Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Handelingen van de instellingen ° Richtlijnen ° Uitvoering door Lid-Staten ° Omzetting van richtlijn zonder optreden van wetgever ° Voorwaarden ° Aan particulieren gegarandeerde rechtszekerheid ° Ontoereikendheid van niet uit tekst, maar uit rechtspraak voortvloeiende bescherming van bij richtlijn voorziene rechten voor particulieren
(Richtlijn 89/665 van de Raad, art. 2)
2. Handelingen van de instellingen ° Richtlijnen ° Uitvoering door Lid-Staten ° Richtlijn 89/665 ° Verplichting van Lid-Staten, voor overheidsopdrachten te voorzien in procedure waarbij Commissie bij schending van gemeenschapsrecht kan optreden ° Mogelijkheid voor Lid-Staten om particulieren als gunningsinstantie te laten optreden ° Uitvoering niet mogelijk door eenvoudige toepassing van artikel 5 van Verdrag ° Noodzaak van omzettingsmaatregelen
(EG-Verdrag, art. 5; richtlijn 89/665 van de Raad, art. 3)
Samenvatting
1. Met het oog op het vereiste van rechtszekerheid is het bij de omzetting van richtlijnen van bijzonder belang, dat de rechtspositie van particulieren duidelijk en nauwkeurig is, zodat de begunstigden al hun rechten kunnen kennen en ze zo nodig voor de nationale rechterlijke instanties kunnen doen gelden.
Dat is niet het geval wanneer rechtspraak in een Lid-Staat een nationale wet overeenkomstig richtlijn 89/665 betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten uitlegt en van oordeel is dat zij een toereikende voorlopige rechtsbescherming in de zin van de richtlijn biedt, terwijl deze wet geen correcte omzetting is van de bij artikel 2 van de richtlijn gestelde eisen betreffende de bevoegdheid van de beroepsinstanties van de Lid-Staten om, los van iedere voorafgaande vordering, alle voorlopige maatregelen inzake overheidsopdrachten te nemen.
2. Voor zover particulieren in het kader van de aanbesteding van overheidsopdrachten, bedoeld bij richtlijn 89/665 betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten, als gunningsinstantie kunnen optreden, volstaat de verplichting tot loyale samenwerking en bijstandsverlening die artikel 5 van het Verdrag de Lid-Staten oplegt teneinde de vervulling van de taak van de Commissie te vergemakkelijken, niet om de uitvoering van artikel 3 van de richtlijn veilig te stellen, waarbij wordt bepaald welke procedure de Commissie moet volgen om op te treden bij de bevoegde instanties van de betrokken Lid-Staat en de betrokken aanbestedende dienst, wanneer er bij een aanbestedingsprocedure een duidelijke en kennelijke schending heeft plaatsgevonden.
Partijen
In zaak C-236/95,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Gouloussis, juridisch adviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg.
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door A. Samoni-Rantou, adjunct bijzonder juridisch adviseur bij de bijzondere dienst communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en D. Tsagkaraki, adviseur van de adjunct-minister van Buitenlandse zaken, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen, of aan de Commissie mee te delen, om te voldoen aan richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB 1989, L 395, blz. 33), de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens het EG-Verdrag en deze richtlijn,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), C. Gulmann, L. Sevón en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 23 mei 1996 waar de Griekse regering vertegenwoordigd was door A. Samoni-Rantou en D. Tsagkaraki, en de Commissie door D. Gouloussis en D. Triantafyllou, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 juni 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij een op 6 juli 1995 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen, dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen, of aan haar mee te delen, om te voldoen aan richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB 1989, L 395, blz. 33; hierna: de "richtlijn"), de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens het EG-Verdrag en bedoelde richtlijn.
2 Volgens artikel 1, lid 1, van deze richtlijn nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, wat betreft de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken, tegen de door de aanbestedende diensten genomen besluiten doeltreffend en vooral zo snel mogelijk beroep kan worden ingesteld op grond van het feit dat door die besluiten het gemeenschapsrecht inzake overheidsopdrachten of de nationale voorschriften waarin dat gemeenschapsrecht is omgezet, geschonden zijn. Volgens artikel 1, lid 3, dragen de Lid-Staten er ook zorg voor dat de beroepsprocedures althans toegankelijk zijn voor een ieder die belang heeft of heeft gehad bij de gunning van een bepaalde overheidsopdracht voor leveringen of voor de uitvoering van werken, en die door een beweerde schending is of dreigt te worden gelaedeerd.
3 Krachtens artikel 2 van de richtlijn moeten de beroepsinstanties voorlopige maatregelen kunnen nemen om de aanbestedingsprocedure of de tenuitvoerlegging van enig door de aanbestedende diensten genomen besluit op te schorten, onwettige besluiten nietig te verklaren en schadevergoeding toe te kennen aan degenen die door een schending zijn gelaedeerd.
4 Bovendien kan de Commissie krachtens artikel 3, wanneer zij van oordeel is dat er tijdens de aanbestedingsprocedure een duidelijke en kennelijke schending heeft plaatsgevonden, de betrokken bevoegde instanties van de Lid-Staat en de aanbestedende dienst verzoeken passende maatregelen te nemen om een gestelde schending snel ongedaan te maken.
5 Ten slotte doen de Lid-Staten krachtens artikel 5 van de richtlijn de nodige maatregelen in werking treden om vóór 21 december 1991 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van alle belangrijke wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van intern recht mede, die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
6 Aangezien de Commissie geen mededeling had ontvangen over de getroffen maatregelen en haar ook anderszins nergens uit bleek dat de Helleense Republiek haar verplichtingen uit de richtlijn was nagekomen, zond de Commissie haar op 20 mei 1992 een aanmaningsbrief. Bij brief van 17 juni 1993 liet de Griekse regering de Commissie weten, dat presidentieel decreet nr. 23 van 15 januari 1993 de richtlijn omzette wat overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken betreft. Omdat geen enkele maatregel was genomen met betrekking tot overheidsopdrachten voor leveringen, bracht de Commissie op 4 juli 1994 een met redenen omkleed advies uit. Bij brief van 18 augustus 1994 informeerde de Griekse regering de Commissie, dat ter zake een presidentieel decreet in voorbereiding was. Onder deze omstandigheden heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
7 Vooraf moet worden vastgesteld dat, zoals de Commissie ter terechtzitting preciseerde, het beroep alleen betrekking heeft op de niet-omzetting van de bepalingen van de richtlijn betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen.
8 De Griekse regering erkent, ten aanzien van de overheidsopdrachten voor leveringen de nodige maatregelen voor de formele omzetting van de richtlijn niet binnen de gestelde termijn te hebben genomen. Zij stelt evenwel, dat de vigerende Griekse wetgeving betreffende overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken en leveringen, in samenhang met de bepalingen van het Wetboek van burgerlijke en bestuursrechtelijke rechtsvordering en met de statuten van de Raad van State, inzonderheid artikel 52 van presidentieel decreet nr. 18/89, getiteld "Codificatie van de wettelijke bepalingen betreffende de Raad van State", al een toereikende door de recente ontwikkelingen in de rechtspraak van de Raad van State nog versterkte rechtsbescherming bieden wat de vereisten van de richtlijn betreft. Bovendien wijst de Helleense Republiek erop, dat een ontwerp-presidentieel decreet op 22 juli 1994 aan de Commissie is medegedeeld en thans ter definitieve ondertekening ligt. De sinds de goedkeuring van het ontwerp-decreet opgetreden vertraging is veroorzaakt door formele en procedurele moeilijkheden alsook door recente ontwikkelingen in de rechtspraak van de afdeling geschillen van bestuur van de Raad van State.
9 Dit betoog kan niet slagen.
10 Ten aanzien van de opschorting van de aanbestedingsprocedures, bedoeld in artikel 2, lid 1, sub a, van de richtlijn, bevat de gereleveerde nationale wetgeving, inzonderheid artikel 52 van presidentieel decreet nr. 18/89, namelijk een algemene regeling van de procedure van opschorting van de tenuitvoerlegging van een bestuurshandeling waartegen beroep tot nietigverklaring is ingesteld, die als zodanig geen correcte omzetting van de richtlijn kan opleveren.
11 Dienaangaande volstaat de opmerking, dat artikel 52 van presidentieel decreet nr. 18/89 alleen procedures ter opschorting van de tenuitvoerlegging betreft en ervan uitgaat dat een principale vordering tot nietigverklaring van de bestreden bestuurshandeling is ingesteld, terwijl krachtens artikel 2 van de richtlijn de Lid-Staten hun beroepsinstanties meer in het algemeen de bevoegdheid moeten verlenen om los van elke voorafgaande vordering, alle voorlopige maatregelen te nemen, "met inbegrip van maatregelen om de aanbestedingsprocedure (...) op te schorten c.q. te doen opschorten".
12 Nu legt de Raad van State artikel 52 van het presidentieel decreet weliswaar uit overeenkomstig de richtlijn en is hij van oordeel dat het een toereikende voorlopige rechtsbescherming in de zin van de richtlijn biedt.
13 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het evenwel met het oog op het vereiste van rechtszekerheid van bijzonder belang, dat de rechtspositie van particulieren duidelijk en nauwkeurig is, zodat de begunstigden al hun rechten kunnen kennen en ze zo nodig voor de nationale rechterlijke instanties kunnen doen gelden (arresten van 23 mei 1985, zaak 29/84, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1985, blz. 1661, r.o. 23; 9 april 1987, zaak 363/85, Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz. 1733, r.o. 7, en 30 mei 1991, zaak C-59/89, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1991, blz. I-2607, r.o. 18).
14 Gelet op de redactie van artikel 52 van het presidentieel decreet, dat de voorlopige rechtsbescherming beperkt tot de procedures ter opschorting van de tenuitvoerlegging van een bestuurshandeling waartegen beroep tot nietigverklaring is ingesteld, kan door een rechtspraak als die van de Raad van State evenwel hoe dan ook niet worden voldaan aan deze vereisten van rechtszekerheid.
15 Bovendien is in de aangevoerde nationale wetgeving nergens sprake van de bij artikel 2, lid 1, sub c, van de richtlijn bedoelde toekenning van schadevergoeding aan degenen die door een schending van het gemeenschapsrecht inzake overheidsopdrachten of van de nationale regels tot omzetting ervan zijn gelaedeerd.
16 In de gereleveerde nationale wetgeving wordt evenmin uitvoering gegeven aan artikel 3 van de richtlijn, waarbij de door de Commissie te volgen procedure wordt bepaald om op te treden bij de bevoegde instanties van de betrokken Lid-Staat en de betrokken aanbestedende dienst, wanneer er haars inziens bij een aanbestedingsprocedure een duidelijke en kennelijke schending heeft plaatsgevonden.
17 Er zij namelijk op gewezen, dat in het kader van de aanbesteding van de in de richtlijn bedoelde opdrachten onder bepaalde voorwaarden particulieren en met name door de overheid gesubsidieerde ondernemingen als gunningsinstantie kunnen optreden. In zoverre volstaat de verplichting tot loyale samenwerking en bijstandsverlening die artikel 5 EG-Verdrag op de Lid-Staten legt teneinde de vervulling van de taak van de Commissie te vergemakkelijken, niet om de uitvoering van artikel 3 van de richtlijn veilig te stellen. De Lid-Staten moeten derhalve deze bepaling omzetten teneinde ook de naleving ervan door deze particulieren te verzekeren.
18 Wat ten slotte de door de Helleense Republiek aangevoerde formele en procedurele moeilijkheden betreft ter rechtvaardiging van de bij de goedkeuring van het ontwerp-decreet opgetreden vertraging, zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een Lid-Staat zich niet ten exceptieve kan beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen (arresten van 6 april 1995, zaak C-147/94, Commissie/Spanje, Jurispr. 1995, blz. I-1015, r.o. 5; 6 juli 1995, zaak C-259/94, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1995, blz. I-1947, r.o. 5, en 2 mei 1996, zaak C-253/95, Commissie/Duitsland, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, r.o. 12).
19 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om volledig te voldoen aan de richtlijn, de krachtens artikel 5 van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om volledig te voldoen aan richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken, is de Helleense Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 5 van deze richtlijn.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy