Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Landbouw - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Inkomenssteun voor landbouwers - Verrekening van aan steunontvanger verschuldigd bedrag met vordering van lidstaat - Toelaatbaarheid - Grenzen - Compensatiebedragen krachtens verordening nr. 1765/92 - Mogelijkheid van verrekening met vorderingen van staat en van uitstel van betaling totdat is nagegaan of dergelijke vorderingen bestaan - Voorwaarden
(Verordening nr. 1765/92 van de Raad, art. 10, lid 1, en 15, lid 3)
Samenvatting
Het gemeenschapsrecht staat er niet aan in de weg, dat een lidstaat een bedrag waarop een ontvanger van steun recht heeft krachtens een gemeenschapshandeling, verrekent met bedragen die deze lidstaat te vorderen heeft. Dit is slechts anders, indien die praktijk de goede werking van de gemeenschappelijke ordeningen der landbouwmarkten in gevaar brengt. Daarbij is niet van belang, in welke hoedanigheid de lidstaat steun verleent krachtens verordening nr. 1765/92 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, de omstandigheid dat naar nationaal recht verrekening slechts mogelijk is ingeval twee personen wederkerig elkaars schuldenaar zijn, welke praktijk de lidstaat in het algemeen op het gebied van verrekening volgt en wat de rechtsgrondslag is van de overheidsvordering waarmee verrekening plaatsvindt, mits de nationale autoriteiten zodanig te werk gaan dat de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht niet wordt aangetast en de gelijke behandeling van de marktdeelnemers wordt verzekerd. Het is aan de nationale rechter om te bepalen of dit het geval is.
Onverminderd vorengenoemde voorwaarden moet artikel 15, lid 3, van verordening nr. 1765/92, volgens hetwelk de compensatiebedragen volledig aan de begunstigden worden uitbetaald, aldus worden uitgelegd, dat het de lidstaten niet verbiedt, het nationale interventieorgaan op te dragen, door een begunstigde te ontvangen bedragen te verrekenen met vorderingen van de staat. Voorts moet, onverminderd dezelfde voorwaarden, artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1765/92, dat bepaalt dat de compensatiebedragen worden uitbetaald tussen 16 oktober en 31 december volgend op de oogst, aldus worden uitgelegd, dat de betaling van de daarin bedoelde compensatiebedragen kan worden uitgesteld totdat is nagegaan of de staat jegens de steunontvanger verrekenbare vorderingen heeft, mits de betaling uiterlijk 31 december van het betrokken jaar plaatsvindt.
Partijen
In zaak C-132/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Østre Landsret (Denemarken), in de aldaar aanhangige gedingen tussen
B. Jensen,
Korn- og Foderstofkompagniet A/S
en
Landbrugsministeriet - EF-Direktoratet,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het gemeenschapsrecht met betrekking tot de verrekening van vorderingen van een lidstaat met bedragen betaald krachtens het gemeenschapsrecht, alsook van de artikelen 10, lid 1, en 15, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PB L 181, blz. 12),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. Gulmann en M. Wathelet, kamerpresidenten, G. F. Mancini (rapporteur), J. C. Moitinho de Almeida, J. L. Murray, J.-P. Puissochet, G. Hirsch en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: N. Fennelly
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- B. Jensen, vertegenwoordigd door A. Philip, advocaat te Kopenhagen,
- Landbrugsministeriet - EF-Direktoratet, vertegenwoordigd door K. Hagel-Sørensen, advocaat te Kopenhagen,
- de Deense regering, vertegenwoordigd door P. Biering, afdelingshoofd bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Ierse regering, vertegenwoordigd door M. A. Buckley, Chief State Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door E. R. Alkin, Barrister-at-Law,
- de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Rotkirch, ambassadeur, hoofd van de dienst juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Zweedse regering, vertegenwoordigd door E. Brattgård, departementsråd, als gemachtigde,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door K. Parker, QC,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseurs H. P. Hartvig en T. van Rijn, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van B. Jensen, vertegenwoordigd door A. Philip, Korn- og Foderstofkompagniet A/S, vertegenwoordigd door J. Søberg, advocaat te Silkeborg; Landbrugsministeriet - EF-Direktoratet, vertegenwoordigd door K. Hagel-Sørensen; de Deense regering, vertegenwoordigd door J. Molde, afdelingshoofd van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde; de Griekse regering, vertegenwoordigd door I. Chalkias, adjunct-juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat, en E. Mamouna, juridisch medewerker bij de bijzondere dienst communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden; de Franse regering, vertegenwoordigd door F. Pascal, attaché bij de centrale administratie van de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde; de Ierse regering, vertegenwoordigd door D. Moloney, Barrister-at-Law; de Finse regering, vertegenwoordigd door T. Pynnä, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door H. P. Hartvig en T. van Rijn, ter terechtzitting van 1 oktober 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 november 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 10 april 1995, ingekomen bij het Hof op 24 april 1995, heeft het Østre Landsret krachtens artikel 177 EG-Verdrag enkele prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van het gemeenschapsrecht met betrekking tot de verrekening van vorderingen van een lidstaat met bedragen die zijn uitbetaald krachtens het gemeenschapsrecht, alsook van de artikelen 10, lid 1, en 15, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PB L 181, blz. 12; hierna: "verordening nr. 1765/92").
2 Deze vragen zijn gerezen in geschillen tussen enerzijds B. Jensen, een landbouwer die recht heeft op een compensatiebedrag ingevolge verordening nr. 1765/92, en Korn- og Foderstofkompagniet A/S (hierna: "KFK"), cessionaris van een ander compensatiebedrag dat krachtens dezelfde verordening verschuldigd is, en anderzijds Landbrugsministeriet - EF-Direktoratet (directoraat Europese aangelegenheden van het Deense Ministerie van Landbouw; hierna: "directoraat EG"), over de verrekening van vorderingen van de staat met deze compensatiebedragen.
De relevante bepalingen van gemeenschapsrecht
Verordening (EEG) nr. 729/70
3 Artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 94, blz. 13), bepaalt, dat de lidstaten de diensten en organen aanwijzen die zij machtigen tot uitbetaling van de in de artikelen 2 en 3 bedoelde uitgaven. Ingevolge lid 2 van dit artikel stelt de Commissie aan de lidstaten de nodige middelen ter beschikking, opdat de aangewezen diensten en organen de in lid 1 bedoelde betalingen overeenkomstig de communautaire voorschriften en de nationale wetgevingen verrichten. De lidstaten zien erop toe, dat deze middelen onverwijld en uitsluitend voor de beoogde doeleinden worden gebruikt.
Verordening nr. 1765/92
4 Volgens de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 1765/92 is het beste middel om tot een beter marktevenwicht te komen, de prijzen in de Gemeenschap van bepaalde akkerbouwgewassen gelijk te trekken met die op de wereldmarkt en het inkomensverlies dat het gevolg is van de verlaging van de regelingsprijzen te compenseren door middel van een compensatiebedrag voor de producenten die de betrokken gewassen inzaaien. Volgens de achttiende overweging van de considerans moet een aantal voorwaarden worden vastgesteld voor het aanvragen van de compensatiebedragen en moet nader worden bepaald wanneer de compensatiebedragen aan de producenten worden uitgekeerd.
5 Artikel 2, lid 1, van deze verordening bepaalt, dat de in de Gemeenschap gevestigde producenten van akkerbouwgewassen onder de in de eerste titel aangegeven voorwaarden een compensatiebedrag kunnen aanvragen. In het bijzonder wordt krachtens artikel 2, lid 2, tweede alinea, het compensatiebedrag toegekend voor een met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakte of een overeenkomstig artikel 7 van de verordening uit de productie genomen oppervlakte die niet groter is dan een regionaal basisareaal.
6 In artikel 10, lid 1, is bepaald, dat de compensatiebedragen voor granen en eiwithoudende gewassen en de compensatie voor de verplichting om grond uit de productie te nemen, worden uitbetaald tussen 16 oktober en 31 december volgend op de oogst.
7 Volgens artikel 15, lid 3, moeten de in de verordening bedoelde bedragen volledig aan de begunstigden worden uitbetaald.
De relevante bepalingen van nationaal recht
8 Blijkens de verwijzingsbeschikking kan volgens algemene beginselen van Deens recht de Deense overheid belastingschulden van personen die recht hebben op overheidssteun, op drie manieren verrekenen.
9 In de eerste plaats kan zij als elke schuldeiser op de aan haar debiteur verschuldigde steun beslag leggen, waarvoor, indien de debiteur bezwaar maakt, een bevel van de bevoegde rechter vereist is. De staat kan evenals elke andere schuldeiser ook beslag leggen op het recht op steun; de steun wordt dan rechtstreeks aan hem betaald, evenals het geval zou zijn bij een particuliere schuldeiser die beslag legt. Indien op het recht op steun verschillende beslagen worden gelegd, zijn de algemene voorrangsregels van toepassing.
10 In de tweede plaats kan de overheid haar vorderingen innen door van de rechthebbende op steun een cessie van het recht op het steunbedrag te accepteren. In geval van cessie aan meerdere schuldeisers gelden de voorrangsregels.
11 Ten slotte kan de overheid haar vorderingen innen door verrekening van een door een nationale instantie verstrekt steunbedrag met een schuld die de steunontvanger jegens die instantie heeft.
12 Voor een dergelijke verrekening tussen niet-verknochte vorderingen, zowel ten gunste van de overheid als ten gunste van particulieren, moet aan verschillende voorwaarden zijn voldaan. Om te beginnen moeten de vorderingen wederkerig zijn in die zin, dat de ene schuldenaar schuldeiser is van de andere. Vervolgens moet de vordering van degene die om verrekening verzoekt, opeisbaar zijn. Ten slotte moet het gaan om twee vorderingen die beide betrekking hebben op geldsommen of vervangbare zaken van dezelfde soort.
13 Ingevolge ministeriële circulaire nr. 186 van 22 november 1983, gericht aan alle diensten van de centrale overheid, kunnen niet-vermogensrechtelijke vorderingen zoals belastingen, BTW of geldboetes, niet worden verrekend met schulden van de staat die wel tot dit terrein behoren (in het algemeen contractuele schulden).
14 Ten slotte is bij wet nr. 284 van 27 april 1994 houdende wijziging van verschillende wetsbepalingen betreffende de invordering van staatschulden, in werking getreden op 1 juli 1994, de mogelijkheid geopend om voor ten hoogste 20 % verrekening toe te passen op een aantal subsidies, die door de Deense Staat worden verleend voor bepaalde bedrijfs- of milieuactiviteiten vallend onder de bevoegdheid van de Ministeries van Energie, Industrie, Landbouw en Milieu.
De hoofdgedingen
De Deense verrekeningspraktijk
15 Blijkens de verwijzingsbeschikking past het directoraat EG sinds 1978 bij de uitbetaling van de steunbedragen verschuldigd ingevolge de gemeenschappelijke marktordeningen voor landbouwproducten, verrekening toe met onder meer vorderingen van de staat uit hoofde van de BTW of andere belastingen.
16 Bij brief van 28 juli 1992 vroeg het directoraat EG de Commissie, of deze praktijk kon worden voortgezet.
17 Bij brief van 12 november 1992 antwoordde de Commissie, dat voor zover de nationale wetgeving deze verrekening toestond, zij er geen bezwaar tegen had, dat het uitbetalend orgaan bij de uitkering van de steunbedragen voor het oogstjaar 1992/1993 krachtens verordening (EEG) nr. 615/92 van de Commissie van 10 maart 1992 ter uitvoering van de steunregeling voor producenten van sojabonen, raapzaad, koolzaad en zonnebloemzaad (PB L 67, blz. 11), verrekening toepaste met vorderingen van de staat, mits de nationale wettelijke regeling geen onderscheid maakte tussen de betaling van die steunbedragen en de betaling van nationale steun, en de betaling van de steunbedragen door de nationale verrekeningsregeling niet onmogelijk werd gemaakt.
18 De Commissie wees er wel met nadruk op, dat artikel 15, lid 3, van verordening nr. 1765/92 en artikel 2, lid 2, van verordening nr. 615/92 eisen, dat het gehele steunbedrag aan de producent wordt uitgekeerd, zonder enige korting. De lidstaten mochten volgens haar dan ook geen directe of indirecte kosten in rekening brengen voor de behandeling van verzoeken om verrekening krachtens die verordeningen.
19 Na deze brief zette het directoraat EG zijn verrekeningspraktijk voort en paste het verrekening toe op steunbedragen die in 1993 werden uitgekeerd, zowel krachtens verordening nr. 615/92 als krachtens verordening nr. 1765/92.
20 Bij brief van 7 oktober 1994 vestigde de Commissie vervolgens de aandacht van de Deense minister van Landbouw op het recente standpunt van haar juridische dienst, dat verordening nr. 1765/92 de mogelijkheid uitsluit dat de nationale autoriteiten communautaire steun verrekenen met bedragen die krachtens nationale voorschriften verschuldigd zijn. In een nota van 27 april 1994 van de juridische dienst van de Commissie aan de directeur-generaal Landbouw betreffende het probleem van de verrekening van nationale belastingschulden met communautaire steun was met name beklemtoond, dat verordening nr. 1765/92, die voorrang had boven nationaal recht, een specifieke bepaling bevatte volgens welke de verschillende bedragen volledig aan de producenten moeten worden uitbetaald. Voorts zou verrekening het doel van de rechtstreekse inkomenssteun in gevaar hebben gebracht, aangezien de lidstaten belastingschulden rechtstreeks van de landbouwers zouden kunnen innen zonder de normale inningsprocedures te volgen.
21 Ofschoon hij het met het standpunt van de Commissie niet eens was, zag de Deense minister van Landbouw naar aanleiding van deze brief ervan af, de krachtens verordening nr. 1765/92 voor 1994 aan de landbouwers uit te keren steunbedragen te verrekenen met vorderingen van de staat, met name op het gebied van de BTW of andere belastingen.
Het steunverzoek van Jensen
22 Op 9 mei 1993 verzocht Jensen het directoraat EG om hectaresteun voor het oogstjaar 1993 krachtens verordening nr. 1765/92. Dat hij aan de daartoe gestelde voorwaarden voldeed, wordt niet betwist.
23 Aangezien hij echter in december 1993 de staat een bedrag aan BTW verschuldigd was dat hoger was dan het bedrag van de steun, werd hij op 20 december 1993, dus voordat de Commissie ten aanzien van de Deense verrekeningspraktijk van opvatting was veranderd, ervan in kennis gesteld, dat het gehele steunbedrag van 33 563 DKR zou worden aangewend om zijn BTW-schuld te dekken.
24 De klacht van Jensen tegen deze beschikking werd door het directoraat EG afgewezen op grond dat de verrekening gegrond was en aan alle voorwaarden van het Deense recht ter zake was voldaan.
25 Daarop vorderde Jensen voor het Østre Landsret van het directoraat EG betaling van 33 563 DKR aan hectaresteun.
26 Blijkens de stukken had Jensen in 1993 in financiële moeilijkheden verkeerd en had hij getracht met zijn schuldeisers tot een akkoord te komen volgens hetwelk deze slechts voor een deel van hun vorderingen betaling zouden ontvangen. De hectaresteun werd in dit akkoord als inkomen beschouwd en moest dus worden opgenomen in het totaalbedrag dat zou worden verdeeld onder de schuldeisers, waaronder de belastingdienst. Door de verrekening kon deze dienst zijn gehele vordering innen; zij had evenwel ook bijna tot gevolg, dat het akkoord niet kon worden uitgevoerd. Het werd echter toch uitgevoerd, waarbij de overige schuldeisers met een veel lager bedrag genoegen moesten nemen.
De cessie aan KFK
27 Blijkens de verwijzingsbeschikking had een andere landbouwer, Stenholt, aan KFK het jaarlijkse steunbedrag gecedeerd waarop hij krachtens verordening nr. 1765/92 recht had, te weten 45 574 DKR. De akte van cessie was meegedeeld aan het directoraat EG, dat de cessie had genoteerd onder voorbehoud van het recht van de staat op verrekening.
28 Omdat Stenholt vóór de cessie aan KFK een schuld aan de staat had opgebouwd die opeisbaar was geworden voordat de steun kon worden uitbetaald, ging het directoraat EG tot verrekening over ter dekking van de vordering van de staat op de steunontvanger en deelde het aan KFK mee, dat haar derhalve niets zou worden uitbetaald.
29 Daarop daagde ook KFK het directoraat EG voor het Østre Landsret en vorderde zij aldaar betaling van de door Stenholt gecedeerde steun.
De prejudiciële vragen
30 Van oordeel, dat uitlegging van het gemeenschapsrecht geboden was, heeft het Østre Landsret de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Staat het gemeenschapsrecht er in het algemeen aan in de weg, dat een lidstaat een bedrag waarop een ontvanger van steun recht heeft krachtens een gemeenschapsrechtelijke regeling, verrekent met bedragen die de lidstaat te vorderen heeft?
2) a) Is het voor de beantwoording van vraag 1 van belang, dat de krachtens het gemeenschapsrecht te verlenen steun wordt voorgeschoten door de lidstaat, die slechts recht heeft op terugbetaling van toegekende steun voor zover de gemeenschapsrechtelijke bepalingen inzake de uitbetaling zijn geëerbiedigd en die de met het beheer van de steunregeling verbonden kosten voor zijn rekening moet nemen?
b) Is het voor de beantwoording van vraag 1 van belang, dat ingevolge de voorschriften van de lidstaat op het gebied van verrekening, deze verrekening slechts mogelijk is in geval twee personen wederkerig elkaars schuldenaar zijn?
c) Is het voor de beantwoording van vraag 1 van betekenis, dat de lidstaat ten aanzien van bepaalde bedrijfs- en milieusteun de praktijk volgt dat verrekening mag plaatsvinden tot 20 % van deze overheidssteun?
d) Is het voor de beantwoording van vraag 1 van belang, wat de rechtsgrondslag is van de vordering van de staat waarmee verrekening plaatsvindt?
In het bijzonder wordt gevraagd, of de lidstaten een ruimere bevoegdheid tot verrekening hebben, wanneer het bedrag waarmee verrekening plaatsvindt, of een deel hiervan, tot de eigen middelen van de Gemeenschap behoort.
3) Indien de vragen 1 en 2a-2d aldus moeten worden beantwoord, dat verrekening in het algemeen mogelijk is of mogelijk is onder bepaalde voorwaarden, wordt gevraagd of artikel 15, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1765/92 aldus moet worden uitgelegd, dat een lidstaat een nationaal interventieorgaan niet mag opdragen, door de begunstigde te ontvangen steun te verrekenen met vorderingen van de staat, die anders zouden kunnen worden gebruikt voor verrekening?
4) Moet artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1765/92 aldus worden uitgelegd, dat de betrokken bedragen onmiddellijk moeten worden uitbetaald nadat het interventieorgaan de behandeling van de aanvraag van de begunstigde heeft afgerond, of kan met de uitbetaling worden gewacht totdat is onderzocht of de staat op de begunstigde vorderingen heeft die de staat wenst te verrekenen, mits de betaling maar vóór 31 december van het betrokken steunjaar plaatsvindt?"
De eerste twee vragen
31 Met zijn eerste twee vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen, of het gemeenschapsrecht zich ertegen verzet, dat een lidstaat een bedrag dat aan een steunontvanger verschuldigd is krachtens het gemeenschapsrecht, verrekent met vorderingen van die lidstaat. Ook vraagt hij, of het antwoord op deze vraag afhangt van de hoedanigheid waarin de lidstaat de bij verordening nr. 1765/92 toegekende steun verleent en van de vraag of naar nationaal recht het vereiste geldt dat twee personen wederkerig elkaars schuldenaar zijn, of het antwoord afhangt van de algemene praktijk in de lidstaat ten aanzien van verrekening, en ten slotte, of het afhangt van de rechtsgrondslag van de overheidsvordering waarmee verrekening plaatsvindt.
32 Verzoekers in het hoofdgeding stellen, dat het met de algemene beginselen van gemeenschapsrecht onverenigbaar is om krachtens gemeenschappelijke marktordeningen toegekende steun te verrekenen met vorderingen van een lidstaat. Het doel van die gemeenschappelijke marktordeningen wordt daardoor in gevaar gebracht. In plaats van over te gaan tot een gedwongen verrekening zoals die in casu heeft plaatsgevonden, hadden de Deense autoriteiten bij voorbeeld beslag kunnen leggen.
33 Het directoraat EG en de Deense regering stellen daar tegenover, dat er ter zake geen communautaire regels bestaan en de nationale regels dus kunnen worden toegepast zolang deze niet discriminerend zijn en de betrokken gemeenschappelijke marktordening niet in gevaar brengen.
34 Om te beginnen moet worden opgemerkt, dat volgens de financieringsregels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid de Gemeenschap de bevoegdheid inzake de toekenning van productiesteun deelt met de lidstaten. De steunbedragen worden ter beschikking gesteld van de lidstaten, die voor het beheer ervan moeten zorgen (arrest van 14 juli 1994, Unaprol/AIMA, C-186/93, Jurispr. blz. I-3615, punt 27).
35 In zijn huidige stand kent het gemeenschapsrecht geen regeling betreffende de rechten van nationale autoriteiten om schuldvorderingen van een lidstaat te verrekenen met uit hoofde van het gemeenschapsrecht betaalde bedragen.
36 Gelijk het Hof reeds eerder heeft verklaard, kan bij insolventie van een marktdeelnemer aan wie bedragen onverschuldigd zijn uitgekeerd, verrekening voor de autoriteiten in feite de enige mogelijke weg zijn om dergelijke bedragen terug te krijgen (arrest van 1 maart 1983, DEKA/Europese Economische Gemeenschap, 250/78, Jurispr. blz. 421, punt 14).
37 Een nationale regelgeving zou evenwel onverenigbaar zijn met het Verdrag en de voorschriften houdende gemeenschappelijke ordening der markten, indien zij praktijken toestond die een belemmering vormen voor de werking van de mechanismen met behulp waarvan de betrokken marktordeningen hun doelstellingen bereiken (zie, in die zin, arresten van 10 maart 1981, Irish Creamery Milk Suppliers Association e.a., 36/80 en 71/80, Jurispr. blz. 735, punt 15, en 25 november 1986, Cerafel, 218/85, Jurispr. blz. 3513, punt 13).
38 Verordening nr. 1765/92 heeft tot doel, te garanderen dat rechtstreekse inkomenssteun in de vorm van compensatiebedragen wordt betaald, hetgeen nodig is geworden doordat als gevolg van de hervorming van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek de via het prijsbeleid verzekerde inkomenssteun aan de landbouwers is weggevallen. Om de redenen die de advocaat-generaal uiteenzet in de punten 47 tot en met 55 van zijn conclusie, brengt een nationale regeling als in de hoofdgedingen aan de orde is, waarmee een efficiëntere inning van vorderingen van de staat wordt beoogd, de goede werking van het gemeenschapsrecht op het eerste gezicht niet in gevaar.
39 Zou het toestaan van verrekening blijken te leiden tot grote verschillen in behandeling tussen de nationale rechtsstelsels, waardoor de gelijke behandeling van producenten in verschillende lidstaten op het spel zou komen te staan, dan is het, zoals de advocaat-generaal in punt 56 van zijn conclusie opmerkt, hoe dan ook de taak van de gemeenschapswetgever om de noodzakelijke bepalingen vast te stellen teneinde dergelijke dispariteiten te ondervangen.
40 Vervolgens moet nog worden nagegaan, of de omstandigheden die de verwijzende rechter in zijn tweede vraag vermeldt, de nationale verrekeningspraktijk in conflict kunnen brengen met het gemeenschapsrecht.
41 Met betrekking tot de hoedanigheid waarin de lidstaat steun uit hoofde van verordening nr. 1765/92 uitbetaalt en het in het nationale recht gestelde vereiste van wederkerig schuldenaarschap, moet eraan worden herinnerd, dat de verrekening in het gemeenschapsrecht niet uitdrukkelijk is geregeld.
42 Derhalve is het in beginsel aan elke lidstaat om de voorwaarden vast te stellen waaronder de nationale autoriteiten tot verrekening mogen overgaan en alle daarmee verband houdende kwesties te regelen.
43 Wat de algemene verrekeningspraktijk van de lidstaat betreft, stellen verzoekers in de hoofdgedingen, dat de verrekening van vorderingen van de staat met rechtstreekse landbouwsteun die krachtens het gemeenschapsrecht wordt toegekend, discriminerend is omdat vergelijkbare nationale subsidies hetzij van verrekening zijn uitgesloten, hetzij maar tot 20 % van het bedrag kunnen worden verrekend, terwijl in gevallen als de onderhavige het directoraat EG tot algehele verrekening overgaat.
44 De Deense regering beklemtoont, dat het aan de nationale rechter is de regeling van de communautaire landbouwsteun en die van de nationale subsidies met elkaar te vergelijken. Zelf meent zij, dat die twee typen subsidies niet vergelijkbaar zijn, zodat er geen sprake kan zijn van discriminatie.
45 Er moet om te beginnen aan worden herinnerd, dat het Hof zich in het kader van artikel 177 van het Verdrag niet kan uitspreken over de verenigbaarheid van een nationale bepaling met het gemeenschapsrecht.
46 Het is dus de taak van de nationale rechter om te beoordelen of de ter zake van verrekening geldende nationale bepalingen discriminerend zijn in die zin, dat zij op krachtens het gemeenschapsrecht te betalen bedragen op een andere manier worden toegepast dan op bedragen die uitsluitend krachtens nationaal recht moeten worden betaald.
47 Voor de beoordeling die de nationale rechter daarvoor zal moeten uitvoeren, kan het Hof hem evenwel bepaalde aanwijzingen geven inzake de uitlegging van het gemeenschapsrecht.
48 Het Hof heeft in het specifieke kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid reeds verklaard, dat voor zover het gemeenschapsrecht, de algemene beginselen hiervan daaronder begrepen, geen gemeenschappelijke voorschriften te dien aanzien behelst, de nationale autoriteiten bij de uitvoering van de gemeenschapsregelingen overeenkomstig de formele en materiële bepalingen van nationaal recht handelen (arrest van 21 september 1983, Deutsche Milchkontor e.a., 205/82-215/82, Jurispr. blz. 2633, punt 17).
49 Deze regel moet evenwel in overeenstemming zijn te brengen met de vereisten van een eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht, welke noodzakelijk is ter voorkoming van ongelijke behandeling van de marktdeelnemers (arrest Deutsche Milchkontor e.a., reeds aangehaald, punt 17).
50 Voorts mag de toepasselijke nationale verrekeningsregeling voor de verrekening van krachtens een gemeenschapsbesluit aan de gerechtigde verschuldigd bedragen met vorderingen van de lidstaat, geen voorwaarden en modaliteiten stellen die ongunstiger zijn dan die welke gelden voor de verrekening van zuiver nationale bedragen (zie mutatis mutandis arresten van 16 december 1976, Rewe, 33/76, Jurispr. blz. 1989, punt 5, en Comet, 45/76, Jurispr. blz. 2043, punt 13, alsook arrest van 6 mei 1982, Fromme, 54/81, Jurispr. blz. 1449, punt 6).
51 Het non-discriminatiebeginsel houdt overigens in, dat de verplichtingen die de nationale wettelijke regeling oplegt aan de ontvangers van communautaire steun, niet zwaarder mogen zijn dan die welke rusten op ontvangers die soortgelijke voordelen of steun op grond van het nationale recht hebben ontvangen; dit onderstelt evenwel, dat de twee categorieën begunstigden zich in een vergelijkbare situatie bevinden en een verschil in behandeling derhalve objectief niet te rechtvaardigen is (arrest Fromme, reeds aangehaald, punt 7).
52 Wat ten slotte de rechtsgrondslag betreft van de overheidsvordering waarmee wordt verrekend, stelt Jensen, dat het bedrag aan hectaresteun dat de Deense Staat de landbouwers betaalt en dat door de Gemeenschap aan de staat wordt terugbetaald, in werkelijkheid uit de eigen middelen van de Gemeenschap afkomstig is. Het zou derhalve volkomen logisch zijn, dat de Gemeenschap er bezwaar tegen heeft dat een lidstaat die middelen gebruikt om zijn eigen vordering te innen en niet om de doeleinden van de communautaire hectaresteun te verwezenlijken.
53 Noch de rechtsgrondslag van de overheidsvordering, noch het feit dat het verrekende bedrag afkomstig is uit de eigen middelen van de Gemeenschap, is echter relevant voor het recht van een lidstaat om krachtens het gemeenschapsrecht gedane compensatiebetalingen te verrekenen met zijn opeisbare belastingvorderingen.
54 De eerste twee vragen moeten derhalve aldus worden beantwoord, dat het gemeenschapsrecht er niet aan in de weg staat, dat een lidstaat een bedrag waarop een ontvanger van steun recht heeft krachtens een gemeenschapsrechtelijk besluit, verrekent met bedragen die die lidstaat te vorderen heeft. Dit is slechts anders, indien die praktijk de goede werking van de gemeenschappelijke ordeningen der landbouwmarkten in gevaar brengt. Daarbij is niet van belang, in welke hoedanigheid de lidstaat steun verleent krachtens verordening nr. 1765/92, de omstandigheid dat naar nationaal recht verrekening slechts mogelijk is in geval van wederkerig schuldenaarschap, welke praktijk op het gebied van verrekening de lidstaat in het algemeen volgt en wat de rechtsgrondslag is van de overheidsvordering waarmee verrekening plaatsvindt, mits de nationale autoriteiten zodanig te werk gaan dat de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht niet wordt aangetast en de gelijke behandeling van de marktdeelnemers wordt verzekerd. Het is aan de nationale rechter om te bepalen of dit het geval is.
De derde vraag
55 Met de derde vraag wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen, of artikel 15, lid 3, van verordening nr. 1765/92 aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten verbiedt, het nationale interventieorgaan op te dragen, door een begunstigde te ontvangen compensatiebedragen te verrekenen met vorderingen van de staat.
56 Verzoekers in de hoofdgedingen en de Commissie stellen in dit verband, dat het doel van verordening nr. 1765/92, namelijk rechtstreeks bij te dragen tot de instandhouding van het inkomen van de landbouwers en de achteruitgang te compenseren die het gevolg is van de geleidelijke vermindering van prijsgaranties en exportrestituties, betekent dat deze bepaling een duidelijk verbod van verrekening bevat.
57 De Deense regering en het directoraat EG zijn daarentegen van mening, dat de formulering van artikel 15, lid 3, van verordening nr. 1765/92 uitsluitend betekent, dat op de steun geen heffingen of andere gelijksoortige rechten mogen worden ingehouden, waardoor het totaalbedrag lager zou worden.
58 Om te beginnen moet worden opgemerkt, dat voor de hoofdgedingen niet behoeft te worden uitgemaakt, of artikel 15, lid 3, van verordening nr. 1765/92 de nationale autoriteiten verbiedt, aan de ontvangers van gemeenschapssteun administratiekosten wegens hun aanvragen in rekening te brengen. De verwijzende rechter gaat immers uit van het geval waarin vorderingen van de staat die normaal gesproken voor verrekening vatbaar zijn, worden verrekend met bedragen die worden betaald uit hoofde van het gemeenschapsrecht.
59 Vervolgens zij eraan herinnerd, dat de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 1765/92 met zoveel woorden zegt, dat de steun is bedoeld ter compensatie van het inkomensverlies dat het gevolg is van de verlaging van de regelingsprijzen in verband met de nieuwe regeling van steun aan producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, die het gevolg is van de nieuwe gemeenschappelijke landbouwpolitiek.
60 Krachtens artikel 15, lid 3, van verordening nr. 1765/92 moeten de in de verordening bedoelde bedragen inderdaad integraal aan de gerechtigden worden uitbetaald. Zoals de advocaat-generaal in punt 39 van zijn conclusie opmerkt, blijkt uit de bewoordingen van deze bepaling echter niet, dat de gemeenschapswetgever de bedoeling heeft gehad, de in de nationale rechtsordes bestaande, sterk uiteenlopende methoden voor de inning van schulden te beperken.
61 Verrekening van de uit hoofde van verordening nr. 1765/92 uitgekeerde steunbedragen met openstaande vorderingen van een lidstaat leidt immers niet tot verlaging van het steunbedrag.
62 Derhalve is verrekening, mits aan de in het antwoord op de eerste twee vragen vermelde voorwaarden is voldaan, niet in strijd met artikel 15, lid 3, van verordening nr. 1765/92.
63 Mitsdien moet op de derde vraag worden geantwoord, dat artikel 15, lid 3, van verordening nr. 1765/92 aldus moet worden uitgelegd, dat het de lidstaten niet verbiedt, het nationale interventieorgaan op te dragen, door een begunstigde te ontvangen compensatiebedragen te verrekenen met vorderingen van de staat.
De vierde vraag
64 Met de vierde vraag wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen, of artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1765/92 aldus moet worden uitgelegd, dat de daarin bedoelde compensatiebedragen moeten worden uitgekeerd zodra het interventieorgaan het onderzoek van de aanvraag van de gerechtigde heeft afgerond, dan wel of de betaling kan worden uitgesteld totdat is nagegaan of de staat jegens de betrokkene verrekenbare vorderingen heeft, mits de betaling uiterlijk 31 december van het betrokken jaar plaatsvindt.
65 Jensen stelt, dat zo de nationale autoriteiten passende administratieve procedures voor de behandeling van aanvragen van communautaire hectaresteun mogen vaststellen, zij daarin de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht moeten eerbiedigen en de betaling van de hectaresteun na de oogst in de periode van 16 oktober tot en met 31 december mogelijk moeten maken overeenkomstig artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1765/92. Vertragingen bij de betaling van de gemeenschapssteun kunnen leiden tot discriminatie tussen de landbouwers van een lidstaat en tussen de landbouwers van de verschillende lidstaten.
66 Het directoraat EG meent daarentegen dat het, bij gebreke van communautaire regels voor het recht bepaalde controles uit te voeren om na te gaan of de steunontvanger de staat of de Gemeenschap enig bedrag schuldig is, aan elke lidstaat is om daarvoor zijn eigen regels te stellen, met eerbiediging van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht.
67 Zoals in de eerste plaats het directoraat EG terecht opmerkt, blijven de lidstaten weliswaar bevoegd, hun nationale verrekeningsregels toe te passen, maar dit neemt niet weg dat zij daarbij het gemeenschapsrecht moeten eerbiedigen en de doeltreffendheid daarvan noch de goede werking van de gemeenschappelijke marktordeningen mogen aantasten.
68 Voorts bepaalt artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1765/92 uitdrukkelijk, dat de compensatiebedragen aan de producenten moeten worden uitbetaald in de periode van 16 oktober tot en met 31 december die volgt op de oogst. De nationale autoriteiten moeten die bedragen derhalve zo spoedig mogelijk uitbetalen, maar zij zijn rechtens niet gehouden daartoe over te gaan vóór 31 december.
69 Ten slotte staat het gemeenschapsrecht er niet aan in de weg, dat een lidstaat zo snel mogelijk nagaat, of hij tegenover de steungerechtigde vorderingen heeft die voor verrekening vatbaar zijn, mits de verrekening plaatsvindt in overeenstemming met de in het antwoord op de eerste twee vragen vermelde algemene beginselen van gemeenschapsrecht.
70 In die omstandigheden moet op de vierde vraag worden geantwoord, dat artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1765/92 aldus moet worden uitgelegd, dat de betaling van de daarin bedoelde compensatiebedragen kan worden uitgesteld totdat is nagegaan of de staat jegens de steunontvanger verrekenbare vorderingen heeft, mits de betaling uiterlijk 31 december van het betrokken jaar plaatsvindt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
71 De kosten door de Deense, de Griekse, de Franse, de Ierse, de Finse en de Zweedse regering, alsook de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Østre Landsret bij beschikking van 10 april 1995 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Het gemeenschapsrecht staat er niet aan in de weg, dat een lidstaat een bedrag waarop een ontvanger van steun recht heeft krachtens een gemeenschapsrechtelijk besluit, verrekent met bedragen die die lidstaat te vorderen heeft. Dit is slechts anders, indien die praktijk de goede werking van de gemeenschappelijke ordeningen der landbouwmarkten in gevaar brengt. Daarbij is niet van belang, in welke hoedanigheid de lidstaat steun verleent krachtens verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, de omstandigheid dat naar nationaal recht verrekening slechts mogelijk is ingeval twee personen wederkerig elkaars schuldenaar zijn, welke praktijk op het gebied van verrekening de lidstaat in het algemeen volgt en wat de rechtsgrondslag is van de overheidsvordering waarmee verrekening plaatsvindt, mits de nationale autoriteiten zodanig te werk gaan dat de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht niet wordt aangetast en de gelijke behandeling van de marktdeelnemers wordt verzekerd. Het is aan de nationale rechter om te bepalen of dit het geval is.
2) Artikel 15, lid 3, van verordening nr. 1765/92 moet aldus worden uitgelegd, dat het de lidstaten niet verbiedt, het nationale interventieorgaan op te dragen, door een begunstigde te ontvangen compensatiebedragen te verrekenen met vorderingen van de staat.
3) Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1765/92 moet aldus worden uitgelegd, dat de betaling van de daarin bedoelde compensatiebedragen kan worden uitgesteld totdat is nagegaan of de staat jegens de steunontvanger verrekenbare vorderingen heeft, mits de betaling uiterlijk 31 december van het betrokken jaar plaatsvindt.
Full & Egal Universal Law Academy