Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de Gemeenschappen - Oostenrijk - Finland - Zweden - Aanpassing van communautaire besluiten die niet bij Toetredingsakte zelf zijn aangepast - Wijziging, met terugwerkende kracht, van beschikking nr. 3092/94 van Parlement en Raad bij beschikking 95/184 van Raad - Schending van in artikel 169 van Toetredingsakte vastgestelde bevoegdheden - Afwezigheid
(Toetredingsakte van 1994, art. 169; beschikking 95/184 van de Raad; beschikking nr. 3092/94 van het Parlement en de Raad)
Samenvatting
Beschikking 95/184 van de Raad tot wijziging van beschikking nr. 3092/94 van het Parlement en de Raad tot instelling van een communautair informatiesysteem over ongevallen thuis en tijdens de vrijetijdsbesteding, waarbij in verband met de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden het aantal aan het systeem deelnemende ziekenhuizen is uitgebreid en de voor dat doel aan de Lid-Staten verleende financiële steun is aangepast, en die is gegeven overeenkomstig de in artikel 169 van de Toetredingsakte vermelde procedure tot aanpassing van niet bij de Akte zelf aangepaste besluiten van de instellingen, is niet in strijd met de in laatstgenoemde bepaling omschreven bevoegdheden ratione temporis of ratione materiae.
Immers, hoewel de betrokken beschikking na de toetreding is gegeven en vanaf het tijdstip van de toetreding van toepassing was, staan noch de bewoordingen van artikel 169, uitgelegd aan de hand van de algemene structuur en de strekking van de titel waarvan het deel uitmaakt, noch het beginsel van de toepassing van het "acquis communautaire" in de nieuwe Lid-Staten, noch overwegingen met betrekking tot de rechtszekerheid en het gewettigd vertrouwen in de weg aan dergelijke tijdelijke modaliteiten. Voorts staat het feit dat de oorspronkelijke beschikking door het Parlement en de Raad gezamenlijk was gegeven en dat artikel 169 bepaalt, dat de Raad de wijzigingsteksten vaststelt voor zover de oorspronkelijke besluiten door hem zijn genomen, niet eraan in de weg, dat de betrokken beschikking door de Raad alleen is gegeven, omdat zonder nadere preciseringen, besluiten van de Raad besluiten zijn die deze instelling heeft opgesteld, hetzij alleen, hetzij samen met het Parlement, en de in artikel 169 vastgestelde bevoegdheid dus eveneens de besluiten omvat die de Raad gezamenlijk met het Parlement heeft vastgesteld.
Partijen
In zaak C-259/95,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door C. Pennera, afdelingshoofd bij zijn juridische dienst, en A. Baas, lid van die dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door G. Houttuin, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Morbilli, directeur van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
ondersteund door
Koninkrijk Zweden, vertegenwoordigd door L. Nordling, rättschef bij de afdeling buitenlandse handel van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, te Stockholm,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Forman, juridisch adviseur, en D. Maidani, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van voornoemde dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
interveniënten,
betreffende een beroep, strekkende tot nietigverklaring van beschikking 95/184/EG van de Raad van 22 mei 1995 tot wijziging van beschikking nr. 3092/94/EG tot instelling van een communautair informatiesysteem over ongevallen thuis en tijdens de vrijetijdsbesteding (PB 1995, L 120, blz. 36),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, J. L. Murray, G. Hirsch (rapporteur), H. Ragnemalm en R. Schintgen, rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord partijen in hun pleidooien ter terechtzitting van 27 februari 1997, waarbij het Parlement werd vertegenwoordigd door C. Pennera en A. Baas; de Raad door A. Feeney, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigde; het Koninkrijk Zweden door E. Brattgard, departementsråd bij de afdeling buitenlandse handel van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en de Commissie door J. Forman en D. Maidani,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 maart 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 2 augustus 1995, heeft het Europees Parlement krachtens artikel 173, derde alinea, EG-Verdrag, het Hof verzocht om nietigverklaring van beschikking 95/184/EG van de Raad van 22 mei 1995 tot wijziging van beschikking nr. 3092/94/EG tot instelling van een communautair informatiesysteem over ongevallen thuis en tijdens de vrijetijdsbesteding (PB 1995, L 120, blz. 36; hierna: "bestreden beschikking").
2 Het communautair informatiesysteem over ongevallen thuis en tijdens de vrijetijdsbesteding was voor het jaar 1993 ingevoerd bij beschikking 93/683/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 (PB 1993, L 319, blz. 40), teneinde via bij ziekenhuizen verzamelde gegevens de bij dit soort ongevallen betrokken producten te kunnen opsporen. Dit systeem, beschouwd als het logisch gevolg van richtlijn 92/59/EEG van de Raad van 29 juni 1992 inzake algemene produktveiligheid (PB 1992, L 228, blz. 24), bestaat hoofdzakelijk in financiële steun aan de Lid-Staten voor de ziekenhuizen - waarvan het aantal per Lid-Staat is vastgesteld - die deelnemen aan het verzamelen van de in bijlage I bij die beschikking gepreciseerde gegevens.
3 Bij beschikking nr. 3092/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 december 1994 (PB 1994, L 331, blz. 1) is het systeem voor een periode van vier jaar (1994-1997) verlengd voor een bedrag van 2,5 miljoen ECU per jaar en in totaal 54 ziekenhuizen, over de Lid-Staten verdeeld volgens de in bijlage I bij die beschikking vermelde sleutel.
4 Bij de bestreden beschikking heeft de Raad beschikking nr. 3092/94 met het oog op de toetreding tot de Gemeenschap van drie nieuwe Lid-Staten gewijzigd. Volgens artikel 1 van de bestreden beschikking beloopt het voor de tenuitvoerlegging van het systeem noodzakelijk geachte bedrag 2,808 miljoen ECU per jaar voor de periode 1995-1997 en wordt het aantal deelnemende ziekenhuizen op 65 gebracht. Artikel 2 bepaalt, dat de beschikking van toepassing is vanaf de datum van inwerkingtreding van de Toetredingsakte.
5 Terwijl beschikking nr. 3092/94 steunde op artikel 129 A, lid 2, EG-Verdrag, welke bepaling verwijst naar de medebeslissingsprocedure als bedoeld in artikel 189 B EG-Verdrag, is de bestreden beschikking gegeven overeenkomstig de procedure genoemd in artikel 169 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 1994, C 241, blz. 21; hierna: "Toetredingsakte"). Laatstgenoemde bepaling luidt als volgt:
"1. Indien besluiten van de Instellingen van voor de toetreding in verband met de toetreding moeten worden aangepast, en de noodzakelijke aanpassingen niet in deze Akte of in de bijlagen daarvan zijn voorzien, worden deze aanpassingen aangebracht overeenkomstig de procedure van lid 2. Deze aanpassingen treden onmiddellijk bij de toetreding in werking.
2. De daartoe noodzakelijke teksten worden, op voorstel van de Commissie, door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, of door de Commissie vastgesteld, naar gelang de oorspronkelijke besluiten door de ene dan wel door de andere instelling zijn aangenomen."
6 Volgens artikel 2, lid 3, van de Toetredingsakte (PB 1994, C 241, blz. 9) kunnen de instellingen van de Unie vóór de toetreding onder meer de in artikel 169 van de Toetredingsakte bedoelde maatregelen vaststellen. Die maatregelen treden slechts in werking onder voorbehoud en op de datum van inwerkingtreding van het toetredingsverdrag, te weten op 1 januari 1995.
7 Het Parlement is van mening, dat de bestreden beschikking is gegeven met miskenning van zijn prerogatieven en in strijd met de in artikel 169 van de Toetredingsakte vastgestelde bevoegdheden ratione temporis en ratione materiae.
8 Bij beschikkingen van 12 en 26 februari 1996 heeft de President van het Hof het Koninkrijk Zweden respectievelijk de Commissie toegestaan te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Raad.
9 Vooraf moet eraan worden herinnerd dat, anders dan de rechtstreeks uit de Toetredingsakte voortvloeiende aanpassingen, die geen handelingen van de instellingen vormen en dus niet op hun wettigheid kunnen worden getoetst, de krachtens handelingen van de instellingen vastgestelde aanpassingen als zodanig wel aan de in het Verdrag voorziene wettigheidscontrole zijn onderworpen (arrest van 28 april 1988, gevoegde zaken 31/86 en 35/86, LAISA, Jurispr. 1988, blz. 2285, r.o. 17). Aangezien het beroep van het Parlement betrekking heeft op aanpassingen die uit een beschikking van de Raad voortvloeien, en strekt tot behoud van zijn prerogatieven, moet het ontvankelijk worden verklaard.
De toepassing van artikel 169 van de Toetredingsakte ratione temporis
10 Volgens het Parlement blijkt om te beginnen uit de nauwkeurige bewoordingen van artikel 169, in ieder geval in de Franse versie, dat de voorgenomen aanpassingen slechts kunnen plaatsvinden gedurende de overgangsperiode tussen de ondertekening van het Toetredingsverdrag en de inwerkingtreding daarvan, dat wil zeggen tussen 24 juni en 31 december 1994. Na die datum is artikel 169 niet meer van toepassing.
11 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd, dat volgens artikel 3 van het Toetredingsverdrag alle taalversies van dit verdrag, waarvan artikel 1, lid 2, tweede volzin, bepaalt dat de Toetredingsakte er een integrerend deel van uitmaakt, gelijkelijk authentiek zijn.
12 Het is juist, dat volgens de Franse versie van artikel 169 de woorden "vóór de toetreding" ("avant l'adhésion") doelen op aanpassingen uit hoofde van die bepaling. In alle andere taalversies evenwel heeft deze beperking in de tijd geen betrekking op de mogelijkheid de procedure van artikel 169 te volgen, maar op de datum waarop de te wijzigen besluiten werden vastgesteld ("De fornødne tilpasninger af institutionernes retsakter fra før tiltrædelsen; Erfordern vor dem Beitritt erlassene Rechtsakte der Organe aufgrund des Beitritts eine Anpassung; Ïôáí ðñÜîåéò ôùí ïñãÜíùí ðñéí ôç ðñïó÷þñçóç ÷ñåéÜæïíôáé ðñïóáñìïãÞ óõíåðåßá áõôÞò; En caso de que los actos de las instituciones previos a la adhesión requieran una adaptación como consecuencia de ésta; Más gá gníomhartha na n-institiúidí arna ndéanamh roimh an aontachas a oiriúnú de thoradh an aontachais; Quando gli atti delle istituzioni precedenti all'adesione richiedono adattamenti in conseguenza dell'adesione; Indien besluiten van de Instellingen van vóór de toetreding in verband met de toetreding moeten worden aangepast; Quando os actos das Instituições, anteriores à adesão, devam ser adaptados em virtude da adesão; Jos toimielinten ennen liittymistä antamia säädöksiä on mukautettava liittymisen johdosta; Sådana anpassningar av institutionernas rättsakter som behövs inför anslutningen; Where acts of the institutions prior to accession require adaptation by reason of accession").
13 Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt, dat in geval van verschillen tussen diverse taalversies, de noodzaak van een eenvormige uitlegging vereist, dat de betrokken bepaling wordt uitgelegd met inachtneming van de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie onder meer arrest van 24 oktober 1996, zaak C-72/95, Kraaijeveld e.a., Jurispr. 1996, blz. I-5403, r.o. 28).
14 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat artikel 169 deel uitmaakt van titel II van het vijfde deel van de Toetredingsakte, waarvan het opschrift luidt "Toepassing van de besluiten der instellingen". De aanpassingen die op basis van deze bepaling worden aangebracht, hebben dus enkel tot doel om communautaire besluiten die niet bij de Toetredingsakte zelf zijn aangepast, toepasselijk te maken in de nieuwe Lid-Staten. Andere wijzigingen kunnen bijgevolg niet op artikel 169 van de Akte worden gegrond.
15 In casu vergde de toepasselijkheid van beschikking nr. 3092/94 in de nieuwe Lid-Staten op slechts twee punten een aanpassing: het aantal ziekenhuizen moest worden aangepast aan de bevolking van de nieuwe Lid-Staten en de financiële steun moest bijgevolg naar evenredigheid worden verhoogd. Door het aantal ziekenhuizen van 54 op 65 te brengen en het bedrag van de communautaire deelname van 2,500 op 2,808 miljoen ECU, heeft de Raad zich aan de in beschikking nr. 3092/94 genoemde criteria gehouden. De bestreden handeling is dus binnen het kader van een aanpassing in de zin van artikel 169 gebleven.
16 Volgens het Parlement evenwel strekt artikel 2, lid 3, van het Toetredingsverdrag ertoe, dat de communautaire instellingen gedurende de overgangsperiode alle maatregelen kunnen vaststellen die noodzakelijk zijn opdat de nieuwe Lid-Staten op het tijdstip van toetreding volledig zijn geïntegreerd. Deze bepaling zou dus klaarblijkelijk niet doelen op de vaststelling van maatregelen die terugwerkende kracht hebben, zoals de bestreden beschikking.
17 Gelet op het voornamelijk in artikel 2 van de Toetredingsakte genoemde fundamentele beginsel van aanvaarding van het volledige acquis communautaire, zou het bovendien ondenkbaar zijn, dat er via een bepaling in het vijfde deel van de Toetredingsakte een van het gemene recht afwijkende regeling wordt ingevoerd, volgens welke, ofschoon alle belangrijke besluiten op de datum van toetreding verplicht in werking treden, bepaalde instellingen nadien nog, zonder enige beperking in de tijd, kunnen overgaan tot aanpassingen, dat wil zeggen wijzigingen van communautaire handelingen die dateren van vóór de toetreding en die op dat tijdstip niet waren geïdentificeerd.
18 Dienaangaande moet er in de eerste plaats aan worden herinnerd, dat luidens artikel 2, lid 3, van het Toetredingsverdrag de instellingen van de Gemeenschap vóór de toetreding de maatregelen bedoeld in onder meer artikel 169 van de Toetredingsakte "kunnen" vaststellen. Deze bepaling beperkt dus geenszins het gebruik ervan na de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag, maar staat eenvoudig het gebruik ervan voor dat tijdstip toe.
19 Voorts komt het beginsel dat de toetredende staat alle tot zijn daadwerkelijke toetreding vastgestelde institutionele besluiten aanvaardt (zie arrest van 16 februari 1982, gevoegde zaken 39/81, 43/81, 85/81 en 88/81, Halyvourgiki, Jurispr. 1982, blz. 593, r.o. 12), niet in het gedrang door besluiten die na de toetreding op basis van artikel 169 zijn vastgesteld. Immers, zoals uit rechtsoverweging 14 van dit arrest volgt, strekt de mogelijkheid om op basis van dat artikel besluiten vast te stellen, zich slechts uit tot eenvoudige aanpassingen, teneinde ze in de nieuwe Lid-Staten toepasselijk te maken, met uitsluiting van elke andere wijziging. De toepassing van het acquis communautaire overeenkomstig artikel 2 van de Toetredingsakte impliceert derhalve niet, dat artikel 169 na de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag niet meer van toepassing is.
20 Met betrekking tot de opmerking van het Parlement, dat een dergelijke uitlegging tot ongebreidelde toepassing van artikel 169 zou leiden, volstaat de vaststelling dat de bestreden beschikking hoe dan ook binnen een redelijke termijn na de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag is vastgesteld.
21 Voor zover artikel 169, lid 1, tweede volzin, van de Toetredingsakte ten slotte bepaalt, dat de aanpassingen onmiddellijk bij de toetreding in werking treden, en deze bepalingen dus ten aanzien van na de toetreding vastgestelde besluiten leidt tot toepassing met terugwerkende kracht, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat, ofschoon het beginsel van rechtszekerheid zich in het algemeen ertegen verzet, dat een gemeenschapsbesluit reeds voor zijn afkondiging van kracht is, hiervan bij wijze van uitzondering kan worden afgeweken, indien dit voor het te bereiken doel noodzakelijk is en het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht is genomen (zie arrest van 13 november 1990, zaak C-331/88, Fedesa e.a., Jurispr. 1990, blz. I-4023, r.o. 45).
22 In casu vergde het doel van een uniforme toepassing van het acquis communautaire op het gehele grondgebied van de Unie evenwel, dat de aanpassingsmaatregelen vanaf het tijdstip van toetreding werden toegepast, ook al zijn zij na de toetreding getroffen. Aangezien het Parlement geen beroep heeft gedaan op schending van het beginsel van rechtszekerheid of van het vertrouwensbeginsel, moet het eerste middel dus worden verworpen.
De toepassing van artikel 169 van de Toetredingsakte ratione materiae
23 In dit verband stelt het Parlement, dat artikel 169 van de Toetredingsakte niet de rechtsgrondslag kan zijn van een besluit tot wijziging van een eerder besluit dat het gezamenlijk met de Raad heeft vastgesteld krachtens artikel 129 A juncto 129 B van het Verdrag. De Raad is immers niet bevoegd om een gezamenlijk besluit van het Parlement en de Raad eenzijdig te wijzigen.
24 Volgens het Parlement heeft artikel 169, lid 2, van de Toetredingsakte enkel betrekking op door de Raad en door de Commissie vastgestelde besluiten. De opstellers van de Toetredingsakte hebben kennelijk een versoepelde procedure voor de aanpassing van die besluiten willen invoeren en zo de rol van deze twee instellingen in het besluitvormingsproces van artikel 169 willen bepalen. Het is echter ondenkbaar, aldus het Parlement, dat onder "besluiten van de instellingen", naast de besluiten van de Raad en de Commissie ook de besluiten moeten worden verstaan die gezamenlijk door het Parlement en de Raad zijn vastgesteld en fundamenteel verschillen van besluiten van de Raad alleen, zoals volgt uit de artikelen 172, 173, 189, 190, en 191 EG-Verdrag. Artikel 169, lid 2, van de Toetredingsakte kan dus niet worden gebruikt ter aanpassing van besluiten die gezamenlijk door de Raad en het Parlement zijn vastgesteld.
25 Er moet aan worden herinnerd, dat artikel 169, lid 1, eerste volzin, van de Toetredingsakte voorziet in de mogelijkheid om "besluiten van de instellingen" aan te passen aan de eisen in verband met de toetreding van nieuwe Lid-Staten en daartoe naar de procedure van lid 2 verwijst. Dit bepaalt, dat de daartoe noodzakelijke teksten, op voorstel van de Commissie door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, of door de Commissie worden vastgesteld, naargelang de oorspronkelijke besluiten door de ene dan wel door de andere instelling zijn vastgesteld.
26 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat, zonder nadere preciseringen, besluiten van de Raad besluiten zijn die deze instelling heeft opgesteld, hetzij alleen, hetzij samen met het Parlement. Uit verschillende bepalingen van het EG-Verdrag (zie onder meer de artikelen 56, lid 2, tweede volzin, 100 A, lid 1, tweede volzin, en 129 A, lid 2, waarop beschikking nr. 3092/94 berust) blijkt namelijk, dat besluiten die de Raad samen met het Parlement heeft vastgesteld, als besluiten van de Raad worden beschouwd. Waar artikel 169, lid 2, van de Toetredingsakte de besluiten van de Raad vermeldt, verwijst deze bepaling dus eveneens naar die welke die instelling gezamenlijk met het Parlement heeft vastgesteld.
27 Bovendien heeft het Parlement uitdrukkelijk erkend, dat de opstellers van de Toetredingsakte een versoepelde procedure hadden willen invoeren voor de aanpassing van besluiten die niet in de Toetredingsakte zelf waren aangepast. Het heeft echter geen enkel argument aangevoerd ten bewijze, dat zij de gebieden waarop de communautaire besluiten aanvankelijk door het Parlement en de Raad gezamenlijk waren vastgesteld volgens de procedure van artikel 189 B van het Verdrag, van die versoepelde procedure wilden uitsluiten. Met zijn tweede middel beroept het Parlement zich dus in werkelijkheid op onwettigheid van artikel 169 van de Toetredingsakte, die hoe dan ook niet door het Hof kan worden getoetst.
28 In die omstandigheden moet het beroep worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
29 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien het Parlement in het ongelijk is gesteld, moet het in de kosten worden verwezen. Overeenkomstig artikel 69, lid 4, van dit Reglement dienen de Commissie en het Koninkrijk Zweden, interveniënten, hun eigen kosten te dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst het Parlement in de kosten.
3) Verstaat dat het Koninkrijk Zweden en de Commissie hun eigen kosten zullen dragen.
Full & Egal Universal Law Academy