Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Niet-contractuele aansprakelijkheid - Vervroegde aanpassing van in Spanje toe te passen prijzen voor suiker aan gemeenschappelijke prijzen - Geen schadevergoeding voor isoglucoseproducenten - Vertrouwensbeginsel en non-discriminatiebeginsel - Schending - Geen - Geen aansprakelijkheid
(EG-Verdrag, art. 40, lid 3, tweede alinea, en 215, tweede alinea; Toetredingsakte, art. 70, lid 3, sub b; verordeningen nrs. 1716/91 en 3814/92 van de Raad)
Samenvatting
Verordening nr. 3814/92, waarbij de in Spanje toe te passen prijzen voor suiker vanaf 1 januari 1993 vervroegd aan de gemeenschappelijke prijzen worden aangepast, aan de suikerbieten- en rietsuikerproducenten, alsmede aan de suikerproducenten voor de suiker in opslag steun wordt toegekend, en Spanje wordt gemachtigd om aan de suikerproducerende ondernemingen aanpassingssteun toe te kennen, leidt niet tot aansprakelijkheid van de Commissie jegens de Spaanse isoglucoseproducenten, voor wie de vaststelling van de verordening geen schending van het vertrouwensbeginsel noch van het non-discriminatiebeginsel van artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag heeft opgeleverd.
Immers, in de eerste plaats blijkt bij uitlegging van artikel 70, lid 3, sub b, van de Toetredingsakte van Spanje, dat rekwiranten niet op grond van dit artikel mochten verwachten, dat ook na het begin van het verkoopseizoen 1992/1993 een overgangsperiode voor aanpassing van de prijzen gegarandeerd bleef. In de tweede plaats kon verordening nr. 1716/91, waarbij in een aanpassing van de prijzen in twee etappes tot 1995 was voorzien, bij deze producenten evenmin een gewettigd vertrouwen wekken, aangezien de Raad, door de aanpassingsperiode te verlengen, kennelijk slechts rekening had gehouden met de belangen van de landbouwers en de suikerproducenten, die door de opeenvolgende toekenning van steunmaatregelen werden beschermd, aangezien voorzichtige en bezonnen ondernemers, hoewel verordening nr. 1716/91 was vastgesteld na de inwerkingtreding van de Europese Akte die voorzag in de verwezenlijking van de gemeenschappelijke markt op 1 januari 1993, bedacht moesten zijn op een vervroegde aanpassing van de prijzen, te meer omdat het voorstel van verordening nr. 3814/92 verschillende maanden vóór de vaststelling ervan bekend was, en ten slotte, aangezien wat in het bijzonder de tweede etappe van de aanpassing betreft, het op grond van de door artikel 7 van verordening nr. 1716/91 aan de Raad voorbehouden bevoegdheid om de betrokken voorwaarden op een later tijdstip vast te stellen, uitgesloten was, dat de producenten een gewettigd vertrouwen met betrekking tot deze voorwaarden konden hebben.
Anderzijds levert het feit dat de verordening niet voorziet in overgangsmaatregelen ten behoeve van de Spaanse isoglucoseproducenten, waarmee zij het hoofd zouden kunnen bieden aan de door de vervroegde aanpassing van de prijzen veroorzaakte situatie, terwijl zij dit wel doet voor de suikerproducenten, geen discriminatie van eerstgenoemden op, aangezien de situatie van de isoglucoseproducenten op het vlak van zowel de vorming van voorraden als de aanschaffingsvoorwaarden van grondstoffen objectief verschilt van die van de suikerproducenten.
Partijen
In zaak C-138/95 P,
Campo Ebro Industrial SA, Levantina Agrícola Industrial SA (LAISA) en Cerestar Ibérica SA, vertegenwoordigd door P. Glazener, advocaat te Rotterdam, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van C. Zeyen, advocaat aldaar, Rue Ermesinde 67,
rekwiranten,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Eerste kamer) van 21 februari 1995 (in zaak T-472/93 (Campo Ebro e.a./Raad, Jurispr. 1995, blz. II-421) en strekkende tot gedeeltelijke vernietiging van dit arrest, andere partij bij de procedure: Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Brautigam, juridisch adviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. L. Iglesias Buhigues, juridisch adviseur, en J. Macdonald Flett, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, Centre Wagner, Kirchberg,
interveniënte,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Eerste kamer),
samengesteld als volgt: L. Sevón (rapporteur), kamerpresident, D. A. O. Edward en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 november 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 2 mei 1995 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift hebben Campo Ebro Industrial SA, Levantina Agrícola Industrial SA (LAISA) en Cerestar Ibérica SA, drie vennootschappen naar Spaans recht, krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van 21 februari 1995 in zaak T-472/93 (Campo Ebro e.a./Raad, Jurispr. 1995, blz. II-421; hierna: "bestreden arrest"), waarbij het Gerecht hun beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, voor zover het strekte tot nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 3814/92 van de Raad van 28 december 1992 houdende wijzing van verordening (EEG) nr. 1785/81 en houdende toepassing van de bij die verordening voor de sector suiker vastgestelde prijzen in Spanje (PB 1992, L 387, blz. 7), en heeft verworpen, voor zover het strekte tot toekenning van schadevergoeding wegens de door de vaststelling van deze verordening geleden schade.
2 De gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker is geregeld in basisverordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 (PB 1981, L 177, blz. 4), nadien meermaals gewijzigd.
3 Artikel 70, lid 3, sub a, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, gehecht aan het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap, ondertekend op 12 juni 1985 (PB 1985, L 302, blz. 9; hierna: "Toetredingsakte"), dat ingevolge artikel 108 van dezelfde Akte van toepassing is op suiker en isoglucose, bepaalt, dat indien de prijs van een landbouwproduct in Spanje op de datum van toetreding hoger is dan de gemeenschappelijke prijs, de hoogste in Spanje geldende prijs wordt gehandhaafd en dat de aanpassing van de prijzen zal voortvloeien uit de ontwikkeling van de gemeenschappelijke prijzen tijdens de zeven jaar volgend op de toetreding. Artikel 70, lid 3, sub b, van de Toetredingsakte bepaalt, dat indien aan het einde van het vierde jaar volgend op de toetreding de prijs van een landbouwproduct in Spanje aanzienlijk hoger is dan de gemeenschappelijke prijs, de Raad overgaat tot een analyse van de ontwikkeling van de aanpassing der prijzen, zulks aan de hand van een advies van de Commissie, in voorkomend geval vergezeld van passende voorstellen. Artikel 70, lid 3, sub b, tweede alinea, preciseert dat de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen inzonderheid het tijdvak voor de aanpassing der prijzen kan verlengen, ten hoogste voor de maximale duur van de periode waarin de overgangsmaatregelen worden toegepast, en dat de Raad voorts kan besluiten dat er andere methoden voor een versnelde aanpassing van de prijzen worden toegepast.
4 Toen de in de Toetredingsakte bedoelde prijsaanpassing niet tot stand kwam, ging de Raad na de eerste vijf jaar over tot een onderzoek van de prijzen en stelde hij verordening (EEG) nr. 1716/91 van 13 juni 1991 betreffende de aanpassing aan de gemeenschappelijke prijzen van de in Spanje toe te passen prijzen voor suikerbieten vast (PB 1991, L 162, blz. 18).
5 De Raad besloot de periode voor de aanpassing van de prijzen tot 1 juli 1995 te verlengen en die aanpassing in twee etappes tot stand te brengen. Artikel 2 van verordening nr. 1716/91 luidt als volgt:
"De periode voor de aanpassing van de prijzen in Spanje wordt verlengd tot en met 1 juli 1995. De in artikel 1 bedoelde aanpassing gebeurt in twee etappes, te weten een eerste etappe bestaande uit de verkoopseizoenen 1991/1992 en 1992/1993 en een tweede etappe bestaande uit de verkoopseizoenen 1993/1994, 1994/1995 en 1995/1996."
6 Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 3814/92 voorziet in een algehele aanpassing van de prijzen per 1 januari 1993 met het oog op de totstandbrenging van de interne markt, en artikel 2 in een tijdelijke degressieve steun voor de suikerbieten- en rietsuikerproducenten in Spanje. Voorts kent deze verordening de suikerproducenten steun toe voor producten die onder de quota vallen en die zich op 31 december 1992 in opslag bevinden. Ten slotte wordt Spanje in artikel 3 gemachtigd om, in het kader van herstructureringsplannen tot rationalisatie van de suikerindustrie in Spanje, in de verkoopseizoenen 1993/1994 tot en met 1995/1996 aan de suikerproducerende ondernemingen aanpassingssteun toe te kennen.
7 Uit het bestreden arrest blijkt, dat rekwiranten de enige isoglucoseproducenten in Spanje zijn. Zij bestrijden verordening nr. 3814/92, voor zover daarin geen communautaire steun ten behoeve van hen is voorzien.
8 Op 23 maart 1993 hebben zij bij het Hof van Justitie beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van verordening nr. 3814/92 en tot veroordeling van de Raad tot vergoeding van de schade die zij als gevolg van de vaststelling van deze verordening zouden hebben geleden.
9 Bij beschikking van 27 september 1993 heeft het Hof de zaak naar het Gerecht verwezen ingevolge besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 tot wijziging van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1993, L 144, blz. 21).
Het bestreden arrest
10 In het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk verklaard, op grond dat verordening nr. 3814/92 een maatregel van algemene strekking was, die rekwiranten niet rechtstreeks en individueel raakte.
11 Het Gerecht heeft het beroep tot schadevergoeding verworpen, aangezien niet is gebleken van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel door de Raad, zodat het Gerecht het niet nodig heeft geoordeeld de vraag betreffende de schade te onderzoeken.
12 Rekwiranten stelden voor het Gerecht, dat de Raad het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en het non-discriminatiebeginsel had geschonden.
13 Ter zake van het middel, ontleend aan de schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, heeft het Gerecht, na in rechtsoverweging 52 van het bestreden arrest de rechtspraak van het Hof in herinnering te hebben gebracht, onderzocht of de vóór verordening nr. 3814/92 bestaande regeling bij de ondernemers in de betrokken sector een gewettigd vertrouwen had kunnen wekken.
14 Na in de rechtsoverwegingen 54 en 55 van het bestreden arrest artikel 70, lid 3, sub a en b, van de Toetredingsakte te hebben onderzocht, heeft het Gerecht in rechtsoverweging 56 geconcludeerd, dat de Raad vanaf de zevende aanpassing volgend op de toetreding kon overgaan tot een algehele aanpassing van de suikerprijzen, zodat rekwiranten niet mochten verwachten, dat ook na het begin van het verkoopseizoen 1992/1993 een overgangsperiode voor aanpassing gegarandeerd bleef.
15 Het Gerecht was tevens van oordeel, dat verordening nr. 1716/91 bij rekwiranten evenmin een gewettigd vertrouwen had kunnen wekken. In rechtsoverweging 59 van het bestreden arrest heeft het er eerst aan herinnerd, dat volgens de vierde en de vijfde overweging van de considerans van deze verordening de periode voor aanpassing van de prijzen was verlengd tot 1 juli 1995, enerzijds om te voorkomen dat met name de landbouwers zouden worden getroffen door een te snelle verlaging van de prijzen voor suikerbieten, en anderzijds om rekening te houden met de uiterst moeilijke situatie van de suikersector in Spanje, zoals die uit de destijds verrichte analyse was gebleken. Vervolgens heeft het in rechtsoverweging 60 erop gewezen, dat uit verordening nr. 3814/92 bleek, dat de Raad met deze factoren rekening had gehouden, toen hij in de toekenning van steun voorzag in deze verordening, die was gemotiveerd door de totstandbrenging van de interne markt en de wenselijkheid van de opheffing van de belemmeringen in het handelsverkeer. Ten slotte heeft het Gerecht in de rechtsoverwegingen 61 en 62 opgemerkt, dat de beslissing om een einde te maken aan de aanpassingsperiode een legitieme economische beleidskeuze was en dat de toekenning van de steun op overwegingen berustte die binnen de grenzen bleven van de ruime discretionaire bevoegdheid, die de gemeenschapsinstellingen volgens de rechtspraak op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid hebben.
16 Voorts heeft het Gerecht in de rechtsoverwegingen 63 tot en met 65 van het bestreden arrest overwogen, dat voorzichtige en bezonnen ondernemers bedacht moesten zijn op een vervroegde aanpassing van de prijzen met het oog op de totstandbrenging van de interne markt, gelet op de noodzaak om de regeling compenserende bedragen "toetreding" af te schaffen, te meer daar de desbetreffende voorstellen van de Commissie vanaf juli 1992 in de Spaanse pers waren besproken.
17 Ten slotte heeft het Gerecht in rechtsoverweging 66 vastgesteld, dat de voorwaarden van de tweede periode van aanpassing van de prijzen niet waren bepaald in verordening nr. 1716/91, hetgeen op zich elk gewettigd vertrouwen in de voorwaarden van deze aanpassing uitsloot.
18 Bijgevolg heeft het Gerecht het middel, ontleend aan schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, afgewezen.
19 Voorts heeft het Gerecht in de rechtsoverwegingen 79 tot en met 81 het argument, ontleend aan een motiveringsgebrek van verordening nr. 3814/92, afgewezen, aangezien niet kon worden verlangd, dat de verordening aangeeft waarom niet is voorzien in overgangsmaatregelen voor producenten die er indirect door konden worden geraakt.
20 Aangaande het middel, ontleend aan schending van het non-discriminatiebeginsel, heeft het Gerecht eerst in de rechtsoverwegingen 83 en 84 de nauwe concurrentieverhoudingen tussen isoglucose en suiker onderzocht, zoals deze blijken uit de tweede en de derde overweging van de considerans van verordening nr. 1785/81 en uit het arrest van het Hof van 25 oktober 1978 (gevoegde zaken 103/77 en 145/77, Royal Scholten-Honig e.a., Jurispr. 1978, blz. 2037). In rechtsoverweging 85 gaf het Gerecht evenwel als zijn oordeel, dat het niet uitgesloten is, dat zich bij de suikerproductie bijzondere omstandigheden kunnen voordoen, die in voorkomend geval kunnen rechtvaardigen, dat suikerproducenten anders worden behandeld dan isoglucoseproducenten.
21 Vervolgens heeft het Gerecht in rechtsoverweging 86 onderzocht, of in casu suikerproducenten anders werden behandeld dan isoglucoseproducenten en of die verschillende behandeling gerechtvaardigd was. Dienaangaande heeft het in rechtsoverweging 87 geconstateerd, dat rekwiranten het betoog van de Raad, dat de isoglucoseproducenten geen structurele problemen kenden die vergelijkbaar waren met die van de suikerproducenten, niet hadden weerlegd en heeft het daaruit afgeleid, dat de Raad, door nationale steun aan de suikerproducenten in het kader van herstructureringsplannen met het oog op de rationalisatie van de suikerindustrie toe te staan, de grenzen van zijn bevoegdheid niet had overschreden.
22 Wat de steun voor suiker in opslag betreft, heeft het Gerecht in de rechtsoverwegingen 88 en 89 vastgesteld, dat rekwiranten zich niet in een situatie bevonden die vergelijkbaar was met die van de suikerproducenten, aangezien laatstgenoemden op 31 december 1992 alle suiker die tijdens de rest van het verkoopseizoen 1992/1993 moest worden verkocht, in opslag hadden, terwijl bij rekwiranten slechts een klein gedeelte van hun producten in opslag was. Het Gerecht stelde bovendien vast, dat de isoglucoseproductie naar haar aard niet noodzakelijkerwijs tot de vorming van voorraden eindproduct leidt, en dat isoglucose, anders dan suiker, zich wegens haar eigenschappen niet voor langdurige opslag leent.
23 Ten slotte heeft het Gerecht in de rechtsoverwegingen 90 en 91 erop gewezen, dat de grondstoffen en de aanschaffingsvoorwaarden daarvan voor de suikerproducenten anders waren dan voor de isoglucoseproducenten. De suikerproducenten dienden voor hun grondstoffen een door de Gemeenschap vastgestelde minimumprijs te betalen, terwijl de isoglucoseproducenten een door de marktvoorwaarden bepaalde prijs hadden betaald en in voorkomend geval van eventuele gunstiger condities op de graanmarkt konden profiteren.
24 Onder die omstandigheden heeft het Gerecht in de rechtsoverwegingen 92 en 93 geconcludeerd, dat niet was aangetoond dat de Raad, door voor de isoglucoseproducenten niet in soortgelijke overgangsmaatregelen te voorzien, de grenzen van zijn bevoegdheid klaarblijkelijk en ernstig had overschreden, daar rekwiranten zich in een situatie bevonden die objectief verschilde van die van de suikerproducenten, zodat ook het middel, ontleend aan schending van het non-discriminatiebeginsel, moest worden afgewezen.
De hogere voorziening
25 Rekwiranten concluderen dat het het Hof behage:
1) het bestreden arrest te vernietigen, voor zover het Gerecht het verzoek tot schadevergoeding heeft afgewezen, en
2) de Gemeenschap te veroordelen tot vergoeding van de door rekwiranten als gevolg van deze verordening geleden schade en deze schade vast te stellen op 3 444 403 ECU voor Campo Ebro Industrial SA, op 1 305 169 ECU voor Levantina Agrícola Industrial SA (LAISA) en op 2 132 421 ECU voor Cerestar Ibérica SA, of op enig ander door het Hof passend geacht bedrag, vermeerderd met intresten op de voet van 8 % per jaar vanaf de datum van de instelling van het beroep voor het Gerecht tot de datum van betaling; of
3) de zaak naar het Gerecht te verwijzen; en
4) de Raad te verwijzen in de kosten die rekwiranten in de loop van zowel de onderhavige procedure als de procedure voor het Gerecht hebben gemaakt.
26 De Raad, ondersteund door de Commissie, concludeert dat het het Hof behage:
1) de hogere voorziening af te wijzen;
2) rekwiranten in de kosten te verwijzen.
Onderzoek van de middelen
27 Rekwiranten voeren tegen het bestreden arrest negen middelen aan:
1) schending van artikel 70, lid 3, sub b, van de Toetredingsakte, van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen (het vertrouwensbeginsel) en van artikel 190 van het Verdrag, voor zover het Gerecht heeft geoordeeld, dat rekwiranten op grond van de Toetredingsakte generlei gewettigd vertrouwen konden hebben (r.o. 56 van het bestreden arrest);
2) onjuiste uitlegging van verordening nr. 1716/91, schending van het vertrouwensbeginsel en van artikel 190 van het Verdrag, voor zover het Gerecht heeft geoordeeld, dat verordening nr. 1716/91 generlei gewettigd vertrouwen bij rekwiranten had kunnen wekken (r.o. 59);
3) het niet in aanmerking nemen van artikel 28 van de Europese Akte en schending van het vertrouwensbeginsel en van artikel 190 van het Verdrag, voor zover het Gerecht heeft geoordeeld, dat voorzichtige en bezonnen ondernemers erop bedacht moesten zijn, dat de totstandbrenging van de interne markt ook een vervroegde aanpassing van de interventieprijzen voor suiker tot gevolg kon hebben (r.o. 63);
4) onjuiste uitlegging van verordening nr. 1716/91 en schending van het vertrouwensbeginsel en van artikel 190 van het Verdrag, voor zover het Gerecht heeft geoordeeld, dat met betrekking tot de voorwaarden voor aanpassing van de prijzen vanaf het verkoopseizoen 1993/1994 bij rekwiranten geen te beschermen gewettigd vertrouwen kon ontstaan (r.o. 66);
5) schending van verschillende gemeenschapsrechtelijke beginselen en bepalingen, voor zover het Gerecht het middel van rekwiranten, ontleend aan schending van het vertrouwensbeginsel, heeft afgewezen;
6) onjuiste uitlegging van de argumenten van rekwiranten en schending van het non-discriminatiebeginsel en van artikel 190 van het Verdrag (r.o. 81);
7) schending van het recht, van het non-discriminatiebeginsel en van artikel 190 van het Verdrag, voor zover het Gerecht uit het feit dat de isoglucoseproductie, anders dan de suikerproductie, niet noodzakelijkerwijs leidt tot de vorming van voorraden, heeft afgeleid dat rekwiranten zich in een andere situatie bevonden dan de suikerproducenten, en dat de verschillende behandeling inzake de aan de suikerproducenten toegekende steun voor de suiker die op 31 december 1992 in opslag was, gerechtvaardigd was;
8) het niet in aanmerking nemen van het reeds aangehaalde arrest Royal Scholten-Honig en van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, en schending van het non-discriminatiebeginsel en van artikel 190 van het Verdrag, voor zover het Gerecht heeft geoordeeld, dat rekwiranten zich in een andere situatie dan de suikerproducenten bevonden en anders konden worden behandeld, omdat zij niet onderworpen waren aan de verplichting om een door de Gemeenschap vastgestelde minimumprijs voor hun grondstoffen te betalen;
9) schending van verschillende gemeenschapsrechtelijke beginselen en bepalingen, voor zover het Gerecht het middel van rekwiranten, ontleend aan schending van het non-discriminatiebeginsel, heeft afgewezen.
28 Deze verschillende middelen dienen te worden gehergroepeerd, al naar gelang rekwiranten zich beroepen op schending van het vertrouwensbeginsel of op schending van het non-discriminatiebeginsel.
De middelen inzake schending van het vertrouwensbeginsel
29 Met hun eerste middel betogen rekwiranten, dat het Gerecht in rechtsoverweging 56 van het bestreden arrest artikel 70, lid 3, sub b, van de Toetredingsakte, het vertrouwensbeginsel en artikel 190 van het Verdrag heeft geschonden, door te overwegen dat generlei gewettigd vertrouwen bij rekwiranten kon zijn gewekt op grond van de Toetredingsakte. Zij zijn van oordeel dat zij, gelet op het feit dat de Spaanse suikerprijzen aanzienlijk hoger waren dan de gemeenschappelijke prijzen, een gewettigd vertrouwen konden hebben in het feit dat de periode voor de aanpassing van de prijzen na de zevende aanpassing volgend op de toetreding zou worden verlengd.
30 Artikel 70, lid 3, sub b, tweede alinea, van de Toetredingsakte bepaalt, dat de Raad "voorts kan besluiten dat er andere methoden voor een versnelde aanpassing van de prijzen worden toegepast".
31 Bijgevolg heeft het Gerecht deze bepaling terecht aldus uitgelegd, dat zij de Raad de bevoegdheid geeft om een methode voor aanpassing van de prijzen te kiezen en zelfs, althans vanaf de zevende aanpassing volgend op de toetreding, bij verordening tot een algehele aanpassing van de suikerprijzen over te gaan. Eveneens heeft het hieruit terecht afgeleid, dat rekwiranten op grond van de Toetredingsakte niet mochten verwachten, dat ook na het begin van het verkoopseizoen 1992/1993 een overgangsperiode voor aanpassing gegarandeerd bleef.
32 Het eerste middel is derhalve ongegrond.
33 Met hun tweede middel stellen rekwiranten, dat het Gerecht verordening nr. 1716/91 onjuist heeft uitgelegd en het vertrouwensbeginsel en artikel 190 van het Verdrag heeft geschonden, door te oordelen dat deze verordening generlei gewettigd vertrouwen bij rekwiranten had kunnen wekken. Een grondig onderzoek van de considerans van deze verordening zou daarentegen aantonen, dat de periode voor aanpassing van de prijzen was verlengd wegens het aanzienlijke verschil tussen de Spaanse en de gemeenschappelijke prijzen en niet, zoals het Gerecht in rechtsoverweging 59 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, wegens de in de vierde en de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 1716/91 vermelde belangen. Voor het overige zou de door het Gerecht in rechtsoverweging 61 van het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak inzake gewettigd vertrouwen van de marktdeelnemers in casu niet relevant zijn, aangezien verordening nr. 3814/92 niet is vastgesteld om rekening te houden met veranderingen in de economische omstandigheden, maar met het oog op de totstandbrenging van de interne markt.
34 In de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 1716/91 wordt gepreciseerd, dat het wegwerken van de verschillen tussen de prijzen mogelijk moet worden gemaakt over een periode van vijf verkoopseizoenen, "dat wil zeggen een periode die lang genoeg is om te voorkomen dat de landbouwers worden getroffen door een te snelle verlaging van de suikerbietenprijzen". In de vijfde overweging van de considerans van deze verordening wordt verklaard, dat uit de analyse van de ontwikkeling van de prijzen "duidelijk blijkt, dat de suikersector in Spanje, waarin herstructureringsmaatregelen in uitvoering zijn, zich momenteel in een uiterst moeilijke situatie bevindt vanwege tekortkomingen op structuurgebied".
35 Indien het juist is, dat het aanzienlijke verschil tussen de Spaanse en de gemeenschappelijke prijzen de algemene oorzaak was voor de verlenging van de periode voor aanpassing van de prijzen, is de enig mogelijke nuttige uitlegging van de vierde en de vijfde overweging van de considerans, dat de Raad, door de periode voor aanpassing van de prijzen te verlengen, vooral rekening had gehouden met de in deze overwegingen bedoelde belangen, te weten die van de landbouwers en de suikerproducenten.
36 Bovendien heeft het Gerecht in rechtsoverweging 61 van het bestreden arrest terecht de rechtspraak van het Hof in herinnering gebracht, volgens welke de marktdeelnemers des te minder op de handhaving van een bestaande situatie mogen vertrouwen, wanneer de gemeenschapsinstellingen een ruime discretionaire bevoegdheid bezitten om deze te wijzigen, zoals op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid het geval is. Dienaangaande kan op generlei grond worden verklaard, zoals rekwiranten doen, dat door het doel van de totstandbrenging van de interne markt de bevoegdheden van de gemeenschapsinstellingen om de economische omstandigheden te beoordelen, geringer zijn geworden.
37 Het Gerecht is dus na een juiste uitlegging van verordening nr. 1716/91 en een verwijzing naar de relevante rechtspraak van het Hof tot de conclusie gekomen, dat rekwiranten geen gewettigd vertrouwen op grond van deze verordening konden hebben.
38 Bijgevolg dient het tweede middel te worden afgewezen.
39 Met hun derde middel betogen rekwiranten, dat het Gerecht artikel 28 van de Europese Akte niet in aanmerking heeft genomen en het vertrouwensbeginsel en artikel 190 van het Verdrag heeft geschonden, door te oordelen dat voorzichtige en bezonnen ondernemers erop bedacht moesten zijn, dat de totstandbrenging van de interne markt een vervroegde aanpassing van de interventieprijzen voor suiker tot gevolg kon hebben. Artikel 28 van de Europese Akte luidt namelijk: "De bepalingen van deze Akte doen geen afbreuk aan de bepalingen van de instrumenten betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Gemeenschappen." Rekwiranten zouden dus geen reden hebben gehad om bedacht te zijn op een vervroegde aanpassing van de suikerprijzen, vooral omdat de doelstellingen van de Europese Akte konden worden bereikt met behoud van de mechanismen van de Toetredingsakte, met inbegrip van de regeling compenserende bedragen "toetreding". Voorts zou verordening nr. 1716/91 lang na de inwerkingtreding van de Europese Akte zijn vastgesteld, hetgeen het Gerecht in rechtsoverweging 63 van het bestreden arrest niet in overweging zou hebben genomen. Ten slotte zou het irrelevant zijn, dat een voorstel van de Commissie vanaf juli 1992 bekend was, aangezien enkel de Raad bevoegd was om de methode voor aanpassing van de prijzen te wijzigen.
40 Zoals in rechtsoverweging 31 van het onderhavige arrest is uiteengezet, heeft het Gerecht een juiste uitlegging gegeven aan de bepalingen van de Toetredingsakte, waarbij aan de Raad de bevoegdheid is toegekend om tot een versnelde aanpassing van de prijzen over te gaan. Overigens heeft het Gerecht in rechtsoverweging 63 van het bestreden arrest terecht en op grond van een duidelijke economische redenering verklaard, dat voorzichtige en bezonnen ondernemers erop bedacht moesten zijn, dat de totstandbrenging van de interne markt een vervroegde aanpassing van de interventieprijzen voor suiker tot gevolg kon hebben teneinde de belemmeringen van het handelsverkeer tussen de Lid-Staten als gevolg van de regeling compenserende bedragen "toetreding" uit de weg te helpen. Ten slotte volgt uit artikel 7 van verordening nr. 1716/91, dat verwijst naar artikel 43, lid 2, van het Verdrag, dat de Raad enkel op voorstel van de Commissie kon besluiten. Hoewel niet ieder voorstel van de Commissie noodzakelijkerwijs door de Raad wordt gevolgd, was het bestaan van een dergelijk voorstel althans voldoende om de marktdeelnemers attent te maken op een mogelijke wijziging van de situatie.
41 Terecht heeft het Gerecht dus geen rekening gehouden met artikel 28 van de Europese Akte, aangezien het geen enkele invloed had op de bevoegdheden van de Raad zoals neergelegd in de Toetredingsakte, en overwogen dat, hoewel verordening nr. 1716/91 was vastgesteld na de inwerkingtreding van de Europese Akte, de marktdeelnemers bedacht moesten zijn op een vervroegde aanpassing van de suikerprijzen, te meer omdat de door de Commissie aan de Raad voorgelegde voorstellen van verordening vanaf juli 1992 in de Spaanse pers waren besproken. Door dit te doen heeft het Gerecht het vertrouwensbeginsel niet geschonden.
42 Het derde middel is derhalve ongegrond.
43 Met hun vierde middel betogen rekwiranten, dat het Gerecht verordening nr. 1716/91 onjuist heeft uitgelegd en het vertrouwensbeginsel en artikel 190 van het Verdrag heeft geschonden, door te oordelen dat met betrekking tot de voorwaarden voor aanpassing van de prijzen vanaf het verkoopseizoen 1993/1994 bij rekwiranten geen te beschermen gewettigd vertrouwen kon ontstaan. Het Gerecht zou in rechtsoverweging 66 van het bestreden arrest de aanwezigheid van een gewettigd vertrouwen hebben uitgesloten, met als enig motief dat de verordening de aanpassingsvoorwaarden voor de periode na 1 juli 1993 niet had bepaald, terwijl de Raad, indien hij de aanpassingsvoorwaarden voor de laatste drie verkoopseizoenen niet had vastgesteld, dit uitsluitend had gedaan om rekening te houden met het nieuwe productiestelsel dat vanaf 1 juli 1993 kon worden toegepast, en niet omdat hij de mogelijkheid wilde behouden om de Spaanse prijzen aan het einde van het verkoopseizoen 1992/1993 terug te brengen tot het niveau van de gemeenschappelijke prijzen.
44 In artikel 7 van verordening nr. 1716/91 wordt bepaald:
"De Raad stelt vóór 1 januari 1993 volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag, de bepalingen vast inzake de wijze waarop in de verkoopseizoenen 1993/1994, 1994/1995 en 1995/1996 de prijzen in Spanje worden aangepast aan de gemeenschappelijke prijzen."
45 Bijgevolg heeft het Gerecht, na de door deze bepaling aan de Raad voorbehouden bevoegdheid correct te hebben omschreven, hieruit terecht afgeleid, dat het op grond van het bestaan van een dergelijke bevoegdheid reeds was uitgesloten, dat rekwiranten een gewettigd vertrouwen konden hebben met betrekking tot de voorwaarden waaronder de aanpassing van de prijzen vanaf het verkoopseizoen 1993/1994 zou verlopen.
46 Het vierde middel is derhalve ongegrond.
47 Met hun vijfde middel betogen rekwiranten, dat het Gerecht verschillende gemeenschapsrechtelijke beginselen en bepalingen heeft geschonden, door hun middel betreffende de schending van het vertrouwensbeginsel af te wijzen. Immers, zelfs indien de Raad bij de afschaffing van de geleidelijke aanpassing van de prijzen binnen de grenzen van zijn discretionaire bevoegdheid was gebleven, had hij passende overgangsbepalingen moeten vaststellen om de negatieve gevolgen van een versnelde aanpassing van de prijzen voor de situatie van rekwiranten te compenseren, zoals hij wel voor de suikerproducenten heeft gedaan.
48 Opgemerkt zij evenwel, dat slechts zou kunnen zijn verklaard dat de vaststelling van overgangsbepalingen ten behoeve van rekwiranten noodzakelijk was, wanneer was erkend dat zij een gewettigd vertrouwen konden hebben in het behoud van een bepaalde situatie of in het verloop van voorzienbare gebeurtenissen. Aangezien het Gerecht elk gewettigd vertrouwen van rekwiranten heeft uitgesloten, heeft het terecht geconcludeerd, dat de Raad niet verplicht was overgangsmaatregelen ten behoeve van rekwiranten vast te stellen.
49 Het vijfde middel is derhalve ongegrond.
De middelen inzake schending van het non-discriminatiebeginsel
50 Met hun zesde middel betogen rekwiranten, dat het Gerecht in rechtsoverweging 81 van het bestreden arrest hun argumenten onjuist heeft uitgelegd en het non-discriminatiebeginsel en artikel 190 van het Verdrag heeft geschonden. Het Gerecht zou ten onrechte van oordeel zijn geweest, dat het in punt 38 van het verzoekschrift en punt 36 van de repliek ontwikkelde argument van rekwiranten strekte tot nietigverklaring van verordening nr. 3814/92 wegens motiveringsgebreken, terwijl zij hadden gesteld dat, aangezien in deze verordening geen verklaring werd gegeven voor de verschillende behandeling van rekwiranten en de Spaanse suikerproducenten, hieruit moest worden geconcludeerd, dat dit verschil in behandeling niet objectief gerechtvaardigd was.
51 Voor het Gerecht hebben rekwiranten in het kader van hun tweede middel, dat betrekking had op de schending van het discriminatieverbod, een argument ontwikkeld betreffende het motiveringsgebrek van verordening nr. 3814/92. Derhalve heeft het Gerecht terecht in rechtsoverweging 81 van het bestreden arrest na onderzoek van de motivering van deze verordening het argument van rekwiranten afgewezen, alvorens het middel nader te onderzoeken. Aldus heeft het het argument van rekwiranten juist uitgelegd.
52 Het zesde middel is derhalve ongegrond.
53 Met hun zevende middel betogen rekwiranten, dat het Gerecht het recht heeft geschonden, alsook het non-discriminatiebeginsel en artikel 190 van het Verdrag, door uit het feit dat de isoglucoseproductie, anders dan de suikerproductie, niet noodzakelijkerwijs leidt tot de vorming van voorraden, af te leiden, dat rekwiranten zich in een andere situatie bevonden dan de suikerproducenten, en dat de verschillende behandeling met betrekking tot de steun die aan de suikerproducenten werd toegekend voor de suiker die op 31 december 1992 in opslag was, gerechtvaardigd was.
54 Evenwel dient te worden opgemerkt, dat het Gerecht, om tot de conclusie te komen dat de situatie van rekwiranten en van de suikerproducenten verschillend was, een aantal feitelijke vaststellingen heeft gedaan. Voor zover de hogere voorziening betrekking heeft op deze vaststellingen, is zij niet-ontvankelijk (zie beschikking van 20 maart 1991, zaak C-115/90 P, Turner, Jurispr. 1991, blz. I-1423, r.o. 13 en 14). Aangezien verordening nr. 3814/92 voorzag in de toekenning van steun voor de producten in opslag, heeft het Gerecht overigens zonder het non-discriminatiebeginsel te schenden op basis van feitelijke vaststellingen inzake de verschillende situatie van suiker- en isoglucoseproducenten betreffende de producten in opslag geconcludeerd, dat zij verschillend konden worden behandeld.
55 Het zevende middel is derhalve ongegrond.
56 Met hun achtste middel voeren rekwiranten aan, dat het Gerecht het arrest Royal Scholten-Honig (reeds aangehaald) en de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker niet in aanmerking heeft genomen en het non-discriminatiebeginsel en artikel 190 van het Verdrag heeft geschonden, door te oordelen, dat rekwiranten zich in een andere situatie dan de suikerproducenten bevonden en anders konden worden behandeld omdat zij niet onderworpen waren aan de verplichting om een door de Gemeenschap vastgestelde minimumprijs voor hun grondstoffen te betalen. De minimumprijs van de door rekwiranten gebruikte grondstof zou de interventieprijs van graan zijn. Sinds het arrest Royal Scholten-Honig (reeds aangehaald) zouden suiker en isoglucose in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker steeds op dezelfde manier zijn behandeld, ondanks de verschillende kosten van de grondstoffen. Voorts zou het Gerecht in rechtsoverweging 91 van het bestreden arrest hebben opgemerkt, dat rekwiranten van eventuele gunstigere condities op de graanmarkt konden profiteren, terwijl het hier slechts een hypothese betrof die het had moeten verifiëren.
57 Opgemerkt zij evenwel, dat de hogere voorziening, voor zover zij betrekking heeft op de feitelijke vaststellingen van het Gerecht, niet-ontvankelijk is (zie beschikking Turner, reeds aangehaald, r.o. 13 en 14). Beoordelingen zoals de vaststelling dat rekwiranten niet onderworpen waren aan de verplichting om voor hun grondstoffen een door de Gemeenschap vastgestelde minimumprijs te betalen, of de vaststelling dat zij konden profiteren van eventuele gunstigere condities op de graanmarkt, kunnen krachtens artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG niet door het Hof worden onderzocht. Aangezien verordening nr. 3814/92 voorzag in een verlaging van de minimumprijs voor suikerbieten, de grondstof voor de productie van suiker, heeft het Gerecht overigens zonder het non-discriminatiebeginsel te schenden op basis van feitelijke vaststellingen betreffende de verschillende situatie van suiker- en isoglucoseproducenten op het vlak van de grondstoffen geconcludeerd, dat zij verschillend konden worden behandeld.
58 Het achtste middel is derhalve ongegrond.
59 Met hun negende middel stellen rekwiranten, dat het Gerecht verschillende gemeenschapsrechtelijke beginselen en bepalingen heeft geschonden, door het middel van rekwiranten, ontleend aan schending van het non-discriminatiebeginsel, af te wijzen.
60 Uit artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG, alsmede uit artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering volgt evenwel, dat in een hogere voorziening duidelijk moet worden uiteengezet, tegen welke onderdelen van het arrest zij is gericht en welke argumenten rechtens tot staving van de vordering tot vernietiging van het arrest worden aangevoerd (beschikking van 24 april 1996, zaak C-87/95 P, CNPAAP, Jurispr. 1996, blz. I-2003, r.o. 29).
61 Aangezien in het negende middel, indien het als een middel wordt beschouwd dat losstaat van de voorgaande middelen, de onderdelen van het arrest waartegen het is gericht en de aangevoerde argumenten rechtens niet worden gepreciseerd, voldoet het niet aan de door deze bepalingen gestelde voorwaarden, zodat het moet worden afgewezen.
62 Gelet op alle bovenstaande overwegingen, dient de hogere voorziening in haar geheel te worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
63 Volgens artikel 63, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij in de kosten van de onderhavige instantie te worden verwezen. Overeenkomstig artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering zal de Commissie, interveniënte, haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst rekwiranten in de kosten. Verstaat dat interveniënte haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy