Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Vervoer - Binnenvaart - Structurele sanering - Bijdrage aan sloopfonds - Beschikking van Commissie houdende afwijzing van verzoek om ontheffing - Beschikking die niet door adressaat is aangevochten op basis van artikel 173, vierde alinea, van Verdrag - Betwisting van geldigheid van beschikking voor nationale rechter in kader van beroep tegen nationale maatregelen tot toepassing van deze beschikking - Betwisting die door nationale rechter moet worden afgewezen
(EG-Verdrag, art. 173, vierde alinea; verordening nr. 1101/89 van de Raad, art. 8, lid 3, sub c)
2 Prejudiciële vragen - Voorlegging aan Hof - Vragen die nationale rechter in staat dienen te stellen, uitspraak te doen over geldigheid van beschikking van Commissie tot toepassing van verordening - Mogelijkheid voor gemeenschapsrechter om vragen op te vatten als verzoek om uitlegging van verordening - Afwezigheid
(EG-Verdrag, art. 177; 's Hofs Statuut-EG, art. 20)
Samenvatting
3 De nationale rechter is gebonden aan een tot de eigenaar van een schip gerichte beschikking van de Commissie, bepalende dat dit schip geen gespecialiseerd vaartuig is dat in aanmerking komt voor een ontheffing van de speciale bijdrage aan het sloopfonds in de zin van artikel 8, lid 3, sub c, van verordening nr. 1101/89 betreffende de structurele sanering van de binnenvaart, wanneer de eigenaar tegen de toepassing van de beschikking van de Commissie door de nationale autoriteiten bij deze rechter beroep heeft ingesteld, tot staving waarvan hij de onwettigheid van deze beschikking aanvoert, en wanneer deze eigenaar niet binnen de gestelde termijn tegen deze beschikking beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld op basis van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag. De tegengestelde oplossing zou er immers op neerkomen, dat de adressaat van de beschikking het onherroepelijke karakter dat een beschikking na het verstrijken van de beroepstermijn dient te hebben, kan omzeilen, terwijl de beroepstermijn juist de rechtszekerheid beoogt te waarborgen door te voorkomen, dat gemeenschapshandelingen die rechtsgevolgen teweegbrengen, onbeperkt in geding kunnen worden gebracht.
4 Wanneer een nationale rechter prejudiciële vragen stelt die direct of indirect uitsluitend betrekking hebben op de geldigheid van een beschikking van de Commissie waaraan deze rechter gebonden is, kunnen deze vragen niet aldus worden begrepen, dat zij betrekking hebben op de afbakening van de werkingssfeer van de verordening waarop de Commissie haar beschikking heeft gebaseerd. Een wijziging van de kern van de door de nationale rechter gestelde prejudiciële vragen zou immers onverenigbaar zijn met de rol die het Hof bij artikel 177 van het Verdrag is toebedeeld, alsook met zijn verplichting, de regeringen der Lid-Staten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid te waarborgen opmerkingen in te dienen, aangezien ingevolge artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG alleen de verwijzingsbeschikkingen ter kennis van de belanghebbende partijen worden gebracht.
Partijen
In zaak C-178/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Rechtbank van koophandel te Antwerpen (België), in het aldaar aanhangig geding tussen
NV Wiljo
en
Belgische Staat,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1101/89 van de Raad van 27 april 1989 betreffende de structurele sanering van de binnenvaart (PB 1989, L 116, blz. 25), en over de geldigheid van de beschikking van de Commissie van 6 mei 1993 houdende afwijzing van een verzoek om ontheffing van de speciale bijdrage aan het sloopfonds, ingevoerd bij artikel 8, lid 1, sub a, van genoemde verordening,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, waarnemend voor de kamerpresident (rapporteur), D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet, P. Jann en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- NV Wiljo, vertegenwoordigd door F. Herbert, advocaat te Brussel,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. zur Hausen, juridisch adviseur, en M. van der Woude, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van NV Wiljo, vertegenwoordigd door F. Herbert en K. van den Broek, advocaten te Brussel, en de Commissie, vertegenwoordigd door T. van Rijn, juridisch adviseur, als gemachtigde, ter terechtzitting van 20 juni 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 september 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 6 juni 1995, ingekomen ter griffie van het Hof op 8 juni daaraanvolgend, heeft de Rechtbank van koophandel te Antwerpen krachtens artikel 177 EG-Verdrag vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1101/89 van de Raad van 27 april 1989 betreffende de structurele sanering van de binnenvaart (PB 1989, L 116, blz. 25, hierna: "verordening") en over de geldigheid van de beschikking van de Commissie van 6 mei 1993 houdende afwijzing van een verzoek om ontheffing van de speciale bijdrage aan het sloopfonds, ingevoerd bij artikel 8, lid 1, sub a, van genoemde verordening.
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen NV Wiljo (hierna: "Wiljo") en de Belgische Staat, ter zake van de betaling van voornoemde speciale bijdrage aan het Belgische sloopfonds.
3 De verordening beoogt een aanzienlijke vermindering van de structurele overcapaciteit in de binnenvaartsector. Daartoe voorziet de verordening in een op gemeenschapsniveau gecooerdineerde sloopactie, die volgens artikel 2 zowel op vrachtschepen als op duwboten betrekking heeft.
4 Ingevolge artikel 3, lid 1, van de verordening, moeten alle Lid-Staten waarvan de waterwegen in verbinding staan met die van een andere Lid-Staat en waarvan de vloot een tonnage heeft van meer dan 100 000 ton, een sloopfonds oprichten. Volgens artikel 4, lid 1, stort de eigenaar voor elk van de onder de verordening vallende vaartuigen een bijdrage in een van deze fondsen.
5 Om te voorkomen dat het effect van de sloopactie teniet wordt gedaan door de gelijktijdige ingebruikneming van extra scheepsruimte, bepaalt artikel 8, lid 1, sub a, van de verordening, dat gedurende een bepaalde periode geen nieuw gebouwde vaartuigen op de binnenwateren in gebruik mogen worden genomen, tenzij de eigenaar van het nieuwe vaartuig een daarmee gelijkwaardige tonnage laat slopen zonder daarvoor een sloopuitkering te ontvangen (de zogenoemde "oud-voor-nieuw-regeling"), of, indien hij geen scheepsruimte laat slopen, aan het sloopfonds een speciale bijdrage betaalt die gelijk is aan de vastgestelde sloopuitkering voor een tonnage gelijk aan die van het nieuwe vaartuig.
6 Artikel 8, lid 3, koppelt bepaalde uitzonderingen aan deze regel. Artikel 8, lid 3, sub c, bepaalt in het bijzonder:
"De Commissie kan na raadpleging van de Lid-Staten en de op communautair niveau representatieve binnenvaartorganisaties, gespecialiseerde vaartuigen uitsluiten van de toepassing van lid 1."
7 In een nota van 7 december 1990 heeft de Commissie de algemene criteria voor de beoordeling van verzoeken om ontheffing van vaartuigen op grond van artikel 8, lid 3, sub c, van de verordening vastgesteld. Volgens deze nota kunnen vaartuigen "met zo specifieke technische eigenschappen dat, indien deze vaartuigen worden toegevoegd aan de capaciteit van de vloten, (...) de doelstellingen van de communautaire regeling niet in het gedrang komen", worden uitgesloten van toepassing van de "oud-voor-nieuw-regeling".
8 Wiljo is een onderneming die zich bezighoudt met het bunkeren van zeeschepen.
9 Overeenkomstig artikel 8, lid 3, sub c, van de verordening diende Wiljo op 19 januari 1993 bij de Commissie een verzoek om ontheffing in voor de ingebruikneming van een bunkerschip, het motortankschip "Smaragd". In dit verzoek omschreef zij het vaartuig als een motorbunkerschip van 2 500 ton, 100 meter lang, 11,40 meter breed en 4 meter hoog, met de verklaring dat het vaartuig uitsluitend voor het bunkeren van zeeschepen zou worden gebruikt.
10 Bij brief van 6 mei 1993, geadresseerd aan Wiljo en ondertekend door een lid van de Commissie, berichtte de Commissie aan Wiljo dat zij, na raadpleging van de vertegenwoordigers der Lid-Staten en van de "Groep Deskundigen - Structurele sanering van de binnenvaart", tot de slotsom was gekomen, dat het schip technisch geschikt was voor het vervoer van alle soorten vloeibare lading en zich qua bouw en uitrusting niet sterk onderscheidde van conventionele tankschepen, en dat het schip daarom bijdroeg tot vergroting van de capaciteit van de vloot die onderworpen was aan de in de verordening vastgestelde saneringsmaatregelen. De Commissie had derhalve op grond van artikel 8, lid 3, sub c, van de verordening besloten, het verzoek om ontheffing af te wijzen en een afschrift van de brief naar de met het beheer van het Belgische sloopfonds belaste autoriteiten te zenden.
11 Na ontvangst van deze beschikking vorderden de Belgische autoriteiten bij brief van 1 oktober 1993 van Wiljo een speciale bijdrage aan het sloopfonds uit hoofde van artikel 8, lid 1, sub a, van de verordening.
12 Bij verzoekschrift van 6 april 1995 ging Wiljo van dit besluit in beroep bij de Rechtbank van Koophandel.
13 Volgens het verwijzingsvonnis betoogt Wiljo in het kader van haar beroep, dat zij de speciale bijdrage niet verschuldigd is omdat het motortankschip Smaragd een bunkerschip is, dat speciaal is uitgerust en uitsluitend wordt gebruikt voor het leveren van brandstof aan zeeschepen, en niet met een gewoon tankschip kan worden vergeleken. Wiljo is daarom van oordeel, dat de beschikking van de Commissie van 6 mei 1993 in strijd is met de algemene opzet van de verordening en een technisch onjuiste analyse van de kenmerken en de uitrusting van het schip bevat.
14 Gelet op deze argumenten, heeft de Rechtbank van koophandel het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Of, rekening houdend met de betrachting, het algemeen doel en het bijzonder opzet van verordening nr. 1101/89 van de Raad van 27 april 1989 betreffende de structurele sanering van de binnenvaart, het begrip $gespecialiseerde vaartuigen' uit artikel 8, lid 3, sub c, van de betrokken verordening doelt op vaartuigen die door hun specifieke constructie en uitrusting of door hun specifiek gebruik de scheepsruimte of de tonnage van de binnenscheepvaart niet verhogen en daardoor niet van aard zijn om de structurele overcapaciteit van het goederenvervoer op het net van de met elkaar in verbinding staande waterwegen van de Lid-Staten te beïnvloeden?
2) Of, rekening houdend met het proportionaliteitsbeginsel, het door de Commissie van de Europese Gemeenschappen in haar beschikking van 6 mei 1993 toegepaste criterium van $technische geschiktheid voor de binnenvaart' dat tot gevolg heeft dat ook de schepen die in werkelijkheid niet gebruikt worden voor het vervoer op het net van de met elkaar in verbinding staande waterwegen van de Lid-Staten onderworpen worden aan de bijdrageverplichting in het kader van de $oud-voor-nieuw-regeling' niet in tegenspraak is met het doel en het opzet van verordening nr. 1101/89 van de Raad van 27 april 1989 betreffende de structurele sanering van de binnenvaart?
3) Of, rekening houdend met de betrachting, het algemeen doel en het specifiek opzet van verordening nr. 1101/89 van de Raad van 27 april 1989 betreffende de structurele sanering van de binnenvaart, een louter theoretisch geschikt zijn van een schip voor de binnenvaart in de zin dat het schip slechts na omslachtige en dure ombouw en daardoor economisch onrealistisch zou kunnen geschikt gemaakt worden voor de binnenvaart of dat gebruik van het schip voor het vervoer op de binnenwateren economisch volledig onrendabel zou zijn omwille van het feit dat het schip niet is geconcipieerd of uitgerust voor de binnenscheepvaart, voldoende is voor de onderwerping aan de bijdrageverplichting in het kader van de $oud-voor-nieuw-regeling'?
4) Of, rekening houdend met de betrachting, het algemeen doel en het bijzonder opzet van verordening nr. 1101/89 van de Raad van 27 april 1989 betreffende de structurele sanering van de binnenvaart, de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 mei 1993 met betrekking tot het motortankschip $Smaragd' wel voor geldig kan worden gehouden nu ze een schip dat bijzonder geconcipieerd, gebouwd en uitgerust is als bunkerschip met de exclusieve bestemming van bevoorrading van zeeschepen met brandstof en niet bijzonder geschikt noch bestemd voor vervoer voor derden, of zelfs voor eigen rekening, van brandstofprodukten op de binnenwateren en daardoor de scheepsruimte of de tonnage van de binnenvaart niet verhoogt, onderwerpt aan de éénmalige bijdrageverplichting in het kader van de $oud-voor-nieuw-regeling'?
5) Of de toepassing door de Commissie van het criterium van de technische geschiktheid in plaats van het effectief gebruik van het schip, geen schending uitmaakt van het verbod op discriminatie nu, volgens het door de Commissie gehanteerde criterium voor de schepen in gebruik genomen in België, Nederland, Luxemburg, Duitsland en Frankrijk de eenmalige bijdrage in bepaalde gevallen verschuldigd is zonder dat het schip effectief gebruikt wordt voor de binnenscheepvaart en daardoor niet bijdraagt aan de verhoging van de tonnage van de binnenscheepvaart terwijl de eenmalige bijdrage op het in de vaart brengen van een schip in de overige Lid-Staten slechts verschuldigd is indien het werkelijk gebruik (op het net van de met elkaar in verbinding staande waterwegen van de Gemeenschap) daartoe aanleiding geeft?"
15 In de eerste plaats zij opgemerkt, dat volgens de Commissie de prejudiciële vragen, althans enkele daarvan, geen antwoord behoeven, omdat zij direct of indirect de geldigheid van haar beschikking van 6 mei 1993 aan de orde stellen. De eigenaar van een schip voor de binnenvaart, wiens verzoek om ontheffing uit hoofde van artikel 8, lid 3, sub c, van de verordening door de Commissie is afgewezen, zou niet langer gerechtigd zijn om de geldigheid van die afwijzing ter discussie te stellen in het kader van een beroep tegen een nationale maatregel ter uitvoering van deze beschikking, wanneer de in artikel 173 EG-Verdrag gestelde termijn voor een beroep tot nietigverklaring is verstreken. De Commissie verwijst onder meer naar het arrest van 9 maart 1994 (zaak C-188/92, TWD Textilwerke Deggendorf, Jurispr. 1994, blz. I-833).
16 Wiljo betwist dit standpunt. Zij voert aan, dat het beheer van het fonds in de eerste plaats een taak is van de nationale autoriteiten, en dat zij daarom rederlijkerwijs mocht aannemen, dat de beschikking van de Commissie in een geding tegen deze autoriteiten voor de nationale rechter kon worden aangevochten. Dit zou des te meer gelden, daar de Commissie in haar brief van 6 mei 1993 had verklaard, dat een afschrift van de beschikking aan de Belgische autoriteiten zou worden gezonden.
17 In dit verband verwijst Wiljo naar het arrest van 21 mei 1987 (gevoegde zaken 133/85, 134/85, 135/85 en 136/85, Rau, Jurispr. 1987, blz. 2289), waarin het Hof voor recht heeft verklaard, dat de mogelijkheid om krachtens artikel 173 van het Verdrag rechtstreeks beroep in te stellen tegen een beschikking van een gemeenschapsinstelling, niet uitsluit, dat bij een nationale rechterlijke instantie beroep wordt ingesteld tegen een handeling van een nationale instantie tot uitvoering van die beschikking, waarbij de onwettigheid van deze beschikking wordt gesteld.
18 Ten slotte wijst Wiljo erop, dat het arrest TWD Textilwerke Deggendorf (reeds aangehaald), is uitgesproken na het verstrijken van de termijn voor het instellen van een eventueel beroep tot nietigverklaring tegen de beschikking van de Commissie van 6 mei 1993.
19 Dienaangaande zij opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak een beschikking van de gemeenschapsinstellingen die niet binnen de in artikel 173 van het Verdrag gestelde termijn is aangevochten door degene tot wie zij is gericht, te zijnen aanzien definitief wordt (zie onder meer arresten van 17 november 1965, zaak 20/65, Collotti, Jurispr. 1965, blz. 1183; 12 oktober 1978, zaak 156/77, Commissie/België, Jurispr. 1978, blz. 1881, en 10 juni 1993, zaak C-183/91, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1993, blz. I-3131, r.o. 9 en 10). Deze rechtspraak is met name gebaseerd op de overweging, dat de beroepstermijnen de rechtszekerheid beogen te waarborgen door te voorkomen, dat gemeenschapshandelingen die rechtsgevolgen teweegbrengen, onbeperkt in geding kunnen worden gebracht.
20 Bedoelde rechtspraak, die van toepassing is op de adressaten van een beschikking, zoals Wiljo, is herhaald in het arrest TWD Textilwerke Deggendorf (reeds aangehaald), waarin het Hof heeft vastgesteld, dat het door deze rechtspraak ontwikkelde beginsel in bepaalde omstandigheden ook van toepassing kan zijn op de begunstigde van een steunmaatregel ten aanzien waarvan de Commissie een beschikking heeft gegeven, welke alleen rechtstreeks was gericht tot de Lid-Staat waartoe deze begunstigde behoorde.
21 Het Hof was in hoofdzaak van oordeel, dat de begunstigde van een steunmaatregel de onwettigheid van een - door de Commissie tot een Lid-Staat gerichte en door deze Lid-Staat aan de begunstigde meegedeelde - beschikking die deze Lid-Staat gelast, de aan de begunstigde verleende steun terug te vorderen, niet kan inroepen in het kader van een procedure die voor de nationale rechterlijke instanties is ingeleid tegen de door de autoriteiten van die Lid-Staat vastgestelde uitvoeringsmaatregel, wanneer de begunstigde van de steun heeft verzuimd krachtens artikel 173 van het Verdrag beroep tot nietigverklaring tegen de beschikking van de Commissie in te stellen en hij dit ongetwijfeld had kunnen doen. Volgens het Hof zou de tegengestelde oplossing er immers op neerkomen, dat de begunstigde van de steun het onherroepelijke karakter dat een beschikking in het belang van de rechtszekerheid na het verstrijken van de beroepstermijn van artikel 173 dient te hebben, kan omzeilen.
22 Met betrekking tot het aan het arrest Rau (reeds aangehaald) ontleende argument, volstaat het in herinnering te brengen, dat het Hof dit argument reeds in rechtsoverweging 20 van het arrest TWD Textilwerke Deggendorf (reeds aangehaald) heeft verworpen met de overweging, dat blijkens het rapport ter terechtzitting in eerstgenoemde zaak verzoeksters in de hoofdgedingen ieder bij het Hof beroep tot nietigverklaring van de betrokken beschikking hadden ingesteld, en dat het Hof zich in dat arrest bijgevolg niet had uitgesproken over de gevolgen van het verval van recht wegens het verstrijken van de beroepstermijnen, en dit ook niet hoefde te doen.
23 In casu staat vast, dat ingevolge artikel 8, lid 3, sub c, van de verordening de Commissie als enige bevoegd is tot het verlenen van ontheffing voor gespecialiseerde vaartuigen, dat Wiljo haar heeft verzocht om een beschikking uit hoofde van deze bepaling, dat Wiljo heeft nagelaten, op basis van artikel 173 van het Verdrag de nietigverklaring van de tot haar gerichte beschikking van de Commissie van 6 mei 1993 te vorderen, hoewel zij dit ongetwijfeld had kunnen doen, en dat zij daarentegen bij de nationale rechter beroep heeft ingesteld tegen de toepassing van de beschikking van de Commissie door de Belgische autoriteiten.
24 Uit al deze overwegingen volgt, dat de nationale rechter op grond van het rechtszekerheidsbeginsel gebonden is aan de tot Wiljo gerichte beschikking van de Commissie van 6 mei 1993, volgens welke het motortankschip Smaragd geen gespecialiseerd vaartuig in de zin van artikel 8, lid 3, sub c, van de verordening is.
25 In die omstandigheden dient te worden onderzocht, of de prejudiciële vragen enkel tot doel hebben, de nationale rechter in staat te stellen de vraag betreffende de geldigheid van de beschikking van de Commissie van 6 mei 1993 op te lossen, of dat zij ook betrekking hebben op de uitlegging van de bepalingen die de werkingssfeer van de verordening definiëren.
26 Wiljo betoogt dienaangaande, dat althans de eerste en de derde prejudiciële vraag aldus moeten worden begrepen, dat zij betrekking hebben op de afbakening van de werkingssfeer van de verordening en niet op de geldigheid van de beschikking van de Commissie. Volgens Wiljo valt een schip als het motortankschip Smaragd niet onder de werkingssfeer van de verordening, zodat het besluit waarbij de Belgische autoriteiten de speciale bijdrage aan het sloopfonds hebben gevorderd, daarmee in strijd is. Deze betwisting van de wettigheid van het besluit van de Belgische autoriteiten zou moeten worden beslecht door de nationale rechterlijke instanties, die daartoe prejudiciële vragen over de uitlegging van de verordening aan het Hof van Justitie zouden kunnen voorleggen.
27 Dit standpunt kan niet worden aanvaard. Zoals de advocaat-generaal in de punten 14 en 15 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moeten alle prejudiciële vragen aldus worden begrepen dat zij, direct of indirect, uitsluitend betrekking hebben op de geldigheid van de beschikking van de Commissie van 6 mei 1993.
28 Zoals immers blijkt uit het verwijzingsvonnis, heeft Wiljo voor de Rechtbank van koophandel aangevoerd, dat de Smaragd uitsluitend werd gebruikt voor het bunkeren van zeeschepen en niet met een gewoon tankschip kon worden vergeleken, zodat de beschikking van de Commissie in strijd was met de algemene opzet van de verordening, en dat de beschikking een technisch onjuiste analyse van de kenmerken en de uitrusting van het schip bevatte. Hieruit volgt duidelijk, dat Wiljo voor de nationale rechter de geldigheid van de beschikking van de Commissie betwist, met het betoog, dat zij in strijd is met de verordening. Deze bevinding wordt bevestigd door de dagvaarding die Wiljo bij de Rechtbank van koophandel heeft ingediend; daarin verwijst zij uitdrukkelijk naar artikel 8, lid 3, sub c, van de verordening en concludeert zij, dat de beschikking van de Commissie om voornoemde redenen niet geldig kan worden geacht.
29 Derhalve moet worden vastgesteld dat de vragen van de nationale rechter, die identiek zijn aan die welke Wiljo in haar dagvaarding had voorgesteld, in werkelijkheid ertoe strekken, deze rechter in staat te stellen de juistheid van dit standpunt te onderzoeken en een uitspraak te doen over de geldigheid van de bevinding van de Commissie in haar beschikking, dat de Smaragd niet voldeed aan de voorwaarden om als een gespecialiseerd vaartuig in de zin van artikel 8, lid 3, sub c, te kunnen worden aangemerkt.
30 In die omstandigheden zou wijziging van de kern van de prejudiciële vragen in de door Wiljo voorgestelde zin, onverenigbaar zijn met de rol die het Hof bij artikel 177 van het Verdrag is toebedeeld, alsook met zijn verplichting, de regeringen der Lid-Staten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid te waarborgen overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG opmerkingen in te dienen, aangezien ingevolge deze bepaling alleen de verwijzingsbeschikkingen ter kennis van de belanghebbende partijen worden gebracht (zie onder meer arrest van 1 april 1982, gevoegde zaken 141/81, 142/81 en 143/81, Holdijk e.a., Jurispr. 1982, blz. 1299, r.o. 6, en beschikking van 19 juli 1996, zaak C-191/96, Modesti, Jurispr. 1996, blz. I-3937, r.o. 5).
31 Bijgevolg moeten de gestelde vragen aldus worden beantwoord, dat de nationale rechter gebonden is aan een tot de eigenaar van een schip gerichte beschikking van de Commissie, bepalende dat dit schip geen gespecialiseerd vaartuig is in de zin van artikel 8, lid 3, sub c, van de verordening, wanneer de adressaat niet binnen de gestelde termijn tegen deze beschikking beroep heeft ingesteld op basis van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Rechtbank van koophandel te Antwerpen bij vonnis van 6 juni 1995 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De nationale rechter is gebonden aan een tot de eigenaar van een schip gerichte beschikking van de Commissie, bepalende dat dit schip geen gespecialiseerd vaartuig is in de zin van artikel 8, lid 3, sub c, van verordening (EEG) nr. 1101/89 van de Raad van 27 april 1989 betreffende de structurele sanering van de binnenvaart, wanneer de adressaat niet binnen de gestelde termijn tegen deze beschikking beroep heeft ingesteld op basis van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag.
Full & Egal Universal Law Academy