Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Sociale zekerheid ° Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten ° Geschil over uitvoering van collectieve verzekeringsovereenkomst tussen Europese Gemeenschappen en verzekeraars ° Geen beroep op rechter in geval van medische geschillen ° Juridische geschillen ° Middelen
(Ambtenarenstatuut, art. 73; collectieve verzekeringsovereenkomst inzake ongevallen en beroepsziekten, art. 5)
2. Ambtenaren ° Sociale zekerheid ° Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten ° Verplichtingen van instelling jegens haar ambtenaren ° Invloed op verplichtingen van verzekeraars
(Ambtenarenstatuut, art. 73; collectieve verzekeringsovereenkomst inzake ongevallen en beroepsziekten, art. 1)
3. Ambtenaren ° Sociale zekerheid ° Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten ° Besluit dat tot toekenning van gewaarborgde uitkering kan leiden ° Verplichting ontwerp-besluit aan verzekeraars voor te leggen vóór mededeling aan betrokkene ° Strekking ° Besluit vastgesteld na advies van medische commissie ° Daarvan uitgesloten
(Ambtenarenstatuut, art. 73; Regeling voor de verzekering van de ambtenaren tegen ongevallen en beroepsziekten, art. 19 en 21; collectieve verzekeringsovereenkomst inzake ongevallen en beroepsziekten, art. 3)
4. Ambtenaren ° Sociale zekerheid ° Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten ° Medisch deskundigenonderzoek ° Rechterlijke toetsing ° Strekking ° Geschil over uitvoering van collectieve verzekeringsovereenkomst tussen Europese Gemeenschappen en verzekeraars
(Ambtenarenstatuut, art. 73; collectieve verzekeringsovereenkomst tegen ongevallen en beroepsziekten, art. 5)
5. Ambtenaren ° Sociale zekerheid ° Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten ° Medisch deskundigenonderzoek ° Beoordelingsbevoegdheid van medische commissie
(Ambtenarenstatuut, art. 73; Regeling voor de verzekering van de ambtenaren tegen ongevallen en beroepsziekten, art. 23)
6. Ambtenaren ° Sociale zekerheid ° Vergoeding bij arbeidsongevallen en beroepsziekten ° Invaliditeitspensioen ° Vaststelling van invaliditeitspercentage in kader van invaliditeitsprocedure ° Inaanmerkingneming in kader van procedure voor toekenning van vergoeding ° Toelaatbaarheid
(Ambtenarenstatuut, art. 73 en 78; Regeling voor de verzekering van de ambtenaren tegen ongevallen en beroepsziekten, art. 25)
7. Ambtenaren ° Sociale zekerheid ° Vergoeding bij arbeidsongevallen en beroepsziekten ° Vergoeding voor blijvende algehele invaliditeit ° Vergoeding voor blijvende verwonding of verminking ° Cumulatie ° Toelaatbaarheid
(Ambtenarenstatuut, art. 73, lid 2; Regeling voor de verzekering van de ambtenaren tegen ongevallen en beroepsziekten, art. 12 en 14 en bijlage)
Samenvatting
1. In het stelsel van artikel 5 van de collectieve verzekeringsovereenkomst inzake ongevallen en beroepsziekten tussen de Europese Gemeenschappen en de verzekeraars kunnen deze laatsten, die alleen voor medische geschillen van het beroep op de rechter hebben afgezien, steeds het bestaan van een terugbetalingsverplichting betwisten op andere dan medische gronden, zelfs wanneer het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag betreffende de vaststelling van de financiële rechten van het slachtoffer of zijn rechtverkrijgenden in overeenstemming is met het advies van de medische commissie, en de deskundige van de verzekeraars als arts lid was van die commissie.
2. De bepalingen van de collectieve verzekeringsovereenkomst inzake ongevallen en beroepsziekten tussen de Europese Gemeenschappen en de verzekeraars kunnen geenszins afbreuk doen aan de verplichtingen van een instelling jegens haar ambtenaren op grond van artikel 73 van het Statuut en de Regeling voor de verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten. De verzekeraars hebben zich in die overeenkomst slechts onder de daarin gestelde voorwaarden verbonden tot het dekken van de financiële gevolgen van de statutaire verplichtingen. Het is derhalve niet uitgesloten, dat die voorwaarden beperkingen stellen aan de mogelijkheid voor een instelling om van de verzekeraars terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die zij krachtens haar statutaire verplichtingen verschuldigd is.
Er mag echter niet worden aangenomen, dat in de plaats van de statutaire verplichtingen de verplichtingen van de verzekeraars komen, zodat de ambtenaren zouden worden beroofd van de hun in het Statuut toegekende waarborgen.
Voorts moet de overeenkomst, die met betrekking tot de financiële risico' s tot dekking waarvan de verzekeraars zich hebben verbonden, verwijst naar de statutaire verplichtingen van de Gemeenschappen, worden uitgelegd in het licht van artikel 73 van het Statuut en de Regeling waarin deze verplichtingen zijn gepreciseerd, voor zover een dergelijke uitlegging in de overeenkomst niet is uitgesloten.
3. De in artikel 3, lid 3, van de collectieve verzekeringsovereenkomst inzake ongevallen en beroepsziekten van 28 januari 1977 opgenomen verplichting om ontwerp-besluiten die tot toekenning van een van de gewaarborgde uitkeringen (ziektekosten ° invaliditeit ° overlijden) kunnen leiden, voor te leggen aan de verzekeraars alvorens zij ter kennis van de betrokkenen worden gebracht, geldt niet voor besluiten die zijn vastgesteld op de grondslag van het advies van een medische commissie.
4. De rechterlijke toetsing van de regelmatigheid van de adviezen van een medische commissie kan zich niet uitstrekken tot de strikt medische beoordelingen, die als definitief moeten worden beschouwd wanneer zij in regelmatige omstandigheden tot stand zijn gekomen. Zij kan daarentegen betrekking hebben op de regelmatigheid van de samenstelling en de werking van de commissie en op de regelmatigheid van haar adviezen. In dat verband is het Hof bevoegd om na te gaan, of het advies van de medische commissie een motivering bevat aan de hand waarvan kan worden beoordeeld op welke overwegingen het berust, en of daarin een logische band wordt gelegd tussen de medische vaststellingen en de conclusies die de medische commissie daaraan verbindt.
Derhalve kunnen de door de verzekeraars aangevoerde grieven betreffende de regelmatigheid van het rapport van een medische commissie worden onderzocht in het kader van een krachtens artikel 5 van de collectieve verzekeringsovereenkomst inzake ongevallen en beroepsziekten bij het Hof aangebracht geschil.
5. De in het kader van artikel 23 van de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren tegen ongevallen en beroepsziekten geadieerde medische commissie, die tot taak heeft om objectief en onafhankelijk over medische vragen te oordelen, moet bij het vormen van haar oordeel over een volledige vrijheid beschikken. Het staat dientengevolge aan haar te beslissen, in hoeverre vroegere medische rapporten in aanmerking moeten worden genomen.
6. Volgens artikel 25 van de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren tegen ongevallen en beroepsziekten prejudicieert de vaststelling van een blijvende algehele of gedeeltelijke invaliditeit met toepassing van artikel 73 Ambtenarenstatuut en van deze regeling niet de toepassing van het bepaalde in artikel 78 van het Statuut, en omgekeerd. De omstandigheid dat die twee procedures onafhankelijk van elkaar zijn, staat er niet aan in de weg, dat de medische commissie in het kader van de procedure van artikel 73 rekening houdt met de conclusie van de procedure van artikel 78.
7. In het stelsel van artikel 73, lid 2, sub b, van het Statuut, de artikelen 12 en 14 van en de bijlage bij de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren tegen ongevallen en beroepsziekten kan de vergoeding voor blijvende algehele invaliditeit worden gecumuleerd met de vergoeding voor blijvende verwonding of verminking die, zonder het arbeidsvermogen van de ambtenaar te verminderen, een aantasting vormt van zijn lichamelijke integriteit en een onmiskenbaar nadelige invloed heeft veroorzaakt op zijn sociale betrekkingen.
Partijen
In zaak C-76/95,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door J.-L. Fagnart, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Royale belge NV, handelend voor eigen rekening en als lasthebber van Assurances Générales de France SA, Caisse nationale de Prévoyance, Mutuelles du Mans, Assurantie van de Belgische Boerenbond NV, Hannover NV, AG-Securitas en Condor, vertegenwoordigd door F. Van der Mensbrugghe, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Wildgen, advocaat aldaar, Rue Zithe 6,
verweerster,
betreffende de betaling door de verzekeraars van het kapitaal dat de Commissie krachtens artikel 73 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen wegens een beroepsziekte aan een van haar ambtenaren verschuldigd is,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, C. N. Kakouris en P. J. G. Kapteyn (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 maart 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 13 maart 1995, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens een arbitragebeding in de zin van artikel 181 EG-Verdrag beroep ingesteld, strekkende tot veroordeling van Royale belge NV, handelend voor eigen rekening en als lasthebber van zeven andere verzekeraars, Assurances Générales de France SA, Caisse nationale de Prévoyance, Mutuelles du Mans, Assurantie van de Belgische Boerenbond NV, Hannover NV, AG-Securitas en Condor, allen partij bij een collectieve verzekeringsovereenkomst met de instellingen van de Europese Gemeenschappen (hierna: "verzekeraars"), om een kapitaal te betalen dat de Commissie krachtens artikel 73 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") aan een van haar ambtenaren verschuldigd is wegens een beroepsziekte. De Commissie vordert eveneens moratoire interessen met ingang van 6 mei 1994, datum waarop zij de verzekeraars in gebreke heeft gesteld.
Toepasselijke regeling
2 Krachtens artikel 73 van het Statuut is de ambtenaar volgens een door de instellingen der Gemeenschappen in onderling overleg vastgestelde regeling verzekerd tegen uit beroepsziekten en ongevallen voortvloeiende risico' s. Volgens artikel 73, lid 2, sub b, bestaat de gewaarborgde uitkering bij blijvende algehele invaliditeit uit de uitkering aan de betrokkene van een kapitaal gelijk aan acht maal zijn jaarlijks basissalaris, berekend op de grondslag van zijn maandelijks salaris over de twaalf maanden voorafgaand aan het ongeval.
3 Artikel 12, lid 1, van de in artikel 73 van het Statuut bedoelde Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten (hierna: "Regeling") bepaalt, dat bij blijvende algehele invaliditeit van de ambtenaar ten gevolge van een ongeval of een beroepsziekte hem het in artikel 73, lid 2, sub b, van het Statuut bedoelde kapitaal wordt uitbetaald.
4 Krachtens artikel 14 van de Regeling wordt een vergoeding toegekend voor elke blijvende verwonding of verminking die, zonder het arbeidsvermogen van de ambtenaar te verminderen, een aantasting vormt van zijn lichamelijke integriteit en een onmiskenbaar nadelige invloed heeft op zijn sociale betrekkingen. Deze vergoeding wordt vastgesteld naar analogie van de percentages van de in artikel 12 bedoelde invaliditeitsschaal.
5 Die invaliditeitsschaal is opgenomen in bijlage bij de Regeling ["Schaal van de percentages van blijvende gedeeltelijke invaliditeit, bedoeld in artikel 12, lid 2, van de regeling (...)"]. De laatste alinea van deze bijlage luidt als volgt: "De totale schadevergoeding op grond van meer invaliditeiten voortvloeiend uit hetzelfde ongeval wordt door optelling vastgesteld; in geen geval echter kan deze vergoeding het gehele, voor blijvende algehele invaliditeit verzekerde kapitaal, dan wel de verzekerde gedeeltelijke som voor het algeheel verlies, of het volledig verlies van gebruik, van het gekwetste lidmaat of orgaan te boven gaan."
6 Volgens artikel 17, lid 1, van de Regeling moet de betrokken ambtenaar bij een verzoek om toepassing van deze regeling wegens een beroepsziekte, aangifte doen bij de administratie van de instelling waartoe hij behoort. Volgens lid 2 stelt de administratie daarop een onderzoek in, teneinde alle gegevens te verzamelen waardoor de aard van de aandoening, alsmede het verband tussen de ziekte en het beroep en de omstandigheden waaronder zij zich heeft voorgedaan, kunnen worden vastgesteld. Na inzage van het onderzoeksrapport stellen de door de instellingen aangewezen arts of artsen de in artikel 19 bedoelde conclusies op.
7 Volgens artikel 19 van de Regeling worden de besluiten waarbij een ziekte als beroepsziekte wordt gekwalificeerd, alsmede die betreffende de vaststelling van de graad van blijvende invaliditeit, overeenkomstig de in artikel 21 vervatte procedure door het tot aanstelling bevoegde gezag genomen op de grondslag van de conclusies van de door de instellingen aangewezen arts of artsen, en, indien de ambtenaar zulks verlangt, na raadpleging van de medische commissie bedoeld in artikel 23.
8 Alvorens een besluit ingevolge artikel 19 te nemen, dient het tot aanstelling bevoegde gezag krachtens artikel 21 het ontwerp-besluit, te zamen met de conclusies van de door de instelling aangewezen arts of artsen, ter kennis van de ambtenaar te brengen. Binnen zestig dagen kan de ambtenaar verlangen dat het advies van de in artikel 23 bedoelde medische commissie wordt ingewonnen. Indien na het verstrijken van deze termijn geen verzoek om raadpleging van de medische commissie is gedaan, neemt het tot aanstelling bevoegde gezag het besluit conform het meegedeelde ontwerp.
De collectieve verzekeringsovereenkomst
9 Op 28 januari 1977 sloten de verzekeraars met de Europese Gemeenschappen de "collectieve verzekeringsovereenkomst inzake ongevallen en beroepsziekten" (hierna: "overeenkomst"), waarbij zij zich ertoe verbonden onder de in die overeenkomst gestelde voorwaarden de financiële gevolgen te dekken van de statutaire verplichtingen die op de Gemeenschappen rusten wegens ongevallen en beroepsziekten van de personen die onder de toepassing van artikel 73 van het Statuut en van de Regeling tot uitvoering van dat artikel vallen. Deze dekking wordt verleend aan de Gemeenschappen, de enige begunstigden van de overeenkomst, aan wie de verzekeraars de vergoedingen betalen, zowel het kapitaal als de moratoire interessen, die voortvloeien uit de toepassing van de bepalingen van deze Regeling (artikel 1 van de overeenkomst).
10 Volgens artikel 3, lid 1, van de overeenkomst komen de bevoegde administraties van de Gemeenschappen met de verzekeraars praktische schikkingen overeen betreffende het verstrekken van informatie over de ongevallen en beroepsziekten en over het beheer van de dossiers, teneinde de verzekeraars in staat te stellen de evolutie van de zaken te volgen en ter vergemakkelijking van regresacties tegen de aansprakelijke derde alsmede van het creëren van de krachtens de wetgeving inzake het toezicht op de verzekeringen verplichte reserves. Luidens artikel 3, lid 3, van de overeenkomst worden ontwerp-besluiten die tot toekenning van een van de gewaarborgde uitkeringen (ziektekosten ° invaliditeit ° overlijden) kunnen leiden, overeenkomstig de in artikel 3, lid 1, bedoelde praktische schikkingen vooraf voor advies aan de verzekeraars voorgelegd, alvorens zij door de bevoegde instantie van de Gemeenschappen ter kennis van de betrokkenen worden gebracht.
11 Artikel 5 van de overeenkomst luidt:
"Geschillen over de uitvoering van deze overeenkomst en haar bijlagen kunnen bij uitblijven van een minnelijke schikking worden voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
De verzekeraars doen evenwel geen beroep op de rechter in geval van medische geschillen, wanneer het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag over de vaststelling van de financiële rechten van het slachtoffer of zijn rechtverkrijgenden in overeenstemming is met het voorafgaand advies van de deskundige van de verzekeraars of met het advies van de in artikel 23 van de in artikel 1.1. bedoelde regeling vermelde medische commissie, wanneer de deskundige van de verzekeraars als arts lid was van deze commissie; in dat geval betalen de verzekeraars de Gemeenschappen het gehele bedrag terug dat zij het slachtoffer of zijn rechtverkrijgenden krachtens voornoemd besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag hebben betaald (...)"
12 In artikel 10, lid 2, van de overeenkomst is de naamloze vennootschap J. Van Breda & Co. International (hierna: "Van Breda") als tussenpersoon aangewezen.
13 Een brief van 27 januari 1989 van Van Breda aan de Europese Gemeenschappen (hierna: "brief van 27 januari 1989") bevestigt, dat de verzekeraars en de Europese Gemeenschappen het ter uitvoering van de overeenkomst eens zijn geworden over de procedure die van toepassing is op ongevallen en beroepsziekten die zich vanaf 1 februari 1989 voordoen.
14 Volgens punt I van deze brief ("Aanwijzing van de artsen") is overeengekomen, dat de door het tot aanstelling bevoegde gezag aangewezen en door de verzekeraars erkende arts handelt als deskundige in de zin van artikel 5 van de thans geldende overeenkomst, en dat hij niet de raadgevende arts van de instelling kan zijn. Dit punt I voegt daaraan toe, dat de verzekeraars krachtens artikel 5 van de overeenkomst niet kunnen opkomen tegen besluiten van het tot aanstelling bevoegde gezag die zijn genomen overeenkomstig het advies van de door hem aangewezen en door de verzekeraars erkende arts, mits de verzekeraars zich overeenkomstig de procedureregels van punt II van de brief met deze besluiten akkoord hebben verklaard.
15 Volgens punt II van de brief van 27 januari 1989 ("Ontwerp-besluiten ° Voorafgaande mededeling aan de verzekeraars ° Antwoordtermijn") delen de verzekeraars zo snel mogelijk nadat het ontwerp-besluit hun overeenkomstig artikel 3, lid 3, van de overeenkomst voor advies is meegedeeld, mee of zij er al dan niet mee akkoord gaan.
16 Blijkens punt II van deze brief is tevens het volgende overeengekomen:
"a) ° de verzekeraars doen al het mogelijke om binnen een maximumtermijn van een maand na de mededeling van het ontwerp-besluit aan de makelaar mee te delen of zij al dan niet met dat ontwerp akkoord gaan.
° Indien de verzekeraars bij het verstrijken van de termijn van een maand nog niet hebben meegedeeld of zij al dan niet akkoord gaan, delen zij de reden daarvan mee aan het tot aanstelling bevoegde gezag (bij voorbeeld: verzoek aan de arts om aanvullende inlichtingen, wachten op het door hen opgevraagde strafdossier, enz.) en wordt de termijn met een maand verlengd.
° Wanneer de verzekeraars vaststellen, dat zij niet in staat zullen zijn om voor het verstrijken van de nieuwe termijn mee te delen of zij al dan niet akkoord gaan, stellen zij het tot aanstelling bevoegde gezag en de makelaar voor een overlegprocedure te openen teneinde het verdere verloop van de zaak en een nieuwe termijn te bepalen; deze termijn kan niet langer zijn dan vier maanden.
b) De door het tot aanstelling bevoegde gezag aangewezen en door de verzekeraars erkende arts deelt zijn advies gelijktijdig mee aan de instelling en aan de verzekeraars."
De feiten
17 Op 26 november 1990 verzocht X, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, om erkenning als beroepsziekten van twee aandoeningen die hij in dienst van de Europese Gemeenschappen had opgelopen. Het betrof longkanker en chronische astmatische bronchitis. Volgens hem waren deze ziekten het gevolg van blootstelling aan asbest in het Berlaymontgebouw te Brussel.
18 De administratie stelde een onderzoek in en zond Van Breda op 21 mei 1991 de aanvraag en andere daarmee verband houdende stukken. Op 6 juni 1991 verzocht de instelling Van Breda haar mee te delen, welke arts de verzekeraars met het onderzoek van X wilden belasten. Op 3 juli 1991 deelde Van Breda de naam van dokter J. Dalem mee. Op verzoek van deze arts, die door de instelling was aangewezen, vroeg de instelling professor P. Bartsch om een medisch deskundigenverslag.
19 In zijn rapport van 3 februari 1992 kwam deze deskundige tot de conclusie, dat X geen beroepsziekte had. Op grond van dit deskundigenverslag diende dokter Dalem op 14 februari 1992 een rapport in, volgens hetwelk er geen sprake was van een beroepsziekte.
20 Op grond van de conclusies van de aangewezen arts, bracht het tot aanstelling bevoegde gezag X op 17 februari 1992 een ontwerp-besluit ter kennis, waarbij zijn aanvraag om erkenning van een beroepsziekte werd afgewezen. Op 23 februari 1992 verzocht X om het advies van de medische commissie, en wees hij dokter S. Cognigni aan om hem in die commissie te vertegenwoordigen. Op voorstel van de verzekeraars wees het tot aanstelling bevoegde gezag professor P. Brochard aan. Beide artsen wezen in onderling overleg professor C. Maltoni aan.
21 Op 25 februari 1994 stelde de medische commissie bij meerderheid (dokter Cognigni en professor Maltoni tegen professor Brochard) haar rapport vast. Het rapport concludeerde, dat de longkanker waaraan X leed, een beroepsziekte was. Voorts werd de blijvende invaliditeit vastgesteld op 100 % en werd X, gelet op artikel 14 van de Regeling, een vergoeding van 30 % toegekend wegens blijvend letsel en ernstige psychische moeilijkheden. In een minderheidsrapport van dezelfde datum zette professor Brochard een andere zienswijze uiteen. Ofschoon de diagnose van longkanker niet kon worden uitgesloten, was de vastgestelde fibrose zijns inziens geen asbestose. Bovendien kon volgens het minderheidsrapport de beroepsactiviteit van X niet de wezenlijke of belangrijkste oorzaak van zijn ziekte zijn.
22 Op 1 maart 1994 zond professor Maltoni het rapport van de medische commissie aan de instelling. In zijn begeleidende brief stelde hij, dat de beoordeling uitsluitend was gebaseerd op klinische en wetenschappelijke gegevens. Hij verzocht de instelling met hem contact op te nemen indien zij aanvullende details over het rapport nodig had. Professor Brochard zond de instelling zijn minderheidsrapport op 3 maart 1994. Op 10 en 18 maart 1994 zond de instelling beide rapporten aan Van Breda, die ze aan de verzekeraars liet toekomen.
23 Bij brief van 23 maart 1994 deelde Van Breda de instelling mee, dat de verzekeraars de stukken bestudeerden, vooral op medisch vlak. Bij brief van 29 maart 1994 deelde zij vervolgens mee, dat de verzekeraars de artsen van de medische commissie aanvullende vragen wilden stellen. In een brief van 8 april 1994 gaf zij ten slotte de punten aan waarover de verzekeraars de leden van de medische commissie opnieuw vragen wilden stellen. Volgens die brief wilden de verzekeraars het advies inwinnen van een collega van dokter Dalem, teneinde zeer nauwkeurig de vragen te formuleren op grond waarvan de zaak eventueel opnieuw aan de medische commissie kon worden voorgelegd. In die twee brieven stelde Van Breda eveneens, dat de in de brief van 27 januari 1989 bedoelde nieuwe termijn van een maand was ingegaan op 29 maart 1994 en verstreek op 29 april 1994.
24 Bij brief van 15 april 1994 stelde het tot aanstelling bevoegde gezag X in kennis van de conclusies van de medische commissie. Volgens die brief kon het tot aanstelling bevoegde gezag een blijvende algehele invaliditeit van 130 % erkennen en was thans een definitieve beslissing aan de orde over de door de erkenning van zijn beroepsziekte opgeworpen medische vragen. Op 22 april 1994 werd aan X een bedrag van 25 794 194 BFR uitbetaald.
25 Bij brief van 6 mei 1994 deelde de Commissie Van Breda mee, dat zij overeenkomstig het besluit van de meerderheid van de medische commissie bedoeld bedrag aan X had overgemaakt. Volgens de Commissie leek de weigering van de verzekeraars om het besluit van de medische commissie te aanvaarden en hun hardnekkigheid om deze commissie aanvullende vragen te stellen, op een poging van de verzekeraars om zich te onttrekken aan hun aansprakelijkheid voor de terugbetaling waartoe zij krachtens de overeenkomst gehouden zijn. In haar brief beschouwde de Commissie de verzekeraars tevens als debiteuren van de sinds 6 mei 1994 lopende rente over het aan X betaalde kapitaal.
26 In een brief van 28 juli 1994 aan Van Breda beklemtoonde de Commissie, dat zij het verzoek van de verzekeraars om de leden van de medische commissie nieuwe vragen te stellen, nooit uitdrukkelijk had afgewezen, maar stelde zij, dat de verzekeraars geen aanvullende vragen hadden gesteld, en dus hadden afgezien van hun voornemen om de zaak voor te leggen aan de medische commissie, wier conclusies zij derhalve hadden aanvaard.
27 Bij brief van 12 augustus 1994 antwoordde Van Breda, dat de verzekeraars sinds begin juni 1994 beschikten over een aantal technische vragen, en dat het onontbeerlijk was deze aan de medische commissie voor te leggen. Door het besluit van de Commissie om X een blijvende algehele invaliditeit van 130 % toe te kennen en het overeenkomstige bedrag te betalen, was het voorleggen van die vragen aan de medische commissie evenwel achterhaald.
28 Bij brief van 16 september 1994 antwoordde de Commissie, dat het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag van 15 april 1994 en de uitkering van het kapitaal aan X, voor de verzekeraars geenszins een beletsel was om alle aanvullende vragen te stellen die zij noodzakelijk achtten alvorens te beslissen over de terugbetaling van het kapitaal.
29 Bij brief van 13 oktober 1994 deelde Van Breda mee, dat de verzekeraars niet konden ingaan op het verzoek om terugbetaling. De Commissie besloot daarop het onderhavige beroep in te stellen.
Conclusies van partijen
30 De Commissie concludeert, dat het het Hof behage de verzekeraars te veroordelen tot betaling van:
° het kapitaal dat de Commissie aan X verschuldigd is of zou zijn ingevolge artikel 73 van het Statuut;
° moratoire interessen met ingang van 6 mei 1994, datum waarop de Commissie de verzekeraars in gebreke heeft gesteld;
° hen te verwijzen in de kosten van het geding.
31 De verzekeraars concluderen dat het het Hof behage:
primair,
° de vordering van de Commissie niet-ontvankelijk of althans ongegrond te verklaren,
° de Commissie te verwijzen in de kosten,
subsidiair,
° de vordering van de Commissie niet-ontvankelijk of althans ongegrond te verklaren voor zover zij ertoe strekt de verzekeraars te veroordelen om de Commissie een kapitaal terug te betalen dat groter is dan 100 % van het in geval van blijvende algehele invaliditeit verschuldigde bedrag;
° te beslissen over de kosten naar recht.
De ontvankelijkheid
32 Het middel van de verzekeraars betreffende de ontvankelijkheid van het beroep moet worden afgewezen wegens ontbreken van motivering en van elementen in het dossier tot staving ervan.
Ten gronde
33 De Commissie baseert haar vordering tot terugbetaling op artikel 5, tweede alinea, van de overeenkomst, bepalende dat wanneer het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag over de vaststelling van de financiële rechten van het slachtoffer of zijn rechtverkrijgenden in overeenstemming is met het advies van de medische commissie, en de deskundige van de verzekeraars als arts lid was van deze commissie, de verzekeraars de Gemeenschappen het gehele bedrag moeten terugbetalen dat zij het slachtoffer of zijn rechtverkrijgenden krachtens het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag hebben betaald.
34 Volgens de Commissie blijkt uit de duidelijke bewoordingen van deze bepaling, dat wanneer de daarin gestelde voorwaarden zijn vervuld, de verzekeraars geen enkel middel kunnen aanvoeren ter rechtvaardiging van hun weigering om het aan X betaalde bedrag terug te betalen. Dat is in casu het geval: het kapitaal is uitbetaald ter uitvoering van een besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag dat in overeenstemming was met het advies van de medische commissie waarvan een van de leden de deskundige van de verzekeraars was. Nu zij niet zelf beroep hebben ingesteld bij het Hof, kunnen zij niet met een beroep op het in die bepaling gemaakte onderscheid tussen "medische geschillen" en "juridische geschillen" middelen rechtens aanvoeren om zich tegen het verzoek om terugbetaling te verzetten.
35 De verzekeraars daarentegen zijn van mening, dat artikel 5, tweede alinea, van de overeenkomst helemaal los staat van het onderhavige geschil, dat zuiver juridisch is. Zij voeren drie middelen rechtens aan tot staving van hun weigering om tot terugbetaling over te gaan. In de eerste plaats heeft de Commissie bij de vaststelling van haar besluit van 15 april 1994 om X een vergoeding toe te kennen, haar contractuele verplichtingen geschonden doordat zij de in de overeenkomst en de brief van 27 januari 1989 voorgeschreven procedure niet heeft gevolgd. In de tweede plaats is het rapport van de medische commissie onregelmatig, wat de onregelmatigheid meebrengt van het daarop gebaseerde besluit van de Commissie om X de vergoeding te betalen. In de derde plaats en subsidiair, kon de totale aan X toegekende vergoeding hoe dan ook niet hoger zijn dan 100 %.
36 Vooreerst moet worden vastgesteld, dat het in de brief van het tot aanstelling bevoegde gezag van 15 april 1994 vervatte besluit in overeenstemming is met het advies van de medische commissie, en dat de deskundige van de verzekeraars als arts lid was van die commissie.
37 Evenwel zijn de verzekeraars, anders dan de Commissie stelt, wel gerechtigd middelen rechtens aan te voeren om de terugbetaling te weigeren van het bedrag van 25 794 194 BFR dat de Commissie krachtens het besluit van 15 april 1994 houdende erkenning van de beroepsziekte van X, heeft uitgekeerd.
38 Artikel 5, tweede alinea, van de overeenkomst, aangaande medische geschillen, vormt namelijk een uitzondering op de algemene regel van de eerste alinea, dat geschillen over de uitvoering van de overeenkomst en haar bijlagen bij uitblijven van een minnelijke schikking aan het Hof van Justitie kunnen worden voorgelegd.
39 Daaruit volgt dat de verzekeraars, die alleen voor medische geschillen van het beroep op de rechter hebben afgezien, steeds het bestaan van een terugbetalingsverplichting kunnen betwisten op andere dan medische gronden, zelfs wanneer zoals in casu aan de in rechtsoverweging 36 omschreven voorwaarden is voldaan.
40 Anders dan de Commissie stelt, is het onderscheid tussen "medische geschillen" en "juridische geschillen" in deze zaak dus relevant, ongeacht de contractpartij die het geschil aan het Hof voorlegt. Het is immers ondenkbaar dat de contractpartijen voor de verzekeraars de mogelijkheid hebben willen openlaten als verweerders voor het Hof middelen van medische aard aan te voeren, terwijl zij als verzoekers niet over die mogelijkheid zouden beschikken.
41 Derhalve moeten de drie middelen worden onderzocht die de verzekeraars ter rechtvaardiging van hun weigering van terugbetaling aanvoeren.
42 Vooraf zij eraan herinnerd, dat de overeenkomst luidens artikel 1 ertoe strekt, onder de daarin gestelde voorwaarden de financiële gevolgen te dekken van de verplichtingen van de Gemeenschappen jegens hun ambtenaren wegens ongevallen en beroepsziekten, zoals bepaald in artikel 73 van het Statuut en de Regeling (hierna: "statutaire verplichtingen").
43 Dienaangaande zij vooreerst vastgesteld, dat de overeenkomst geenszins afbreuk kan doen aan de statutaire verplichtingen van een instelling jegens haar ambtenaren.
44 De verzekeraars hebben zich weliswaar slechts onder de in de overeenkomst gestelde voorwaarden verbonden tot het dekken van de financiële gevolgen van de statutaire verplichtingen, en het is derhalve niet uitgesloten, dat die voorwaarden beperkingen stellen aan de mogelijkheid voor de instelling om van de verzekeraars terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die zij krachtens haar statutaire verplichtingen verschuldigd is.
45 Volgens de rechtspraak van het Hof mag echter niet worden aangenomen, dat in de plaats van de statutaire verplichtingen de verplichtingen van een verzekeraar komen, zodat de ambtenaren zouden worden beroofd van de hun in het Statuut toegekende waarborgen (zie in die zin arresten van 16 juni 1971, zaak 18/70, Duraffour, Jurispr. 1971, blz. 515, r.o. 15, en 16 maart 1978, zaak 115/76, Leonardini, Jurispr. 1978, blz. 735, r.o. 11).
46 Vervolgens moet worden opgemerkt dat de overeenkomst, die met betrekking tot de financiële risico' s tot dekking waarvan de verzekeraars zich hebben verbonden, verwijst naar de statutaire verplichtingen van de Gemeenschappen, moet worden uitgelegd in het licht van artikel 73 van het Statuut en de Regeling waarin deze verplichtingen zijn gepreciseerd, voor zover een dergelijke uitlegging in de overeenkomst niet is uitgesloten.
47 De drie middelen van de verzekeraars moeten in het licht van deze overwegingen worden onderzocht.
De gestelde schending van de contractueel vastgelegde procedure
48 In de eerste plaats verwijten de verzekeraars de Commissie, dat zij als tot aanstelling bevoegd gezag het besluit van 15 april 1994 heeft vastgesteld in strijd met de in de overeenkomst, met name artikel 3, leden 1 en 3, daarvan, bepaalde contractuele regels en de procedures en praktische schikkingen vastgesteld in de brief van 27 januari 1989.
49 In strijd met die regels en procedures heeft de Commissie nagelaten het betrokken ontwerp-besluit vooraf aan de verzekeraars te laten toekomen. Bovendien heeft zij reeds op 15 april 1994 het besluit ter kennis van X gebracht en vervolgens uitgevoerd, zonder dit vooraf aan de verzekeraars te laten weten.
50 Dit betoog doet de vraag rijzen, of en in hoeverre artikel 3, leden 1 en 3, van de overeenkomst, alsmede de procedure bedoeld in de brief van 27 januari 1989 in casu van toepassing zijn.
51 Onbetwist is, dat de Commissie zich heeft gekweten van haar verplichting op grond van artikel 3, lid 1, van de overeenkomst, om de verzekeraars de gegevens mee te delen die hen in staat stelden de evolutie van de betrokken zaak te volgen.
52 De verzekeraars stellen evenwel, dat de Commissie zich niet heeft gehouden aan de krachtens artikel 3, lid 3, van de overeenkomst op haar rustende verplichting om overeenkomstig de in de brief van 27 januari 1989 overeengekomen procedure een op het rapport van de medische commissie van 25 februari 1994 gebaseerd ontwerp-besluit mee te delen.
53 Dit betoog van de verzekeraars steunt op een onjuiste uitlegging van de overeenkomst en de brief van 27 januari 1989.
54 Uit punt I en punt II, sub a, tweede streepje, en punt II, sub b, van de betrokken brief blijkt immers, dat het daarin gaat over het ontwerp-besluit dat door het tot aanstelling bevoegde gezag wordt opgemaakt op basis van de conclusies van de door hem aangewezen en door de verzekeraars erkende arts.
55 Deze uitlegging vindt steun in de structuur van de in de artikelen 19 en 21 van de Regeling voorgeschreven procedure.
56 Blijkens artikel 19 worden de besluiten waarbij een ziekte als beroepsziekte wordt gekwalificeerd, door het tot aanstelling bevoegde gezag genomen op de grondslag van de conclusies van de door de instellingen aangewezen arts of artsen, of, indien de ambtenaar zulks verlangt, na raadpleging van een medische commissie.
57 Alleen voor het eerste geval maakt artikel 21 gewag van een ontwerp-besluit dat het tot aanstelling bevoegde gezag, alvorens een besluit ingevolge artikel 19 te nemen, ter kennis van de ambtenaar moet brengen zodat hij eventueel binnen zestig dagen de raadpleging van een medische commissie kan verlangen, en dat voor advies wordt gezonden aan de verzekeraars, die ingeval zij niet akkoord gaan, om overleg in de zin van punt II van de brief van 27 januari 1989 kunnen verzoeken.
58 Wanneer evenwel de medische commissie tussenkomt, wier regelmatig tot stand gekomen strikt medische beoordelingen als definitief moeten worden beschouwd en niet voor betwisting vatbaar zijn zolang geen nieuw feit aan het licht komt (zie met name arresten van 12 juni 1980, zaak 107/79, Schuerer, Jurispr. 1980, blz. 1845, r.o. 10; 19 januari 1988, zaak 2/87, Biedermann, Jurispr. 1988, blz. 143, r.o. 8, en 18 februari 1993, zaak T-1/92, Tallarico, Jurispr. 1993, blz. II-107, r.o. 67), voorziet de Regeling niet in de mededeling door het tot aanstelling bevoegde gezag van een ontwerp-besluit dat op de grondslag van de conclusies van deze commissie moet worden genomen.
59 Uit een en ander volgt, dat het ontwerp-besluit als bedoeld in artikel 3, lid 3, van de overeenkomst en in de brief van 27 januari 1989, het ontwerp-besluit is dat het tot aanstelling bevoegde gezag voorbereidt op de grondslag van de conclusies van de door hem aangewezen arts of artsen, en dat de daarin voorgeschreven contractuele procedure niet van toepassing is op het onderhavige geval, waarin het besluit van 15 april 1994 is vastgesteld op de grondslag van het advies van de medische commissie.
60 De Commissie kan evenmin worden verweten, dat zij het besluit op 15 april 1994 ter kennis van de betrokkene heeft gebracht, nog voor zij de vragen had ontvangen die de verzekeraars aan de medische commissie wensten te stellen.
61 De Commissie, die op 18 maart 1994 de conclusies van de medische commissie aan de verzekeraars had gezonden, beschikte op 15 april 1994 namelijk slechts over de brief van 8 april 1994 waarin Van Breda de verschillende punten vermeldde waarover de verzekeraars aan de leden van de medische commissie vragen wilden stellen en waarin zij aankondigde dat zij in verband daarmee vóór 29 april 1994 een vragenlijst zou sturen.
62 Gelet op het feit dat de behandeling van de zaak reeds lang aansleepte en op de gezondheidstoestand van de betrokkene, zou de Commissie onder die omstandigheden haar statutaire verplichtingen jegens betrokkene niet zijn nagekomen, indien zij haar besluit had uitgesteld in afwachting van een dergelijke vragenlijst en de eventuele antwoorden van de medische commissie.
63 Bovendien vormt de vaststelling van het besluit van 15 april 1994 en de uitbetaling van het kapitaal aan X geen beletsel voor de voortzetting van het onderzoek van de zaak in het kader van de contractuele relatie tussen de verzekeraars en de Gemeenschappen, en met name niet voor de betwisting van het bestaan van een terugbetalingsplicht van de verzekeraars.
64 Gelet op een en ander, moet het eerste middel van de verzekeraars worden afgewezen.
De onregelmatigheid van het rapport van de medische commissie
65 In de tweede plaats betwisten de verzekeraars de regelmatigheid van de conclusies van de medische commissie. Ook het op die onregelmatige conclusies gebaseerde besluit van 15 april 1994 zou onregelmatig zijn. Daardoor zou de Commissie het toepassingsgebied van de overeenkomst hebben verlaten en het recht op terugbetaling op grond van de overeenkomst hebben verbeurd.
66 Allereerst zij eraan herinnerd, dat de verzekeraars afstand hebben gedaan van een beroep op de rechter voor medische geschillen, zoals blijkt uit artikel 5, tweede alinea, van de overeenkomst. Nu de overeenkomst verwijst naar de statutaire verplichtingen van de Gemeenschappen jegens de ambtenaren die het slachtoffer zijn van een ongeval of een beroepsziekte, moet de strekking van die afstand worden uitgelegd in het licht van de rechtspraak betreffende de rechterlijke toetsing van de regelmatigheid van adviezen van medische commissies.
67 Volgens die rechtspraak kan de toetsing door het Hof zich niet uitstrekken tot de strikt medische beoordelingen, die als definitief moeten worden beschouwd wanneer zij in regelmatige omstandigheden tot stand zijn gekomen. De rechterlijke toetsing kan slechts betrekking hebben op de regelmatigheid van de samenstelling en de werking van de commissie en de regelmatigheid van haar adviezen. In dat verband is het Hof bevoegd om na te gaan, of het advies een motivering bevat aan de hand waarvan kan worden beoordeeld op welke overwegingen de erin vervatte conclusies berustten (arrest van 12 januari 1983, zaak 257/81, K., Jurispr. 1983, blz. 1, r.o. 17), en of daarin een logische band wordt gelegd tussen de medische vaststellingen en de conclusies die de medische commissie daaraan verbindt (arresten van 10 december 1987, zaak 277/84, Jaensch, Jurispr. 1987, blz. 4923, r.o. 15, en 27 februari 1992, zaak T-165/89, Plug, Jurispr. 1992, blz. II-367, r.o. 75).
68 Derhalve kunnen grieven betreffende de regelmatigheid van het rapport van de medische commissie van 25 februari 1994 worden onderzocht in het kader van een krachtens artikel 5 van de overeenkomst bij het Hof aangebracht geschil.
69 In casu blijkt evenwel uit de stukken, dat de verzekeraars de mogelijkheid hebben gehad om de Commissie de leden van de medische commissie nieuwe vragen te doen stellen over bepaalde aspecten van de overwegingen en van de motivering van het advies waar zij bedenkingen bij hadden. Zij hebben evenwel enkel het voornemen daartoe geuit, zonder het ten uitvoer te leggen, zodat zij de kans hebben laten voorbijgaan om verduidelijking en opheldering te krijgen over de punten van het advies die huns inziens twijfelachtig of onregelmatig waren.
70 Derhalve is de Commissie gerechtigd terugbetaling te vorderen van het kapitaal dat aan X is uitgekeerd ten gevolge van haar besluit op basis van het rapport van de medische commissie, nu dit niet kennelijk onregelmatig is.
71 In het licht van die overwegingen moeten de drie grieven van de verzekeraars in verband met het rapport van de medische commissie worden onderzocht.
72 Met hun eerste grief stellen de verzekeraars, dat het advies van de medische commissie de vroegere rapporten van dokter Dalem en van professor Bartsch en het minderheidsrapport van professor Brochard niet weerlegt, en dus geen enkele verklaring geeft voor de flagrante tegenstrijdigheid tussen de conclusies van het advies en die van bedoelde rapporten, hoewel die gebaseerd zijn op wetenschappelijke argumenten en overwegingen. De conclusies van de medische commissie zijn derhalve onvoldoende gemotiveerd, en dus onregelmatig.
73 In dat verband zij er allereerst aan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de taak van de medische commissie om objectief en onafhankelijk over medische vragen te oordelen, meebrengt dat zij bij het vormen van haar oordeel over volledige vrijheid moet beschikken. Het staat dientengevolge aan deze commissie te beslissen, in hoeverre vroegere medische rapporten in aanmerking moeten worden genomen (arrest Biedermann, reeds aangehaald, r.o. 19).
74 In casu blijkt niet uit het advies van de medische commissie, dat zij geen rekening heeft gehouden met de mening van de drie deskundigen. Integendeel, nog afgezien van het feit dat daarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar het dossier van de Commissie dat de standpunten van dokter Dalem en professor Bartsch bevat, bevestigt de aanwezigheid van professor Brochard zelf in de medische commissie de stelling van de Commissie, dat de medische commissie rekening heeft gehouden met de opvatting van deze arts en met de vroegere rapporten van de twee andere deskundigen, zoals de advocaat-generaal in punt 28 van zijn conclusie beklemtoont. Uit het dossier blijkt overigens, dat het minderheidsrapport van professor Brochard ten dele is gebaseerd op soortgelijke overwegingen als die van deze andere twee deskundigen.
75 Nu in het medisch rapport op grond van laboratoriumonderzoeken is verklaard, dat X longkanker heeft en dat het onderzoek van zijn pleuropulmonair weefsel de aanwezigheid van asbest in bepaalde hoeveelheden heeft aangetoond, kan het rapport bovendien niet worden verweten, dat het geen verklaring geeft voor de verschillen tussen de conclusies van het rapport en die van de andere deskundigen.
76 Deze grief kan derhalve niet worden aanvaard.
77 Met hun tweede grief stellen de verzekeraars, dat de medische commissie geen toereikende motivering heeft gegeven voor de conclusie dat de ziekte van X veroorzaakt is door asbest, aangezien zij zich enkel baseert op de blootstelling aan asbestvezels en de aanwezigheid van dergelijke vezels in de longen van de betrokkene, terwijl in de huidige stand van de medische wetenschap uit die vaststellingen geen dergelijke conclusie kan worden getrokken.
78 Ook deze grief kan niet worden aanvaard.
79 In haar advies stelde de commissie namelijk, dat X longkanker had, samen met een fibrose, onder meer van het septum, die op grond van de in detail uiteengezette feiten als een beroepsziekte moet worden aangemerkt.
80 Nu zij longkanker heeft gediagnostiseerd op grond van de resultaten van een vroeger onderzoek en van haar eigen heronderzoek van de weefselcoupes, en zich naast andere gedetailleerde feitelijke overwegingen heeft gebaseerd op de aanwezigheid van verschillende soorten asbest in het pleuropulmonaire weefsel en op de blootstelling aan asbest tot staving van de conclusie dat de ziekte van X haar oorsprong vindt in zijn beroepsactiviteit, heeft de medische commissie haar conclusies toereikend gemotiveerd.
81 De verzekeraars stellen, dat in de huidige stand van de medische wetenschap de door haar gemaakte vaststellingen deze conclusie van de medische commissie niet rechtvaardigen.
82 De vraag naar de oorzaak van een ziekte is evenwel in wezen van medische aard (arrest van 4 oktober 1991, zaak C-185/90 P, Gill, Jurispr. 1991, blz. I-4779, r.o. 25).
83 Het staat dan ook niet aan het Hof zijn toetsing uit te breiden tot de beoordelingen van de medische commissie, die als definitief moeten worden beschouwd wanneer zij in regelmatige omstandigheden tot stand zijn gekomen.
84 Met hun derde grief betwisten de verzekeraars het advies van de medische commissie op grond dat zij een invaliditeit van 100 % heeft erkend zonder aan te geven of zij zich had gebaseerd op de bij de Regeling gevoegde schaal, en van welke grondslag zij voor de berekening van dat percentage was uitgegaan.
85 Dienaangaande zij opgemerkt, dat de blijvende algehele invaliditeit reeds was vastgesteld door de invaliditeitscommissie in het kader van de procedure van artikel 78 van het Statuut, en dat de procedure van artikel 73 ertoe strekte, te bepalen of X een beroepsziekte had.
86 Ofschoon volgens artikel 25 van de Regeling de vaststelling van een blijvende algehele of gedeeltelijke invaliditeit met toepassing van artikel 73 van het Statuut en van de Regeling niet de toepassing prejudicieert van het bepaalde in artikel 78 van het Statuut, en omgekeerd, staat de omstandigheid dat die twee procedures onafhankelijk van elkaar zijn, er niet aan in de weg, dat de medische commissie in het kader van de procedure van artikel 73 rekening houdt met de conclusie van de procedure van artikel 78, zoals de advocaat-generaal in punt 29 van zijn conclusie heeft beklemtoond.
87 Ook deze grief moet derhalve worden afgewezen.
De toekenning van een vergoeding van 130 %
88 In de derde plaats en subsidiair stellen de verzekeraars, dat de totale aan X uitgekeerde vergoeding op grond van de laatste alinea van de schaal in de bijlage bij de Regeling, hoe dan ook niet hoger kon zijn dan 100 %, en dat het besluit van de Commissie derhalve onwettig is, nu daarin een vergoeding van 130 % is vastgesteld.
89 Dit middel is gebaseerd op een verkeerde uitlegging van de laatste alinea van de schaal.
90 In deze alinea is immers uitdrukkelijk sprake van de cumulatie van meer dan één invaliditeit voortvloeiend uit hetzelfde ongeval, namelijk de vergoedingen bedoeld in artikel 12, lid 2, van de Regeling; zij heeft dus geen betrekking op de vergoeding die krachtens artikel 14 van de Regeling aan de ambtenaar kan worden toegekend voor elke blijvende verwonding of verminking die, zonder het arbeidsvermogen van de ambtenaar te verminderen, een aantasting vormt van zijn lichamelijke integriteit en een onmiskenbaar nadelige invloed heeft op zijn sociale betrekkingen. Artikel 14, tweede alinea, verwijst slechts bij analogie naar de in artikel 12, lid 2, bedoelde percentages van de invaliditeitsschaal.
91 Gelet op een en ander, moet de ongegrondheid worden vastgesteld van de weigering van de verzekeraars de Commissie het bedrag te vergoeden dat zij krachtens artikel 73 van het Statuut aan X heeft uitgekeerd.
92 Derhalve moeten de verzekeraars worden veroordeeld om aan de Commissie 25 794 194 BFR te betalen, vermeerderd met 8 % rente vanaf 6 mei 1994, datum waarop zij door de instelling in gebreke zijn gesteld.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
93 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Veroordeelt Royale belge NV, Assurances Générales de France SA, Caisse nationale de Prévoyance, Mutuelles du Mans, Assurantie van de Belgische Boerenbond NV, Hannover NV, AG-Securitas en Condor om aan de Commissie 25 794 194 BFR te betalen, vermeerderd met 8 % rente vanaf 6 mei 1994.
2) Verwijst Royale belge NV, Assurances Générales de France SA, Caisse nationale de Prévoyance, Mutuelles du Mans, Assurantie van de Belgische Boerenbond NV, Hannover NV, AG-Securitas en Condor in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy