Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen - Protocol betreffende de uitlegging van het verdrag door het Hof van Justitie - Prejudiciële vragen - Bevoegdheid van Hof - Grenzen
(EEG-Executieverdrag; protocol van 3 juni 1971)
2 Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen - Bevoegdheidsregels - Autonome uitlegging - Bijzondere bevoegdheid - Bevoegdheid op gebied van onderhoudsverplichting - Tot onderhoud gerechtigde - Begrip
(EEG-Executieverdrag, art. 5, sub 2)
Samenvatting
3 Gelet op de verdeling van bevoegdheden in het kader van de prejudiciële procedure, voorzien in het protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Executieverdrag, is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van elk geval, de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen alsmede de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt.
4 De in het Executieverdrag gebruikte bewoordingen moeten in beginsel autonoom worden uitgelegd. Enkel een dergelijke uitlegging kan namelijk de uniforme toepassing waarborgen van het Executieverdrag, dat onder meer ten doel heeft de regels inzake de bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staten een te maken, door zo veel mogelijk te voorkomen, dat met betrekking tot een zelfde rechtsverhouding meerdere rechterlijke instanties bevoegd zijn, en de rechtsbescherming van de in de Gemeenschap gevestigde personen te versterken, door de eiser in staat te stellen om gemakkelijk te bepalen, welk gerecht hij kan aanzoeken, en de verweerder om redelijkerwijs te voorzien, voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen.
Dit geldt eveneens voor het begrip "tot onderhoud gerechtigde" in artikel 5, sub 2, eerste zinsdeel, van het Executieverdrag, dat aldus moet worden uitgelegd, dat het betrekking heeft op eenieder die onderhoud vordert, daaronder begrepen degene die voor de eerste keer een onderhoudsvordering indient, zonder dat onderscheid behoeft te worden gemaakt tussen een persoon die reeds als onderhoudsgerechtigde is erkend, en degene die nog niet als zodanig is erkend.
Partijen
In zaak C-295/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens het protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van de Circuit Court, County of Dublin, in het aldaar aanhangig geding tussen
J. Farrell
en
J. Long,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 5, sub 2, van genoemd verdrag van 27 september 1968 (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB 1978, L 304, blz. 1, en - gewijzigde tekst - blz. 77) en bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB 1982, L 388, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, C. N. Kakouris (rapporteur), G. Hirsch, H. Ragnemalm en R. Schintgen, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- J. Farrell, vertegenwoordigd door I. Clissmann, Senior Counsel, en F. McEnroy, Barrister, geïnstrueerd door D. Bergin, Solicitor, van het kantoor O'Connor & Bergin,
- J. Long, vertegenwoordigd door A. Kelly, Barrister, geïnstrueerd door Lavery Kirby & Co., Solicitors,
- de Ierse regering, vertegenwoordigd door M. A. Buckley, Chief State Solicitor, als gemachtigde,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Pirrung, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Justitie, als gemachtigde,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Braviner, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. L. Iglesias Buhigues, juridisch adviseur, en B. Doherty, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van J. Farrell, vertegenwoordigd door D. Bergin, I. Clissmann en F. McEnroy; J. Long, vertegenwoordigd door S. Moylan, Senior Counsel, en A. Kelly; de Ierse regering, vertegenwoordigd door N. Butler en M. Cooke, Barristers, en de Commissie, vertegenwoordigd door J. L. Iglesias Buhigues en B. Doherty, ter terechtzitting van 21 november 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 december 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 15 mei 1995, binnengekomen bij het Hof op 15 september daaraanvolgend, heeft de Circuit Court, County of Dublin, krachtens het protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32; hierna: "Executieverdrag"), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB 1978, L 304, blz. 1, en - gewijzigde tekst - blz. 77) en bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB 1982, L 388, blz. 1), een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 5, sub 2, Executieverdrag.
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Farrell, woonachtig te Dalkey (Ierland), en Long, die zijn gewone verblijfplaats in Brugge (België) heeft.
3 Blijkens het dossier van het hoofdgeding is Farrell de moeder van een op 3 juli 1988 geboren kind, van wie zij verklaart dat Long de vader is. Zij diende bij de District Court een vordering in tegen Long, teneinde voor dit kind alimentatie te verkrijgen.
4 Long betwist niet alleen zijn vaderschap, maar ook de bevoegdheid van de Ierse rechterlijke instanties om kennis te nemen van de vordering van Farrell.
5 Volgens Farrell zijn de Ierse rechterlijke instanties bevoegd uit hoofde van artikel 5, sub 2, Executieverdrag. In afwijking van de regel van artikel 2, eerste alinea, volgens hetwelk de gerechten van de verdragsluitende staat op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft, bevoegd zijn, bepaalt dit artikel het volgende:
"De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, kan in een andere Verdragsluitende Staat voor de navolgende gerechten worden geroepen:
(...)
2. ten aanzien van onderhoudsverplichtingen: voor het gerecht van de plaats, waar de tot onderhoud gerechtigde zijn woonplaats of zijn gewone verblijfplaats heeft of, indien het een bijkomende eis is welke verbonden is met een vordering betreffende de staat van personen, voor het gerecht dat volgens zijn eigen wet bevoegd is daarvan kennis te nemen, behalve in het geval dat deze bevoegdheid uitsluitend berust op de nationaliteit van een der partijen."
6 Volgens Long kan deze bepaling echter geen toepassing vinden. Hij is namelijk van mening, dat Farrell niet de hoedanigheid van tot onderhoud gerechtigde ("maintenance creditor") in de zin van artikel 5, sub 2, Executieverdrag heeft, omdat zij geen rechterlijk vonnis heeft verkregen waarin haar deze hoedanigheid wordt toegekend ("maintenance order").
7 De District Court verklaarde zich in eerste aanleg onbevoegd. Farrell ging van dit vonnis in hoger beroep bij de verwijzende rechterlijke instantie, die het Hof de volgende prejudiciële vraag heeft voorgelegd:
"Moeten de bepalingen van artikel 5, sub 2, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, aldus worden uitgelegd, dat een in Ierland woonachtige verzoeker voor de Ierse rechterlijke instanties pas een alimentatieprocedure kan inleiden tegen een in België woonachtige verweerder, nadat hij eerst een vonnis heeft verkregen waarin die verweerder wordt veroordeeld tot betaling van alimentatie ($order for maintenance')?"
8 Met deze vraag wenst de nationale rechterlijke instantie in wezen te vernemen, of artikel 5, sub 2, eerste zinsdeel, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat de term "tot onderhoud gerechtigde" doelt op eenieder die onderhoud vordert, daaronder begrepen degene die voor de eerste keer een onderhoudsvordering instelt, of enkel op de personen die bij een eerdere gerechtelijke beslissing als onderhoudsgerechtigden zijn erkend.
9 De nationale rechterlijke instantie moet deze vraag stellen, omdat de Jurisdiction of Courts and Enforcement of Judgments (European Communities) Act 1988, die het Executieverdrag in de Ierse rechtsorde heeft ingevoerd, in artikel 1 de volgende definitie bevat:
- "onder de term $tot onderhoud gerechtigde' ($maintenance creditor') moet in de context van een beschikking inzake onderhoud ($maintenance order') worden verstaan, de persoon die recht heeft op de in die beschikking vastgestelde betalingen".
De ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag
10 Verweerder in het hoofdgeding betwist de relevantie van de prejudiciële vraag, omdat de onderhoudsverplichting die het voorwerp van het hoofdgeding vormt, een accessoir karakter heeft ten opzichte van de vraag van het vaderschap, die onder de staat van personen valt, zodat niet het eerste zinsdeel van artikel 5, sub 2, waarin de term "tot onderhoud gerechtigde" voorkomt, maar het tweede zinsdeel de toepasselijke bepaling is.
11 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, gelet op de verdeling van bevoegdheden in het kader van de prejudiciële procedure voorzien in het protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Executieverdrag, het enkel aan de nationale rechter staat om het voorwerp van de vragen die hij aan het Hof wil stellen, te definiëren. Volgens vaste rechtspraak is het immers uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van elk geval, de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen alsmede de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt (zie arrest van 27 oktober 1993, zaak C-127/92, Enderby, Jurispr. 1993, blz. I-5535, r.o. 10).
De prejudiciële vraag
12 Wat de beantwoording van de prejudiciële vraag betreft, moet worden opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak (zie, inzonderheid, arresten van 13 juli 1993, zaak C-125/92, Mulox IBC, Jurispr. 1993, blz. I-4075, r.o. 10, en 9 januari 1997, zaak C-383/95, Rutten, Jurispr. 1997, blz. I-57, r.o. 12), het Hof de in het Executieverdrag gebruikte bewoordingen in beginsel autonoom uitlegt, teneinde de volle werking van dit verdrag te verzekeren, gelet op de doelstellingen van artikel 220 EEG-Verdrag, ter uitvoering waarvan het is opgesteld.
13 Enkel een dergelijke uitlegging waarborgt namelijk de uniforme toepassing van het Executieverdrag, dat onder meer ten doel heeft de regels inzake de bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staten een te maken, door zo veel mogelijk te voorkomen, dat met betrekking tot een zelfde rechtsverhouding meerdere rechterlijke instanties bevoegd zijn, en de rechtsbescherming van de in de Gemeenschap gevestigde personen te versterken, door de eiser in staat te stellen om gemakkelijk te bepalen, welk gerecht hij kan aanzoeken, en de verweerder om redelijkerwijs te voorzien, voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen (zie arresten Mulox IBC, r.o. 11, en Rutten, r.o. 13, beide reeds aangehaald).
14 Deze overwegingen gelden eveneens voor de uitlegging van het begrip "tot onderhoud gerechtigde" in artikel 5, sub 2, eerste zinsdeel, Executieverdrag, aangezien niets erop wijst, dat dit voorschrift voor de bepaling van de inhoud van het onderhavige begrip naar de lex fori verwijst.
15 Met betrekking tot de inhoud van dit begrip zijn voor het Hof in het bijzonder twee stellingen aangevoerd. Volgens de eerste stelling, die door verweerder in het hoofdgeding is aangevoerd, valt onder dit begrip alleen de persoon die, bij een eerder rechterlijk vonnis, reeds als onderhoudsgerechtigde is erkend. De eerste vordering van degene die dit onderhoud vordert, die ertoe strekt de onderhoudsverplichting als zodanig vast te stellen, zou daarom niet onder deze bepaling vallen.
16 Volgens de tweede stelling, die door verzoekster in het hoofdgeding, de Ierse regering, de Duitse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk alsmede door de Commissie wordt staande gehouden, moet dit begrip aldus worden opgevat, dat het doelt op eenieder die onderhoud vordert, daaronder begrepen degene die voor de eerste keer een onderhoudsvordering indient.
17 In dit verband moet worden bepaald, wat het doel van artikel 5, sub 2, Executieverdrag is.
18 Artikel 5 bevat een reeks afwijkingen van de regel van artikel 2, eerste alinea, bepalende dat de rechterlijke instanties van de verdragsluitende staat op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft, bevoegd zijn. Elk van de afwijkingen die artikel 5 op deze regel aanbrengt, heeft een specifieke doelstelling.
19 Inzonderheid heeft de afwijking bedoeld in artikel 5, sub 2, tot doel, degene die onderhoud vordert, die in een dergelijke procedure als de zwakste partij wordt beschouwd, een alternatieve bevoegdheidsgrondslag te bieden. Hierbij zijn de auteurs van het Executieverdrag ervan uitgegaan, dat deze specifieke doelstelling zwaarder moest wegen dan die welke door de regel van artikel 2, eerste alinea, wordt nagestreefd, namelijk het beschermen van de verweerder, die gewoonlijk de zwakste partij is omdat hij degene is tegen wie de vordering wordt ingesteld.
20 Het wordt niet bestreden, dat dit strookt met de wens van de auteurs van het Executieverdrag, wanneer degene die op basis van artikel 5, sub 2, een vordering indient, in een eerder rechterlijk vonnis reeds als onderhoudsgerechtigde is erkend en de nieuwe vordering strekt hetzij tot vaststelling van het bedrag van het onderhoud, indien dit in het eerdere vonnis niet is gebeurd, hetzij tot wijziging van het reeds vastgestelde bedrag, hetzij tot betaling van het onderhoud, wanneer de verweerder dit te laat of niet betaalt.
21 Mitsdien dient men zich af te vragen, of het eveneens strookt met de wens van de auteurs van het Executieverdrag, wanneer een persoon op basis van artikel 5, sub 2, een onderhoudsvordering indient, zonder in een eerder rechterlijk vonnis als onderhoudsgerechtigde te zijn erkend.
22 Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord.
23 Artikel 5, sub 2, spreekt immers van de "tot onderhoud gerechtigde" in het algemeen, zonder enig onderscheid te maken tussen een persoon die reeds als onderhoudsgerechtigde is erkend en degene die nog niet als zodanig is erkend.
24 Deze vaststelling wordt bevestigd door het rapport van het comité van deskundigen dat de tekst van het Executieverdrag heeft opgesteld, het "rapport Jenard" (PB 1979, C 59, blz. 1, en inzonderheid blz. 25). Hierin wordt ten aanzien van artikel 5, sub 2, Executieverdrag het volgende opgemerkt:
"(...) is het gerecht van de woonplaats van de tot onderhoud gerechtigde het beste in staat om vast te stellen of hij behoeftig is en om de omvang van de behoeftigheid te bepalen.
Om het Verdrag evenwel aan het Verdrag van Den Haag aan te passen voorziet artikel 5, punt 2, eveneens in de bevoegdheid van de rechter van de gewone verblijfplaats van de tot onderhoud gerechtigde. Dit aanvullend criterium is bij onderhoudsverplichtingen gemotiveerd omdat daardoor een door haar echtgenoot verlaten vrouw hem tot betaling van alimentatie niet alleen voor de rechter van de wettelijke woonplaats kan dagvaarden, maar ook voor de rechter van de plaats waar zij zelf haar gewone verblijfplaats heeft.
(...)
Met betrekking tot vorderingen wegens onderhoud heeft het Comité niet uit het oog verloren dat het probleem van de prealabele vragen (b.v. de vraag van de afstamming) aan de orde zou kunnen komen. Het Comité heeft echter gemeend dat dit vraagstuk buiten de regeling van de rechterlijke bevoegdheid stond en dat met deze moeilijkheden rekening moest worden gehouden in het hoofdstuk betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen."
25 Hieruit volgt, dat artikel 5, sub 2, Executieverdrag bedoeld is om te worden toegepast op alle vorderingen die op het gebied van onderhoud worden ingediend, daaronder begrepen de onderhoudsvordering die voor de eerste keer door een verzoeker wordt ingediend, en dat het onderzoek van het vaderschap in het kader van een dergelijke procedure, als prealabele vraag, voor de auteurs van het Executieverdrag geen reden vormde voor een andere oplossing.
26 Hieraan moet worden toegevoegd, dat geen doorslaggevend argument tegen een dergelijke uitlegging is aangevoerd.
27 Gelet op de bovenstaande overwegingen, moet artikel 5, sub 2, eerste zinsdeel, Executieverdrag aldus worden uitgelegd, dat de term "tot onderhoud gerechtigde" betrekking heeft op eenieder die onderhoud vordert, daaronder begrepen degene die voor de eerste keer een onderhoudsvordering indient.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
28 De kosten door de Ierse en de Duitse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Circuit Court, County of Dublin, bij vonnis van 15 mei 1995 gestelde prejudiciële vraag, verklaart voor recht:
Artikel 5, sub 2, eerste zinsdeel, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, en bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek, moet aldus worden uitgelegd, dat de term "tot onderhoud gerechtigde" betrekking heeft op eenieder die onderhoud vordert, daaronder begrepen degene die voor de eerste keer een onderhoudsvordering indient.
Full & Egal Universal Law Academy