Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Materiële werkingssfeer van richtlijn 79/7 - Uitkeringen bij vervroegd pensioen, toegekend na vervroegde pensionering - Daaronder begrepen - Vervroegde pensionering van werknemer gevolg van feit dat onderneming die hem tewerk stelt, in staat van crisis is verklaard - Geen invloed
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 3, lid 1)
2 Sociale politiek - Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid - Richtlijn 79/7 - Afwijking toegestaan ten aanzien van gevolgen die voor andere uitkeringen kunnen voortvloeien uit bestaan van verschillende pensioengerechtigde leeftijden - Draagwijdte - Beperking tot discriminaties die noodzakelijke en objectieve band hebben met verschil in pensioengerechtigde leeftijd - Discriminatie op gebied van toekenning van krediet van aanvullende pensioenbijdragen in geval van vervroegde pensionering - Toelaatbaarheid
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 7, lid 1, sub a)
Samenvatting
3 Uitkeringen bij vervroegd pensioen, die uit een vervroegde pensionering voortvloeien, houden rechtstreeks en daadwerkelijk verband met de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7 bedoelde eventualiteit ouderdom, en vallen dus binnen het toepassingsgebied van die richtlijn. Door het enkele feit, dat de vervroegde pensionering het rechtstreekse gevolg is van het feit dat de onderneming waarbij de betrokken werknemer laatstelijk was tewerkgesteld, in staat van crisis verkeert, kunnen die uitkeringen niet worden gelijkgesteld met uitkeringen bij ontslag, aangezien zij rechtstreeks door een nationale wetgeving worden geregeld en verplicht van toepassing zijn op bepaalde algemene categorieën van werknemers.
4 Wanneer een Lid-Staat krachtens artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, een naar geslacht verschillende pensioengerechtigde leeftijd heeft vastgesteld, geeft die bepaling hem ook het recht te bepalen, dat de werknemers van een in staat van crisis verklaarde onderneming recht hebben op een krediet van aanvullende pensioenbijdragen met een maximum van 5 jaar, vanaf het tijdstip waarop zij met vervroegd pensioen gaan tot zij de leeftijd bereiken waarop hun recht op rustpensioen ingaat, namelijk 55 jaar voor vrouwen en 60 jaar voor mannen, omdat het verschil in behandeling naar geslacht in de berekeningswijze van de uitkeringen bij vervroegd pensioen een objectieve en noodzakelijke band heeft met de vaststelling van een verschillende pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen.
Deze discriminatie, die een objectieve band heeft met de vaststelling van een verschillende pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen, in een stelsel van vervroegd pensioen dat benadeling van de werknemer die de arbeidsmarkt verlaat alvorens de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd te hebben bereikt, voorkomt door hem fictieve bijdragen voor de periode tussen het staken van zijn werkzaamheden en genoemde wettelijke leeftijd toe te kennen, houdt immers verband met de samenhang tussen het stelsel van rustpensioenen en het betrokken stelsel van vervroegd pensioen, en is noodzakelijk om die samenhang te bewaren, want de afschaffing ervan zou tot andere discriminaties kunnen leiden.
Partijen
In zaak C-139/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Pretura circondariale di Genova (Italië), in het aldaar aanhangig geding tussen
L. Balestra
en
Istituto nazionale della previdenza sociale (INPS),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40), en van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: L. Sevón, president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet, P. Jann en M. Wathelet (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. B. Elmer
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- het INPS, vertegenwoordigd door C. de Angelis en A. Barbuto, advocaten te Rome;
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa en M. Wolfcarius, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door R. Morresi, advocaat te Bologna,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van het INPS en de Commissie ter terechtzitting van 13 juni 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 oktober 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 19 april 1995, ingekomen bij het Hof op 2 mei daaraanvolgend, heeft de Pretura circondariale di Genova het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40), en van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24).
2 Die vragen zijn gesteld in een geding tussen L. Balestra, voormalig werkneemster van een in staat van crisis verklaarde onderneming, en het Istituto nazionale della previdenza sociale (hierna: "INPS") over de berekening van het krediet van aanvullende pensioenbijdragen, dat het INPS Balestra krachtens het wettelijk stelsel van vervroegd pensioen had toegekend.
3 In Italië was ten tijde van de feiten in het hoofdgeding de navolgende regeling van toepassing. De bepalingen betreffende de pensioengerechtigde leeftijd zijn neergelegd in artikel 9 van wet nr. 218 van 4 april 1952 (gewone bijlage bij het GURI nr. 89 van 15.4.1952). Krachtens deze bepaling hebben mannelijke werknemers recht op pensioen op de leeftijd van 60 jaar en vrouwelijke werknemers op de leeftijd van 55 jaar, in beide gevallen op voorwaarde dat zij gedurende ten minste 15 jaar bijdragen hebben betaald en aan hen ten minste 180 maandelijkse of 780 wekelijkse bijdragen zijn gecrediteerd.
4 Bijzondere bepalingen gelden voor werknemers van ondernemingen die, overeenkomstig wet nr. 675 van 12 augustus 1977 (GURI nr. 243), door het interministerieel comité voor de cooerdinatie van het industriebeleid (hierna: "CIPI") in staat van crisis zijn verklaard.
5 Ingevolge wet nr. 155 van 23 april 1981 (gewone bijlage bij het GURI nr. 114; hierna: "wet nr. 155/1981") kunnen die werknemers met vervroegd pensioen gaan op de leeftijd van 55 jaar voor mannen en 50 jaar voor vrouwen. Artikel 16 van deze wet preciseert, dat voor werknemers van door het CIPI in staat van crisis verklaarde ondernemingen "die de leeftijd van 55 jaar voor mannen en 50 jaar voor vrouwen hebben bereikt en ten minste 180 maandelijkse bijdragen voor de verplichte algemene invaliditeits-, ouderdoms- en overlevingsverzekering kunnen doen gelden", het toepasselijke pensioen wordt berekend op grond van de werkelijke duur van de bijdragebetaling, vermeerderd met een periode, gelijk aan die tussen de datum van ontbinding van hun arbeidsovereenkomst en de datum waarop zij de leeftijd van 60 jaar voor mannen of 55 jaar voor vrouwen bereiken (hierna: "krediet van aanvullende pensioenbijdragen").
6 Er zij op gewezen, dat naast wet nr. 155/1981 en haar latere wijzigingen, op het gebied van het vervroegd pensioen bijzondere, aan werknemers van bepaalde sectoren voorbehouden regelingen bestaan. Uit de stukken blijkt, dat in het hoofdgeding een beroep is gedaan op de regeling voor de werknemers van de ijzer- en staalsector. Balestra vordert namelijk dat op haar regels worden toegepast die vergelijkbaar zijn met die welke in deze sector gelden.
7 Voor de werknemers van de ijzer- en staalsector gold aanvankelijk als regel, dat de in artikel 16 van wet nr. 155/1981 bedoelde leeftijd voor het vervroegd pensioen van werknemers van een in staat van crisis verklaarde onderneming (55 jaar voor mannen en 50 jaar voor vrouwen) voor alle werknemers, mannen en vrouwen, werd vastgesteld op 50 jaar (artikel 1 van wet nr. 193 van 31 mei 1984, GURI nr. 153 van 5.6.1984).
8 In arrest nr. 371 van 6 juli 1989 (GURI, 1e bijzondere serie nr. 28 van 12.7.1989) stelde de Corte costituzionale vast, dat de bepalingen van artikel 16 van wet nr. 155/1981, juncto artikel 1 van wet nr. 193/1984, ongrondwettig waren, voor zover zij in de ijzer- en staalsector tewerkgestelde vrouwen niet de mogelijkheid boden om bij vervroegd pensioen op de leeftijd van 50 jaar door het krediet van aanvullende pensioenbijdragen dezelfde periode van bijdragebetaling te bereiken als een mannelijke werknemer, voor wie de pensioengerechtigde leeftijd is vastgesteld op 60 jaar, terwijl hij voor vrouwen 55 jaar bedraagt. In dat arrest herinnerde de Corte costituzionale aan het beginsel, dat in Italië de leeftijdsgrens voor de uitoefening van beroepswerkzaamheden voor mannen en vrouwen gelijk is.
9 Later werd een nieuwe bijzondere regel ingevoerd, volgens welke in de ijzer- en staalsector tewerkgestelde vrouwen vanaf de leeftijd van 47 jaar met vervroegd pensioen konden gaan, voor zover zij 300 maandelijkse bijdragen kunnen doen gelden (artikel 5, vijfde alinea, van decreet-wet nr. 536 van 30 december 1987, GURI nr. 304 van 31.12.1987, omgezet in wet nr. 48 van 29 februari 1988, GURI nr. 50 van 1.3.1988), maar voor mannen bleef de leeftijd van 50 jaar gehandhaafd.
10 In arrest nr. 503 van 30 december 1991 (GURI, 1e bijzondere serie nr. 2 van 8.1.1992) was de Corte costituzionale van oordeel, dat deze mogelijkheid voor vrouwelijke werknemers in de ijzer- en staalsector om vanaf de leeftijd van 47 jaar met vervroegd pensioen te gaan, gepaard moest gaan met het recht voor deze vrouwelijke werknemers op een krediet van aanvullende pensioenbijdragen vanaf de ontbinding van hun arbeidsovereenkomst tot het bereiken van de leeftijd van 60 jaar (tot welke leeftijd zowel mannen als vrouwen hun beroepswerkzaamheden mogen voortzetten), maar met hetzelfde maximum van tien jaar als voor mannen geldt. Opgemerkt zij, dat indien op de ijzer- en staalsector de regel van artikel 16 van wet nr. 155/1981 was toegepast, het krediet van bijdragen voor vrouwen vanaf de ontbinding van hun arbeidsovereenkomst (mogelijk vanaf de leeftijd van 47 jaar) tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd (55 jaar voor vrouwen) ten hoogste acht jaar zou hebben bedragen, terwijl het voor mannen vanaf de ontbinding van hun arbeidsovereenkomst (mogelijk vanaf de leeftijd van 50 jaar) tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd (60 jaar voor mannen) ten hoogste tien jaar bedraagt, welk verschil van twee jaar het gevolg is van het feit, dat vrouwen slechts drie jaar eerder dan mannen met vervroegd pensioen konden gaan.
11 Balestra is een voormalig werkneemster van een onderneming die door het CIPI in staat van crisis is verklaard. In dit verband nam zij ontslag en verkreeg zij recht op pensioen dankzij de regeling inzake vervroegd pensioen voor vrouwen tussen 50 en 55 jaar.
12 Omdat zij op de leeftijd van 54 jaar en 7 maanden ontslag had genomen, ontving zij van het INPS krachtens artikel 16 van wet nr. 155/1981 een krediet gelijk aan 5 maanden bijdragen, hetgeen overeenkwam met de periode tot het bereiken van de leeftijd van 55 jaar, waarop een vrouwelijk werknemer in Italië pensioengerechtigd wordt.
13 Op 13 april 1993 verzocht Balestra de verwijzende rechter, het INPS te gelasten, haar te crediteren met aanvullende bijdragen ten belope van het in wet nr. 155/1981 vastgestelde maximum, namelijk 5 jaar. Zij baseerde zich op voornoemde rechtspraak van de Corte costituzionale betreffende de werknemers in de ijzer- en staalindustrie.
14 Het INPS verzette zich tegen het verzoek van Balestra, op grond dat zij door haar vrijwillig ontslag de arbeidsovereenkomst had ontbonden en dat artikel 16 van wet nr. 155/1981 voorzag in gelijke bijdragekredieten voor mannen en vrouwen, met als enig onderscheid de verschillende leeftijd waarop zij aanspraak konden maken op pensioen. Volgens het INPS hadden op basis van voornoemde rechtspraak van de Corte costituzionale aan Balestra slechts aanvullende verzekeringstijdvakken kunnen worden toegekend, indien zij was tewerkgesteld door een onderneming in de ijzer- en staalsector, waarvoor een bijzondere regeling geldt.
15 Daarop betoogde Balestra, dat artikel 16 van wet nr. 155/1981 in strijd was met het in de richtlijnen 76/207 en 79/7 neergelegde beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
16 Artikel 1, lid 1, van richtlijn 76/207 bepaalt:
"Deze richtlijn beoogt de tenuitvoerlegging in de Lid-Staten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen, en tot de beroepsopleiding, alsmede ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden en, onder de voorwaarden bedoeld in lid 2, de sociale zekerheid. Dit beginsel wordt hierna $beginsel van gelijke behandeling' genoemd."
17 Artikel 5, lid 1, van genoemde richtlijn luidt als volgt:
"De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, houdt in dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van geslacht."
18 Artikel 1, lid 2, van de richtlijn bepaalt:
"Ten einde de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid te waarborgen, stelt de Raad op voorstel van de Commissie bepalingen vast waarbij met name de inhoud, de draagwijdte en de wijze van toepassing van dat beginsel nader worden omschreven."
19 Naar aanleiding van deze laatste bepaling heeft de Raad richtlijn 79/7 vastgesteld. Die beoogt volgens artikel 1 de geleidelijke tenuitvoerlegging, voor wat betreft de sociale zekerheid en andere factoren van sociale bescherming, van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.
20 Volgens artikel 3, lid 1, sub a, is richtlijn 79/7 van toepassing op:
"de wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen de volgende eventualiteiten:
- ziekte, - invaliditeit, - ouderdom, - arbeidsongevallen en beroepsziekten, - werkloosheid".
21 Aan het in artikel 1 van richtlijn 79/7 neergelegde doel wordt uitvoering gegeven door artikel 4, lid 1, dat bepaalt:
"1. Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:
- de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de regelingen,
- de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening,
- de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de prestaties."
22 Volgens artikel 7, lid 1, doet richtlijn 79/7:
"(...) geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om van haar werkingssfeer uit te sluiten:
a) de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties (...)".
23 Van oordeel dat de oplossing van het voor hem aanhangig geschil een uitlegging van die bepalingen vereiste, heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Is de vaststelling van uiteenlopende leeftijdsgrenzen voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor de toegang tot vervroegd pensioen uit hoofde van artikel 16 van wet nr. 155/81, de ontbinding van de arbeidsverhouding en de berekening van de uitkeringen bij vervroegd pensioen in strijd met de genoemde richtlijnen (artikelen 1, 2, 3, 4 en 5 van richtlijn 79/7/EEG en de artikelen 1, 2 en 5 van richtlijn 76/207/EEG)?
2) Is het verschil in behandeling (op het vlak van de individuele arbeidsverhouding en de sociale zekerheid) dat het gevolg is van de vaststelling van uiteenlopende leeftijdsgrenzen, in strijd met de aangehaalde bepalingen van voornoemde richtlijnen, in een regeling als de Italiaanse, waarin de leeftijdsgrens voor het verrichten van beroepswerkzaamheden (de enige grens die voor vervroegde pensionering relevant is) zowel voor mannen als voor vrouwen is vastgesteld op 60 jaar?"
24 Vooraf moet worden opgemerkt, dat verzoekster in het hoofdgeding volgens de stukken aanspraak maakt op een krediet van aanvullende pensioenbijdragen van 5 jaar vanaf het tijdstip waarop zij met vervroegd pensioen is gegaan, dat dus wordt berekend zonder rekening te houden met de in artikel 16 van wet nr. 155/1981 als limiet gestelde pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen (55 jaar), en betoogt, dat in Italië vrouwen evenals mannen het recht hebben om tot de leeftijd van 60 jaar te blijven werken.
25 De verwijzende rechter lijkt dus in wezen te willen vernemen, of het in overeenstemming is met het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen om bij de berekening van de uitkeringen bij vervroegd pensioen naar geslacht verschillende leeftijdsgrenzen voor de toegang tot het pensioen aan te houden, en meer bepaald of, wanneer een Lid-Staat krachtens artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 een naar geslacht verschillende pensioengerechtigde leeftijd heeft vastgesteld, die bepaling hem ook toestaat te bepalen, dat de werknemers van een in staat van crisis verklaarde onderneming recht hebben op een krediet van aanvullende pensioenbijdragen met een maximum van 5 jaar, vanaf het tijdstip waarop zij met vervroegd pensioen zijn gegaan tot zij de leeftijd bereiken waarop hun rustpensioen ingaat, namelijk 55 jaar voor vrouwen en 60 jaar voor mannen.
26 In de eerste plaats zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof uitkeringen van sociale zekerheid, die bij wet worden vastgesteld en verplicht van toepassing zijn op algemene categorieën van werknemers, niet onder het begrip beloning in de zin van artikel 119, tweede alinea, van het Verdrag vallen (arresten van 25 mei 1971, zaak 80/70, Defrenne, Jurispr. 1971, blz. 445, r.o. 7 en 8; 17 mei 1990, zaak C-262/88, Barber, Jurispr. 1990, blz. I-1889, r.o. 22 en 23, en 17 februari 1993, zaak C-173/91, Commissie/België, Jurispr. 1993, blz. I-673, r.o. 14). Daarentegen vallen de wettelijke uitkeringen van sociale zekerheid binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7.
27 In casu vraagt de verwijzende rechter zich evenwel af of, aangezien artikel 16 van wet nr. 155/1981 van toepassing is op arbeidsverhoudingen binnen in staat van crisis verklaarde ondernemingen, het vervroegd pensioen voor de werknemer niet eerder een verplichting dan een keuze is, omdat hij anders zowel zijn recht op pensioen als zijn werk verliest.
28 In dat geval zou het vervroegd pensioen kunnen worden gelijkgesteld met ontslag, waarbij deze term in ruime zin aldus wordt opgevat dat hij mede de beëindiging van de arbeidsverhouding omvat, ook wanneer deze plaatsvindt in het kader van een stelsel van vervroegd pensioen. De toepasselijke richtlijn ware dan richtlijn 76/207, die in artikel 5, lid 1, discriminatie op grond van geslacht met betrekking tot de ontslagvoorwaarden verbiedt.
29 Deze analyse kan niet worden aanvaard. Zelfs wanneer de vervroegde pensionering het rechtstreekse gevolg is van het feit dat de onderneming waarbij de betrokken werknemer laatstelijk was tewerkgesteld, in staat van crisis verkeert, worden de uitkeringen bij vervroegd pensioen immers rechtstreeks bij wet geregeld en zijn zij verplicht van toepassing op bepaalde algemene categorieën van werknemers. Deze uitkeringen houden ook rechtstreeks en daadwerkelijk verband met de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7 bedoelde eventualiteit ouderdom, aangezien de toekenning ervan uit een vervroegde pensionering voortvloeit (zie in die zin arrest van 16 februari 1982, zaak 19/81, Burton, Jurispr. 1982, blz. 555, r.o. 12-15).
30 In ieder geval blijkt uit de stukken (en is door de betrokkene zelf ook niet betwist), dat de beëindiging van de werkzaamheden van Balestra in casu niet het gevolg is van een gedwongen ontslag, maar van een vrijwillig ontslag, slechts 5 maanden vóór de leeftijd waarop zij hoe dan ook recht had op pensioen.
31 Uit het voorgaande volgt, dat richtlijn 79/7 van toepassing is.
32 Gelet op deze richtlijn, kan voor een discriminatie tussen de geslachten in het kader van de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, slechts tijdelijk en in artikel 7, lid 1, sub a, een rechtvaardiging worden gevonden (arrest van 1 juli 1993, zaak C-154/92, Van Cant, Jurispr. 1993, blz. I-3811, r.o. 12). In alle andere gevallen zou een discriminatie in strijd zijn met artikel 4, lid 1, van die richtlijn, dat volgens de rechtspraak van het Hof voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is om door particulieren voor de nationale rechter te kunnen worden ingeroepen teneinde de toepassing van iedere met dat artikel strijdige bepaling te beletten (arresten van 4 december 1986, zaak 71/85, Federatie Nederlandse Vakbeweging, Jurispr. 1986, blz. 3855, r.o. 21, en 24 maart 1987, zaak 286/85, McDermott en Cotter, Jurispr. 1987, blz. 1453, r.o. 14).
33 Wanneer een Lid-Staat met toepassing van artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 voorziet in een voor mannen en vrouwen verschillende leeftijd voor de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen, is volgens vaste rechtspraak de werkingssfeer van de in artikel 7, lid 1, sub a, toegestane afwijking, die is geformuleerd als "en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties", beperkt tot de discriminaties in andere uitkeringsregelingen, die een objectieve en noodzakelijke band hebben met dat verschil in pensioengerechtigde leeftijd (zie onder meer arresten van 30 maart 1993, zaak C-328/91, Thomas e.a., Jurispr. 1993, blz. I-1247, r.o. 20, en 11 augustus 1995, zaak C-92/94, Graham e.a., Jurispr. 1995, blz. I-2521, r.o. 11).
34 Wanneer een Lid-Staat krachtens bedoelde bepaling de pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen op 55 jaar en voor mannen op 60 jaar heeft vastgesteld, moet dus worden nagegaan of de discriminatie van mannen of vrouwen in een andere uitkeringsregeling dan die van de pensioenen, een objectieve en noodzakelijke band heeft met dat verschil in leeftijd voor het recht op pensioen.
35 Dit is het geval indien deze discriminaties objectief noodzakelijk zijn om te vermijden, dat het financiële evenwicht van het sociale-zekerheidsstelsel wordt verstoord, of om de samenhang tussen het stelsel van de rustpensioenen en de andere uitkeringsregelingen te bewaren (zie voornoemde arresten Thomas, r.o. 12, en Graham, r.o. 12).
36 Vastgesteld moet worden, dat een wettelijk stelsel van vervroegd pensioen als dat in het hoofdgeding, vrouwen discrimineert op het punt van de wijze van berekening van hun uitkeringen bij vervroegd pensioen en, bijgevolg, van het bedrag van hun rustpensioen.
37 De discriminatie bestaat erin, dat wegens de inaanmerkingneming, bij de berekening van de aanvullende pensioenbijdrage, van naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarden voor het recht op pensioen, het rustpensioen van een vrouwelijke werknemer bij gelijke, werkelijk betaalde bijdragen in bepaalde gevallen lager kan zijn dan dat van een mannelijke werknemer.
38 Een vrouw die op de leeftijd van 55 jaar met pensioen gaat, heeft immers geen recht op een bijdragekrediet. Bij gelijke loopbaan, wat de werkelijk betaalde bijdragen betreft, zal van een man en een vrouw die beiden 55 jaar oud zijn, de man die met vervroegd pensioen gaat, dus een hogere uitkering ontvangen dan de vrouw die met pensioen gaat. Met andere woorden, bij gelijke, werkelijk betaalde bijdragen zal de vrouw ongeveer 5 jaar langer (tot 60 jaar) moeten werken om een zelfde pensioenbedrag te ontvangen als de man die op de leeftijd van 55 jaar met vervroegd pensioen gaat.
39 De vraag, of deze discriminatie een objectieve en noodzakelijke band heeft met de vaststelling van een naar geslacht verschillende pensioengerechtigde leeftijd, is de nationale rechter bevoegd te beantwoorden. Uit het arrest Thomas (reeds aangehaald, r.o. 13) blijkt echter, dat het Hof, om de verwijzende rechter een nuttig antwoord op zijn vraag te kunnen geven, bevoegd is om aanwijzingen te geven die de rechter in staat stellen uitspraak te doen.
40 Met betrekking tot de discriminatie die in het hoofdgeding aan de orde is, moet worden geconstateerd, dat zij een objectieve band heeft met de vaststelling van een verschillende pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen, voor zover zij rechtstreeks voortvloeit uit het feit, dat die leeftijd voor vrouwen op 55 en voor mannen op 60 jaar is vastgesteld. Zowel voor mannen als voor vrouwen geldt immers de regel, dat zij ten vroegste 5 jaar voor het bereiken van de leeftijd die recht geeft op rustpensioen, hun recht op vervroegd pensioen kunnen doen gelden, en dat zij voor de periode tussen het moment waarop zij met vervroegd pensioen gaan en de datum waarop zij die leeftijd bereiken, een krediet van pensioenbijdragen ontvangen.
41 Met betrekking tot de vraag, of die discriminatie ook een noodzakelijke band heeft met dat verschil in pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen, moet allereerst worden vastgesteld, dat kenmerkend voor het bij artikel 16 van wet nr. 155/1981 ingevoerde stelsel van vervroegd pensioen is, dat aan de werknemer voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een uitkering wordt toegekend, die wordt berekend op basis van de werkelijk betaalde bijdragen en van de fictieve verlenging van het tijdvak van bijdragebetaling voor de periode tot de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. De uitkering bij vervroegd pensioen is dus bedoeld om een inkomen te verzekeren aan degene die de arbeidsmarkt verlaat alvorens de leeftijd voor rustpensioen te hebben bereikt. Daarom bestaat er een samenhang tussen het stelsel van rustpensioenen en het betrokken stelsel van vervroegd pensioen.
42 Vervolgens dient te worden onderzocht, of de weigering om aan vrouwen, die inderdaad mogen blijven werken tot zij de leeftijd van 60 jaar bereiken, een bijdragekrediet toe te kennen voor de periode na hun 55ste verjaardag, vanaf welke zij op een rustpensioen aanspraak kunnen maken, noodzakelijk is om die samenhang te bewaren.
43 Dienaangaande kan in de eerste plaats worden opgemerkt, dat indien aan vrouwen die op een leeftijd tussen 50 en 55 jaar met vervroegd pensioen gaan, een bijdragekrediet van 5 jaar wordt toegekend, zonder rekening te houden met de leeftijdsgrens die wordt gevormd door de pensioengerechtigde leeftijd, die vrouwelijke werknemers, naarmate het tijdstip waarop zij met vervroegd pensioen gaan dichter bij de pensioengerechtigde leeftijd ligt, uiteindelijk een hoger pensioen blijken te ontvangen dan vrouwelijke werknemers die tot de leeftijd van 55 jaar bijdragen hebben betaald en met pensioen gaan, zonder voor een bijdragekrediet in aanmerking te komen.
44 In de tweede plaats zij erop gewezen, dat een dergelijk stelsel ook tot discriminatie van mannelijke werknemers kan leiden. Terwijl de mannelijke werknemer die op een leeftijd tussen 55 en 60 jaar met vervroegd pensioen gaat, slechts recht heeft op een bijdragekrediet voor de periode tussen het tijdstip waarop het vervroegd pensioen ingaat en het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, zou de vrouwelijke werknemer, die eveneens in de 5 jaar vóór haar recht op rustpensioen ingaat met vervroegd pensioen gaat, systematisch recht hebben op een bijdragekrediet van 5 jaar.
45 Bijgevolg moet worden opgemerkt, dat ook al mogen vrouwen inderdaad blijven werken tot zij de leeftijd van 60 jaar bereiken, de weigering om hun een bijdragekrediet toe te kennen voor de periode na hun 55ste verjaardag, vanaf welke zij op een rustpensioen aanspraak kunnen maken, noodzakelijk is om de samenhang tussen het stelsel van rustpensioenen en het betrokken stelsel van vervroegd pensioen te bewaren.
46 Mitsdien moet aan de verwijzende rechter worden geantwoord, dat wanneer een Lid-Staat krachtens artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 een naar geslacht verschillende pensioengerechtigde leeftijd heeft vastgesteld, die bepaling hem ook het recht geeft te bepalen, dat de werknemers van een in staat van crisis verklaarde onderneming recht hebben op een krediet van aanvullende pensioenbijdragen met een maximum van 5 jaar, vanaf het tijdstip waarop zij met vervroegd pensioen gaan tot zij de leeftijd bereiken waarop hun recht op rustpensioen ingaat, namelijk 55 jaar voor vrouwen en 60 jaar voor mannen, omdat het verschil in behandeling naar geslacht in de berekeningswijze van de uitkeringen bij vervroegd pensioen een objectieve en noodzakelijk band heeft met de vaststelling van een verschillende pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
47 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Pretura circondariale di Genova bij beschikking van 19 april 1995 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Wanneer een Lid-Staat krachtens artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, een naar geslacht verschillende pensioengerechtigde leeftijd heeft vastgesteld, geeft die bepaling hem ook het recht te bepalen, dat de werknemers van een in staat van crisis verklaarde onderneming recht hebben op een krediet van aanvullende pensioenbijdragen met een maximum van 5 jaar, vanaf het tijdstip waarop zij met vervroegd pensioen gaan tot zij de leeftijd bereiken waarop hun recht op rustpensioen ingaat, namelijk 55 jaar voor vrouwen en 60 jaar voor mannen, omdat het verschil in behandeling naar geslacht in de berekeningswijze van de uitkeringen bij vervroegd pensioen een objectieve en noodzakelijke band heeft met de vaststelling van een verschillende pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen.
Full & Egal Universal Law Academy