Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Restituties bij uitvoer - Producten welke recht geven op restitutie - Producten van oorsprong uit Gemeenschap of ingevoerde producten die in vrij verkeer zijn gebracht - Runderen van oorsprong uit voormalige Duitse Democratische Republiek die vóór eenwording onder doorvoerregeling in Bondsrepubliek Duitsland zijn ingevoerd met oog op wederuitvoer naar derde land - Daarvan uitgesloten
(EG-Verdrag, art. 9, lid 2; verordening nr. 3665/87 van de Commissie, art. 8, lid 1)
Samenvatting
Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 3665/87 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten, juncto artikel 9, lid 2, van het Verdrag, moet aldus worden uitgelegd, dat slachtproducten afkomstig van runderen, die vóór 3 oktober 1990, de datum van de Duitse eenwording, uit de voormalige Duitse Democratische Republiek zijn uitgevoerd nadat de douaneformaliteiten bij uitvoer in dat land waren vervuld en nadat restituties bij uitvoer waren toegekend, en die in het kader van de doorvoer- en opslagregeling in de Bondsrepubliek Duitsland zijn ingevoerd met het oog op wederuitvoer naar een derde land, niet van communautaire oorsprong zijn, noch zich op het grondgebied van de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden, zodat zij niet in aanmerking komen voor restituties bij uitvoer.
De Duitse eenwording heeft geen invloed gehad op de kwalificatie van de betrokken goederen, die toen zij onder de doorvoerregeling werden ingevoerd, van oorsprong waren uit een derde land ten opzichte van de Gemeenschap en niet in de Gemeenschap in het vrije verkeer waren gebracht. Pas vanaf de eenwording van de voormalige Duitse Democratische Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland, en uitsluitend voor de toekomst, hebben de goederen die zich in eerstgenoemde staat in het vrije verkeer bevonden, een communautaire oorsprong verkregen, terwijl de goederen die dat grondgebied vóór de eenwording hadden verlaten, niet met terugwerkende kracht die oorsprong kunnen verkrijgen.
Partijen
In zaak C-223/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Finanzgericht Hamburg (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
A. Moksel AG
en
Hauptzollamt Hamburg-Jonas,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (PB 1987, L 351, blz. 1), juncto artikel 9, lid 2, EG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, L. Sevón (rapporteur), C. Gulmann, J.-P. Puissochet en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- A. Moksel AG, vertegenwoordigd door D. Ehle, advocaat te Keulen,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K.-D. Borchardt, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van A. Moksel AG, de Duitse regering en de Commissie, ter terechtzitting van 9 januari 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 februari 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 7 juni 1995, ingekomen bij het Hof op 27 juni daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Hamburg krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (PB 1987, L 351, blz. 1), juncto artikel 9, lid 2, EG-Verdrag.
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen A. Moksel AG (hierna: "Moksel") en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, betreffende de toekenning van restituties bij uitvoer voor slachtproducten afkomstig van runderen.
3 Ingevolge artikel 18, lid 1, van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB 1968, L 148, blz. 24), kan, in de mate waarin zulks nodig is om de uitvoer van de in de basisverordening genoemde producten op basis van de noteringen of de prijzen van deze producten op de wereldmarkt mogelijk te maken, het verschil tussen deze noteringen of prijzen en de prijzen van de Gemeenschap overbrugd worden door een restitutie bij de uitvoer.
4 Op basis van artikel 18 van verordening nr. 805/68 stelde de Raad op 28 juni 1968 verordening (EEG) nr. 885/68 vast tot vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de toekenning van restituties bij de uitvoer in de sector rundvlees en de criteria voor het bepalen van het bedrag ervan (PB 1968, L 156, blz. 2), waarvan artikel 6, lid 1, luidt als volgt:
"De restitutie wordt uitbetaald wanneer het bewijs wordt geleverd dat de produkten:
- uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd en
- van oorsprong uit de Gemeenschap zijn, behoudens afwijking waartoe op grond van artikel 7 wordt besloten."
5 Artikel 7 van verordening nr. 885/68 bepaalt:
"Behoudens afwijking waartoe volgens de procedure van artikel 27 van verordening (EEG) nr. 805/68 wordt besloten, wordt geen restitutie toegekend bij de uitvoer van de in artikel 1 van genoemde verordening bedoelde produkten die uit derde landen worden ingevoerd en naar derde landen worden wederuitgevoerd."
6 De in deze bepaling bedoelde procedure is die van het comité van beheer voor rundvlees.
7 Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 3665/87, welke verordening volgens de laatste overweging van haar considerans is vastgesteld in overeenstemming met de adviezen van alle betrokken comités van beheer, luidt als volgt: "Restituties worden slechts verleend voor produkten die zich in een van de in artikel 9, lid 2, van het Verdrag bedoelde omstandigheden bevinden (...)"
8 Artikel 9, lid 2, van het Verdrag bepaalt, dat de afschaffing van douanerechten en kwantitatieve beperkingen in het verkeer tussen de Lid-Staten van toepassing is op de producten welke van oorsprong zijn uit de Lid-Staten alsook op de producten uit derde landen welke zich in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden.
9 Artikel 10, lid 1, EG-Verdrag luidt als volgt: "Als zich bevindend in het vrije verkeer in een Lid-Staat worden beschouwd: de produkten uit derde landen waarvoor in genoemde staat de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan en waarvoor geen gehele of gedeeltelijke teruggave van die rechten en heffingen is verleend."
10 Blijkens de verwijzingsbeschikking voerde Moksel in 1990 een aantal runderen uit de voormalige Duitse Democratische Republiek in, bestemd om tijdens de doorvoer in de Bondsrepubliek Duitsland te worden geslacht en weer te worden uitgevoerd naar de voormalige Sovjet-Unie. Voorts blijkt uit de bij het Hof ingediende opmerkingen, dat overeenkomstig de destijds in de voormalige Duitse Democratische Republiek geldende wetgeving restituties bij uitvoer waren toegekend.
11 In de Bondsrepubliek Duitsland waren voor de betrokken runderen op 23 april en 15 mei 1990 doorvoervergunningen afgegeven. Deze vergunningen bevatten een aantal voorgedrukte vermeldingen betreffende de aan de doorvoer gekoppelde voorwaarden; met name dienden de dieren in de Bondsrepubliek Duitsland tot het moment van uitvoer van de slachtproducten en bijproducten onder douanetoezicht te staan.
12 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat de voor verzending bestemde runderen op vertoon van onder meer een uitvoeropdracht, een begeleidend document voor verzendingen naar de Bondsrepubliek Duitsland en een internationale vrachtbrief bij de bevoegde douaneautoriteiten van de voormalige Duitse Democratische Republiek werden aangemeld. Het bevoegde douanekantoor van de voormalige Duitse Democratische Republiek vervulde de met het oog op de uitvoer van de dieren noodzakelijke formaliteiten in een bijlage bij de uitvoeropdracht. Toen de dieren in de periode tussen 24 mei en 22 juni 1990 in de Bondsrepubliek Duitsland werden binnengebracht, werden zij aan de bevoegde douaneautoriteiten van die Lid-Staat ter inspectie aangeboden, die een doorzendcertificaat afgaven, dat door het bevoegde Hauptzollamt werd bevestigd en van een stempel voorzien. Dit document vergezelde de runderen van de grenspost tot het slachthuis, en werd vervolgens bij de opslag van de waar bij het desbetreffende binnenlandse douanekantoor afgegeven. Na de slacht werd voor de waar een certificaat voor opslag onder douanetoezicht afgegeven.
13 Op 10 januari 1991 vervulde Moksel de formaliteiten voor uitvoer van de slachtproducten naar de voormalige Sovjet-Unie en op 15 januari 1991 diende zij bij het Hauptzollamt Hamburg-Jonas een verzoek om restituties bij uitvoer in. Volgens Moksel had de op 1 augustus 1990 ontstane "feitelijke landbouwunie", of op zijn minst de eenwording van de voormalige Duitse Democratische Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland op 3 oktober 1990, geleid tot een wijziging van de juridische status van de waar, die een communautaire oorsprong zou hebben verkregen.
14 Na vergeefs een bezwaarschrift te hebben ingediend, stelde Moksel beroep in bij de verwijzende rechter, die de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof heeft verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:
"Moet artikel 8, lid 1, van verordening nr. 3665/87, in de versie van 27 november 1987, gerectificeerd op 8 december 1988, juncto artikel 9, tweede alinea, EG-Verdrag, aldus worden uitgelegd, dat deze bepalingen ook zien op producten die in de periode van 24 mei tot 22 juni 1990 vanuit de voormalige Duitse Democratische Republiek in de Bondsrepubliek Duitsland zijn ingevoerd krachtens een ontheffingsvergunning voor de verwerking van doorvoergoederen en die op 10 januari 1991 naar een derde land zijn uitgevoerd?"
15 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen, of restituties bij uitvoer moeten worden toegekend in geval van uitvoer naar een derde land van slachtproducten afkomstig van runderen, die kort vóór de Duitse eenwording onder de doorvoerregeling uit de voormalige Duitse Democratische Republiek in de Bondsrepubliek Duitsland waren ingevoerd. Het onderliggende probleem daarbij is de vraag naar de gevolgen van de eenwording voor de juridische status, naar gemeenschapsrecht, van de betrokken waar, alsmede voor de kwalificatie als "goederen van oorsprong uit een Lid-Staat" of "goederen welke zich in het vrije verkeer bevinden" in de zin van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 3665/87 en artikel 9, lid 2, van het Verdrag.
16 De verordening die ten tijde van de feiten in het hoofdgeding voor de bepaling van de oorsprong van de waar gold, was verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip "oorsprong van goederen" (PB 1968, L 148, blz. 1). Artikel 4, lid 1, van deze verordening bepaalt: "Goederen die geheel en al in een land zijn verkregen zijn van oorsprong uit dat land." Ingevolge artikel 4, lid 2, sub c, worden onder goederen die geheel en al in een land zijn verkregen, mede verstaan "aldaar geboren en opgefokte levende dieren".
17 Bijgevolg moet worden geconcludeerd, dat toen de runderen onder de doorvoerregeling werden ingevoerd, zij van oorsprong waren uit de voormalige Duitse Democratische Republiek, dus uit een derde land ten opzichte van de Gemeenschap.
18 Daar de runderen onder de doorvoerregeling zijn ingevoerd, zijn zij in de Gemeenschap niet in het vrije verkeer gebracht, zodat zij gedurende hun aanwezigheid op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland hoe dan ook geen communautaire oorsprong hebben kunnen verkrijgen.
19 Moksel betwist evenwel, dat de ingevoerde waar door doorvoervergunningen was gedekt, en stelt daarentegen, dat zij in het kader van de Duitse binnenlandse handel zijn ingevoerd, zonder dat enige douaneformaliteit werd vervuld.
20 Het is evenwel vaste rechtspraak, dat het Hof krachtens artikel 177 van het Verdrag, dat op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof van Justitie berust, uitsluitend bevoegd is om zich, aan de hand van de feiten die hem door de nationale rechterlijke instantie ter kennis zijn gebracht, uit te spreken over de uitlegging of de geldigheid van een bepaling van gemeenschapsrecht (zie, met name, arrest van 16 maart 1978, zaak 104/77, Oehlschläger, Jurispr. 1978, blz. 791, r.o. 4). Gelijk in rechtsoverweging 12 van het onderhavige arrest is uiteengezet, is in casu in de verwijzingsbeschikking vermeld, dat zowel de formaliteiten voor uitvoer van de waar uit de voormalige Duitse Democratische Republiek zijn vervuld, als die voor invoer in de Bondsrepubliek Duitsland, onder de doorvoerregeling met plaatsing onder douanetoezicht (opslagregeling).
21 Moksel stelt voorts, dat de in mei en juni 1990 uit de voormalige DDR ingevoerde runderen een communautaire oorsprong hebben verkregen ten gevolge van de Duitse eenwording, dat wil zeggen uiterlijk op 3 oktober 1990, de datum van inwerkingtreding van het verdrag van 31 augustus 1990 betreffende de totstandbrenging van de Duitse eenheid (Einigungsvertrag, BGBl. 1990 II, blz. 889).
22 Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is ingevolge artikel 10 van het Einigungsvertrag het gemeenschapsrecht op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek van toepassing geworden, vanaf de eenwording van dit land met de Bondsrepubliek Duitsland, dus vanaf 3 oktober 1990. Goederen die zich op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek in het vrije verkeer bevonden, hebben dus pas vanaf die datum, en voor de toekomst, een communautaire oorsprong verkregen, terwijl de goederen die dat grondgebied vóór die datum hadden verlaten, niet met terugwerkende kracht die oorsprong kunnen verkrijgen.
23 Dit blijkt overigens uit punt 3 van de nota van de Commissie van 24 oktober 1990 aan de delegaties van het comité van beheer "Regeling van het handelsverkeer", naar luid waarvan goederen van de voormalige Duitse Democratische Republiek die zich op 2 oktober 1990 niet meer in dat land in het vrije verkeer bevonden, met name omdat de douaneformaliteiten met het oog op de toekenning van restituties bij uitvoer door de voormalige Duitse Democratische Republiek waren vervuld, zich niet in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevonden.
24 Op de datum van de eenwording bevonden de in de verwijzingsbeschikking bedoelde runderen zich dus niet meer in het vrije verkeer in de voormalige Duitse Democratische Republiek, daar zij vóór die datum uit dat land waren uitgevoerd, na vervulling van de douaneformaliteiten bij uitvoer in de voormalige Duitse Democratische Republiek en na betaling van restituties bij uitvoer door dat land. Door de eenwording konden zij dus geen andere oorsprong verkrijgen. Voorts zijn zij in de Bondsrepubliek Duitsland ingevoerd onder de doorvoerregeling, zodat zij op 3 oktober 1990 onmogelijk een communautaire oorsprong konden verkrijgen op grond dat zij zich op het grondgebied van die Lid-Staat bevonden.
25 Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 8, lid 1, van verordening nr. 3665/87, juncto artikel 9, lid 2, van het Verdrag, aldus moet worden uitgelegd, dat slachtproducten afkomstig van runderen, die vóór 3 oktober 1990, de datum van de Duitse eenwording, uit de voormalige Duitse Democratische Republiek zijn uitgevoerd nadat de douaneformaliteiten bij uitvoer in dat land vervuld waren en nadat restituties bij uitvoer waren toegekend, en die in het kader van de doorvoer- en opslagregeling in de Bondsrepubliek Duitsland zijn ingevoerd met het oog op wederuitvoer naar een derde land, niet van communautaire oorsprong zijn, noch zich op het grondgebied van de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden, zodat zij niet in aanmerking komen voor restituties bij uitvoer.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
26 De kosten door de Duitse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 7 juni 1995 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten, juncto artikel 9, lid 2, EG-Verdrag, moet aldus worden uitgelegd, dat slachtproducten afkomstig van runderen, die vóór 3 oktober 1990, de datum van de Duitse eenwording, uit de voormalige Duitse Democratische Republiek zijn uitgevoerd nadat de douaneformaliteiten bij uitvoer in dat land vervuld waren en nadat restituties bij uitvoer waren toegekend, en die in het kader van de doorvoer- en opslagregeling in de Bondsrepubliek Duitsland zijn ingevoerd met het oog op wederuitvoer naar een derde land, niet van communautaire oorsprong zijn, noch zich op het grondgebied van de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden, zodat zij niet in aanmerking komen voor restituties bij uitvoer.
Full & Egal Universal Law Academy