Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Internationale overeenkomsten ° Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko ° In Lid-Staat werkzame Marokkaanse werknemers ° Sociale zekerheid ° Gelijke behandeling ° Weigering, overgangsvoordelen van Nederlands stelsel van algemene ouderdomsverzekering toe te kennen aan gezinslid van Marokkaanse werknemer, dat bij deze werknemer woont, op grond van haar nationaliteit ° Ontoelaatbaarheid
(Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko, art. 41, lid 1; verordening nr. 1408/71 van de Raad)
Samenvatting
Artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EEG en Marokko moet aldus worden uitgelegd, dat het eraan in de weg staat, dat een Lid-Staat uitkeringen die, zoals de overgangsvoordelen ingevolge de Nederlandse algemene ouderdomsverzekering, op grond van zijn wetgeving worden toegekend aan eigen onderdanen die voldoen aan bepaalde voorwaarden betreffende woonplaats in deze Lid-Staat, niet toekent aan de echtgenote van een Marokkaanse werknemer, die aan deze woonplaatsvoorwaarden voldoet, op grond dat zij de Marokkaanse nationaliteit bezit. In de eerste plaats immers vormen deze overgangsvoordelen, die leiden tot een verhoging van het ouderdomspensioen, een uitkering van sociale zekerheid die valt binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 en dus ook binnen het beginsel van gelijke behandeling dat is neergelegd in eerdergenoemd artikel, en waarop de gezinsleden van een Marokkaanse werknemer, die bij die werknemer wonen in de Lid-Staat van arbeid, zich kunnen beroepen. In de tweede plaats is er voor de toepassing van genoemd artikel 41, lid 1, op de gezinsleden van een Marokkaanse werknemer geen grond om onderscheid te maken tussen eigen rechten en afgeleide rechten en kan, ongeacht de bijzonderheden van de overgangsregeling van de Nederlandse algemene ouderdomsverzekering, waarin tijdvakken van wonen en niet van premiebetaling in aanmerking worden genomen, een uitkering niet worden geweigerd op de enkele grond dat niet is voldaan aan een nationaliteitsvoorwaarde of een voorwaarde die aan Nederlanders niet op identieke wijze wordt gesteld.
Partijen
In zaak C-126/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Centrale Raad van Beroep (Nederland), in het aldaar aanhangig geding tussen
A. Hallouzi-Choho
en
Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 27 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB 1978, L 264, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. Hirsch, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, G. F. Mancini (rapporteur) en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° A. Hallouzi-Choho, vertegenwoordigd door C. A. J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam,
° het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, vertegenwoordigd door E. H. Pijnacker Hordijk, advocaat te Amsterdam,
° de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door A. Bos, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Van Nuffel, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van A. Hallouzi-Choho, vertegenwoordigd door C. A. J. de Roy van Zuydewijn, het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, vertegenwoordigd door G. J. Vonk, hoofd van het bureau Sociale verzekeringsrecht en Internationale zaken van de Sociale Verzekeringsbank, als gemachtigde, de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. S. van den Oosterkamp, adjunct-juridisch-adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, de Franse regering, vertegenwoordigd door C. Chavance, secretaris buitenlandse zaken bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Van Nuffel, ter terechtzitting van 24 april 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 mei 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij bevel van 9 december 1994, ingekomen ter griffie van het Hof op 13 april 1995, heeft de Centrale Raad van Beroep het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 27 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB 1978, L 264, blz. 1; hierna: "overeenkomst").
2 Deze vraag is gerezen in een geschil tussen A. Hallouzi-Choho, verzoekster in het hoofdgeding (hierna: "verzoekster"), Marokkaans onderdaan, en het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank te Amsterdam (hierna: "SVB"), over de niet-toekenning van bepaalde ouderdomsuitkeringen.
3 Blijkens de stukken is verzoekster de echtgenote van een gepensioneerde Marokkaanse werknemer. Zij woont in Nederland met haar echtgenoot, die aldaar arbeid in loondienst heeft verricht en er een ouderdomspensioen ontvangt ingevolge de Nederlandse wettelijke regeling. Verzoekster heeft in de Gemeenschap nooit zelf beroepswerkzaamheden verricht.
4 Toen Hallouzi-Choho op 1 juli 1991 de leeftijd van 65 jaar bereikte, werd haar een ouderdomspensioen toegekend ingevolge de Nederlandse wettelijke regeling.
5 Met de Algemene Ouderdomswet (hierna: "AOW") is in Nederland een stelsel van ouderdomspensioenen in het leven geroepen waarbij een ieder is aangesloten die op het grondgebied van deze Lid-Staat woonachtig is, alsook degene die ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de Nederlandse loonbelasting onderworpen is. Voor de AOW-verzekering moet premie worden betaald.
6 De hoogte van het ouderdomspensioen hangt af van het aantal tussen de 15de en 65ste verjaardag van de verzekerde vervulde verzekerde jaren. Het volledige pensioen komt derhalve overeen met een verzekeringstijdvak van 50 jaar. Wanneer het verzekeringstijdvak korter is dan 50 jaar, wordt voor ieder onverzekerd jaar een korting toegepast van 2 %.
7 Aangezien de AOW op 1 januari 1957 in werking is getreden, zou vóór het jaar 2007 niemand aanspraak kunnen maken op een volledig pensioen. Om deze situatie op te lossen is in de artikelen 55 en 56 AOW een overgangsregeling getroffen, volgens welke de jaren tussen de 15de verjaardag van de verzekerde en 1 januari 1957 met verzekerde jaren uit hoofde van de AOW worden gelijkgesteld, mits de verzekerde tussen zijn 59ste en 65ste jaar in Nederland heeft gewoond, na zijn 65ste jaar in Nederland blijft wonen en Nederlander is.
8 Het nationaliteitsvereiste geldt evenwel niet voor personen die binnen de werkingssfeer vallen van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6; hierna: "verordening nr. 1408/71"), voor werknemers die onderdaan zijn van een Lid-Staat van de Europese Economische Ruimte en voor onderdanen van een land waarmee het Koninkrijk der Nederlanden een bilaterale sociale-zekerheidsovereenkomst heeft gesloten waarin een gelijkstelling met Nederlanders is opgenomen. Voorts is het nationaliteitsvereiste afgezwakt bij koninklijk besluit van 15 november 1985, zoals nadien gewijzigd, volgens hetwelk met Nederlanders worden gelijkgesteld, zolang zij in Nederland wonen, niet-Nederlanders die na het bereiken van de 20-jarige leeftijd gedurende ten minste 15 jaar al dan niet onafgebroken in Nederland hebben gewoond, mits zij gedurende de vijf aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd onmiddellijk voorafgaande jaren onafgebroken in Nederland hebben gewoond.
9 Voor de berekening van verzoeksters pensioen weigerde de SVB, het fictieve verzekeringstijdvak tussen verzoeksters 15de verjaardag en 1 januari 1957 in aanmerking te nemen, op grond dat betrokkene niet voldeed aan de voorwaarde inzake de Nederlandse nationaliteit en evenmin aan de voorwaarden om met een Nederlander te kunnen worden gelijkgesteld ingevolge het koninklijk besluit van 15 november 1985.
10 De SVB ontzegde verzoekster derhalve ieder recht op de overgangsvoordelen ingevolge de AOW en paste op haar ouderdomspensioen een korting van 78 % toe. Voor de berekening van dit pensioen nam zij enkel in aanmerking de elf jaren gedurende welke verzoekster vóór haar 65ste verjaardag in Nederland had gewoond.
11 Vaststaat, dat verzoekster aan alle voorwaarden voor toepassing van de overgangsregeling van de artikelen 55 en 56 AOW voldoet, behalve aan de voorwaarde betreffende het bezit van de Nederlandse nationaliteit.
12 Verzoekster ging in beroep van de weigering van de SVB, haar in aanmerking te doen komen voor de overgangsvoordelen ingevolge de AOW. De zaak is thans aanhangig bij de Centrale Raad van Beroep.
13 Voor deze instantie heeft verzoekster betoogd, dat blijkens het arrest van 31 januari 1991 (zaak C-18/90, Kziber, Jurispr. 1991, blz. I-199) artikel 41, lid 1, van de overeenkomst de autoriteiten van een Lid-Staat verbiedt, een aanvrager met een beroep op diens Marokkaanse nationaliteit sociale-zekerheidsuitkeringen als de overgangsvoordelen ingevolge de AOW te weigeren. Verzoekster zou dan ook op dezelfde wijze moeten worden behandeld als een Nederlander en derhalve voor deze overgangsvoordelen in aanmerking komen.
14 Volgens de SVB daarentegen komt verzoekster niet in aanmerking voor de overgangsvoordelen ingevolge de AOW, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde inzake het Nederlanderschap en evenmin aan de voorwaarden waaronder zij met een Nederlander zou kunnen worden gelijkgesteld. Bovendien zou het bijzondere karakter van de overgangsregeling van de AOW, volgens welke tijdvakken vóór 1 januari 1957, waarvoor ouderdomspensioen wordt toegekend ingevolge de artikelen 55 en 56 AOW, geen werkelijke verzekeringstijdvakken zijn, daar de verzekerde geen premie betaalt en ingezetenschap voldoende voorwaarde is voor verzekering, in de rechtspraak van het Hof erkenning hebben gevonden (zie met name arrest van 2 mei 1990, zaak C-293/88, Winter-Lutzins, Jurispr. 1990, blz. I-1623).
15 De Centrale Raad van Beroep merkt op, dat het Hof in dat arrest heeft erkend, dat bijlage VI, hoofdstuk Nederland, sub 2, bij verordening nr. 1408/71 bijzondere bepalingen vaststelt voor de toepassing van het in artikel 10 van deze verordening neergelegde beginsel van opheffing van de bepalingen inzake de woonplaats op de overgangsregeling van de AOW, en dat deze bepalingen hun rechtvaardiging vinden in de omstandigheid, dat dit artikel 10 niet onbeperkt kan worden toegepast op een stelsel van algemene ouderdomsverzekering, waarin ingezetenschap de enige verzekeringsvoorwaarde is. De verwijzende rechter stelt evenwel vast, dat de overeenkomst geen met bijlage VI vergelijkbare regeling bevat en evenmin de voorschriften van deze bijlage van overeenkomstige toepassing verklaart.
16 Van oordeel, dat het geschil daarmee vragen van uitlegging van het gemeenschapsrecht opwerpt, heeft de Centrale Raad van Beroep het Hof de volgende vraag gesteld:
"Dient artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Marokko zo te worden uitgelegd, dat deze bepaling in de weg staat aan het stellen van de voorwaarde inzake het bezit van de Nederlandse nationaliteit aan de echtgenote ° gezinslid in de zin van artikel 41, lid 1, van die overeenkomst ° van een Marokkaanse werknemer, ter verkrijging van de aanspraak op overgangsvoordelen in de zin van de Nederlandse Algemene Ouderdomswet?"
17 Voor de beantwoording van deze vraag moet er vooraf aan worden herinnerd, dat artikel 41, dat staat in titel III van de overeenkomst, betreffende de samenwerking op het gebied van de arbeidskrachten, in lid 1 het volgende bepaalt:
"Behoudens het bepaalde in de onderstaande leden vallen de werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden op het gebied van de sociale zekerheid onder een regeling die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en de eigen onderdanen van de Lid-Staten waar zij werkzaam zijn."
18 De volgende leden van dit artikel hebben betrekking op de samentelling van tijdvakken van verzekering, van arbeid of van woonplaats, die in de verschillende Lid-Staten zijn vervuld, het in aanmerking komen voor gezinsbijslagen voor de leden van het gezin die binnen de Gemeenschap woonachtig zijn, en het overmaken naar Marokko van ouderdoms- en overlevingspensioenen en -renten, pensioenen en renten wegens arbeidsongevallen of beroepsziekten en invaliditeitspensioenen en -renten.
De rechtstreekse werking van artikel 41, lid 1, van de overeenkomst
19 Volgens vaste rechtspraak (zie arrest Kziber, reeds aangehaald, r.o. 15-22, en arrest van 20 april 1994, zaak C-58/93, Yousfi, Jurispr. 1994, blz. I-1353, r.o. 16) bevat artikel 41, lid 1, van de overeenkomst, dat in duidelijke, nauwkeurige en onvoorwaardelijke bewoordingen verbiedt om werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden op het gebied van de sociale zekerheid te discrimineren op grond van hun nationaliteit, een duidelijke en nauwkeurige verplichting die, wat haar uitvoering of gevolgen betreft, voor de andere punten dan die bedoeld in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel, niet afhankelijk is van enige latere handeling. In genoemde arresten voegde het Hof daaraan toe, dat het doel van de overeenkomst, namelijk de bevordering van een algemene samenwerking tussen de partijen bij de overeenkomst, inzonderheid op het gebied van de arbeidskrachten, bevestigt dat het in artikel 41, lid 1, neergelegde non-discriminatiebeginsel de rechtspositie van particulieren rechtstreeks kan beheersen.
20 Het Hof leidde daaruit af (zie arresten Kziber, reeds aangehaald, r.o. 23, en Yousfi, reeds aangehaald, r.o. 17), dat deze bepaling rechtstreekse werking heeft, zodat de justitiabelen op wie zij van toepassing is, er zich voor de nationale rechterlijke instanties op mogen beroepen.
De draagwijdte van artikel 41, lid 1, van de overeenkomst
21 Ter bepaling van de draagwijdte van het non-discriminatiebeginsel van artikel 41, lid 1, van de overeenkomst dient in de eerste plaats te worden nagegaan, of iemand als verzoekster in het hoofdgeding binnen de personele werkingssfeer van deze bepaling valt, en in de tweede plaats, of uitkeringen als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overgangsvoordelen ingevolge de AOW tot het gebied van de sociale zekerheid in de zin van die bepaling behoren.
22 Wat om te beginnen de personele werkingssfeer van artikel 41, lid 1, van de overeenkomst betreft, moet worden opgemerkt dat deze bepaling in de eerste plaats van toepassing is op Marokkaanse werknemers, welk begrip volgens vaste rechtspraak (zie arresten Kziber, reeds aangehaald, r.o. 27, en Yousfi, reeds aangehaald, r.o. 21) zowel actieve werknemers omvat als degenen die de arbeidsmarkt hebben verlaten, met name nadat zij de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt.
23 Bovendien moet worden opgemerkt, dat artikel 41, lid 1, van de overeenkomst tevens van toepassing is op de gezinsleden van deze werknemers, die bij hen wonen in de Lid-Staat waar zij werkzaam zijn of zijn geweest.
24 Derhalve valt een persoon als verzoekster in het hoofdgeding, in haar hoedanigheid van echtgenote van een migrerende Marokkaanse werknemer, die bij die werknemer woont in de Lid-Staat waar deze een ouderdomspensioen ontvangt na aldaar beroepswerkzaamheden te hebben verricht, onder artikel 41, lid 1, van de overeenkomst.
25 Wat vervolgens het begrip sociale zekerheid in de zin van deze bepaling betreft, volgt uit de arresten Kziber, reeds aangehaald, rechtsoverweging 25, en Yousfi, reeds aangehaald, rechtsoverweging 24, dat dit op dezelfde wijze moet worden opgevat als het gelijkluidende begrip in verordening nr. 1408/71.
26 Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71, dat de verschillende onder de werkingssfeer van deze verordening vallende takken van sociale zekerheid opsomt, vermeldt in punt c uitdrukkelijk de uitkeringen bij ouderdom.
27 Derhalve vallen uitkeringen als de overgangsvoordelen ingevolge de AOW, die leiden tot een verhoging van het aan de verzekerde betaalde ouderdomspensioen, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 en dus ook binnen die van artikel 41, lid 1, van de overeenkomst.
28 Bijgevolg impliceert het in artikel 41, lid 1, van de overeenkomst neergelegde beginsel van het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit op het gebied van de sociale zekerheid, dat aan de echtgenote van een migrerende Marokkaanse werknemer, die woont op het grondgebied van de Lid-Staat waar die werknemer werkzaam is geweest en die voldoet aan alle voorwaarden, behalve aan die betreffende de nationaliteit, om aldaar in aanmerking te komen voor uitkeringen als de overgangsvoordelen ingevolge de AOW voor personen die woonachtig zijn in de betrokken Lid-Staat, deze uitkering niet mag worden geweigerd op grond van haar nationaliteit.
29 De SVB heeft evenwel tegengeworpen, dat een Marokkaans onderdaan, echtgenote van een migrerende Marokkaanse werknemer, die nooit zelf de hoedanigheid van werknemer heeft bezeten, zich niet op artikel 41, lid 1, van de overeenkomst kan beroepen om in aanmerking te komen voor uitkeringen als de overgangsvoordelen ingevolge de AOW, op grond dat deze door de nationale wetgeving worden beschouwd als een eigen recht en niet als een afgeleid recht dat de betrokkene verwerft in zijn hoedanigheid van gezinslid van een migrerende werknemer.
30 Dienaangaande zij er slechts op gewezen, dat de personele werkingssfeer van artikel 41, lid 1, van de overeenkomst niet identiek is aan die van verordening nr. 1408/71, zoals gedefinieerd in artikel 2 daarvan, zodat de rechtspraak die een onderscheid aanlegt tussen afgeleide rechten en eigen rechten van gezinsleden van de migrerende werknemer in het kader van verordening nr. 1408/71, welke rechtspraak overigens onlangs is verduidelijkt in het arrest van 30 april 1996 (zaak C-308/93, Cabanis-Issarte, Jurispr. 1996, blz. I-2123), niet kan worden toegepast in het kader van de overeenkomst, gelijk ook blijkt uit het arrest Kziber, reeds aangehaald [zie, naar analogie, arrest van 5 april 1995, zaak C-103/94, Krid, Jurispr. 1995, blz. I-719, r.o. 39, betreffende artikel 39, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Democratische Volksrepubliek Algerije, ondertekend te Algiers op 26 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2210/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB 1978, L 263, blz. 1), welk artikel gelijkluidend is aan artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko].
31 Voor het overige hebben de SVB en de Nederlandse en de Franse regering gewezen op het bijzondere karakter van de overgangsregeling van de AOW, dat door het Hof in het arrest Winter-Lutzins, reeds aangehaald, is erkend en dat hierin is gelegen, dat de inaanmerkingneming van tijdvakken vóór 1 januari 1957 niet afhankelijk is gesteld van premiebetaling, maar enkel van het wonen in Nederland. In die omstandigheden zou het gerechtvaardigd zijn, het aantal rechthebbenden op de overgangsvoordelen ingevolge de AOW te beperken tot personen die een voldoende nauwe band met Nederland hebben, welke band zowel tot uiting komt in de voorwaarde betreffende het bezit van de Nederlandse nationaliteit als in de woonplaatsvereisten. Daartoe zou het Hof op zijn minst de regeling van bijlage VI, hoofdstuk "Nederland", sub 2, bij verordening nr. 1408/71 van overeenkomstige toepassing moeten verklaren, op grond waarvan kan worden afgeweken van het in artikel 10 van deze verordening neergelegde beginsel van opheffing van de bepalingen inzake de woonplaats, teneinde rekening te houden met het specifieke karakter van de AOW. Ingevolge deze bijlage zou een persoon als verzoekster in het hoofdgeding dan slechts voor de overgangsvoordelen ingevolge de AOW in aanmerking komen over tijdvakken waarin hij tussen zijn 15de verjaardag en 1 januari 1957 hetzij in Nederland heeft gewoond, hetzij aldaar arbeid in loondienst heeft verricht, mits deze persoon gedurende zes jaar na het bereiken van de 59-jarige leeftijd op het grondgebied van een of meer Lid-Staten heeft gewoond.
32 Deze zienswijze kan niet worden aanvaard.
33 Allereerst moet worden vastgesteld, dat in een zaak zoals die bij de verwijzende rechter aanhangig is, de niet-toekenning van sociale-zekerheidsuitkeringen wordt gemotiveerd met de overweging, dat de belanghebbende niet de nationaliteit van de betrokken Lid-Staat bezit, noch op grond van de nationale wetgeving met een onderdaan van die Lid-Staat kan worden gelijkgesteld.
34 Vervolgens moet eraan worden herinnerd, dat iemand als verzoekster in het hoofdgeding voldoet aan alle in de wettelijke regeling van de betrokken Lid-Staat gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in geding zijnde uitkering, behalve die betreffende het bezit van de nationaliteit van deze Lid-Staat.
35 Het in artikel 41, lid 1, van de overeenkomst vervatte beginsel van het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit op het gebied van de sociale zekerheid tussen migrerende Marokkaanse werknemers alsmede de bij hen woonachtige gezinsleden en de eigen onderdanen van de Lid-Staten waarin zij werkzaam zijn, betekent dat de in deze bepaling bedoelde personen moeten worden behandeld als waren zij onderdanen van de betrokken Lid-Staten.
36 Dit beginsel betekent derhalve, dat de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staat voor de toekenning van een sociale-zekerheidsuitkering personen die binnen de werkingssfeer van artikel 41, lid 1, van de overeenkomst vallen, op één lijn moeten stellen met onderdanen van die Lid-Staat, zodat de betrokken nationale wettelijke regeling aan die personen geen nadere of striktere voorwaarden kan stellen dan aan eigen onderdanen.
37 In die omstandigheden moet het met dit beginsel onverenigbaar worden geacht, wanneer aan de in deze bepaling bedoelde personen niet alleen het vereiste van het bezit van de nationaliteit van de betrokken Lid-Staat wordt gesteld, een vereiste waaraan de onderdanen van die staat noodzakelijkerwijs voldoen, maar ook voorwaarden als het vereiste dat de betrokkene gedurende een bepaalde periode op het grondgebied van de Lid-Staat heeft gewoond, wanneer deze periode langer is dan van eigen onderdanen wordt geëist, of het vereiste dat de betrokkene in de Lid-Staat beroepswerkzaamheden heeft verricht, welk vereiste aan eigen onderdanen niet wordt gesteld.
38 De door de SVB en de Nederlandse regering aangevoerde omstandigheid, dat verzoekster op basis van het koninklijk besluit van 15 november 1985 kan worden gelijkgesteld met een Nederlands onderdaan en aldus vanaf februari 1996 in aanmerking kan komen voor de overgangsvoordelen ingevolge de AOW, mits zij nog steeds in Nederland woont, is om dezelfde reden irrelevant.
39 Deze nationale wettelijke regeling stelt immers een nader woonplaatsvereiste, dat niet aan onderdanen van de betrokken Lid-Staat wordt gesteld en daardoor onverenigbaar is met het in de overeenkomst vervatte beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit.
40 Gelet op de bovenstaande overwegingen moet op de vraag van de Centrale Raad van Beroep worden geantwoord, dat artikel 41, lid 1, van de overeenkomst aldus moet worden uitgelegd, dat het eraan in de weg staat dat een Lid-Staat uitkeringen die, zoals de overgangsvoordelen ingevolge de AOW, op basis van zijn wetgeving worden toegekend aan eigen onderdanen die voldoen aan bepaalde voorwaarden betreffende de woonplaats in deze Lid-Staat, niet toekent aan de echtgenote van een Marokkaanse werknemer, die aan die woonplaatsvereisten voldoet, op grond dat zij de Marokkaanse nationaliteit bezit.
De werking van het onderhavige arrest in de tijd
41 Ter terechtzitting heeft de Franse regering het Hof verzocht, de werking van het onderhavige arrest in de tijd te beperken, zo het voor recht zou verklaren dat het in artikel 41, lid 1, van de overeenkomst vervatte non-discriminatiebeginsel aldus moet worden uitgelegd, dat de gezinsleden van een Marokkaanse werknemer die bij hem wonen, in aanmerking komen voor uitkeringen als de overgangsvoordelen ingevolge de AOW. Ter rechtvaardiging van dit verzoek heeft zij gewezen op de ernstige financiële gevolgen die een dergelijk arrest voor de sociale-zekerheidsstelsels van de Lid-Staten zou hebben.
42 Dienaangaande zij opgemerkt, dat het Hof de werking in de tijd van een prejudiciële beslissing slechts kan beperken indien dwingende overwegingen van rechtszekerheid dit rechtvaardigen.
43 In casu is aan deze voorwaarde evenwel niet voldaan.
44 Immers, gesteld al dat komt vast te staan, dat de door de Franse regering aangevoerde financiële gevolgen reëel zijn, kon de uitlegging van artikel 41, lid 1, van de overeenkomst redelijkerwijs geen aanleiding geven tot onzekerheid, gezien de vaste rechtspraak sinds voornoemd arrest Kziber.
45 In die omstandigheden is er geen reden om de werking van het onderhavige arrest in de tijd te beperken.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
46 De kosten door de Nederlandse en de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Centrale Raad van Beroep bij bevel van 9 december 1994 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 27 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978, moet aldus worden uitgelegd, dat het eraan in de weg staat dat een Lid-Staat uitkeringen die, zoals de overgangsvoordelen ingevolge de AOW, op basis van zijn wetgeving worden toegekend aan eigen onderdanen die voldoen aan bepaalde voorwaarden betreffende de woonplaats in deze Lid-Staat, niet toekent aan de echtgenote van een Marokkaanse werknemer, die aan deze woonplaatsvoorwaarden voldoet, op grond dat zij de Marokkaanse nationaliteit bezit.
Full & Egal Universal Law Academy