Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep tot nietigverklaring - Termijnen - Aanvang - Handeling die niet is bekendgemaakt of waarvan niet aan verzoeker is kennis gegeven - Exacte kennis van inhoud en gronden - Verplichting om binnen redelijke termijn na bekend worden van bestaan van handeling volledige tekst ervan op te vragen - Besluit van Raad gericht tot lidstaat - Exacte kennis van Commissie - Concreet geval
(EG-Verdrag, art. 173, vijfde alinea)
Samenvatting
Bij gebreke van kennisgeving of bekendmaking ligt het op de weg van degene die kennis krijgt van het bestaan van een hem betreffende handeling, om binnen een redelijke termijn om de volledige tekst ervan te verzoeken; dit neemt echter niet weg, dat de beroepstermijn pas kan ingaan op de dag waarop de betroffen derde kennis krijgt van de exacte inhoud en van de motivering van de betrokken handeling, zodat hij met vrucht van zijn beroepsrecht gebruik kan maken.
Wat een tot een lidstaat gericht besluit van de Raad betreft, waarvan het ontwerp aan de leden van de Raad en van de Commissie is bekendgemaakt en ten aanzien waarvan door het secretariaat-generaal van de Commissie notulen betreffende de vaststellingsprocedure zijn opgemaakt, kent de Commissie de exacte inhoud van het besluit tot in details uiterlijk op de datum van vaststelling van die notulen.
Partijen
In zaak C-309/95,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. Rozet en J.-P. Keppenne, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door R. Bandilla, directeur bij zijn juridische dienst, en D. Canga Fano, lid van die dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Morbilli, algemeen directeur van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
ondersteund door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door C. de Salins, adjunct-directeur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en F. Pascal, chargé de mission bij die directie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard Joseph II 8 B,
interveniënte,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Raad van 22 juni 1995 betreffende de toekenning van buitengewone steun aan tafelwijnproducenten in Frankrijk,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, J. L. Murray, P. J. G. Kapteyn (rapporteur), G. Hirsch en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 april 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 29 september 1995, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 173 EG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de Raad van 22 juni 1995 betreffende de toekenning van buitengewone steun aan tafelwijnproducenten in Frankrijk (hierna: "besluit").
2 Volgens artikel 1 van het besluit wordt de betrokken steun door de Franse regering toegekend aan wijnbouwers die deelnemen aan de preventieve distillatie van tijdens het wijnoogstjaar 1994/1995 in Frankrijk geproduceerde tafelwijn en wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt, tot welke distillatie is overgegaan uit hoofde van artikel 38 van verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad van 16 maart 1987 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB L 84, blz. 1).
3 Blijkens de considerans van het besluit had de Franse regering overeenkomstig artikel 93, lid 3, EG-Verdrag haar voornemen tot invoering van die steun meegedeeld aan de Commissie, die die steun evenwel onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaarde. Van oordeel dat buitengewone omstandigheden hem niettemin rechtvaardigden, heeft de Raad op grond van artikel 93, lid 2, derde alinea, besloten hem als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te beschouwen.
4 Artikel 93, lid 2, derde alinea, van het Verdrag bepaalt, dat de Raad op verzoek van een lidstaat met eenparigheid van stemmen kan beslissen dat een door die staat genomen of te nemen steunmaatregel in afwijking van de bepalingen van artikel 92 of van de in artikel 94 bedoelde verordeningen als verenigbaar moet worden beschouwd met de gemeenschappelijke markt, indien buitengewone omstandigheden een dergelijke beslissing rechtvaardigen.
5 Tot staving van haar beroep stelt de Commissie primair verkeerde toepassing van artikel 93, lid 2, derde alinea, van het Verdrag, doordat dit wordt gebruikt om af te wijken van de mechanismen van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, en subsidiair het in casu ontbreken van de door die bepaling vereiste buitengewone omstandigheden, alsmede ontoereikende en onjuiste motivering.
6 In repliek verklaart de Commissie onder verwijzing naar het arrest van 29 februari 1996, Commissie/Raad (C-122/94, Jurispr. blz. I-881), dat zij, wat het primaire middel betreft, enkel staande houdt dat de Raad de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid heeft overschreden.
7 Bij beschikking van 7 februari 1996 heeft de president van het Hof de Franse Republiek toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Raad.
8 Bij afzonderlijke akte van 6 november 1995 heeft de Raad krachtens artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Bij beschikking van 18 juni 1996 heeft het Hof deze exceptie gevoegd met de zaak ten gronde.
De exceptie van niet-ontvankelijkheid
9 In dezen ondersteund door de Franse Republiek, stelt de Raad, dat aangezien het besluit niet is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en het in de zin van artikel 191, lid 3, EG-Verdrag is gericht tot de Franse Republiek en niet tot de Commissie, deze laatste overeenkomstig artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag het beroep had moeten instellen binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf 22 juni 1995, de dag waarop zij van het besluit kennis heeft gekregen.
10 Dienaangaande merkt de Raad op, dat de Commissie blijkens het verzoekschrift de gehele voorgeschiedenis van het dossier kende, dat zij aan de werkzaamheden van de Raad heeft deelgenomen, en dat zij het besluit kende meteen al bij de vaststelling op 22 juni 1995, aangezien zij bij haar verzoekschrift de door het secretariaat-generaal opgemaakte notulen van de zitting van de Raad heeft gevoegd. De Franse regering voegt daaraan toe, dat de Raad geen wijzigingen heeft aangebracht in het hem ter goedkeuring voorgelegde ontwerpbesluit.
11 Zowel de Raad als de Franse regering zijn van mening, dat de Commissie zich niet kan beroepen op de rechtspraak van het Hof, naar luid waarvan het bij gebreke van kennisgeving of openbaarmaking op de weg ligt van degene die kennis krijgt van het bestaan van een hem betreffende handeling, om binnen een redelijke termijn om de volledige tekst ervan te verzoeken, waarbij de beroepstermijn ingaat op de dag waarop de betroffen derde kennis krijgt van de exacte inhoud en van de motivering van de betrokken handeling (arrest van 6 december 1990, Wirtschaftsvereinigung Eisen- und Stahlindustrie/Commissie, C-180/88, Jurispr. blz. I-4413). In casu kan de positie van de Commissie immers niet worden vergeleken met die van een derde in een procedure op het gebied van mededinging of staatssteun.
12 De Commissie, die bij de zitting van de Raad van 19 tot 22 juni 1995 aanwezig was, stelt daarentegen dat haar beroep ontvankelijk is, daar het besluit een handeling is die overeenkomstig artikel 191, lid 2, van het Verdrag slechts van kracht wordt op de datum van kennisgeving. Subsidiair stelt de Commissie, dat zij slechts kennis van de exacte motivering van het besluit heeft gekregen op 1 augustus 1995, toen zij de brief van de Raad van 27 juli 1995 ontving, waarin haar werd meegedeeld dat het besluit ter kennis van de Franse Republiek was gebracht.
13 Volgens artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag moet het in dat artikel bedoelde beroep worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.
14 Vaststaat, dat het besluit niet is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
15 Volgens artikel 191, lid 3, van het Verdrag wordt van andere besluiten dan die welke krachtens lid 1 worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, kennis gegeven aan hen tot wie zij zijn gericht; zij worden door deze kennisgeving van kracht.
16 Luidens artikel 2 was het besluit gericht tot de Franse Republiek. Het is aan de Franse regering ter kennis gebracht bij brief van de secretaris-generaal van de Raad van 27 juli 1995.
17 Daar het besluit niet is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en ook niet tot de Commissie was gericht, kon voor deze instelling de termijn van twee maanden slechts ingaan op de dag dat zij van het besluit kennis kreeg.
18 Daarbij zij eraan herinnerd, dat bij gebreke van kennisgeving of openbaarmaking het volgens de rechtspraak van het Hof op de weg ligt van degene die kennis krijgt van het bestaan van een hem betreffende handeling, om binnen een redelijke termijn om de volledige tekst ervan te verzoeken; dit neemt echter niet weg, dat de beroepstermijn pas kan ingaan op de dag waarop de betroffen derde kennis krijgt van de exacte inhoud en van de motivering van de betrokken handeling, zodat hij met vrucht van zijn beroepsrecht gebruik kan maken (arrest Wirtschaftsvereinigung Eisen- und Stahlindustrie/Commissie, reeds aangehaald, r.o. 22).
19 Bijgevolg moet worden onderzocht, wanneer de Commissie kennis heeft gekregen van de exacte inhoud en van de motivering van de handeling.
20 Blijkens de stukken beschikten de leden van de Raad en de Commissie vanaf 16 juni 1995 over een ontwerp van een besluit van de Raad betreffende de toekenning van buitengewone steun aan tafelwijnproducenten in Frankrijk (document 8100/95 Agri 62).
21 Blijkens punt 9 van het uittreksel uit de door het secretariaat-generaal van de Commissie opgemaakte notulen van de van 19 tot 22 juni 1995 te Brussel gehouden 1858ste zitting van de Raad "Landbouw" (bijlage VI bij het verzoekschrift) heeft de Raad het ontwerpbesluit met eenparigheid van stemmen goedgekeurd. Dat document bevat voorts een weergave van het debat dat aan het besluit vooraf is gegaan, en vermeldt de door de Franse regering aangevoerde argumenten alsmede de aarzelingen zowel van sommige lidstaten als van het bevoegde lid van de Commissie met betrekking tot de vraag, of het gerechtvaardigd was het verzoek van de Franse Republiek in te willigen.
22 Daaruit volgt, dat de Commissie uiterlijk op de datum van vaststelling van die notulen, dus op 23 juni 1995, de exacte inhoud van het besluit tot in details kende. De beroepstermijn ving bijgevolg aan op 24 juni 1995 en verstreek op 26 augustus 1995, de termijn wegens afstand inbegrepen.
23 Daar het verzoekschrift eerst op 29 september 1995 is neergelegd, moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
24 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen. De Franse Republiek, die is tussengekomen ter ondersteuning van de conclusies van de Raad, zal overeenkomstig artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
2) Verwijst de Commissie in de kosten.
3) Verstaat dat de Franse Republiek haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy