Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Vrij verkeer van personen - Werknemers - Vrijheid van vestiging - Erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten - Richtlijn 89/48 - Niet-toepasselijkheid in volledig in interne sfeer van lidstaat gelegen situatie
(Richtlijn 89/48 van de Raad)
Samenvatting
De verdragsbepalingen op het gebied van het vrije verkeer van personen en de ter uitvoering van deze bepalingen vastgestelde handelingen kunnen niet worden toegepast op activiteiten die geen enkele aanknoping hebben met een van de situaties die het gemeenschapsrecht op het oog heeft, en waarvan alle elementen geheel in de interne sfeer van een enkele lidstaat liggen.
Daaruit volgt, dat personen die nooit in een andere lidstaat van de Gemeenschap dan hun land van herkomst hebben gewerkt, gestudeerd, een diploma behaald of een beroepsopleiding gevolgd, zich niet kunnen beroepen op rechten die worden toegekend door richtlijn 89/48 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten.
Partijen
In de gevoegde zaken C-225/95, C-226/95 en C-227/95,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Dioikitiko Protodikeio Athinon, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
A. Kapasakalis, D. Skiathitis, A. Kougiagkas
en
Elliniko Dimosio,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1989, L 19, blz. 16),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, kamerpresident, G. F. Mancini (rapporteur) en G. Hirsch, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- A. Kapasakalis, D. Skiathitis en A. Kougiagkas, vertegenwoordigd door I. D. Pagoropoulos, advocaat te Athene,
- de Griekse regering, vertegenwoordigd door F. P. Georgakopoulos en V. Pelekou, adjunct-juridisch adviseur respectievelijk procesgemachtigde bij de juridische dienst van de staat, en S. Vodina, gespecialiseerd wetenschappelijk medewerkster bij de bijzondere dienst communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Gouloussis, juridisch adviseur, en B. J. Drijber, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van A. Kapasakalis, D. Skiathitis en A. Kougiagkas, vertegenwoordigd door I. D. Pagoropoulos; de Griekse regering, vertegenwoordigd door S. Vodina en V. Kyriazopoulos, procesgemachtigde van de juridische dienst van de staat, als gemachtigden, en de Commissie, vertegenwoordigd door D. Gouloussis en B. J. Drijber, ter terechtzitting van 14 november 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 januari 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikkingen van 30 maart 1995, ingekomen bij het Hof op 28 juni daaraanvolgend, heeft het Dioikitiko Protodikeio Athinon krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1989, L 19, blz. 16; hierna: "richtlijn").
2 Die vragen zijn gerezen in procedures die A. Kapasakalis, D. Skiathitis en A. Kougiagkas hebben aangespannen tegen de Griekse Staat ter zake van vergoeding van de schade die zij zeggen te hebben geleden door het verzuim van de Griekse Staat, de door het nationale recht en het gemeenschapsrecht voorgeschreven presidentiële decreten uit te vaardigen die de beroepsbelangen van de houders van een aan een technische hogeschool behaald diploma moeten waarborgen.
Het gemeenschapsrecht
3 In de richtlijn worden de gevallen geregeld waarin een lidstaat een beroepsopleiding van ten minste drie jaar, die met een door een instantie van een andere lidstaat afgegeven hogeronderwijsdiploma is afgesloten, moet erkennen als gelijkwaardig aan een hogeronderwijsdiploma waarmee een op zijn eigen grondgebied genoten opleiding wordt afgesloten.
4 Volgens de tiende overweging van de considerans van de richtlijn is het algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma's niet bedoeld om wijziging te brengen in de beroepsvoorschriften, waaronder de deontologische regels, die gelden voor alle personen die een beroep op het grondgebied van een lidstaat uitoefenen, noch om de migranten aan de toepassing van die regels te onttrekken, en bevat het juist passende maatregelen om te waarborgen dat migranten zich voegen naar de beroepsvoorschriften van de ontvangende lidstaat.
5 Volgens artikel 1, sub b, van de richtlijn wordt onder "ontvangende lidstaat" verstaan, de lidstaat waar een onderdaan van een lidstaat een aldaar gereglementeerd beroep wenst uit te oefenen, zonder daar zijn diploma te hebben behaald of het betrokken beroep daar voor het eerst te hebben uitgeoefend. In hetzelfde artikel, sub d, wordt "gereglementeerde beroepsactiviteit" gedefinieerd als een beroepsactiviteit, voor zover de toegang tot of de uitoefening dan wel een van de wijzen van uitoefening daarvan, in een lidstaat krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk is gesteld van het bezit van een diploma.
6 Volgens artikel 2, eerste alinea, is de richtlijn van toepassing op alle onderdanen van een lidstaat die als zelfstandige of loontrekkende een gereglementeerd beroep in een ontvangende lidstaat willen uitoefenen.
7 Ingevolge artikel 12, eerste alinea, moesten de lidstaten het nodige doen om binnen twee jaar na de kennisgeving aan de richtlijn te voldoen, en moesten zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
Het nationale recht
8 Blijkens de bij het Hof ingediende opmerkingen zijn de instellingen voor technisch onderwijs (hierna: "TEI") publiekrechtelijke rechtspersonen, ingesteld bij wet 1404/1983 inzake de structuur en de werking van de TEI. Zij maken deel uit van het hogerberoepsonderwijs, staan onder toezicht van de minister van Onderwijs en Kerkelijke zaken, en hebben tot taak theoretisch en praktisch onderwijs te verzorgen van voldoende niveau voor een beroepsmatige toepassing van wetenschappelijke, technische, artistieke of andere kennis en vaardigheden.
9 Artikel 25, lid 2, sub c, van wet 1404/1983 bepaalt, dat de rechten die de houders van een aan een TEI behaald diploma genieten met het oog op hun beroepsuitoefening, worden bepaald bij presidentiële decreten; deze decreten worden voor de bestaande studierichtingen uiterlijk zes maanden vóór het afstuderen van de eerste studenten aan de TEI vastgesteld en voor nieuwe studierichtingen gelijktijdig met de inrichting daarvan of met de opening van de desbetreffende afdeling. Bij deze decreten worden tevens de voorwaarden en de andere bijzonderheden geregeld met betrekking tot de verlening van de toelating tot de beroepsuitoefening in die gevallen waarin deze is vereist.
10 Bij wet 1404/1983 zijn tevens de tot dusver onder vigeur van wet 576/1977 bestaande centra voor hoger technisch en hogerberoepsonderwijs (hierna: "KATEE") afgeschaft. Deze omvatten verschillende openbare scholen voor hoger technisch en hogerberoepsonderwijs, die tot taak hadden hun studenten de theoretische en praktische kennis over te dragen die dezen nodig hadden om in leidinggevende functies een bijdrage aan de ontwikkeling van een bepaalde sector van de nationale economie te kunnen leveren.
11 Artikel 5, lid 1, van wet 1865/1989 bepaalt, dat het na een studieduur van drie jaar (zes semesters) aan een KATEE behaalde diploma gelijkwaardig is aan het diploma van een TEI in een overeenkomstige afstudeerrichting.
Het geschil in het hoofdgeding
12 Kapasakalis, Skiathitis en Kougiagkas, allen van Griekse nationaliteit, zijn afgestudeerd aan een TEI respectievelijk KATEE en zijn in Griekenland werkzaam als ingenieur: de twee eerstgenoemden als werktuigbouwkundig en de laatstgenoemde als bouwkundig ingenieur.
13 Bij verzoekschriften van 12 juni 1993 hebben zij de Griekse Staat voor het Dioikitiko Protodikeio Athinon aangesproken tot betaling van schadevergoeding wegens het uitblijven van de in artikel 25, lid 2, sub c, van wet 1404/1983 bedoelde presidentiële decreten ter waarborging van hun beroepsbelangen, en wegens niet-nakoming van de verplichting de nodige maatregelen te nemen om binnen een termijn van twee jaar aan de richtlijn te voldoen. Deze niet-nakoming is door het Hof vastgesteld in het arrest van 23 maart 1995, Commissie/Griekenland (C-365/93, Jurispr. blz. I-499).
14 Verzoekers hebben ter zake gesteld, dat dit verzuim tot gevolg heeft gehad, dat hun in wezen het recht is ontnomen om in Griekenland in hun discipline werkzaam te zijn en profijt te trekken van hun diploma's.
De prejudiciële vragen
15 Bij beschikking van 30 maart 1995 heeft het Dioikitiko Protodikeio Athinon de vorderingen verworpen voor zover berustend op schending van enige uit nationaal recht voortvloeiende verplichting.
16 Voor het overige was de verwijzende rechter van mening, dat de oplossing van de geschillen afhing van de uitlegging van gemeenschapsrechtelijke bepalingen en in het bijzonder van de richtlijn, zodat hij heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
"1) Heeft het in richtlijn 89/48/EEG van de Raad vastgelegde resultaat tot gevolg, dat rechten worden toegekend aan de particulieren op wie die richtlijn betrekking heeft?
2) Zijn die rechten inhoudelijk zo nauwkeurig bepaald, dat zij binnen het kader van alleen de bepalingen van de richtlijn te identificeren zijn?
3) Bestaat er causaal verband tussen de niet-nakoming van de verplichting die voor de Griekse Staat uit artikel 12 van de richtlijn voortvloeit, en de schade die verzoeker beweert te hebben geleden?"
De eerste vraag
17 Met zijn eerste vraagt wenst de verwijzende rechter te vernemen, of een onderdaan van een lidstaat zich in een situatie als die van verzoekers in de hoofdgedingen op de door de richtlijn toegekende rechten kan beroepen.
18 De richtlijn, die is vastgesteld op de grondslag van de artikelen 49, 57, lid 1, en 66 van het Verdrag, beoogt het vrije verkeer van personen en diensten te vergemakkelijken door het onderdanen van lidstaten mogelijk te maken om als zelfstandige of loontrekkende een beroep uit te oefenen in een andere lidstaat dan die waar zij hun beroepskwalificaties hebben verworven.
19 Voorts blijkt duidelijk uit de tiende overweging van de considerans en uit artikel 2, eerste alinea, dat de richtlijn slechts van toepassing is op onderdanen van een lidstaat die als zelfstandige of loontrekkende een gereglementeerd beroep willen uitoefenen in een andere lidstaat dan de staat van herkomst, en geen wijziging beoogt te brengen in de voorschriften die gelden voor personen die op het grondgebied van een lidstaat een beroep uitoefenen.
20 Blijkens de verwijzingsbeschikkingen en de bij het Hof ingediende opmerkingen gaat het in de hoofdgedingen om Griekse onderdanen die in Griekenland werkzaam zijn.
21 Bovendien hebben verzoekers in de hoofdgedingen, zoals de advocaat-generaal in punt 2 van zijn conclusie opmerkt, nooit in een andere lidstaat dan hun land van herkomst gewerkt, gestudeerd, een diploma behaald of een beroepsopleiding gevolgd.
22 Ten slotte zij eraan herinnerd, dat de verdragsbepalingen op het gebied van het vrije verkeer en de ter uitvoering van deze bepalingen vastgestelde handelingen volgens vaste rechtspraak niet kunnen worden toegepast op activiteiten die geen enkele aanknoping hebben met een van de situaties die het gemeenschapsrecht op het oog heeft, en waarvan alle elementen geheel in de interne sfeer van een enkele lidstaat liggen (arresten van 5 juni 1997, Uecker en Jacquet, C-64/96 en C-65/96, Jurispr. blz. I-3171, punt 16; 16 januari 1997, USSL n_ 47 di Biella, C-134/95, Jurispr. blz. I-195, punt 19, en 28 januari 1992, Steen, C-332/90, Jurispr. blz. I-341, punt 9).
23 Uit een en ander volgt, dat de situatie van verzoekers in de hoofdgedingen geen enkel aanknopingspunt heeft met een situatie waarop het gemeenschapsrecht op het gebied van het vrije verkeer van personen en diensten het oog heeft, en evenmin met het toepassingsgebied van de richtlijn.
24 In die omstandigheden moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord, dat een onderdaan van een lidstaat wiens situatie in alle opzichten in de interne sfeer van deze lidstaat ligt, zich niet op de door de richtlijn toegekende rechten kan beroepen.
De tweede en de derde vraag
25 Gezien het antwoord op de eerste prejudiciële vraag behoeft op de tweede en de derde vraag geen uitspraak te worden gedaan.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
26 De kosten door de Griekse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Dioikitiko Protodikeio Athinon bij beschikkingen van 30 maart 1995 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Een onderdaan van een lidstaat wiens situatie in alle opzichten in de interne sfeer van deze lidstaat ligt, kan zich niet beroepen op de rechten die worden toegekend door richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten.
Full & Egal Universal Law Academy