Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Lid-Staten ° Verplichtingen ° Uitvoering van richtlijnen ° Niet-nakoming ° Rechtvaardiging ° Ontoelaatbaarheid
(EG-Verdrag, art. 169)
2. Handelingen van de instellingen ° Richtlijnen ° Recht van justitiabelen om zich op richtlijnen te beroepen bij ontbreken van adequate uitvoeringsmaatregelen ° Werking die Lid-Staten niet ontslaat van verplichting tot uitvoering van richtlijnen
(EG-Verdrag, art. 189, derde alinea)
Samenvatting
1. Een Lid-Staat kan zich niet ten exceptieve beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen.
2. Uit artikel 189, derde alinea, van het Verdrag vloeit voort, dat de uitvoering van de communautaire richtlijnen moet worden verzekerd met passende uitvoeringsmaatregelen, die door de Lid-Staten worden genomen. Slechts in bijzondere omstandigheden, in het bijzonder ingeval een Lid-Staat heeft nagelaten de vereiste uitvoeringsmaatregelen vast te stellen of wanneer hij maatregelen heeft vastgesteld die niet in overeenstemming met een richtlijn zijn, heeft het Hof het recht van de justitiabelen erkend om zich in rechte op een richtlijn te beroepen tegenover een Lid-Staat die zijn verplichtingen niet nakomt. Deze minimumwaarborg, die voortvloeit uit het dwingende karakter van de verplichting die ingevolge artikel 189, derde alinea, krachtens de richtlijnen op de Lid-Staten rust, kan geen rechtvaardiging vormen voor het verzuim van een Lid-Staat om tijdig de aan het doel van elke richtlijn beantwoordende uitvoeringsmaatregelen te nemen.
Partijen
In zaak C-253/95,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Schmidt, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en B. Kloke, Oberregierungsrat bij dit ministerie, als gemachtigden, D-53107 Bonn,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de cooerdinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB 1992, L 209, blz. 1), en, subsidiair, door de Commissie niet onverwijld van de genomen maatregelen in kennis te stellen, de krachtens artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag juncto artikel 44, lid 1, van genoemde richtlijn, op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, J.-P. Puissochet, P. Jann (rapporteur), L. Sevón en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 maart 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 20 juli 1995, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de cooerdinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB 1992, L 209, blz. 1; hierna: "richtlijn"), en, subsidiair, door de Commissie niet onverwijld van de genomen maatregelen in kennis te stellen, de krachtens artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag juncto artikel 44, lid 1, van genoemde richtlijn, op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Volgens artikel 44, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn moeten de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om vóór 1 juli 1993 aan de richtlijn te voldoen, en de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3 Daar de Commissie geen kennisgeving had ontvangen van maatregelen die de Bondsrepubliek Duitsland had genomen om aan de richtlijn te voldoen, maande zij op 9 augustus 1993 de Duitse regering aan om binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen te maken.
4 Op 5 november 1993 deelde de Duitse regering de Commissie mee, dat de werkzaamheden tot omzetting van de richtlijn aan de gang waren, en voegde zij bij haar antwoord het ontwerp van de tweede wet tot wijziging van het Haushaltsgrundsaetzegesetz (raamwet betreffende de begroting). Op 27 december 1993 werd de Commissie ervan in kennis gesteld, dat die wet op 26 november 1993 was aangenomen. Zij zou alle richtlijnen op het gebied van de overheidsopdrachten omzetten en op 1 januari 1994 in werking treden.
5 Op 7 februari 1994 deed de Duitse regering de Commissie bovendien twee ontwerp-verordeningen tot uitvoering van het Haushaltsgrundsaetzegesetz toekomen.
6 Op verzoek van de Commissie zond de Bondsrepubliek Duitsland haar ten slotte op 7 april 1994 de definitieve tekst toe van de Verordnung ueber die Vergabebestimmungen fuer oeffentlichte Auftraege (verordening betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten) en de Verordnung ueber das Nachpruefungsverfahren fuer oeffentlichte Auftraege (verordening betreffende de verificatieprocedure voor overheidsopdrachten). Deze twee verordeningen waren op 1 maart 1994 in werking getreden.
7 Daar de Commissie na onderzoek van die bepalingen tot de conclusie kwam, dat de nodige maatregelen om de toepassing van de richtlijn betreffende de overheidsopdrachten voor dienstverlening te verzekeren, niet waren genomen, deed zij de Duitse regering op 4 augustus 1994 een met redenen omkleed advies toekomen met het verzoek, de nodige maatregelen te nemen om binnen een termijn van twee maanden aan dit advies te voldoen.
8 Bij brief van 29 september 1994 deelde de Duitse regering mee, dat de op basis van de tweede wet tot wijziging van het Haushaltsgrundsaetzegesetz vastgestelde Verordnung ueber die Vergabebestimmungen fuer oeffentlichte Auftraege, waarmee alle richtlijnen van de Europese Gemeenschap op het gebied van het plaatsen van overheidsopdrachten in nationaal recht dienden te worden omgezet, voor opdrachten voor de levering van goederen en voor de uitvoering van werken op 1 maart 1994 in werking was getreden en dat de wetgevingsprocedure om deze tot opdrachten voor dienstverlening uit te breiden, aan de gang was. De Duitse regering verbond zich voorts ertoe, de gewijzigde verordening onmiddellijk na de vaststelling ervan aan de Commissie te doen toekomen.
9 Daar de Commissie geen verdere mededeling heeft ontvangen, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
10 De Duitse regering betwist de niet-nakoming niet. Zij voert evenwel aan, dat het Bondsministerie van Economische zaken onmiddellijk na het verstrijken van de termijn voor omzetting van de richtlijn de betrokken aanbestedende diensten erop heeft gewezen, dat de richtlijn per 1 juli 1993 rechtstreeks toepasselijk was op het plaatsen van opdrachten voor dienstverlening.
11 De Duitse regering voegt daaraan toe, dat de werkzaamheden om de voor omzetting van de richtlijn noodzakelijke wijzigingen in de wetgeving aan te brengen, aan de gang zijn. Zij beroept zich in dit verband op het ontwerp tot wijziging van de Verdingungsordnung fuer Leistungen (regeling betreffende het plaatsen van opdrachten voor de levering van goederen) en op het ontwerp tot vervanging van de Verdingungsordnung fuer die Vergabe freiberuflicher Leistungen (regeling betreffende het plaatsen van opdrachten voor diensten van vrije beroepen). Een overeenkomstig ontwerp tot wijziging van de Verordnung ueber die Vergabebestimmungen fuer oeffentlichte Auftraege waardoor beide eerdergenoemde regelingen betreffende het plaatsen van opdrachten tot regels van dwingend recht zouden worden verheven, zou eerlang aan de Bondsregering worden voorgelegd. De goedkeuring van de Laender zou echter nog niet zijn verkregen.
12 In de eerste plaats zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een Lid-Staat zich niet ten exceptieve kan beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen (zie onder meer arrest van 6 juli 1995, zaak C-259/94, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1995, blz. I-1947, r.o. 5).
13 In de tweede plaats vloeit uit artikel 189, derde alinea, van het Verdrag voort, dat de uitvoering van de communautaire richtlijnen moet worden verzekerd met passende uitvoeringsmaatregelen, die door de Lid-Staten worden genomen. Slechts in bijzondere omstandigheden, in het bijzonder ingeval een Lid-Staat heeft nagelaten de vereiste uitvoeringsmaatregelen vast te stellen of wanneer hij maatregelen heeft vastgesteld die niet in overeenstemming met een richtlijn zijn, heeft het Hof het recht van de justitiabelen erkend om zich in rechte op een richtlijn te beroepen tegenover een Lid-Staat die zijn verplichtingen niet nakomt. Deze minimumwaarborg, die voortvloeit uit het dwingende karakter van de verplichting die ingevolge artikel 189, derde alinea, van het Verdrag krachtens de richtlijnen op de Lid-Staten rust, kan geen rechtvaardiging vormen voor het verzuim van een Lid-Staat om tijdig de aan het doel van elke richtlijn beantwoordende uitvoeringsmaatregelen te nemen (zie met name arrest van 11 augustus 1995, zaak C-433/93, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1995, blz. I-2303, r.o. 24). Het argument van de Duitse regering betreffende de rechtstreekse werking van de richtlijn kan dus evenmin worden aanvaard.
14 Daar de omzetting van de richtlijn niet binnen de gestelde termijn heeft plaatsgevonden, moet het ter zake door de Commissie ingestelde beroep gegrond worden geacht.
15 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens artikel 44, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
16 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover zulks is gevorderd. De Commissie heeft geconcludeerd tot verwijzing van de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de cooerdinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, is de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens artikel 44, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Bondsrepubliek Duitsland wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy