Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Lid-Staten ° Verplichtingen ° Uitvoering van richtlijnen ° Niet-betwiste niet-nakoming
(EG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-239/95,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur H. van Lier als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door J. Devadder, bestuursdirecteur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4, résidence Champagne,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen te nemen en, subsidiair, aan de Commissie mede te delen, ter omzetting van richtlijn 90/385/EEG van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake actieve implanteerbare medische hulpmiddelen (PB 1990, L 189, blz. 17), de krachtens die richtlijn en in het bijzonder krachtens artikel 16 ervan op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, G. Hirsch, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler en J. L. Murray (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 februari 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 6 juli 1995, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen te nemen en, subsidiair, aan de Commissie mede te delen, ter omzetting van richtlijn 90/385/EEG van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake actieve implanteerbare medische hulpmiddelen (PB 1990, L 189, blz. 17; hierna: de "richtlijn"), de krachtens die richtlijn en in het bijzonder krachtens artikel 16 ervan op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Artikel 16 van de richtlijn luidt als volgt:
"1. De Lid-Staten dienen voor 1 juli 1992 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Zij passen deze bepalingen toe met ingang van 1 januari 1993.
2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst mede van alle bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
(...)"
3 Omdat zij niet in kennis was gesteld van nationale maatregelen ter omzetting van de richtlijn en over geen andere gegevens beschikte waaruit zij kon concluderen, dat België tot omzetting was overgegaan, maande de Commissie de Belgische regering bij brief van 14 oktober 1992 aan, binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen kenbaar te maken.
4 Toen zij geen antwoord ontving, deed de Commissie op 2 juli 1993 de Belgische regering krachtens artikel 169 EEG-Verdrag een met redenen omkleed advies toekomen, waarin zij de in haar aanmaningsbrief vervatte opmerkingen herhaalde. De Commissie verzocht de Belgische regering de nodige maatregelen te nemen om het met redenen omkleed advies binnen twee maanden na de kennisgeving ervan op te volgen.
5 De Commissie ontving binnen de gestelde termijn geen antwoord op het met redenen omkleed advies. Bij brief van 28 maart 1995 deelde de Belgische regering de Commissie evenwel mede, dat een ontwerp van koninklijk besluit ter omzetting van de richtlijn voor advies aan de Hoge Gezondheidsraad was voorgelegd.
6 Toen zij geen informatie meer ontving over het resultaat van de vaststellingsprocedure, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
7 In haar verweerschrift verklaart de Belgische regering, dat de Hoge Gezondheidsraad en de inspecteur van financiën een gunstig advies hebben gegeven over het ontwerp van koninklijk besluit tot omzetting van de richtlijn, maar dat nu nog de Raad van State zijn advies moet geven.
8 Er zij op gewezen, dat op 1 juli 1992, de datum waarop de omzettingstermijn afliep, België nog geen maatregelen voor de toepassing van de richtlijn had vastgesteld.
9 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens artikel 16 van de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
10 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien verweerder in het ongelijk is gesteld, moet hij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 90/385/EEG van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake actieve implanteerbare medische hulpmiddelen, is het Koninkrijk België de krachtens artikel 16 van die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy