Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen - Toetreding van nieuwe verdragsluitende staten - Spanje - Portugal - Overgangsbepalingen - Aanhangigheid - Vorderingen welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, in twee verschillende verdragsluitende staten aanhangig tussen dezelfde partijen - Instelling van eerste vordering vóór en van tweede vordering na inwerkingtreding van toetredingsverdrag tussen beide staten - Toepassing van artikel 21 van Executieverdrag door Gerecht waarbij zaak het laatst is aangebracht - Voorwaarden
(Verdrag van 27 september 1968, art. 21; Toetredingsverdrag van 1989, art. 29)
Samenvatting
Artikel 29, lid 1, van het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer in twee verschillende verdragsluitende staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, waarvan de eerste vóór de datum van inwerkingtreding, tussen deze staten, van voormeld verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en de tweede na die datum is aangebracht, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht artikel 21 van dit laatste verdrag moet toepassen, indien het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, zich bevoegd heeft verklaard op basis van een regel die overeenkomt met de bepalingen van titel II van dit verdrag of met de bepalingen van een verdrag dat tussen de twee betrokken staten van kracht was toen de vordering werd aangebracht, en dit artikel voorlopig moet toepassen, indien het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, zich nog niet over zijn bevoegdheid heeft uitgesproken.
Daarentegen dient het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, artikel 21 van het verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken niet toe te passen, indien het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, zich bevoegd heeft verklaard op basis van een regel die niet overeenkomt met de bepalingen van titel II van dit verdrag, of met de bepalingen van een verdrag dat tussen die twee staten van kracht was toen de vordering werd aangebracht.
Partijen
In zaak C-163/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van het House of Lords, in het aldaar aanhangig geding tussen
E. Freifrau von Horn
en
K. Cinnamond,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 21 van bovengenoemd Verdrag van 27 september 1968 (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB 1978, L 304, blz. 1, en - gewijzigde tekst - blz. 77), bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB 1982, L 388, blz. 1) en bij het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB 1989, L 285, blz. 1), alsook van artikel 29 van voormeld verdrag van 26 mei 1989,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: H. Ragnemalm, kamerpresident, G. F. Mancini (rapporteur), P. J. G. Kapteyn, J. L. Murray en G. Hirsch, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- E. von Horn, vertegenwoordigd door Forsyte, Saunders en Kerman, Solicitors,
- K. Cinnamond, vertegenwoordigd door N. Forwood, QC, en P. Brunner, Barrister, geïnstrueerd door D. Henshall, Solicitor,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Nicoll, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door D. L. Jones, Barrister,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Khan, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van K. Cinnamond, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie ter terechtzitting van 24 april 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 mei 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 25 mei 1995, ingekomen bij het Hof op 29 mei daaraanvolgend, heeft het House of Lords krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, twee prejudiciële vragen gesteld betreffende de uitlegging van artikel 21 van voormeld verdrag van 27 september 1968 (PB 1972, L 299, blz. 32; hierna: "Executieverdrag"), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland (PB 1978, L 304, blz. 1, en - gewijzigde tekst - blz. 77), bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB 1982, L 388, blz. 1) en bij het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB 1989, L 285, blz. 1, hierna: "Verdrag van San Sebastián"), alsook van artikel 29 van het Verdrag van San Sebastián.
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen von Horn, woonachtig in Portugal, en Cinnamond, woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, over de betaling van een geldsom die von Horn van laatstgenoemde vordert ter zake van de verkoop aan een vennootschap te Gibraltar van aandelen in een vastgoedmaatschappij.
3 Op 27 augustus 1991 dagvaardde Cinnamond von Horn voor het Tribunal de Circulo de Portimão (Portugal) om te doen vaststellen, dat hij haar het bedrag van 600 000 UKL of het overeenkomstige bedrag in escudo's niet verschuldigd was. In het kader van dit geding diende von Horn een tegeneis in teneinde te doen vaststellen, dat Cinnamond haar het bedrag van 600 000 UKL verschuldigd was, en ter verkrijging van een betalingsbevel.
4 Op 9 november 1992 stelde von Horn bij de High Court of Justice beroep in, dat op 18 november daaraanvolgend aan Cinnamond werd betekend. Het strekte ertoe, betaling van het bedrag van 600 000 UKL ter zake van de verkoop van aandelen of, subsidiair, schadevergoeding te verkrijgen. Op 27 november 1992 wierp Cinnamond de onbevoegdheid van dit laatste gerecht op. Op 5 maart 1993 werd de behandeling van de zaak geschorst. Op 21 april 1993 wees een rechter van de High Court het beroep van von Horn tegen deze schorsing toe. Cinnamond ging van deze beslissing in hoger beroep bij de Court of Appeal, die het hoger beroep bij arrest van 25 februari 1994 afwees. Op 19 juli daaraanvolgend kreeg Cinnamond van het House of Lords verlof tot hogere voorziening voor deze instantie.
5 Van oordeel dat het geschil vragen van uitlegging van het Executieverdrag en van het Verdrag van San Sebastián deed rijzen, heeft het House of Lords de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"Wanneer
a) voor gerechten van twee verschillende verdragsluitende staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten;
b) de vordering die het eerst werd ingediend, in verdragsluitende staat A is aangebracht vóór de inwerkingtreding in die staat van het Executieverdrag en/of enig toepasselijk toetredingsverdrag;
c) de tweede vordering in verdragsluitende staat B is aangebracht overeenkomstig artikel 2 Executieverdrag, nadat dit verdrag en/of enig toepasselijk toetredingsverdrag zowel in staat A als in staat B in werking is getreden;
en gelet op artikel 29, lid 1, van het Verdrag van San Sebastián en de overeenkomstige artikelen van enig ander toepasselijk toetredingsverdrag en artikel 21 Executieverdrag (zoals gewijzigd),
1) bevatten dan het Executieverdrag (zoals gewijzigd) en/of enig toepasselijk toetredingsverdrag voorschriften - en zo ja, welke - met betrekking tot de vraag, of het gerecht in staat B gerechtigd of gehouden is, zijn uitspraak aan te houden of zich onbevoegd te verklaren op grond dat in staat A een vordering aanhangig is?
en in het bijzonder
2) is het gerecht waarbij de zaak het laatst aanhangig is gemaakt, teneinde te beslissen of het zich met betrekking tot de bij hem aanhangige vordering al dan niet onbevoegd moet verklaren dan wel zijn uitspraak moet aanhouden, gehouden of gerechtigd - en zo ja, hoe - te onderzoeken, op welke grondslag het eerst aangezochte gerecht zich bevoegd heeft verklaard?"
6 Ter beantwoording van deze vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, zij er om te beginnen aan herinnerd dat artikel 21 van het Executieverdrag, zoals gewijzigd bij artikel 8 van het Verdrag van San Sebastián, luidt als volgt:
"Wanneer voor gerechten van verschillende verdragsluitende Staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.
Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd."
7 Artikel 29 van het Verdrag van San Sebastián luidt als volgt:
"1. Het Verdrag van 1968 en het Protocol van 1971, als gewijzigd bij het Verdrag van 1978, bij het Verdrag van 1982 en bij dit Verdrag, zijn slechts van toepassing op rechtsvorderingen ingesteld en op authentieke akten verleden na de inwerkingtreding van dit Verdrag in de Staat van herkomst en, wanneer wordt verzocht om erkenning of tenuitvoerlegging van een beslissing of een authentieke akte, in de aangezochte Staat.
2. Evenwel worden de beslissingen, gegeven na de dag van inwerkingtreding van dit Verdrag in de betrekkingen tussen de Staat van herkomst en de aangezochte Staat naar aanleiding van vóór deze dag ingestelde vorderingen, erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig de bepalingen van titel III van het Verdrag van 1968, als gewijzigd bij het Verdrag van 1978, bij het Verdrag van 1982 en het onderhavige Verdrag, indien de bevoegdheid berustte op regels die overeenkomen met de bepalingen van de gewijzigde titel II van het Verdrag van 1968, of met de bepalingen neergelegd in een verdrag dat tussen de Staat van herkomst en de aangezochte Staat van kracht was op het ogenblik dat de vordering werd ingesteld."
8 Ingevolge artikel 32, lid 2, is het Verdrag van San Sebastián tussen Portugal en het Verenigd Koninkrijk van kracht geworden op de eerste dag van de derde maand volgende op het neerleggen van de laatste akte van bekrachtiging, dat wil zeggen op 1 juli 1992.
9 De regel die de toepassing in de tijd van artikel 21 Executieverdrag beheerst, is derhalve die van artikel 29, lid 1, van het Verdrag van San Sebastián. Aan de hand van deze bepaling kan evenwel niet met zekerheid worden bepaald, of de regels inzake aanhangigheid van artikel 21 Executieverdrag toepasselijk zijn, wanneer de eerste vordering in een verdragsluitende staat is aangebracht vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van San Sebastián, terwijl de tweede na die datum in een andere verdragsluitende staat is aangebracht, dan wel of beide vorderingen na de inwerkingtreding van het Verdrag van San Sebastián moeten zijn aangebracht.
10 Ofschoon artikel 21 deel uitmaakt van de in titel II van het Executieverdrag opgenomen regels die de bevoegdheid van het aangezochte gerecht bepalen, schrijft het dit laatste voor, zijn uitspraak aan te houden en zich in voorkomend geval onbevoegd te verklaren wanneer voor het gerecht van een andere verdragsluitende staat een vordering aanhangig is. Anders dan andere procedureregels, impliceert het dus noodzakelijkerwijs, dat rekening wordt gehouden met een andere vordering, die vóór of na de inwerkingtreding van het verdrag kan zijn aangebracht.
11 Waar artikel 29, lid 1, van het Verdrag van San Sebastián bepaalt, dat op na de inwerkingtreding van dit verdrag aangebrachte rechtsvorderingen het Executieverdrag van toepassing is, preciseert het evenwel geenszins, of in het in artikel 21 Executieverdrag bedoelde geval waarin voor de gerechten van verschillende verdragsluitende staten vorderingen aanhangig zijn, alle vorderingen na de inwerkingtreding moeten zijn aangebracht, of dat het volstaat indien zulks het geval is met de vordering voor het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht.
12 De meeste taalversies van artikel 21 Executieverdrag verwijzen naar de indiening van de vorderingen en lijken er dus op te wijzen, dat artikel 29, lid 1, van het Verdrag van San Sebastián aldus moet worden uitgelegd, dat het voormeld artikel 21 slechts toepasselijk verklaart indien alle vorderingen na de inwerkingtreding van het verdrag zijn aangebracht. De Duitse versie ["werden (...) anhängig gemacht"] en de Nederlandse ("aanhangig zijn") doelen evenwel op de situatie waarin de procedure aanhangig is en rechtvaardigen derhalve de conclusie, dat ingevolge artikel 29, lid 1, de regel van artikel 21 van toepassing is wanneer er sprake is van aanhangigheid bij het laatst aangezochte gerecht na de inwerkingtreding van het Verdrag van San Sebastián.
13 Anderzijds kunnen de twee in rechtsoverweging 9 van het onderhavige arrest vermelde uitleggingen ook resultaten opleveren die weinig bevredigend zijn en in strijd zijn met de doelstellingen van het Executieverdrag, zoals deze in de aanhef hiervan worden uiteengezet. Het gaat hierbij inzonderheid om vergemakkelijking van de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en om vergroting van de rechtsbescherming van de binnen de Gemeenschap gevestigde personen. Inzonderheid met betrekking tot artikel 21 heeft het Hof herhaaldelijk erop gewezen dat deze bepaling, samen met artikel 22, betreffende samenhang, deel uitmaakt van afdeling 8 van titel II van het Executieverdrag, welke afdeling ertoe strekt om, in het belang van een goede rechtsbedeling in de Gemeenschap, parallelle vorderingen voor de gerechten van verschillende verdragsluitende staten en tegenstrijdige beslissingen die daarvan het gevolg zouden kunnen zijn, te vermijden. Deze regeling wil derhalve zoveel mogelijk van meet af aan uitsluiten, dat er een situatie ontstaat als bedoeld in artikel 27, sub 3, te weten de niet-erkenning van een beslissing op grond dat zij onverenigbaar is met een beslissing die in de aangezochte staat tussen dezelfde partijen is gegeven (zie arresten van 8 december 1987, zaak 144/86, Gubisch Maschinenfabrik, Jurispr. 1987, blz. 4861, r.o. 8, en 27 juni 1991, zaak C-351/89, Overseas Union Insurance e.a., Jurispr. 1991, blz. I-3317, r.o. 16).
14 De stelling dat artikel 21 van toepassing is mits de tweede procedure na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van San Sebastián aanhangig is gemaakt, ook al was de eerste vordering vóór die datum aangebracht, zou erop neer kunnen komen, dat partijen bij het geding geen beslissing kunnen krijgen die ten uitvoer kan worden gelegd in de verdragsluitende staat waarin de tweede procedure aanhangig is. De rechter waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zou namelijk zijn uitspraak moeten aanhouden en zich in voorkomend geval onbevoegd moeten verklaren op grond dat voor een gerecht van een andere verdragsluitende staat een procedure aanhangig is, ook al zouden de erkenning en de tenuitvoerlegging van de in het kader van deze laatste procedure gegeven beslissing in de aangezochte staat onmogelijk kunnen blijken. Dit laatste zou ingevolge artikel 29, lid 2, van het Verdrag van San Sebastián onder meer het geval kunnen zijn, indien de bevoegdheid van het gerecht van de verdragsluitende staat van herkomst berustte op regels die niet overeenkomen met titel II van het Executieverdrag of met de bepalingen van een verdrag dat tussen de staat van herkomst en de aangezochte staat van kracht was toen de vordering werd ingediend.
15 De tegenovergestelde stelling, te weten dat artikel 21 slechts toepasselijk is indien beide vorderingen na de inwerkingtreding van het Verdrag van San Sebastián zijn aangebracht, zou daarentegen tot gevolg hebben dat beide procedures in de twee verdragsluitende staten worden voortgezet, in voorkomend geval tot de uitspraak van twee verschillende beslissingen. Indien deze onderling onverenigbaar zijn, kan ingevolge de regel van artikel 27, sub 3, Executieverdrag geen van deze beslissingen in de andere staat worden erkend.
16 Onder deze omstandigheden is het onontbeerlijk, dat artikel 29, lid 1, van het Verdrag van San Sebastián in het licht van het stelsel en de doelstellingen van dit verdrag alsook van het Executieverdrag wordt uitgelegd.
17 Aan deze bepaling moet dus een uitlegging worden gegeven die de rechtsbescherming van de personen die binnen de Gemeenschap gevestigd zijn, kan vergroten, en de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen kan vergemakkelijken. Daartoe moet met name het gevaar van onverenigbaarheid van beslissingen, welke volgens de artikelen 27, sub 3, en 34, tweede alinea, Executieverdrag een grond is om erkenning of verlof tot tenuitvoerlegging te weigeren, worden beperkt (zie arresten van 11 januari 1990, zaak C-220/88, Dumez France en Tracoba, Jurispr. 1990, blz. I-49, r.o. 18, en Overseas Union Insurance, reeds aangehaald, r.o. 15).
18 Ingevolge artikel 29, lid 2, van het Verdrag van San Sebastián worden beslissingen die na de datum van inwerkingtreding van dit verdrag in een verdragsluitende staat zijn gegeven naar aanleiding van vóór deze datum aangebrachte vorderingen, erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig het bepaalde in titel III Executieverdrag, indien de bevoegdheid berustte op regels die overeenkomen met de bepalingen van titel II van dit verdrag of met de bepalingen neergelegd in een verdrag dat tussen de staat van herkomst en de aangezochte staat van kracht was toen de vordering werd aangebracht.
19 In een dergelijk geval moet derhalve het gerecht dat het laatst is aangezocht, overeenkomstig artikel 21 zijn uitspraak ambtshalve aanhouden totdat de bevoegdheid van het gerecht dat het eerst is aangezocht, vaststaat, en, wanneer de bevoegdheid van het eerst aangezochte gerecht vaststaat, zich ten gunste van dat gerecht onbevoegd verklaren. Aldus wordt voorkomen, dat parallelle en potentieel onverenigbare beslissingen worden gegeven die aan wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging in de weg kunnen staan.
20 Ingeval daarentegen de bevoegdheid van het eerst aangezochte gerecht berustte op regels die niet overeenkomen met de bepalingen van titel II Executieverdrag of van een verdrag dat tussen de staat van herkomst en de aangezochte staat van kracht was toen de vordering werd aangebracht, kan de beslissing van dit gerecht in de verdragsluitende staat van het gerecht dat het laatst is aangezocht, niet worden erkend.
21 In een dergelijk geval moet het gerecht dat het laatst is aangezocht, artikel 21 buiten toepassing laten en de voor hem aanhangige procedure voortzetten. Aldus zal een beslissing kunnen worden gegeven in de verdragsluitende staat van het gerecht dat het laatst is aangezocht, in welke staat de beslissing van het eerst aangezochte gerecht niet zal kunnen worden erkend noch ten uitvoer zal kunnen worden gelegd. Voor het overige zal de beslissing van het gerecht dat het laatst is aangezocht, kunnen worden erkend en ten uitvoer gelegd in de verdragsluitende staat van het eerst aangezochte gerecht, op voorwaarde uiteraard dat zij niet onverenigbaar is met een in deze staat tussen dezelfde partijen gegeven beslissing.
22 Hier moet nog aan worden toegevoegd, dat indien het gerecht dat het eerst is aangezocht, nog geen uitspraak heeft gedaan over zijn bevoegdheid, het gerecht dat het laatst is aangezocht artikel 21 Executieverdrag voorlopig moet toepassen en zijn uitspraak moet aanhouden, met dien verstande dat de voor hem aanhangige procedure vervolgens kan worden hervat indien het gerecht dat het eerst is aangezocht, zich onbevoegd verklaart, of indien de regel waarop het zijn bevoegdheid baseert, niet overeenkomt met de bepalingen van titel II Executieverdrag of van een verdrag dat tussen de staat van herkomst en de aangezochte staat van kracht was toen de vordering werd aangebracht.
23 Bij deze uitlegging gaat het gerecht van een verdragsluitende staat buiten de in de artikelen 28 en 34, tweede alinea, Executieverdrag uitdrukkelijk genoemde gevallen over tot toetsing van de bevoegdheid van het gerecht van een andere verdragsluitende staat, ofschoon, zoals het Hof in rechtsoverweging 24 van het arrest Overseas Union Insurance (reeds aangehaald) verklaarde, dit verdrag een dergelijke toetsing buiten dit beperkt aantal uitzonderingen niet toestaat. In het door de verwijzende rechter bedoelde geval lijkt een afwijking op dit beginsel evenwel gerechtvaardigd.
24 Om te beginnen hangt ingevolge de overgangsbepaling van artikel 29, lid 2, van het Verdrag van San Sebastián de toepassing van de verdragsregels betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen juist af van de vraag, op welke grondslag de bevoegdheid van het eerst aangezochte gerecht berust.
25 Voorts dient het laatst aangezochte gerecht enkel vast te stellen, of de bevoegdheid van het eerst aangezochte gerecht overeenkomt met de bepalingen van het Executieverdrag of van een verdrag tussen de twee betrokken staten, die voor de twee gerechten gelijkelijk gelden en met hetzelfde gezag door de gerechten van de twee verdragsluitende staten kunnen worden uitgelegd (zie arrest Overseas Union Insurance, reeds aangehaald, r.o. 23). In het bijzondere geval waarin de bevoegdheid van het eerst aangezochte gerecht ingevolge artikel 4 Executieverdrag mocht voortvloeien uit de wetgeving van de staat van dit gerecht, dat dan ontegenzeglijk beter in staat zal zijn zich over zijn bevoegdheid uit te spreken, dient het laatst aangezochte gerecht enkel na te gaan, of aan de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling is voldaan, te weten of de eiser op het grondgebied van een verdragsluitende staat woont en of de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat. In geen geval zal het laatst aangezochte gerecht de bevoegdheid van het eerst aangezochte gerecht derhalve aan de wetgeving van de staat van laatstbedoeld gerecht mogen toetsen.
26 Ten slotte zij beklemtoond, dat bovenbedoelde regels slechts voorlopig van toepassing zijn, om de uit de inwerkingtreding van het Executieverdrag voortvloeiende moeilijkheden op te lossen zolang vóór die inwerkingtreding ingeleide procedures in een verdragsluitende staat aanhangig zijn. Het in rechtsoverweging 23 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte beginsel wordt derhalve niet duurzaam geschonden.
27 Bijgevolg moet op de gestelde vragen worden geantwoord, dat artikel 29, lid 1, van het Verdrag van San Sebastián aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer in twee verschillende verdragsluitende staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, waarvan de eerste vóór de datum van inwerkingtreding van het Executieverdrag tussen deze staten en de tweede na die datum is aangebracht, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht artikel 21 Executieverdrag moet toepassen, indien het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, zich bevoegd heeft verklaard op basis van een regel die overeenkomt met de bepalingen van titel II van dit verdrag of met de bepalingen van een verdrag dat tussen de twee betrokken staten van kracht was toen de vordering werd aangebracht, en dit artikel voorlopig moet toepassen, indien het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, zich nog niet over zijn bevoegdheid heeft uitgesproken. Daarentegen dient het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, artikel 21 Executieverdrag niet toe te passen, indien het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, zich bevoegd heeft verklaard op basis van een regel die niet overeenkomt met de bepalingen van titel II van dit verdrag of met de bepalingen van een verdrag dat tussen die twee staten van kracht was toen de vordering werd aangebracht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
28 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het House of Lords bij beschikking van 25 mei 1995 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 29, lid 1, van het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer in twee verschillende verdragsluitende staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, waarvan de eerste vóór de datum van inwerkingtreding van voormeld Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken tussen deze staten en de tweede na die datum is aangebracht, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht artikel 21 Executieverdrag moet toepassen, indien het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, zich bevoegd heeft verklaard op basis van een regel die overeenkomt met de bepalingen van titel II van dit verdrag of met de bepalingen van een verdrag dat tussen de twee betrokken staten van kracht was toen de vordering werd aangebracht, en dit artikel voorlopig moet toepassen, indien het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, zich nog niet over zijn bevoegdheid heeft uitgesproken. Daarentegen dient het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, artikel 21 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken niet toe te passen, indien het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, zich bevoegd heeft verklaard op basis van een regel die niet overeenkomt met de bepalingen van titel II van dit verdrag, of met de bepalingen van een verdrag dat tussen die twee staten van kracht was toen de vordering werd aangebracht.
Full & Egal Universal Law Academy