Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Gemeenschappelijk douanetarief - Tariefposten - Veresterd aardappelzetmeel - Indeling onder post 11.08 A IV (code 1108 13 00 van gecombineerde nomenclatuur) of onder post 39.06 B I (code 3505 10 50 van gecombineerde nomenclatuur) - Criterium - Acetylgehalte - Maximumacetylgehalte tussen 0,61 en 0,74 gewichtspercent - Indeling onder post 11.08 A IV, onder voorbehoud van verificatie van behoud van kwaliteit van natuurlijk zetmeel in betrokken product
Samenvatting
De indeling van veresterd aardappelzetmeel onder post 11.08 A IV van het gemeenschappelijk douanetarief (en onder code 1108 13 00 van de gecombineerde nomenclatuur), dan wel onder post 39.06 B I van het gemeenschappelijk douanetarief (en onder code 3505 10 50 van de gecombineerde nomenclatuur) wordt in de eerste plaats bepaald door het acetylgehalte en dus door de veresteringsgraad ervan, aangezien het enkele feit dat tijdens de fabricage van het product al dan niet een chemisch veresteringsproces heeft plaatsgevonden, niet zonder meer bepalend is voor de indeling van aardappelzetmeel onder de ene dan wel onder de andere post.
Een maximumacetylgehalte tussen 0,61 en 0,74 gewichtspercent staat er niet aan in de weg, dat veresterd aardappelzetmeel wordt ingedeeld onder post 11.08 A IV.
De nationale rechter dient evenwel na te gaan, of de aard van de verestering het aardappelzetmeel niet dusdanig heeft gewijzigd, dat dit kwalitatief niet meer overeenkomt met natuurlijk aardappelzetmeel.
Partijen
In de gevoegde zaken C-274/95, C-275/95 en C-276/95,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Bundesfinanzhof, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Ludwig Wünsche & Co.
en
Hauptzollamt Hamburg-Jonas,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief, zoals vervat in verordening (EEG) nr. 3618/86 van de Raad van 24 november 1986 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 3331/85 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1986, L 345, blz. 1), en van de gecombineerde nomenclatuur, zoals vervat in verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vierde kamer),
samengesteld als volgt: J. L. Murray, kamerpresident, P. J. G. Kapteyn (rapporteur) en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Ludwig Wünsche & Co., vertegenwoordigd door K. Landry, advocaat te Hamburg,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Fialho, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door H.-J. Rabe, advocaat te Hamburg,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Ludwig Wünsche & Co., vertegenwoordigd door K. Landry, en de Commissie, vertegenwoordigd door G. M. Berrisch, advocaat te Hamburg, ter terechtzitting van 14 november 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 december 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij drie beschikkingen van 20 juni 1995, ingekomen bij het Hof op 14 augustus daaraanvolgend, heeft het Bundesfinanzhof krachtens artikel 177 EG-Verdrag prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief, zoals vervat in verordening (EEG) nr. 3618/86 van de Raad van 24 november 1986 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 3331/85 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1986, L 345, blz. 1; hierna: "GDT"), en van de gecombineerde nomenclatuur, zoals vervat in verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1; hierna: "GN").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de vennootschap Ludwig Wünsche & Co. (hierna: "Wünsche") en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas (hierna: "Hauptzollamt") betreffende de tariefindeling van een product genaamd "Perfectamyl KKS", waarvan in 1987 en 1988 enkele partijen naar derde landen zijn uitgevoerd.
3 Het GDT in de versie van verordening nr. 3618/86 was van toepassing op exporten gedurende het jaar 1987 (zaken C-275/95 en C-276/95). De posten 11.08 A IV en 39.06 B I van het GDT luiden als volgt:
- post 11.08 A IV:
"11.08 Zetmeel; inuline: A. Zetmeel: (...) IV. Aardappelzetmeel"
- post 39.06 B I:
"39.06 Andere hogere polymeren, kunstharsen en kunstmatige plastische stoffen, alginezuren en zouten en esters daarvan daaronder begrepen; linoxyne:
(...) B. Andere: I. Veresterd of veretherd zetmeel."
4 Voor exporten gedurende het jaar 1988 (zaak C-274/95) is de GN in de versie van verordening nr. 2658/87 de toepasselijke regeling. Daarin zijn de postonderverdelingen 1108 13 00 en 3505 10 50 geformuleerd als volgt:
- postonderverdeling 1108 13 00:
"1108 Zetmeel en inuline: - zetmeel (...) 1108 13 00 - - aardappelzetmeel"
- postonderverdeling 3505 10 50:
"3505 Dextrine en ander gewijzigd zetmeel (bij voorbeeld voorgegelatineerd of veresterd zetmeel); lijm op basis van zetmeel, van dextrine of van ander gewijzigd zetmeel:
3505 10 - dextrine en ander gewijzigd zetmeel: 3505 10 10 - - dextrine - - ander gewijzigd zetmeel:
3505 10 50 - - - door ethervorming of door verestering gewijzigd."
5 Volgens artikel 1 en punt 3 van de bijlage bij verordening (EEG) nr. 28/90 van de Commissie van 4 januari 1990 houdende indeling van bepaalde goederen in de codes 1108 11 00, 1108 12 00, 1108 13 00 en 1108 14 00 van de gecombineerde nomenclatuur en intrekking van verordening (EEG) nr. 1463/87 (PB 1990, L 3, blz. 9), in werking getreden op 1 maart 1990, moeten producten in de vorm van een fijn, wit poeder, bestaande uit een mengsel van natuurlijk aardappelzetmeel en kleine hoeveelheden geacetyleerd aardappelzetmeel of zeer licht geacetyleerd aardappelzetmeel, met een zetmeelgehalte van 95 gewichtspercenten of meer en een acetylgehalte van minder dan 0,5 gewichtspercent, onder GN-code 1108 13 00 worden ingedeeld. Blijkens de motivering in de bijlage moeten deze producten op grond van hun kenmerken, met name het lage acetylgehalte, worden beschouwd als zetmeel van GN-code 1108 13 00 en niet als veresterd zetmeel van GN-code 3505 10 50.
6 Tussen maart 1987 en februari 1988 verzocht Wünsche bij verschillende Duitse douanekantoren om uitklaring van bepaalde hoeveelheden Perfectamyl KKS, een voor uitvoer naar derde landen bestemd product. Dit product werd aangegeven als levensmiddelentoebereiding met 96,5 % aardappelzetmeel (zaak C-275/95) en als aardappelzetmeel met een zetmeelgehalte van 78 gewichtspercenten of meer (zaken C-274/95 en C-276/95).
7 Na verificatie van het voor de vervaardiging van de uitgevoerde producten gebruikte zetmeel kwam het Hauptzollamt tot de conclusie, dat Wünsche geen natuurlijk aardappelzetmeel had uitgevoerd, maar veresterd zetmeel, dat krachtens de toepasselijke gemeenschapsverordeningen geen recht gaf op uitvoerrestituties en monetair compenserende bedragen voor natuurlijk aardappelzetmeel. Bij beschikking van 30 mei 1988 gelastte de douaneautoriteit Wünsche dan ook, de ontvangen uitvoerrestituties en monetair compenserende bedragen terug te betalen (zaken C-275/95 en C-276/95). Bovendien werd Wünsche bij beschikking van 23 juni 1988 de uitkering van bedoelde bedragen en restituties geweigerd (zaak C-274/95).
8 Wünsche ging van deze beschikkingen in beroep bij het Finanzgericht, dat de beschikkingen bevestigde op de grond dat aardappelzetmeel met een veresteringsgraad van 0,5 gewichtspercent of meer, geen natuurlijk aardappelzetmeel van post 11.08 A IV van het GDT (en van postonderverdeling 1108 13 00 van de GN) was, doch moest worden beschouwd als veresterd zetmeel dat onder post 39.06 B I van het GDT (en postonderverdeling 3505 10 50 van de GN) diende te worden ingedeeld. Volgens de bevindingen van het Finanzgericht hadden de uitgevoerde producten in zaak C-275/95 een veresteringsgraad tot 0,61 gewichtspercent en in zaak C-276/95 tot 0,74 gewichtspercent. In zaak C-274/95 bedroeg de veresteringsgraad van de uitgevoerde producten volgens de gegevens van Wünsche overigens 0,67 gewichtspercent.
9 Voor het Bundesfinanzhof stelde Wünsche, dat het Finanzgericht de posten 11.08 en 39.06 van het GDT en de overeenkomstige postonderverdelingen 1108 13 00 en 3505 10 50 van de GN onjuist had uitgelegd. Tot staving van haar hogere voorziening beriep zij zich op het arrest van 1 april 1993 (zaak C-256/91, Emsland-Stärke, Jurispr. 1993, blz. I-1857), waarin het Hof besliste, dat zetmeel met een acetylgehalte van minder dan 0,5 % moest worden ingedeeld onder post 1108, hoewel een hoger acetylgehalte indeling van aardappelzetmeel onder deze post niet uitsloot. Het Hauptzollamt betoogde daarentegen, dat het arrest Emsland-Stärke, reeds aangehaald, slechts betrekking had op de tariefindeling van een product bestaande uit een mengsel van natuurlijk zetmeel en aardappelzetmeelester, zodat deze uitspraak niet kon gelden voor het in het hoofdgeding betwiste product, dat homogeen van samenstelling is.
10 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat er naar het oordeel van het Bundesfinanzhof juridisch gezien twijfel bestaat omtrent de indeling van veresterd aardappelzetmeel met een acetylgehalte van 0,5 gewichtspercent of meer.
11 Daarbij wijst het Bundesfinanzhof erop, dat elke chemische verandering van natuurlijk zetmeel tot verestering leidt, hoe gering deze ook moge zijn, zodat de indeling van een product als veresterd zetmeel niet zozeer afhangt van het vastgestelde acetylgehalte, als wel van de omstandigheid, dat het product een chemische verestering heeft ondergaan. Wanneer veresterd aardappelzetmeel is vervaardigd door middel van chemische verandering, zoals in het hoofdgeding, en niet door vermenging, moet het in beginsel worden ingedeeld onder post 39.06 B I van het GDT of onder post 3505 van de GN. Daarentegen zouden zowel het arrest Emsland-Stärke, reeds aangehaald, als verordening nr. 28/90 de tariefindeling van veresterd aardappelzetmeel - niet alleen bij vermenging maar ook bij chemische verandering - veeleer laten afhangen van het gehalte aan acetyl, de karakterbepalende stof van het product.
12 Onder deze omstandigheden heeft het Bundesfinanzhof besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende vragen te stellen:
- in zaak C-274/95:
"1) Wordt de indeling van veresterd aardappelzetmeel onder postonderverdeling 3505 10 50 van de gecombineerde nomenclatuur bepaald door het acetylgehalte en dus door de veresteringsgraad ervan?
2) Zo ja, wat was het maximumacetylgehalte waarbij in februari 1988 uitgevoerd veresterd aardappelzetmeel nog kon worden ingedeeld onder postonderverdeling 1108 13 00 van de gecombineerde nomenclatuur?"
- in zaak C-275/95:
"1) Wordt de indeling van veresterd aardappelzetmeel onder post 39.06 B I van het gemeenschappelijk douanetarief van 1987 dan wel onder post 11.08 A IV van het gemeenschappelijk douanetarief van 1987 bepaald door het acetylgehalte en dus door de veresteringsgraad ervan?
2) Zo ja, wat was het maximumacetylgehalte waarbij tussen april en augustus 1987 uitgevoerd veresterd aardappelzetmeel nog kon worden ingedeeld onder post 11.8 A IV van het gemeenschappelijk douanetarief van 1987?"
- in zaak C-276/95:
"1) Wordt de indeling van veresterd aardappelzetmeel onder post 39.06 B I van het gemeenschappelijk douanetarief van 1987 dan wel onder post 11.08 A IV van het gemeenschappelijk douanetarief van 1987 bepaald door het acetylgehalte en dus door de veresteringsgraad ervan?
2) Zo ja, wat was het maximumacetylgehalte waarbij tussen maart en december 1987 uitgevoerd veresterd aardappelzetmeel nog kon worden ingedeeld onder post 11.8 A IV van het gemeenschappelijk douanetarief van 1987?"
13 Bij beschikking van de president van 20 september 1995 zijn de drie zaken, overeenkomstig artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering, voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest gevoegd.
De eerste vraag
14 Met zijn eerste vraag in elk der zaken wenst de nationale rechter in hoofdzaak te vernemen, of de indeling van veresterd aardappelzetmeel onder post 11.08 A IV van het GDT (en onder postonderverdeling 1108 13 00 van de GN) dan wel onder post 39.06 B I van het GDT (en onder postonderverdeling 3505 10 50 van de GN) wordt bepaald door het acetylgehalte en dus door de veresteringsgraad ervan.
15 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet, omwille van de rechtszekerheid en ter vergemakkelijking van de controles, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in beginsel worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de teksten van het GDT en in de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken zijn vastgelegd (zie met name arresten van 25 mei 1989, zaak 40/88, Weber, Jurispr. 1989, blz. 1395, r.o. 13, en 18 september 1990, zaak C-265/89, Vismans Nederland, Jurispr. 1990, blz. I-3411, r.o. 14).
16 Waar, zoals in casu, de bewoordingen van de posten en postonderverdelingen en de bijbehorende toelichtingen geen nuttige aanknopingspunten bieden om de vraag te beantwoorden, dient te worden onderzocht, of het acetylgehalte en de veresteringsgraad tot de objectieve kenmerken of eigenschappen van aardappelzetmeel behoren.
17 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Hof in het arrest Emsland-Stärke, reeds aangehaald, r.o. 34, heeft verklaard, dat het acetylgehalte van zetmeel een indicator is voor de substitutiegraad ervan: hoe hoger het acetylgehalte, hoe meer het zetmeel is gewijzigd. Derhalve kan zetmeel met een zeer laag acetylgehalte worden gelijkgesteld met natuurlijk zetmeel. Het Hof aanvaardde dan ook de indeling van een product met een gering acetylgehalte onder postonderverdeling 1108 13 00 van de GN.
18 Al ging het in dat arrest om een mengsel van natuurlijk aardappelzetmeel en veresterd zetmeel, zulks neemt niet weg, dat het Hof zich daarbij baseerde op algemene overwegingen met betrekking tot de substitutiegraad van geacetyleerd en natuurlijk zetmeel, welke volledig transponeerbaar zijn op homogeen veresterd aardappelzetmeel zoals dat thans in geding is.
19 Hieruit volgt, dat het enkele feit dat tijdens de fabricage van het product een chemisch veresteringsproces heeft plaatsgevonden, op zich niet bepalend is voor de indeling van aardappelzetmeel onder post 11.08 A IV van het GDT (en onder postonderverdeling 1108 13 00 van de GN) dan wel onder post 39.06 B I van het GDT (en onder postonderverdeling 3505 10 50 van de GN). Om de tariefindeling van veresterd aardappelzetmeel te bepalen, moet met name worden uitgegaan van het acetylgehalte en dus van de veresteringsgraad.
20 Deze uitlegging wordt overigens bevestigd door de - nadien vastgestelde - verordening nr. 28/90, waarin zowel voor mengsels van natuurlijk aardappelzetmeel en kleine hoeveelheden geacetyleerd aardappelzetmeel als voor zeer licht geacetyleerd aardappelzetmeel uitdrukkelijk het acetylgehalte wordt genoemd als het kenmerk op grond waarvan de tariefindeling moet worden vastgesteld.
21 Hieruit volgt, dat de tariefindeling van veresterd aardappelzetmeel in de eerste plaats wordt bepaald door het acetylgehalte ervan.
22 Het acetylgehalte is evenwel, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, vooral een indicator voor de veranderingsgraad van het zetmeel vanuit een louter kwantitatief oogpunt. Het moet in beginsel weliswaar als doorslaggevend indelingscriterium worden beschouwd, maar de nationale rechter dient, waar nodig, niettemin ook de gelijktijdige wijzigingen in de eigenschappen, in de gebruiksmogelijkheden en in de andere kwaliteiten van het zetmeel te onderzoeken om te kunnen vaststellen, of en wanneer de in het acetylgehalte uitgedrukte veresteringsgraad tot gevolg heeft, dat het zetmeel vanuit kwalitatief oogpunt van de natuurlijke toestand overgaat in de gewijzigde toestand in de zin van het GDT en de GN.
23 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat de indeling van veresterd aardappelzetmeel onder post 11.08 A IV van het GDT (en onder postonderverdeling 1108 13 00 van de GN) dan wel onder post 39.06 B I van het GDT (en onder postonderverdeling 3505 10 50 van de GN) in de eerste plaats wordt bepaald door het acetylgehalte en dus door de veresteringsgraad ervan. De nationale rechter dient evenwel na te gaan, of de aard van de verestering het aardappelzetmeel niet dusdanig heeft gewijzigd, dat dit kwalitatief niet meer overeenkomt met natuurlijk aardappelzetmeel.
De tweede vraag
24 Gelet op de feiten in de hoofdgedingen, moet deze vraag in elk der zaken aldus worden verstaan, dat daarmee in hoofdzaak wordt beoogd te vernemen, of een maximumacetylgehalte tussen 0,61 en 0,74 gewichtspercent van veresterd zetmeel aan indeling onder post 11.08 A IV van het GDT en onder postonderverdeling 1108 13 00 van de GN in de weg staat.
25 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Hof reeds in het arrest Emsland-Stärke, reeds aangehaald, r.o. 35, heeft verklaard, dat een iets hoger acetylgehalte (namelijk 0,65 respectievelijk 0,67 gewichtspercent) dan dat van 0,5 gewichtspercent als vermeld in verordening nr. 28/90, onvoldoende grond vormt om het betrokken product van indeling onder postonderverdeling 1108 13 00 uit te sluiten.
26 Evenmin kan een acetylgehalte van 0,74 gewichtspercent aan indeling van veresterd aardappelzetmeel onder deze postonderverdeling van de GN in de weg staan. In haar schriftelijke opmerkingen heeft Wünsche zich overigens gebaseerd op wetenschappelijke gegevens waaruit zou blijken, dat zetmeel met een dergelijk acetylgehalte zich op geen enkele wijze onderscheidt van natuurlijk zetmeel.
27 Bovenstaande overwegingen gelden eveneens voor de indeling van veresterd aardappelzetmeel onder post 11.08 A IV van het GDT.
28 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat een maximumacetylgehalte tussen 0,61 en 0,74 gewichtspercent er niet aan in de weg staat, dat veresterd aardappelzetmeel wordt ingedeeld onder post 11.08 A IV van het GDT en onder postonderverdeling 1108 13 00 van de GN.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
29 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof bij beschikking van 20 juni 1995 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De indeling van veresterd aardappelzetmeel onder post 11.08 A IV van verordening (EEG) nr. 3618/86 van de Raad van 24 november 1986 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 3331/85 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief [en onder postonderverdeling 1108 13 00 van de gecombineerde nomenclatuur, zoals vervat in verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief] dan wel onder post 39.06 B I van het gemeenschappelijk douanetarief (en onder postonderverdeling 3505 10 50 van de gecombineerde nomenclatuur), wordt in de eerste plaats bepaald door het acetylgehalte en dus door de veresteringsgraad ervan. De nationale rechter dient evenwel na te gaan, of de aard van de verestering het aardappelzetmeel niet dusdanig heeft gewijzigd, dat dit kwalitatief niet meer overeenkomt met natuurlijk aardappelzetmeel.
2) Een maximumacetylgehalte tussen 0,61 en 0,74 gewichtspercent staat er niet aan in de weg, dat veresterd aardappelzetmeel wordt ingedeeld onder post 11.08 A IV van het gemeenschappelijk douanetarief en onder postonderverdeling 1108 13 00 van de gecombineerde nomenclatuur.
Full & Egal Universal Law Academy