Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Restituties bij uitvoer - Gedifferentieerde restitutie - Toekenningsvoorwaarden - Uitgevoerd product dat vóór invoer in land van bestemming door overmacht verloren is gegaan - Geen recht op restitutie, indien niet voor alle derde landen geldende restitutievoet is vastgesteld
(Verordening nr. 2730/79 van de Commissie, art. 10, lid 4, 20 en 21)
Samenvatting
De artikelen 10, lid 4, 20 en 21 van verordening nr. 2730/79 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, moeten aldus worden uitgelegd, dat de marktdeelnemer geen recht op restitutie bij uitvoer heeft, wanneer het betrokken product, na het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te hebben verlaten, onderweg als gevolg van overmacht verloren is gegaan, en een zelfde restitutievoet is vastgesteld voor alle derde landen, met uitzondering van één land, waarvoor geen restitutie is vastgesteld. Het niet vaststellen van een restitutievoet voor een land moet immers worden gelijkgesteld met een differentiatie naar gelang de bestemming, met als gevolg dat de restitutiebetaling afhangt van de voorwaarde, dat het product is ingevoerd in het derde land of in één van de landen waarvoor de restitutie is voorzien. Ook al staat artikel 21, lid 1, van de verordening de betaling van een deel van de restitutie toe, wanneer het product het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten, volgens lid 2 van dit artikel geldt deze bepaling enkel wanneer voor alle derde landen een restitutie is vastgesteld.
Partijen
In zaak C-109/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Polymeles Protodikeio te Athene, in het aldaar aanhangig geding tussen
Astir AE
en
Elliniko Dimosio,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 10, lid 4, 20 en 21 van verordening (EEG) nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (PB 1979, L 317, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Tweede kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, J. L. Murray en G. Hirsch (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. B. Elmer
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Astir AE, vertegenwoordigd door N. Papazoïs, advocaat te Athene,
- de Griekse regering, vertegenwoordigd door F. Georgakopoulos, adjunct-juridisch adviseur bij de Raad van State, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Kontou-Durande en K.-D. Borchardt, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Griekse regering, vertegenwoordigd door F. Georgakopoulos, en de Commissie, vertegenwoordigd door D. Gouloussis, juridisch adviseur, als gemachtigde, en K.-D. Borchardt, ter terechtzitting van 4 juli 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 oktober 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 29 maart 1990, binnengekomen bij het Hof op 3 april 1995, heeft de Polymeles Protodikeio te Athene krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 10, lid 4, 20 en 21 van verordening (EEG) nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (PB 1979, L 317, blz. 1).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen de Griekse verzekeringsmaatschappij Astir AE (hierna: "Astir") en de Helleense Republiek, over de betaling van restituties bij uitvoer waarop Astir als gesubrogeerde in de rechten van een bij haar verzekerde vennootschap recht meent te hebben.
3 In april 1981 verkocht deze vennootschap aan een in de Socialistische Republiek Vietnam gevestigde vennootschap 1 900 ton tarwemeel, die per schip geleverd moesten worden.
4 Na vervulling van de douaneformaliteiten bij uitvoer van de handelswaar ging deze op 1 juli 1983, buiten het grondgebied van de Gemeenschap, door schipbreuk voor de Egyptische kust verloren.
5 Verordening (EEG) nr. 229/81 van de Commissie van 29 januari 1981 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor granen en bepaalde soorten van meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge (PB 1981, L 26, blz. 40), stelde de volgende restituties voor meel van zachte tarwe van tariefnummer ex 11.01 A vast:
- voor uitvoer naar USSR: -
- voor uitvoer naar andere derde landen: 72,00 ECU/ton.
6 Verordening nr. 2730/79, die ten tijde van de feiten gold, stelde gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij de uitvoer voor landbouwproducten vast. In artikel 9 van deze verordening is de algemene regel vastgelegd, dat, onverminderd het bepaalde in de artikelen 10, 20 en 26, de restitutie slechts mag worden uitbetaald, wanneer het bewijs wordt geleverd dat het product waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer werden vervuld, met name in ongewijzigde staat het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten.
7 Ingevolge artikel 10, lid 1, van verordening nr. 2730/79 geldt voor betaling van de restitutie eveneens als voorwaarde dat het product, tenzij het onderweg als gevolg van overmacht teloor is gegaan, is ingevoerd in een derde land en eventueel in een bepaald derde land, wanneer ernstige twijfel bestaat omtrent de werkelijke bestemming van het product of wanneer het product opnieuw in de Gemeenschap kan worden ingevoerd.
8 Aangaande het verlies van het product als gevolg van overmacht preciseert artikel 10, lid 4, van verordening nr. 2730/79:
"Wanneer het produkt na het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te hebben verlaten, onderweg als gevolg van overmacht teloor gaat,
- wordt in geval van een gedifferentieerde restitutie het overeenkomstig artikel 21 bepaalde gedeelte van de restitutie betaald,
- wordt in geval van een niet-gedifferentieerde restitutie het totale restitutiebedrag betaald."
9 Artikel 20, lid 1, van verordening nr. 2730/79 bepaalt, dat voor naar bestemming gedifferentieerde restituties, behoudens het bepaalde in artikel 21, als voorwaarde voor de betaling van de restitutie geldt, dat het product is ingevoerd in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld.
10 Artikel 21, leden 1 en 2, van verordening nr. 2730/79 luidt:
"1. In afwijking van artikel 20, wordt echter, zodra het bewijs wordt geleverd dat het produkt het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten en onverminderd de toepassing van het bepaalde in artikel 10 naar gelang van het geval, overgegaan tot betaling van:
a) bij uitvoer zonder vaststelling vooraf van de restitutie, het gedeelte van de restitutie dat berekend wordt op grondslag van de laagste restitutievoet die van toepassing is op de dag waarop de douaneformaliteiten bij uitvoer worden vervuld;
(...)
2. Het bepaalde in lid 1 geldt slechts voor zover voor een bepaald produkt voor alle derde landen een restitutie is vastgesteld:
- op de dag waarop de douaneformaliteiten bij uitvoer worden vervuld, in de sub a) bedoelde gevallen,
(...)"
11 Nadat zij haar verzekerde een schadeloosstelling had betaald verzocht Astir, die stelde dat zij aldus gesubrogeerde in de rechten van de verzekerde was geworden, de bevoegde Griekse autoriteiten om betaling van een bedrag van 7 351 674 DR aan restituties bij uitvoer.
12 De Griekse autoriteiten wezen dit verzoek af, op grond dat de vordering geen enkele grondslag in de bepalingen van verordening nr. 2730/79 vond.
13 Astir stelde daarop beroep in voor de verwijzende rechterlijke instantie. Verzoekster in het hoofdgeding stelt in het bijzonder, dat uit artikel 10 van verordening nr. 2730/79 blijkt, dat indien een uitgevoerd product, nadat dit het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten, onderweg als gevolg van overmacht teloor gaat, altijd een restitutie wordt betaald.
14 Van oordeel dat het geding vragen over de uitlegging van het gemeenschapsrecht opwerpt, heeft de Polymeles Protodikeio de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende vraag voorgelegd:
"Heeft volgens de juiste uitlegging van het bepaalde in artikel 10, lid 4, van verordening (EEG) nr. 2730/79 juncto het bepaalde in de artikelen 20 en 21 van die verordening, de exporteur van een landbouwproduct, meer in het bijzonder van tarwemeel, recht op een restitutie wanneer dit voor uitvoer bestemde product, na het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te hebben verlaten, onderweg door overmacht verloren is gegaan en voor dit product voor alle derde landen (buiten de EG) een zelfde restitutie is vastgesteld, behalve voor de Sovjet-Unie, waarvoor met betrekking tot dit product geen enkele restitutie is vastgesteld?"
15 Om te beginnen moet worden opgemerkt, dat ingevolge de algemene regel van artikel 9, lid 1, tweede streepje, die in artikel 10, lid 4, tweede streepje, van verordening nr. 2730/79 wordt gepreciseerd, de restitutie wordt verleend wanneer het betrokken product, zoals in het onderhavige geding, het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten, ingeval een niet-gedifferentieerde restitutie is vastgesteld.
16 Mitsdien moet worden onderzocht, of er sprake is van een gedifferentieerde restitutie in de zin van verordening nr. 2730/79, wanneer een zelfde restitutievoet is vastgesteld voor alle derde landen, met uitzondering van één land, waarvoor geen enkele restitutievoet is vastgesteld.
17 Volgens Astir is er alleen sprake van een gedifferentieerde restitutie, wanneer voor verschillende landen verschillende bedragen zijn vastgesteld. Wanneer er, zoals in casu, geen enkel bedrag is vastgesteld, gaat het niet om een naar bestemming gedifferentieerde restitutie, maar om een uitzondering op het recht op restitutie voor bepaalde bestemmingen. Deze uitzondering geldt niet wanneer het product door overmacht verloren is gegaan, zodat de voor alle landen geldende restitutie moet worden betaald.
18 Dit betoog kan niet worden aanvaard.
19 Het niet vaststellen van een restitutievoet voor een derde land moet worden gelijkgesteld met een differentiatie naar gelang de bestemming. Gelijk de advocaat-generaal in de punten 13 en 14 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zijn de regels inzake het recht op gedifferentieerde restitutie ingegeven door de zorg om misbruik te voorkomen. Bij gebreke van een zelfde restitutievoet voor alle derde landen bestaat er dus een risico, dat het product daadwerkelijk wordt heruitgevoerd naar een ander land dan de exporteur heeft aangegeven en waarvoor een lagere restitutievoet geldt. Dit gevaar van misbruik is niet alleen aanwezig wanneer verschillende restitutievoeten voor verschillende landen zijn vastgesteld, maar eveneens wanneer voor een land geen restitutievoet is vastgesteld. In een geval als in het hoofdgeding aan de orde is, moeten daarom de bepalingen betreffende de gedifferentieerde restitutie worden toegepast.
20 In geval van gedifferentieerde restitutie is volgens artikel 20, lid 1, en behoudens het bepaalde in artikel 21 van verordening nr. 2730/79, de betaling van de restitutie afhankelijk van de voorwaarde, dat het product is ingevoerd in het derde land of een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld.
21 Artikel 21, lid 1, van verordening nr. 2730/79 staat toe, dat wordt overgegaan tot betaling van een gedeelte van de restitutie, dat berekend wordt op grondslag van de laagste restitutievoet die van toepassing is op de dag waarop de douaneformaliteiten bij uitvoer werden vervuld, nadat het product het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten, doch voordat het bewijs is geleverd dat het daadwerkelijk op de aangegeven bestemming is gearriveerd. Ingevolge artikel 21, lid 2, van deze verordening geldt het bepaalde in lid 1 evenwel slechts voor zover voor alle derde landen een restitutie is vastgesteld.
22 Hieruit volgt, dat in een geval als het onderhavige, waarin voor een land geen restitutie is vastgesteld, artikel 20, lid 1, van verordening nr. 2730/79 van toepassing blijft, zodat de restitutie slechts wordt betaald wanneer het product in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld, is ingevoerd.
23 Dit ligt niet anders wanneer de handelswaar, na het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te hebben verlaten, onderweg door overmacht verloren is gegaan. Artikel 10, lid 4, eerste streepje, van verordening nr. 2730/79 verwijst immers voor gevallen waarin een gedifferentieerde restitutie is vastgesteld, naar artikel 21 van die verordening, zodat in een dergelijk geval op grond van het bepaalde in artikel 21, lid 2, geen betaling van restitutie plaatsvindt (zie in die zin arrest van 25 mei 1993, zaak C-321/91, Tara Meat Packers, Jurispr. 1993, blz. I-2811, r.o. 17 en 18).
24 Mitsdien moet aan de nationale rechterlijke instantie worden geantwoord, dat de artikelen 10, lid 4, 20 en 21 van verordening nr. 2730/79 aldus moeten worden uitgelegd, dat de marktdeelnemer geen recht op restitutie bij uitvoer heeft, wanneer het betrokken product, na het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te hebben verlaten, onderweg als gevolg van overmacht verloren is gegaan, ingeval een zelfde restitutievoet is vastgesteld voor alle derde landen, met uitzondering van één land, waarvoor geen restitutie is vastgesteld.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
25 De kosten door de Griekse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door de Polymeles Protodikeio te Athene bij beschikking van 29 maart 1990 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De artikelen 10, lid 4, 20 en 21 van verordening (EEG) nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten, moeten aldus worden uitgelegd, dat de marktdeelnemer geen recht op restitutie bij uitvoer heeft, wanneer het betrokken product, na het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te hebben verlaten, onderweg als gevolg van overmacht verloren is gegaan, ingeval een zelfde restitutievoet is vastgesteld voor alle derde landen, met uitzondering van één land, waarvoor geen restitutie is vastgesteld.
Full & Egal Universal Law Academy