Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Gelijke beloning - Beloning - Begrip - Bij wet ingestelde pensioenregeling van overheidslichaam, die zowel werknemer als overlevende echtgenoot bescherming biedt tegen ouderdomsrisico en een door werkgever uit hoofde van dienstbetrekking betaald voordeel vormt - Daaronder begrepen
(EG-Verdrag, art. 119)
2 Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Gelijke beloning - Bij wet ingestelde ondernemingspensioenregeling - Ontstaan van recht op overlevingspensioen voor weduwnaars afhankelijk van voorwaarden die niet voor weduwen gelden - Ontoelaatbaarheid
(EG-Verdrag, art. 119)
3 Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Gelijke beloning - Artikel 119 EG-Verdrag - Toepasselijkheid op ondernemingspensioenregelingen - Recht om gelijke behandeling te vorderen voor uitkeringen toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990, door Protocol nr. 2 ad artikel 119, gehecht aan Verdrag betreffende Europese Unie, beperkt tot werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór 17 mei 1990 rechtsvordering hebben ingesteld - Instelling van rechtsvordering vóór die datum - Begrip
(EG-Verdrag, art. 119, Protocol nr. 2)
4 Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Gelijke beloning - Artikel 119 EG-Verdrag - Ondernemingspensioenregeling waarbij weduwnaars ter zake van overlevingspensioen worden gediscrimineerd - Toepassing op weduwnaars van voor weduwen geldende regeling
(EG-Verdrag, art. 119)
Samenvatting
5 Een pensioenregeling van een overheidslichaam als het Griekse openbare elektriciteitsbedrijf valt binnen de werkingssfeer van artikel 119 van het Verdrag en is dus onderworpen aan het bij dat artikel uitgevaardigde verbod van discriminatie op grond van geslacht. Het is namelijk niet van belang dat die regeling door de wetgever is ingesteld, omdat zij slechts voor een bijzondere categorie van werknemers geldt en de uitgekeerde pensioenen rechtstreeks afhankelijk zijn van het aantal dienstjaren en van het eindloon, zodat mag worden aangenomen, dat het pensioen wordt uitbetaald wegens de dienstbetrekking met het betrokken lichaam.
Een uit hoofde van een dergelijke regeling toegekend overlevingspensioen valt dus onder artikel 119.
6 Een nationale wettelijke bepaling volgens welke de toekenning van een weduwnaarspensioen, dat onder het begrip beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag valt, omdat het uit hoofde van een ondernemingspensioenregeling is toegekend, afhankelijk is van bijzondere voorwaarden, die niet voor weduwen gelden, is in strijd met artikel 119 en geen enkele regel van gemeenschapsrecht kan de handhaving ervan rechtvaardigen.
7 Protocol nr. 2 ad artikel 119 tot oprichting van de Europese Gemeenschap moet aldus worden uitgelegd, dat in het kader van een vóór 17 mei 1990 ingestelde rechtsvordering ter verkrijging van uitkeringen krachtens een ondernemingsregeling inzake sociale zekerheid, een beroep kan worden gedaan op artikel 119, ook al is het aanvankelijke beroep verworpen, omdat de betrokkene niet tevoren een bezwaarschrift had ingediend, wanneer de nationale rechter hem een nieuwe termijn voor de indiening van een dergelijk bezwaarschrift heeft gegund.
8 De tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke beloning vereist, dat aan weduwnaren die in het kader van een ondernemingspensioenregeling op grond van hun geslacht worden gediscrimineerd, dezelfde voordelen worden toegekend als die welke weduwen genieten, te weten een pensioen of een uitkering voor nabestaanden. Zodra namelijk een discriminatie op het gebied van de beloning is vastgesteld en zolang in het kader van de betrokken ondernemingsregeling geen maatregelen zijn getroffen om de gelijke behandeling tot stand te brengen, kan de naleving van artikel 119 slechts worden verzekerd door de leden van de benadeelde groep dezelfde voordelen toe te kennen als de leden van de bevoordeelde groep genieten.
Partijen
In zaak C-147/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Dioikitiko Efeteio Athinon (Griekenland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Dimosia Epicheirisi Ilektrismou (DEI)
en
E. Evrenopoulos,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag, het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini (rapporteur), kamerpresident, J. L. Murray, C. N. Kakouris, P. J. G. Kapteyn en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Dimosia Epicheirisi Ilektrismou (DEI), vertegenwoordigd door K. Papadimitriou, advocaat te Athene,
- E. Evrenopoulos, vertegenwoordigd door S. Spyliotopoulou-Koukouli, advocaat te Athene,
- de Griekse regering, vertegenwoordigd door P. Kamarineas, juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat, K. Grigoriou, procesgemachtigde bij deze dienst, en I. Galani-Maragkoudaki, adjunct-juridisch medewerker bij de bijzondere dienst communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door N. Paines, Barrister,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Gouloussis, juridisch adviseur, en M. Wolfcarius, lid van de juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Dimosia Epicheirisi Ilektrismou (DEI), vertegenwoordigd door K. Papadimitriou; E. Evrenopoulos, vertegenwoordigd door S. Spyliotopoulou-Koukouli; de Griekse regering, vertegenwoordigd door I. Galani-Maragkoudaki en V. Kontolaimos, adjunct-juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, bijgestaan door N. Paines, en de Commissie, vertegenwoordigd door D. Gouloussis, ter terechtzitting van 21 november 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 januari 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 30 maart 1995, ingekomen bij het Hof op 12 mei 1995, heeft de Dioikitiko Efeteio Athinon krachtens artikel 177 EG-Verdrag enkele prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag, het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: "Protocol nr. 2") en richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24, hierna: de "richtlijn").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Evrenopoulos en Dimosia Epicheirisi Ilektrismou (openbaar elektriciteitsbedrijf; hierna: "DEI") over de toekenning van een overlevingspensioen.
3 DEI is een rechtspersoonlijkheid bezittend overheidslichaam sui generis, dat voor het merendeel van haar taken, waaronder die van werkgever, onder het privaatrecht valt. Haar verzekeringsregeling, waaronder de pensioenverzekering, de ziektekostenverzekering en de sociale-bijstandsverzekering, is rechtstreeks ingesteld bij wet 4491/1966 (hierna: de "wet"), die bij uitsluiting de werking ervan regelt. De verzekeringsregeling wordt beheerd door een speciale afdeling die door de Raad van Bestuur van DEI is opgericht en die krachtens artikel 1 van de wet de "verzekeringsafdeling" wordt genoemd.
4 Krachtens artikel 2 van de wet is eenieder die een arbeidsverhouding met DEI heeft, alsmede zijn gezinsleden, verplicht bij de bedoelde regeling verzekerd.
5 Bij artikel 4 van de wet is een uit elf leden bestaande verzekeringsraad opgericht, die binnen DEI functioneert en bevoegd is om de door de betrokkenen vervulde tijdvakken van verzekering vast te stellen, te beslissen over de toekenning van de wettelijke uitkeringen en aan de Raad van Bestuur van DEI voorstellen te doen ter verbetering van de krachtens de wet voor het personeel van DEI geldende verzekeringsvoorwaarden.
6 Volgens artikel 8 van de wet wordt het bedrag van het krachtens die regeling toegekende pensioen berekend naar het salaris in het laatste dienstjaar; het pensioenbedrag staat in rechtstreeks verband met de vervulde diensttijd, omdat de voor de toekenning van het pensioen vereiste verzekeringsduur overeenkomt met de duur van de dienstbetrekking bij DEI.
7 Artikel 9, lid 1, sub a, van de wet (hierna: de "betwiste bepaling") bepaalt, dat "in geval van overlijden van de pensioengerechtigde of de verzekerde (...) de weduwe, en wanneer de verzekerde een vrouw is, de weduwnaar die geen middelen van bestaan heeft, volledig arbeidsongeschikt is en gedurende de gehele periode van vijf jaar voorafgaande aan haar overlijden door haar werd onderhouden, recht op pensioen heeft".
8 De echtgenote van Evrenopoulos was werkzaam bij DEI. Na haar overlijden verzocht Evrenopoulos bij brief van 20 januari 1989 de directeur van de personeelsverzekeringen van DEI (hierna: de "directeur") om toekenning van een overlevingspensioen.
9 Aangezien de directeur het verzoek niet binnen drie maanden na indiening ervan beantwoordde, stelde Evrenopoulos op 12 juni 1989 bij de Dioikitiko Protodikeio Athinon beroep tot nietigverklaring in tegen de daaruit volgende stilzwijgende afwijzing van zijn verzoek.
10 Op 21 september 1989 wees de directeur het verzoek van Evrenopoulos af, omdat hij niet aan de in de betwiste bepaling gestelde eisen zou voldoen. Evrenopoulos heeft daarop zijn bij de Dioikitiko Protodikeio Athinon ingestelde beroep uitgebreid tot dit uitdrukkelijke afwijzingsbesluit.
11 Bij uitspraak van 26 november 1990 verklaarde de Dioikitiko Protodikeio Athinon het beroep tegen het stilzwijgende afwijzingsbesluit van de directeur ontvankelijk. Het beroep tegen het uitdrukkelijke afwijzingsbesluit werd evenwel verworpen, omdat Evrenopoulos niet tevoren bij de verzekeringsraad een bezwaarschrift tegen het besluit van de directeur had ingediend. Aangezien de directeur hem niet in kennis had gesteld van de verplichting tot indiening van een dergelijk bezwaarschrift, gunde de rechter Evrenopoulos evenwel een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf 26 november 1990, om zulks alsnog te doen.
12 Het op 4 februari 1991 door Evrenopoulos bij de verzekeringsraad ingediende bezwaarschrift werd op 26 maart daaraanvolgend afgewezen om dezelfde redenen als die welke in het besluit van de directeur waren vermeld.
13 Op 2 mei 1991 stelde Evrenopoulos bij de Dioikitiko Protodikeio Athinon beroep in tegen de beslissing van de verzekeringsraad. Bij uitspraak van 16 april 1992 verklaarde dit gerecht de betwiste bepaling ongeldig en niet van toepassing wegens strijd met het in de artikelen 4 en 116 van de Griekse Grondwet en in het gemeenschapsrecht neergelegde verbod van discriminatie op grond van geslacht. Bijgevolg werd het besluit van de verzekeringsraad van DEI nietig verklaard.
14 DEI stelde tegen deze uitspraak hoger beroep in bij de verwijzende rechter, die besloot de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
"1) Is de (...) verzekeringsregeling van DEI een ondernemingsregeling of een wettelijk stelsel?
2) Is artikel 119 EG-Verdrag of richtlijn 79/7 op de regeling en, in het bijzonder op de daarin voorziene uitkeringen voor nabestaanden van toepassing?
3) Is artikel 9, lid 1, sub a, van wet nr. 4491/1966 in strijd met artikel 119 EG-Verdrag?
4) Mag deze bepaling op grond van enige andere gemeenschapsregel in stand blijven?
5) Is artikel 119 EG-Verdrag op de onderhavige zaak van toepassing, gelet op Protocol nr. 2 bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en op het feit, dat geïntimeerde zijn oorspronkelijke vordering vóór 17 mei 1990, namelijk op 12 juni 1989, heeft ingesteld, maar deze vordering bij uitspraak nr. 8361/1990 van de Dioikitiko Protodikeio Athinon is afgewezen, omdat geen bezwaarschrift tegen het besluit van de directeur personeelsverzekeringen was ingediend (administratief beroep), en in die uitspraak hem een termijn van drie maanden voor de indiening van dat bezwaarschrift is gegund?
6) Bij een bevestigend antwoord op de derde en de vijfde vraag: heeft een weduwnaar die ingevolge die bepaling (artikel 9, lid 1, sub a, van wet nr. 4491/1966) geen pensioen of andere uitkering voor nabestaanden ontvangt, recht op pensioen en uitkeringen voor nabestaanden onder dezelfde voorwaarden als voor weduwen gelden?"
De eerste en de tweede vraag
15 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de uit hoofde van een pensioenregeling als de verzekeringsregeling van DEI toegekende uitkeringen binnen de werkingssfeer van artikel 119 van het Verdrag vallen.
16 DEI en de Griekse regering betogen, dat de verzekeringsregeling van DEI een wettelijk stelsel is dat niet binnen de werkingssfeer van artikel 119 valt. In dat verband beklemtoont DEI, dat het gaat om een rechtstreeks ingesteld en bij uitsluiting door de wet beheerste regeling, die zij in haar hoedanigheid van publiekrechtelijk rechtspersoon zelf beheert. Bovendien is de regeling niet door een eenzijdige beslissing van de werkgever of na onderhandeling of overleg tussen sociale partners tot stand gekomen, wordt de wijze van functioneren ervan bepaald door overwegingen van sociaal beleid en niet door de dienstbetrekking, en ten slotte vormt zij geen aanvulling op een ander algemeen verzekeringsstelsel, omdat de uitkeringen ervan niet geheel of gedeeltelijk in de plaats van die van een ander algemeen verzekeringsstelsel komen. Om deze redenen zijn DEI en de Griekse regering van mening, dat de regeling niet in overeenstemming is met de door het Hof opgestelde criteria voor de uitlegging van het begrip "beloning" in de zin van artikel 119.
17 Verder zijn zij van mening, dat richtlijn 79/7 evenmin op de feiten van het hoofdgeding van toepassing is, omdat artikel 3, lid 2, de prestaties aan nagelaten betrekkingen van haar werkingssfeer uitsluit.
18 Evrenopoulos, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie zijn eveneens van mening, dat de richtlijn niet op de feiten van het hoofdgeding van toepassing is. Artikel 119 achten zij daarentegen wel van toepassing op de verzekeringsregeling van DEI. Aangezien de regeling enkel een bijzondere categorie van werknemers betreft, de betrokken uitkering rechtstreeks afhankelijk is van de vervulde diensttijd en het bedrag ervan wordt berekend op basis van het laatste dienstjaar, is zij in wezen gekoppeld aan de dienstbetrekking en voldoet zij dus aan de beslissende criteria om de pensioenen waarop zij recht geeft als beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag aan te merken.
19 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd, dat het Hof meermaals heeft verklaard, dat enkel het criterium dat is ontleend aan de vaststelling, dat het pensioen aan de werknemer wordt uitgekeerd op grond van de arbeidsverhouding tussen de betrokkene en de voormalige werkgever, dat wil zeggen het aan de bewoordingen van artikel 119 ontleende criterium van de dienstbetrekking, beslissend kan zijn (arrest van 28 september 1994, zaak C-7/93, Beune, Jurispr. 1994, blz. I-4471, r.o. 43).
20 Zoals het Hof heeft erkend, kan aan dit criterium geen exclusief karakter worden toegekend, omdat bij pensioenen die op grond van wettelijke regelingen van sociale zekerheid worden uitgekeerd, geheel of gedeeltelijk rekening kan worden gehouden met het arbeidsloon (arrest Beune, reeds aangehaald, r.o. 44).
21 Overwegingen van sociaal beleid, betreffende de organisatie van de staat, van ethische of zelfs van budgettaire aard, die een rol hebben of kunnen hebben gespeeld toen de nationale wetgever een regeling vaststelde, kunnen echter niet doorslaggevend zijn indien het pensioen slechts geldt voor een bijzondere categorie van werknemers, indien het rechtstreeks afhankelijk is van het aantal dienstjaren en indien het bedrag ervan wordt berekend op basis van het eindloon (arrest Beune, reeds aangehaald, r.o. 45).
22 Bovendien moet eraan worden herinnerd, dat een overlevingspensioen waarin een ondernemingspensioenregeling voorziet, een voordeel is dat voortvloeit uit de aansluiting van de echtgenoot van de nabestaande bij de regeling en dus binnen de werkingssfeer van artikel 119 valt (arresten van 6 oktober 1993, zaak C-109/91, Ten Oever, Jurispr. 1993, blz. I-4879, r.o. 13 en 14, en 28 september 1994, zaak C-200/91, Coloroll Pension Trustees, Jurispr. 1994, blz. I-4389, r.o. 18).
23 Uit het voorgaande volgt, dat een overlevingspensioen dat wordt uitgekeerd door een ondernemingspensioenregeling als die in het hoofdgeding en dat in wezen afhankelijk is van de door de echtgenote van de betrokkene vervulde dienstbetrekking, aan haar toenmalige salaris is gekoppeld en onder artikel 119 van het Verdrag valt.
24 Op de eerste en de tweede vraag moet dus worden geantwoord, dat de uitkeringen die worden toegekend uit hoofde van een pensioenregeling als de verzekeringsregeling van DEI, overlevingspensioenen daaronder begrepen, binnen de werkingssfeer van artikel 119 van het Verdrag vallen.
De derde en de vierde vraag
25 Met deze vragen wenst de verwijzende rechter in de eerste plaats te vernemen, of artikel 119 van het Verdrag zich verzet tegen de toepassing van een nationale bepaling die de toekenning van een weduwnaarspensioen dat onder het begrip beloning van dat artikel valt, afhankelijk stelt van bijzondere voorwaarden die niet voor weduwen gelden, en in de tweede plaats, of een dergelijke bepaling op grond van een gemeenschapsregel in stand kan blijven.
26 Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren, dat artikel 119 elke discriminatie tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers op het gebied van de beloning verbiedt, ongeacht het stelsel waarvan deze ongelijkheid het gevolg is (arrest van 17 mei 1990, zaak C-262/88, Barber, Jurispr. 1990, blz. I-1889, r.o. 32).
27 Blijkens de stukken van het hoofdgeding worden mannen door de betwiste bepaling rechtstreeks gediscrimineerd, want de ongelijke behandeling ontstaat doordat de toekenning van een weduwnaarspensioen dat onder het begrip beloning in de zin van artikel 119 valt, is onderworpen aan bijzondere voorwaarden die niet voor weduwen gelden.
28 Het is duidelijk, dat geen regel van gemeenschapsrecht de handhaving van een dergelijke discriminerende bepaling kan rechtvaardigen.
29 Op de derde en de vierde vraag moet dus worden geantwoord, dat artikel 119 van het Verdrag zich verzet tegen de toepassing van een nationale bepaling die de toekenning van een weduwnaarspensioen dat onder het begrip beloning in de zin van dat artikel valt, afhankelijk stelt van bijzondere voorwaarden die niet voor weduwen gelden, en dat geen regel van gemeenschapsrecht de handhaving van die bepaling kan rechtvaardigen.
De vijfde vraag
30 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of Protocol nr. 2 aldus moet worden uitgelegd, dat artikel 119 van het Verdrag kan worden ingeroepen in het kader van een vóór 17 mei 1990, de datum van het arrest Barber, ingestelde rechtsvordering ter verkrijging van uitkeringen krachtens een ondernemingsregeling inzake sociale zekerheid, ook al is het aanvankelijke beroep verworpen omdat de betrokkene geen voorafgaand bezwaarschrift had ingediend.
31 DEI betoogt, dat wegens de in Protocol nr. 2 opgenomen beperking in de tijd van de gevolgen van het arrest Barber, artikel 119 in een zaak als het hoofdgeding niet van toepassing is. Door op 12 juni 1989 bij de Dioikitiko Protodikeio beroep in te stellen zonder tevoren bij de verzekeringsraad van DEI een bezwaarschrift in te dienen, heeft Evrenopoulos niet voldaan aan de door het nationale recht gestelde procedurele vereisten, zodat dit beroep niet kan worden beschouwd als "een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering" in de zin van Protocol nr. 2. Volgens DEI kan het beroep in het hoofdgeding op zijn vroegst worden geacht te zijn ingesteld op 4 februari 1991, op welke datum Evrenopoulos het bezwaarschrift bij de verzekeringsraad van DEI heeft ingediend, en dus na de uitspraak van het arrest Barber.
32 Evrenopoulos, daarbij gesteund door de Commissie, is van mening, dat hij reeds op 12 juni 1989, de datum waarop hij bij de Dioikitiko Protodikeio Athinon in beroep ging tegen het stilzwijgende afwijzingsbesluit van de directeur, een rechtsvordering in de zin van Protocol nr. 2 heeft ingesteld. Zijns inziens doet de te late indiening van zijn bezwaarschrift bij de verzekeringsraad daaraan niets af. Hij erkent weliswaar, dat hij naar Grieks recht niet rechtstreeks in beroep kon komen bij de bevoegde nationale rechter zonder een handeling of nalaten van de directeur uit te lokken, doch stelt dat toen hij geen antwoord kreeg, hij zijns inziens het recht had een rechtsvordering in te stellen en nietigverklaring te vorderen van het nalaten te beslissen, dat is te beschouwen als een impliciete weigering het pensioen toe te kennen.
33 De Commissie voegt hieraan toe, dat de betrokkene, ook al is het eerste beroep om procedurele redenen verworpen, toch vóór 17 mei 1990 de inbreuk op het hem door artikel 119 verleende recht bij de nationale rechter aanhangig heeft gemaakt; de Dioikitiko Protodikeio heeft het beroep van 12 juni 1989 immers ontvankelijk verklaard voor zover het het stilzwijgende afwijzingsbesluit van de directeur betrof. Hij zou dus in aanmerking moeten kunnen komen voor de in Protocol nr. 2 bedoelde uitzondering.
34 De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft aanvankelijk gesteld, dat de betrokkene, wanneer hij zich niet aan de in de nationale procedureregels gestelde termijnen heeft gehouden, geen beroep kan doen op de in Protocol nr. 2 bedoelde uitzondering. Dit zou anders zijn, wanneer hij volgens het geldende nationale recht hoger beroep kon instellen tegen de verwerping van zijn eerdere beroep. Ter terechtzitting heeft de regering van het Verenigd Koninkrijk evenwel betoogd, dat wanneer Evrenopoulos wél de naar Grieks recht juiste procedure heeft gevolgd, de latere beslissingen van de Griekse rechterlijke instanties moeten worden beschouwd als even zovele fases van een procedure die op 12 juni 1989 is begonnen. In dit geval zou de beperking in de tijd van de gevolgen van het arrest Barber niet op het verzoek van Evrenopoulos van toepassing zijn.
35 In de rechtsoverwegingen 44 en 45 van het arrest Barber heeft het Hof verklaard, dat om dringende redenen van rechtszekerheid op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag geen beroep kan worden gedaan om aanspraak te maken op een pensioen vanaf een tijdstip gelegen vóór 17 mei 1990. Niettemin heeft het Hof een uitzondering gemaakt voor personen die tijdig het initiatief hebben genomen om hun rechten veilig te stellen, namelijk voor werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld.
36 Deze beperking komt eveneens voor in Protocol nr. 2, dat het volgende bepaalt: "Voor de toepassing van artikel 119 van het Verdrag worden uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid niet als beloning beschouwd indien en voor zover zij kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld."
37 Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie opmerkt, spreekt het vanzelf, dat rechtsvorderingen of daarmee gelijk te stellen vorderingen op grond waarvan volgens het arrest Barber en Protocol nr. 2 een uitzondering kan worden gemaakt op de daarin gestelde beperking in de tijd, in overeenstemming met de in de betrokken Lid-Staat geldende procedureregels moeten zijn ingesteld.
38 In casu was het eerste beroep van Evrenopoulos weliswaar gericht tegen de stilzwijgende afwijzing van zijn verzoek om toekenning van een pensioen en werd dat beroep door de nationale rechter in eerste aanleg verworpen, voor zover het tot het uitdrukkelijke afwijzingsbesluit van de directeur was uitgebreid, niettemin heeft die rechter hem een termijn van drie maanden gegund om bij de verzekeringsraad een bezwaarschrift tegen dit besluit in te dienen, wat hij ook heeft gedaan, en heeft Evrenopoulos vervolgens een tweede beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn bezwaarschrift door deze raad. In het hoger beroep bij de verwijzende rechter gaat het om de beslissing van de nationale rechter in eerste aanleg op dit tweede beroep.
39 De gerechtelijke procedure tussen Evrenopoulos en DEI is dus begonnen met de instelling van het eerste beroep bij de Dioikitiko Protodikeio op 12 juni 1989 en dus vóór 17 mei 1990, de datum van het arrest Barber.
40 Op de vijfde vraag moet dus worden geantwoord, dat Protocol nr. 2 aldus moet worden uitgelegd, dat in het kader van een vóór 17 mei 1990 ingestelde rechtsvordering ter verkrijging van uitkeringen krachtens een ondernemingsregeling inzake sociale zekerheid een beroep op artikel 119 van het Verdrag kan worden gedaan, ook al is die vordering niet-ontvankelijk verklaard omdat de betrokkene niet tevoren een bezwaarschrift had ingediend, wanneer de nationale rechter hem een nieuwe termijn voor de indiening van een dergelijk bezwaarschrift heeft gegund.
De zesde vraag
41 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 119 van het Verdrag vereist, dat weduwnaars die het slachtoffer zijn van een door deze bepaling verboden discriminatie, een pensioen of een andere uitkering voor nabestaanden verkrijgen onder dezelfde voorwaarden als weduwen.
42 In dit verband moet eraan worden herinnerd, dat het Hof in rechtsoverweging 32 van zijn arrest Coloroll Pension Trustees (reeds aangehaald) verklaarde, dat zodra het Hof een discriminatie op het gebied van de beloning heeft vastgesteld en zolang in het kader van de regeling geen maatregelen zijn getroffen om gelijke behandeling tot stand te brengen, de naleving van artikel 119 slechts kan worden verzekerd, door de leden van de benadeelde groep dezelfde voordelen toe te kennen als de leden van de bevoordeelde groep genieten.
43 Hieruit volgt, dat een weduwnaar in de situatie van Evrenopoulos een uitkering dient te ontvangen onder dezelfde voorwaarden als voor weduwen gelden.
44 Op de zesde vraag moet dus worden geantwoord, dat artikel 119 van het Verdrag vereist, dat weduwnaars die het slachtoffer zijn van een door deze bepaling verboden discriminatie, een pensioen of een andere uitkering voor nabestaanden verkrijgen onder dezelfde voorwaarden als weduwen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
45 De kosten door de Griekse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Dioikitiko Efeteio Athinon bij arrest van 30 maart 1995 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De uitkeringen die uit hoofde van een pensioenregeling als de verzekeringsregeling van Dimosia Epicheirisi Ilektrismou worden toegekend, daaronder begrepen de overlevingspensioenen, vallen binnen de werkingssfeer van artikel 119 EG-Verdrag.
2) Artikel 119 EG-Verdrag verzet zich tegen de toepassing van een nationale bepaling die de toekenning van een weduwnaarspensioen dat onder het begrip beloning in de zin van dat artikel valt, afhankelijk stelt van bijzondere voorwaarden die niet voor weduwen gelden; geen regel van gemeenschapsrecht kan de handhaving van die bepaling rechtvaardigen.
3) Het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap moet aldus worden uitgelegd, dat in het kader van een vóór 17 mei 1990 ingestelde rechtsvordering ter verkrijging van uitkeringen krachtens een ondernemingsregeling inzake sociale zekerheid een beroep kan worden gedaan op artikel 119, ook al is die vordering niet-ontvankelijk verklaard omdat de betrokkene niet tevoren een bezwaarschrift had ingediend, wanneer de nationale rechter hem een nieuwe termijn voor de indiening van een dergelijk bezwaarschrift heeft gegund.
4) Artikel 119 EG-Verdrag vereist, dat weduwnaars die het slachtoffer zijn van een door deze bepaling verboden discriminatie, een pensioen of een andere uitkering voor nabestaanden verkrijgen onder dezelfde voorwaarden als weduwen.
Full & Egal Universal Law Academy