwaarden die het Hof stelt voor niet-toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag, daar 'de dochterondernemingen met de moedermaatschappij een economische eenheid vormen waarin de dochterondernemingen hun optreden op de markt niet werkelijk zelfstandig kunnen bepalen' , en daar 'de toewijzing van een bepaald verkoopgebied aan elk van de dochtermaatschappijen van Parker voorts niet de grenzen overschrijdt van wat normaal als noodzakelijk kan worden beschouwd voor een juiste taakverdeling binnen een groep' . Ook overwoog de Commissie, dat Parker, zonder het kartelverbod te schenden, Viho prijzen en voorwaarden mocht weigeren die gelijk waren aan die welke zij haar onafhankelijke distributeurs toestond."
3 Uit het bestreden arrest blijkt, dat requirante met name tot nietigverklaring van de bestreden beschikking door het Gerecht had geconcludeerd, terwijl de Commissie het Gerecht had verzocht het beroep te verwerpen.
4 Tot staving van haar conclusies voerde requirante drie middelen aan, respectievelijk ontleend aan schending van de artikelen 85, lid 1, 86 en 190 van het Verdrag.
5 Met betrekking tot het eerste middel ° schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag ° stelde het Gerecht vooraf vast:
"31 Het middel ontleend aan schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag, bestaat uit twee onderdelen. In de eerste plaats stelt verzoekster, dat het distributiestelsel van Parker, dat haar dochtermaatschappijen verplicht bestellingen van klanten in andere Lid-Staten door te zenden naar de dochtermaatschappij in het land van de klant, hetzelfde doel heeft als het voor de exclusieve distributeurs geldende uitvoerverbod, namelijk de instandhouding van nationale markten en hun afscherming ten opzichte van elkaar, teneinde de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verhinderen, te beperken of te vervalsen. In de tweede plaats stelt verzoekster, dat dit stelsel leidt tot discriminatie van de gezamenlijke handelspartners, doordat in strijd met artikel 85, lid 1, sub d, voor gelijkwaardige prestaties ongelijke condities gelden."
6 Met betrekking tot het eerste onderdeel van het eerste middel, betreffende het verbod aan Parkers dochtermaatschappijen om Parker-produkten te leveren aan klanten in andere Lid-Staten dan die van de dochtermaatschappij, oordeelde het Gerecht:
"47 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat het Hof met betrekking tot de situatie van concerninterne overeenkomsten ten aanzien van artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft geoordeeld, dat 'wanneer de dochtermaatschappij bij het uitzetten van haar gedragslijn op de markt niet over werkelijke zelfstandigheid beschikt, de verboden van artikel 85, lid 1, kunnen worden geacht niet te gelden voor de verhouding tussen haar en de moedermaatschappij, waarmede zij een economische eenheid vormt' (arrest Hof van 14 juli 1972, zaak 48/69, ICI, Jurispr. 1972, blz. 619, r.o. 134). Evenzo oordeelde het Hof in zijn arrest Ahmed Saeed Flugreisen e.a. (reeds aangehaald), dat 'artikel 85 niet van toepassing is wanneer de betrokken afspraak is gemaakt tussen ondernemingen die als moedermaatschappij en dochteronderneming tot een en hetzelfde concern behoren, en die ondernemingen een economische eenheid vormen waarin de dochteronderneming haar marktgedrag niet werkelijk zelfstandig kan bepalen' , waaraan het Hof toevoegde, dat 'de gedragingen van een dergelijke economische eenheid op de markt echter wel onder artikel 86 kunnen vallen' . Ook volgens de rechtspraak van het Gerecht ziet artikel 85, lid 1, van het Verdrag op de betrekkingen tussen twee of meer economische eenheden die met elkaar in concurrentie kunnen treden, met uitsluiting van overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen ondernemingen die tot hetzelfde concern behoren (arrest van 10 maart 1992, gevoegde zaken T-68/89, T-77/89 en T-78/89, SIV e.a., Jurispr. 1992, blz. II-1403, r.o. 357).
48 In de onderhavige zaak staat vast, dat Parker 100 % van het kapitaal houdt van haar dochtermaatschappijen in Duitsland, Frankrijk, België en Nederland. Voorts blijkt uit Parkers, door verzoekster niet betwiste beschrijving van het functioneren van haar dochtermaatschappijen, dat hun verkoop- en marketingactiviteiten worden geleid door een door de moedermaatschappij aangewezen regionaal team, dat met name de verkoopdoelstellingen, de brutomarges, de verkoopkosten, de 'cash flow' en de voorraden controleert. Dit regionale team schrijft ook het assortiment van de te verkopen produkten voor, controleert de reclameactiviteiten en geeft richtlijnen inzake prijzen en kortingen.
49 Het Gerecht leidt hieruit af, dat verweerster in punt 2 van haar beschikking het Parker-concern terecht heeft aangemerkt als een 'economische eenheid waarbinnen de dochtermaatschappijen over geen enkele zelfstandigheid beschikken om hun marktgedrag te bepalen' .
50 Voorts moet volgens de rechtspraak van het Hof onder onderneming worden verstaan 'een met betrekking tot het voorwerp van de desbetreffende overeenkomst bestaande economische eenheid, ook al wordt deze economische eenheid gevormd door verscheidene natuurlijke of rechtspersonen' (arrest van 12 juli 1984, zaak 170/83, Hydrotherm, Jurispr. 1984, blz. 2999, r.o. 11). Evenzo heeft het Gerecht geoordeeld, dat 'artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag zich [richt] tot economische eenheden die bestaan in een unitaire organisatie van personele, materiële en immateriële elementen, welke op duurzame basis een bepaald economisch doel nastreeft en kan bijdragen tot het begaan van een in die bepaling bedoelde inbreuk' (arrest van 10 maart 1992, zaak T-11/89, Shell, Jurispr. 1992, blz. II-757, r.o. 311). Voor de toepassing van de mededingingsregels is dus de eenheid van marktgedrag van de moedermaatschappij en haar dochtermaatschappijen belangrijker dan de formele scheiding tussen die vennootschappen doordat zij afzonderlijke rechtspersonen zijn.
51 Hieruit volgt, dat wanneer samenloop van economisch onafhankelijke wilsuitingen ontbreekt, de verhoudingen binnen een economische eenheid niet kunnen worden aangemerkt als een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging tussen ondernemingen, die de mededinging beperkt in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Wanneer, zoals in casu, de dochtermaatschappij, ook al is zij een afzonderlijke rechtspersoon, haar marktgedrag niet op zelfstandige wijze bepaalt, maar handelt volgens instructies die haar al dan niet rechtstreeks worden gegeven door de moedermaatschappij die haar voor 100 % controleert, zijn de verbodsbepalingen van artikel 85, lid 1, niet toepasselijk op de verhouding tussen de dochtermaatschappij en de moedermaatschappij waarmee zij een economische eenheid vormt.
52 Weliswaar valt niet uit te sluiten, dat het distributiebeleid van Parker, bestaande in een verbod aan haar dochtermaatschappijen om Parker-produkten te leveren aan klanten in andere Lid-Staten dan die waar zij zijn gevestigd, kan bijdragen tot de instandhouding en afscherming van de verschillende nationale markten en daarmee in de weg kan staan van de fundamentele doelstellingen van de gemeenschappelijke markt, maar dit neemt niet weg, dat, naar uit genoemde rechtspraak valt af te leiden, een dergelijk beleid van een economische eenheid zoals het Parker-concern, waarbinnen de dochtermaatschappijen geen enkele zelfstandigheid hebben om hun marktgedrag te bepalen, niet binnen de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt.
53 Het Gerecht komt op grond hiervan tot de slotsom, dat de Commissie terecht heeft beslist, dat 'het gedrag van de dochtermaatschappijen derhalve kan worden toegerekend aan de moedermaatschappij' en dat 'het geïntegreerde distributiestelsel dat de verkoop van Parker-produkten verzekert in Spanje, Frankrijk, Duitsland, België en Nederland via haar 100 % dochtermaatschappijen in die landen, voldoet aan de door het Hof van Justitie vastgestelde voorwaarden voor de niet-toepassing van artikel 85' .
54 Verzoekster betoogt dan ook tevergeefs, dat de in geding zijnde overeenkomsten artikel 85, lid 1, schenden doordat zij verder gaan dan een interne taakverdeling binnen het concern. Immers, naar uit zijn bewoordingen blijkt, ziet artikel 85, lid 1, niet op gedragingen die in feite die van een economische eenheid zijn. Het staat niet aan het Gerecht om met het argument dat bepaalde gedragingen zoals die waartegen verzoekster zich keert, aan de toepassing van de mededingingsregels kunnen ontsnappen, aan artikel 85 een andere functie te geven teneinde te voorzien in een eventuele leemte in het door het Verdrag geregelde toezicht.
55 Het eerste onderdeel van het middel ontleend aan schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag faalt derhalve."
7 Met betrekking tot het tweede onderdeel van het eerste middel, betreffende de gestelde discriminerende behandeling van requirante inzake prijzen en verkoopvoorwaarden, oordeelde het Gerecht:
"61 Artikel 85, lid 1, sub d, van het Verdrag verbiedt overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die erin bestaan, dat ten opzichte van handelspartners ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties worden toegepast, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging. De discriminatie waarop het verbod van artikel 85, lid 1, betrekking heeft, moet derhalve het gevolg zijn van een overeenkomst, een besluit of een onderling afgestemde feitelijke gedraging tussen zelfstandige en onafhankelijke economische eenheden en niet van een eenzijdige gedraging van een enkele onderneming.
62 Allereerst zijn de betrekkingen van Parker met haar onafhankelijke distributeurs zonder belang voor de beslechting van het onderhavige geschil. In elk geval moet worden vastgesteld, dat verzoekster niet heeft aangegeven, door welke overeenkomst, besluit of onderling afgestemde feitelijke gedraging tussen Parker en haar onafhankelijke distributeurs zij is gediscrimineerd.
63 Voorts heeft het Gerecht hiervóór (zie r.o. 51) overwogen, dat Parker en haar dochterondernemingen één enkele economische eenheid vormen, waarvan de eenzijdige gedraging niet valt onder het verbod van artikel 85, lid 1, sub d, van het Verdrag. Bijgevolg is er in het onderhavige geval geen discriminatie jegens Viho, waartegen krachtens artikel 85, lid 1, sub d, kan worden opgetreden.
64 Mitsdien faalt ook het tweede onderdeel van het middel ontleend aan schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag."
8 Met betrekking tot het tweede middel ° schending van artikel 86 van het Verdrag ° oordeelde het Gerecht:
"68 Volgens artikel 19, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG, dat krachtens artikel 46, eerste alinea van dat Statuut en artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht ook bij het Gerecht van toepassing is, moet het inleidend verzoekschrift een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen inhouden. Het moet duidelijk laten uitkomen, op welke middelen het beroep is gebaseerd, en de blote opsomming daarvan voldoet niet aan de vereisten van het Statuut en het Reglement voor de procesvoering (arrest Rendo e.a., reeds aangehaald, r.o. 130).
69 In casu stelt verzoekster, die zich zonder verdere toelichting beperkt tot de vaststelling, dat de belangrijkste andere leveranciers van potloden en pennen en andere kantoorartikelen hetzelfde distributiebeleid als Parker voeren, dat moet worden nagegaan, of artikel 86 van het Verdrag niet van toepassing zou moeten zijn wegens de collectieve machtspositie die de grote fabrikanten op de betrokken markt zouden innemen.
70 De enkele verwijzing in het verzoekschrift naar artikel 86 van het Verdrag, zonder nauwkeurige gegevens omtrent de marktpositie van de betrokken ondernemingen, hun eventuele eenvormige gedraging of hun economische banden, kan echter niet als voldoende worden beschouwd in de zin van het Statuut en het Reglement voor de procesvoering.
71 Voorts is het Gerecht van oordeel, dat de Commissie niet verplicht was een onderzoek in te stellen naar een eventuele collectieve machtspositie van de fabrikanten van kantoorbehoeften, nu verzoeksters klacht van 22 mei 1991 geen feiten of omstandigheden vermeldde die de Commissie daartoe hadden kunnen verplichten.
72 Bijgevolg moet het tweede middel, ontleend aan schending van artikel 86 van het Verdrag, worden afgewezen."
9 Ten slotte oordeelde het Gerecht met betrekking tot het derde middel, ontleend aan schending van artikel 190 van het Verdrag:
"75 Volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht (arrest Hof van 30 september 1982, zaak 110/81, Roquette Frères, Jurispr. 1982, blz. 3159, r.o. 24, en arrest Gerecht van 29 juni 1993, zaak T-7/92, Asia Motor France, Jurispr. 1993, blz. II-669, r.o. 30) moet de redengeving van een bezwarende beschikking de adressaat ervan in staat stellen, zich te vergewissen van de redenen welke tot het nemen van de maatregel hebben geleid, teneinde zonodig zijn rechten te kunnen doen gelden en na te gaan of de beschikking al dan niet gegrond is, en de gemeenschapsrechter zijn controle uit te oefenen.
76 De Commissie is voorts niet verplicht, in de redengeving van de beschikkingen die zij vaststelt ter verzekering van de toepassing van de mededingingsregels, stelling te nemen met betrekking tot alle argumenten die betrokkenen ter ondersteuning van hun verzoek aanvoeren. Zij kan volstaan met de uiteenzetting van de feiten en de juridische overwegingen die voor de opzet van de beschikking van wezenlijk belang zijn (zie arresten Gerecht van 24 januari 1992, zaak T-44/90, La Cinq, Jurispr. 1992, blz. II-1, r.o. 35, en Asia Motor France, reeds aangehaald, r.o. 31).
77 Bij lezing van de bestreden beschikking blijkt deze echter de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, te bevatten waarop de afwijzing van verzoeksters klacht is gebaseerd, zodat verzoekster in staat was de gegrondheid ervan te betwisten, en het Gerecht zijn wettigheidscontrole kan uitoefenen. De bestreden beschikking vertoont mitsdien geen motiveringsgebreken.
78 Uit al het voorgaande volgt, dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen."
10 In het kader van de hogere voorziening concludeert requirante tot vernietiging van het bestreden arrest en nietigverklaring van de bestreden beschikking, en tot verwijzing van de Commissie in de kosten, daaronder begrepen die van Parker. De Commissie concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en, kennelijk subsidiair, tot ongegrondverklaring van het beroep. Ten slotte verzoekt de Commissie requirante in de kosten te verwijzen.
11 Tot staving van haar hogere voorziening voert requirante drie middelen aan, respectievelijk ontleend aan schending van de artikelen 2, 3, sub c en g, en 85, lid 1, van het Verdrag, schending van artikel 86 van het Verdrag en schending van artikel 190 van het Verdrag.
Het eerste middel van de hogere voorziening
12 Het middel ontleend aan schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag, bestaat uit twee onderdelen. Om te beginnen betoogt requirante, dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld, dat het distributiestelsel van Parker, inhoudende dat haar dochtermaatschappijen geen Parker-produkten mogen leveren aan klanten in andere Lid-Staten dan die van de dochtermaatschappij en verplicht zijn hun bestellingen door te zenden naar de bevoegde plaatselijke dochtermaatschappij, niet binnen de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt. Daarnaast stelt zij, dat het Gerecht eveneens ten onrechte heeft geoordeeld, dat de discriminerende behandeling waaraan Parker en haar onafhankelijke distributeurs zich jegens haar schuldig hebben gemaakt, ook niet in strijd is met artikel 85, lid 1, sub d, van het Verdrag.
Het eerste onderdeel van het eerste middel
13 Requirante stelt, dat het feit dat de betrokken gedragingen binnen een concern plaatsvinden, niet in de weg staat aan de toepasselijkheid van artikel 85, lid 1, daar de verdeling van de bevoegdheden tussen de vennootschappen van het Parker-concern de instandhouding en de afscherming van de nationale markten beoogt door middel van een absolute gebiedsbescherming. Zo een gedraging van een onderneming, die uitermate schadelijk is voor de mededinging, mag dus niet verschillend worden beoordeeld naar gelang zij zich binnen een concern dan wel tussen Parker en onafhankelijke distributeurs voordoet. Een dergelijke gebiedsbescherming belet dat derden, zoals requirante, zich binnen de Gemeenschap vrij bevoorraden bij de dochtermaatschappij die de beste condities biedt, en de consument van die voordelen laten profiteren.
14 Derhalve is requirante van mening, dat artikel 85, lid 1, uitgelegd in het licht van de artikelen 2 en 3, sub c en g (voorheen artikel 3, sub f, EEG-Verdrag), EG-Verdrag, toepassing moet vinden wanneer het betrokken doorverwijzingsbeleid veel verder gaat dan een gewone interne taakverdeling binnen het Parker-concern.
15 Om te beginnen is het van belang te preciseren, dat Parker 100 % houdt van het kapitaal van haar dochtermaatschappijen in Duitsland, België, Spanje, Frankrijk en Nederland, en dat de verkoop- en marketingactiviteiten worden geleid door een door de moedermaatschappij aangewezen regionaal team, dat met name de verkoopdoelstellingen, de brutomarges, de verkoopkosten, de "cash flow" en de voorraden controleert. Dit regionale team schrijft ook het assortiment van de te verkopen produkten voor, controleert de reclameactiviteiten en geeft richtlijnen inzake prijzen en kortingen.
16 Parker en haar dochtermaatschappijen vormen dus een economische eenheid, waarbinnen de dochtermaatschappijen over geen enkele zelfstandigheid beschikken om hun marktgedrag te bepalen, doch handelen volgens instructies die hun worden gegeven door de moedermaatschappij die hen controleert (arrest ICI, reeds aangehaald, r.o. 133 en 134; arresten van 31 oktober 1974, zaak 15/74, Sterling Drug, Jurispr. 1974, blz. 1147, r.o. 41; 31 oktober 1974, zaak 16/74, Winthrop, Jurispr. 1974, blz. 1183, r.o. 32; 4 mei 1988, zaak 30/87, Bodson, Jurispr. 1988, blz. 2479, r.o. 19, en 11 april 1989, zaak 66/86, Ahmed Saeed Flugreisen e.a., Jurispr. 1989, blz. 803, r.o. 35).
17 De omstandigheid dat het doorverwijzingsbeleid van Parker, in wezen bestaande in de verdeling van de verschillende nationale markten onder haar dochtermaatschappijen, buiten de sfeer van het Parker-concern gevolgen kan hebben die de concurrentiepositie van derden aantasten, betekent onder die omstandigheden niet, dat artikel 85, lid 1, zelfs gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 3, sub c en g, van het Verdrag, moet worden toegepast. Een dergelijke eenzijdige gedraging zou daarentegen onder artikel 86 van het Verdrag kunnen vallen, indien aan de toepassingsvoorwaarden van dat artikel was voldaan.
18 Het Gerecht heeft zich dus terecht uitsluitend op het bestaan van een economische eenheid gebaseerd om de toepasselijkheid van artikel 85, lid 1, op het Parker-concern uit te sluiten.
Het tweede onderdeel van het eerste middel
19 Requirante stelt, dat het Gerecht eveneens ten onrechte heeft geoordeeld, dat Parkers distributiestelsel niet in strijd is met artikel 85, lid 1, sub d, voor zover dit stelsel ten aanzien van requirante geen discriminerende behandeling door het Parker-concern noch door zijn onafhankelijke distributeurs inhoudt, wat de prijzen en de verkoopvoorwaarden betreft.
20 Met betrekking tot de discriminerende behandeling door het Parker-concern is hierboven reeds geoordeeld, dat een dergelijke gedraging, ook indien zij zou zijn bewezen, niet onder het verbod van artikel 85, lid 1, kan vallen.
21 Wat daarentegen de discriminerende behandeling van requirante door Parker en zijn onafhankelijke distributeurs te zamen betreft, verwijt requirante het Gerecht, dat dit de betrekkingen tussen Parker en haar onafhankelijke distributeurs zonder belang voor de beslechting van het onderhavige geschil heeft geacht.
22 Opgemerkt zij, dat het argument van requirante in rechtsoverweging 62 van het bestreden arrest achtereenvolgens op twee gronden is afgewezen. In de hogere voorziening betwist requirante enkel de eerste grond, die de relevantie betreft. Zij komt niet op tegen de tweede grond, namelijk dat zij in ieder geval niet heeft aangegeven, door welke overeenkomst, besluit of onderling afgestemde feitelijke gedraging tussen Parker en haar onafhankelijke distributeurs zij is gediscrimineerd. Bijgevolg behoeft de gegrondheid van dit argument niet te worden onderzocht.
23 Uit het voorgaande volgt, dat het eerste middel moet worden afgewezen.
Het tweede en het derde middel van de hogere voorziening
24 Requirante verwijt het Gerecht in wezen schending van de artikelen 86 en 190 van het Verdrag, doch preciseert dienaangaande haar grieven tegen het bestreden arrest niet. Zij verwijst enkel naar haar verzoekschrift en naar de bijlagen die zij bij het Gerecht heeft neergelegd.
25 Er zij aan herinnerd, dat artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt, dat de hogere voorziening de tot staving van de conclusies aangevoerde middelen en argumenten rechtens moet vermelden. Hieruit volgt, dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, het is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven.
26 Een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten ° met inbegrip van die welke zijn gebaseerd op door het Gerecht verworpen feiten ° herhaalt of letterlijk overneemt, voldoet niet aan dit vereiste. Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof op grond van artikel 49 van zijn Statuut-EG niet bevoegd is (zie beschikking van 26 september 1994, zaak C-26/94 P, X, Jurispr. 1994, blz. I-4379, r.o. 10-13).
27 In casu beperkt requirante zich in haar twee middelen ertoe, te verwijzen naar de in eerste aanleg reeds aangevoerde en door het Gerecht afgewezen middelen.
28 Bijgevolg moet zowel het tweede als het derde middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
29 Aangezien alle middelen van requirante falen, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement van de procesvoering, dat krachtens artikel 118 op de procedure van hogere voorziening van toepassing is, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien requirante in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten van deze instantie te worden veroordeeld.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst requirante in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy