Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Invaliditeitsverzekering - Voorwaarden voor toekenning van uitkeringen - Wettelijke regeling van Lid-Staat waarbij ter bepaling van minimumverzekeringsvereiste referentieperiode is vastgesteld - Verplichting referentieperiode te verlengen met tijdvakken van werkloosheid die krachtens wettelijke regeling van andere Lid-Staat zijn vervuld - Geen - Wettelijke regeling van andere Lid-Staat die, anders dan die van eerste Lid-Staat, verlenging toestaat wanneer tijdvakken van werkloosheid op nationaal grondgebied zijn vervuld
(EG-Verdrag, art. 48 tot en met 51; verordeningen van de Raad nr. 1408/71, art. 9 bis, en nr. 574/72, art. 15, lid 1, sub f-ii)
2 Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Gelijke behandeling - Wettelijke regeling van Lid-Staat die voor ontstaan van recht op invaliditeitsuitkering alleen op nationaal grondgebied vervulde tijdvakken van werkloosheidsverzekering in aanmerking neemt - Wettelijke regeling die tot gevolg heeft dat werknemers die hun activiteiten in meerdere Lid-Staten hebben uitgeoefend, worden benadeeld - Ontoelaatbaarheid - Wettelijke regeling van Lid-Staat die voor berekening van minimumverzekeringsvereiste niet meer krachtens wetgeving van andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van werkloosheidsverzekering in aanmerking neemt dan door zijn eigen wetgeving in aanmerking worden genomen - Toelaatbaarheid
(EG-Verdrag, art. 48 tot en met 51)
Samenvatting
3 De artikelen 48 tot en met 51 EG-Verdrag, artikel 9 bis van verordening nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en artikel 15, lid 1, sub f-ii, van verordening nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij een Lid-Staat niet verplichten, de referentieperiode welke door zijn nationale wettelijke regeling is vastgesteld ter bepaling van het minimumverzekeringsvereiste voor de toekenning van een invaliditeitsuitkering, te verlengen met een periode gelijk aan de tijdvakken van werkloosheid die de betrokkene heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat, die anders dan die van eerstgenoemde Lid-Staat, de verlenging toestaat wanneer de tijdvakken van werkloosheid op het nationale grondgebied zijn vervuld.
4 De artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag staan in de weg aan een nationale wettelijke regeling die voor het ontstaan van het recht op de invaliditeitsuitkering alleen de op het nationale grondgebied vervulde tijdvakken van werkloosheidsverzekering in aanmerking neemt, met uitsluiting van soortgelijke tijdvakken die op het grondgebied van andere Lid-Staten zijn vervuld. Een dergelijk vereiste, dat migrerende werknemers minder goed behandelt dan werknemers die hun recht van vrij verkeer niet hebben uitgeoefend, moet namelijk zonder objectieve rechtvaardiging als discriminerend worden aangemerkt en is dus in strijd met de fundamentele verdragsregels die het vrij verkeer van werknemers waarborgen.
Daarentegen staan de artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag niet eraan in de weg, dat de wetgeving van een Lid-Staat weigert, voor de berekening van het minimumverzekeringsvereiste voor de toekenning van een invaliditeitsuitkering meer in de loop van een bepaalde periode voorafgaand aan het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van werkloosheidsverzekering in aanmerking te nemen dan in de loop van dezelfde periode door de wetgeving van de eerste Lid-Staat in aanmerking worden genomen.
Partijen
In zaak C-322/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Pretura circondariale di Roma, in het aldaar aanhangig geding tussen
E. Iurlaro
en
Istituto nazionale della previdenza sociale (INPS),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 9 bis van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6) en vervolgens gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2332/89 van de Raad van 18 juli 1989 (PB 1989, L 224, blz. 1), en van artikel 15 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB 1972, L 74, blz. 1), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij genoemde verordening nr. 2001/83,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), kamerpresident, L. Sevón, D. A. O. Edward, P. Jann en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- E. Iurlaro, vertegenwoordigd door R. Maffei en P. Boer, advocaten te Rome,
- het INPS, vertegenwoordigd door M. Pittelli, advocaat te Rome, en P. Ciacci, advocaat te Milaan,
- de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst Diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door D. Del Gaizo, avvocato dello Stato,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Aresu en M. Patakia, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van E. Iurlaro, vertegenwoordigd door P. Boer, advocaat, het INPS, vertegenwoordigd door M. Pittelli en P. Ciacci, advocaten, en de Commissie, vertegenwoordigd door M. Patakia en P. Stancanelli, lid van haar juridische dienst, ter terechtzitting van 22 januari 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 maart 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 3 oktober 1995, bij het Hof ingekomen op 16 oktober daaraanvolgend, heeft de Pretura circondariale di Roma het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 9 bis van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6) en vervolgens gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2332/89 van de Raad van 18 juli 1989 (PB 1989, L 224, blz. 1; hierna: "verordening nr. 1408/71"), en van artikel 15 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB 1972, L 74, blz. 1), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij genoemde verordening nr. 2001/83 (hierna: "verordening nr. 574/72").
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen E. Iurlaro, Italiaans onderdaan, en het Istituto nazionale della previdenza sociale (Nationale dienst voor sociale voorzorg; hierna: "INPS"), over de weigering van laatstgenoemde de door Iurlaro in Duitsland vervulde tijdvakken van werkloosheid in aanmerking te nemen voor het ontstaan van het recht op een invaliditeitsuitkering krachtens de Italiaanse wet.
3 Blijkens het dossier was Iurlaro van januari 1954 tot maart 1956 in Italië verzekerd en betaalde hij uit dien hoofde in dit land 110 wekelijkse sociale-zekerheidspremies. Vervolgens vestigde hij zich in Duitsland, waar hij vanaf 1959 werkte en sociale-zekerheidspremies betaalde. Vaststaat, dat Iurlaro van 18 oktober 1984 tot 18 oktober 1989 werkloosheidsuitkeringen krachtens de Duitse wet ontving, behalve in de periode van 15 augustus 1989 tot 1 oktober 1989, tijdens welke hij ziektegeld ontving.
4 Omdat hij een aandoening had opgelopen die zijn geschiktheid voor passende arbeid met meer dan twee derden had verminderd, diende Iurlaro op 18 oktober 1989 bij het INPS een aanvraag voor een invaliditeitsuitkering in Italië in krachtens artikel 1 van wet nr. 222 van 12 juni 1984 betreffende de herziening van de regeling inzake invaliditeitspensioenen (GURI nr. 165 van 16 juni 1984, hierna: "wet nr. 222").
5 Volgens artikel 4 van wet nr. 222 moet voor het ontstaan van het recht op de invaliditeitsuitkering en het invaliditeitspensioen worden voldaan aan de vereisten inzake verzekering en premiebetaling die zijn gesteld bij artikel 9, lid 2, van wetsdecreet nr. 636 van 14 april 1939, dat wet nr. 1272 van 6 juli 1939 is geworden. Deze bepaling, die is vervangen door artikel 2 van wet nr. 218 van 4 april 1952 betreffende de hervorming van de pensioenen van de verplichte verzekering invaliditeit, ouderdom en overlevenden (GURI nr. 89 van 15 april 1952, gewoon supplement), zoals gewijzigd bij wet nr. 222, vereist daartoe, dat ten minste vijf jaar zijn verstreken sinds de aansluiting bij de verzekering, en dat ten minste 260 wekelijkse premies (vijf annuïteiten) voor de belanghebbende zijn betaald of gecrediteerd, waarvan ten minste 156 (drie annuïteiten) in de loop van de vijf jaar voorafgaand aan zijn uitkeringsaanvraag.
6 Artikel 4 van genoemde wet nr. 218 bepaalt, dat "de tijdvakken waarvoor de normale bijdrage aan de verplichte werkloosheidsverzekering is betaald, als tijdvakken van premiebetaling voor het recht op het pensioen en voor de hoogte van dit pensioen worden beschouwd".
7 Voorts blijkt uit de verwijzingsbeschikking, dat volgens § 43 van het Sozialgesetzbuch (BGBl. III 860), zoals gewijzigd bij het Gesetz zur Reform der gesetzlichen Rentenversicherung van 28 december 1989 (BGBl. IS.2261), de verzekerden tot aan het einde van hun vijfenzestigste levensjaar, recht hebben op een invaliditeitspensioen, indien zij ongeschikt zijn om hun beroep uit te oefenen, in de loop van de vijf jaar voorafgaand aan het intreden van de invaliditeit drie jaar de verplichte premies hebben betaald, en vóór het intreden van de invaliditeit de tijdvakken van algemene premiebetaling hebben vervuld.
8 Volgens deze bepaling wordt de referentieperiode van vijf jaar voorafgaand aan het intreden van de invaliditeit verlengd met tijdvakken die met tijdvakken van premiebetaling worden gelijkgesteld (Anrechnungszeiten), waartoe volgens § 58 Sozialgesetzbuch de tijdvakken behoren waarin de werknemer in Duitsland als werkzoekende stond ingeschreven en een uitkering van publiekrechtelijke organen ontving. Deze tijdvakken, die dus in aanmerking komen voor het bepalen van de referentieperiode, doch niet als tijdvakken van premiebetaling voor het verkrijgen van het recht op pensioen in Duitsland worden aangemerkt, worden voorts voor de berekening van de hoogte van het pensioen als een periode van premiebetaling beschouwd.
9 Het verzoek van Iurlaro werd door het INPS afgewezen op grond dat niet was voldaan aan het bij wet nr. 222 gestelde vereiste van minimale premiebetaling. Volgens dit orgaan had Iurlaro sinds 1954 weliswaar 110 wekelijkse premies in Italië en 854 wekelijkse premies in Duitsland betaald, doch hij had tijdens de in artikel 4 van wet nr. 222 bedoelde referentieperiode, in casu van 18 oktober 1984 tot 18 oktober 1989, in Duitsland werkloosheidsuitkeringen ontvangen, maar geen enkele sociale-zekerheidspremie betaald.
10 Nadat zijn bezwaar tegen dit besluit was afgewezen, wendde Iurlaro zich op 24 juni 1994 tot de Pretura circondariale di Roma. Hij betoogde, dat aan het bij wet nr. 222 gestelde vereiste van premiebetaling was voldaan, met name omdat de in de Duitse wettelijke regeling bepaalde verlenging van de referentieperiode met de tijdvakken van werkloosheid tot gevolg had, dat de voor de toepassing van de Italiaanse wettelijke regeling in aanmerking te nemen referentieperiode inging op 18 oktober 1978.
11 Onder verwijzing naar artikel 48 EG-Verdrag vraagt de Pretore di Roma zich af, of hij de in artikel 4 van wet nr. 222 geformuleerde regel niet buiten toepassing moet laten, omdat deze in strijd is met artikel 15, lid 1, sub f, van verordening nr. 574/72, dat bepaalt:
"1. In de gevallen bedoeld in artikel 18, lid 1, in artikel 38, in artikel 45, leden 1 tot en met 3, in artikel 64 en in artikel 67, leden 1 en 2, van de verordening, geschiedt de samentelling der verzekeringstijdvakken overeenkomstig de volgende regels:
(...)
f) ingeval volgens de wetgeving van een Lid-Staat bepaalde tijdvakken van verzekering of wonen slechts in aanmerking worden genomen indien zij binnen een bepaalde termijn zijn vervuld:
(...)
ii) verlengt het orgaan dat deze wetgeving toepast deze termijn met de duur van de tijdvakken van verzekering of wonen die geheel of gedeeltelijk binnen bedoelde termijn krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat zijn vervuld, wanneer het om tijdvakken van verzekering of wonen gaat die volgens de wetgeving van de andere Lid-Staat alleen leiden tot schorsing van de termijn waarbinnen tijdvakken van verzekering moeten worden vervuld."
12 Volgens de verwijzende rechter is deze regel onduidelijk, omdat artikel 9 bis van verordening nr. 1408/71 als voorwaarde voor toepassing ervan lijkt te stellen, dat de twee wettelijke regelingen voorzien in de "neutralisering" van bepaalde tijdvakken, zodat hij niet van toepassing is wanneer slechts een van de twee Lid-Staten (in casu Duitsland, anders dan Italië) in deze mogelijkheid voorziet.
13 Artikel 9 bis van verordening nr. 1408/71 luidt als volgt: "Indien de wetgeving van een Lid-Staat de erkenning van het recht op een prestatie afhankelijk stelt van de vervulling van een minimumverzekeringstijdvak gedurende een bepaalde periode voorafgaand aan de verzekerde gebeurtenis (referentieperiode) en wanneer in deze wetgeving wordt bepaald dat de bedoelde referentieperiode wordt verlengd met tijdvakken waarin uit hoofde van de wetgeving van die Lid-Staat uitkeringen zijn verleend of door tijdvakken die op het grondgebied van die Lid-Staat aan de opvoeding van kinderen werden gewijd, dan wordt de bedoelde referentieperiode eveneens verlengd met tijdvakken waarin uit hoofde van de wetgeving van een andere Lid-Staat invaliditeits- of ouderdomspensioenen, of prestaties wegens ziekte, werkloosheid of arbeidsongevallen (met uitzondering van renten) zijn verleend en met tijdvakken die op het grondgebied van een andere Lid-Staat aan de opvoeding van kinderen werden gewijd."
14 Wegens deze twijfel besloot de Pretore di Roma de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof een vraag te stellen over de "uitlegging van de artikelen 15, lid 1, sub f, van verordening nr. 574/72 en 9 bis van verordening nr. 1408/71, tegen de achtergrond van artikel 48 EG-Verdrag, teneinde te vernemen, of artikel 4 van wet nr. 222 aldus moet worden toegepast, dat de referentieperiode voor de toekenning van het invaliditeitspensioen wordt verlengd wanneer de werknemer een werkloosheidsuitkering heeft genoten in een andere Lid-Staat, in casu Duitsland, waar deze verlenging mogelijk is, en zo ja, of aan deze verlenging eventueel voorwaarden zijn verbonden".
15 Met deze vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of de artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag, artikel 9 bis van verordening nr. 1408/71 en artikel 15, lid 1, sub f-ii, van verordening nr. 574/72 aldus moeten worden uitgelegd, dat een Lid-Staat voor de toekenning van een invaliditeitsuitkering de in zijn nationale wettelijke regeling voorziene referentieperiode voor het bepalen van het minimumverzekeringsvereiste moet verlengen met een periode gelijk aan de tijdvakken van werkloosheid die de betrokkene heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat, die, anders dan de wettelijke regeling van eerstgenoemde Lid-Staat, een dergelijke verlenging toestaat wanneer de tijdvakken van werkloosheid op het nationale grondgebied zijn vervuld.
16 Ter beantwoording van deze vraag zij eraan herinnerd, dat de in het hoofdgeding toepasselijke Italiaanse wettelijke regeling zowel voor het ontstaan van het recht op pensioen als voor de berekening van de hoogte ervan de tijdvakken van vergoede werkloosheid als tijdvakken van premiebetaling in aanmerking neemt, terwijl naar Duits recht de periode tijdens welke een werknemer in deze Lid-Staat werkloosheidsuitkeringen ontvangt, welke periode tevens ter bepaling van de hoogte van het pensioen als een periode van fictieve premiebetaling wordt aangemerkt, de referentieperiode van vijf jaar voor de berekening van het minimumvereiste inzake premiebetaling waarvan de erkenning van het recht op pensioen afhankelijk is, verlengt.
17 Derhalve zij van meet af aan vastgesteld, dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 9 bis van verordening nr. 1408/71, waarnaar de prejudiciële vraag verwijst. Zoals de advocaat-generaal in punt 51 van zijn conclusie beklemtoont, blijkt namelijk uit de tekst zelf van deze bepaling, dat zij alleen ziet op het geval waarin de wetgeving van een Lid-Staat die het recht op een prestatie afhankelijk stelt van de vervulling van een minimumverzekeringstijdvak gedurende een referentieperiode, zelf toestaat dat deze periode wordt verlengd met de tijdvakken waarin in een andere Lid-Staat bepaalde prestaties, met name werkloosheidsuitkeringen, zijn verleend. Dat is evenwel niet het geval met een wettelijke regeling als de in het hoofdgeding toepasselijke Italiaanse wettelijke regeling, volgens welke de tijdvakken van werkloosheid deze referentieperiode niet verlengen.
18 Vervolgens zij erop gewezen, dat Iurlaro uitsluitend onderworpen is geweest aan wettelijke regelingen inzake invaliditeitsuitkeringen van het zogenaamde "type B", dat wil zeggen regelingen waarin het bedrag van de uitkeringen wordt bepaald op basis van de duur van de vervulde verzekeringstijdvakken. Artikel 40, lid 1, van verordening nr. 1408/71 bepaalt, dat de betrokken werknemer in dat geval recht heeft op uitkeringen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 3 (artikelen 44 tot en met 51), betreffende ouderdom en overlijden, die van overeenkomstige toepassing zijn.
19 Overeenkomstig artikel 45, lid 1, van deze verordening moet het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wetgeving het verkrijgen van het recht op ouderdomsuitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, rekening houden met de krachtens de wetgeving van elke andere Lid-Staat vervulde tijdvakken, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving waren vervuld.
20 Dienaangaande preciseert artikel 15, lid 1, sub f-ii, van verordening nr. 574/72, dat van toepassing is "in de gevallen bedoeld in artikel 18, lid 1, in artikel 38, in artikel 45, leden 1 tot en met 3, in artikel 64, en in artikel 67, leden 1 en 2, van de verordening", dat het orgaan van een Lid-Staat volgens de wetgeving waarvan bepaalde tijdvakken van verzekering slechts in aanmerking worden genomen indien zij binnen een bepaalde termijn zijn vervuld, deze termijn moet verlengen met de duur van de tijdvakken van verzekering die binnen bedoelde termijn krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat zijn vervuld, wanneer het om tijdvakken van verzekering gaat die volgens de wetgeving van deze laatste Lid-Staat alleen leiden tot schorsing van de termijn waarbinnen tijdvakken van verzekering moeten worden vervuld.
21 In een geval zoals dat van het hoofdgeding leiden de tijdvakken van werkloosheid die krachtens de Duitse wettelijke regeling zijn vervuld in de loop van de uit hoofde van de Italiaanse wettelijke regeling in aanmerking te nemen referentieperiode, volgens de wettelijke regeling van eerstgenoemde staat evenwel niet alleen tot schorsing van de termijn waarbinnen de tijdvakken van verzekering moeten worden vervuld. Uit rechtsoverweging 16 van het onderhavige arrest blijkt immers, dat de tijdvakken van vergoede werkloosheid volgens de in het hoofdgeding toepasselijke Duitse wettelijke regeling ook in aanmerking worden genomen voor de berekening van de hoogte van de invaliditeitsuitkering.
22 In deze omstandigheden moet worden vastgesteld, dat artikel 15 van verordening nr. 574/72 in casu niet met succes kan worden ingeroepen, zonder dat zelfs behoeft te worden onderzocht, of deze bepaling ziet op gevallen waarin, zoals in casu, artikel 45 van verordening nr. 1408/71 niet van rechtstreekse, doch krachtens artikel 40 van deze verordening slechts van overeenkomstige toepassing is.
23 Ten slotte zij opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak (zie met name het arrest van 20 september 1994, zaak C-12/93, Drake, Jurispr. 1994, blz. I-4337, r.o. 26), artikel 51 EG-Verdrag en verordening nr. 1408/71 niet de voorwaarden regelen waaronder de verzekeringstijdvakken worden opgebouwd. Het staat derhalve aan elke Lid-Staat, de voorwaarden vast te stellen waaronder het recht of de verplichting tot aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid ontstaat, zolang daarbij maar geen openlijk of verkapt onderscheid wordt gemaakt tussen eigen onderdanen en onderdanen van andere Lid-Staten.
24 In casu hanteert de Italiaanse wettelijke regeling, door te beletten dat de tijdvakken van werkloosheid die de betrokkene krachtens zijn eigen wettelijke regeling of die van een andere Lid-Staat heeft vervuld, in aanmerking worden genomen voor de verlenging van de referentieperiode van vijf jaar waarin zij ter berekening van het minimumverzekeringsvereiste voor de toekenning van een invaliditeitsuitkering voorziet, objectieve criteria en maakt zij geen onderscheid tussen de nationale werknemers en die van andere Lid-Staten.
25 In deze omstandigheden moet worden geconcludeerd, dat de artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag, artikel 9 bis van verordening nr. 1408/71 en artikel 15, lid 1, sub f-ii, van verordening nr. 574/72 aldus moeten worden uitgelegd, dat zij een Lid-Staat niet verplichten de referentieperiode waarin zijn nationale wettelijke regeling ter bepaling van het minimumverzekeringsvereiste voor de toekenning van een invaliditeitsuitkering voorziet, te verlengen met een periode gelijk aan de tijdvakken van werkloosheid die de betrokkene heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat, die anders dan die van eerstgenoemde Lid-Staat, de verlenging toestaat wanneer de tijdvakken van werkloosheid op het nationale grondgebied zijn vervuld.
26 Iurlaro en de Commissie betogen voorts, dat het Italiaanse orgaan bij de toepassing van de samentellingsregels van artikel 45, lid 1, van verordening nr. 1408/71 niet alleen rekening moet houden met de tijdens de omstreden referentieperiode in Italië vervulde tijdvakken van werkloosheid, maar ook met in Duitsland vervulde soortgelijke tijdvakken, ook al worden volgens de wettelijke regeling van deze laatste staat de tijdvakken van werkloosheid niet in aanmerking genomen voor het verkrijgen van het recht op de invaliditeitsuitkering. Iurlaro had in Duitsland tijdens de periode van vijf jaar voorafgaand aan zijn aanvraag van een invaliditeitsuitkering in Italië evenwel tijdvakken van werkloosheid van een duur van meer dan drie jaar vervuld. Bijgevolg voldoet hij huns inziens aan de voorwaarde van artikel 4 van wet nr. 222, volgens welke 156 wekelijkse premies (drie annuïteiten) in de loop van de vijf jaar voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag voor de betrokkene moeten zijn betaald of gecrediteerd.
27 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 1, sub r, van verordening nr. 1408/71 onder "tijdvakken van verzekering" wordt verstaan "de tijdvakken van premie- of bijdragebetaling, van arbeid of van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, of geacht worden te zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover zij als zodanig door deze wetgeving zijn erkend".
28 Derhalve moet, met name voor de toepassing van artikel 45 van verordening nr. 1408/71, onder "tijdvakken van verzekering" worden verstaan, de tijdvakken die volgens de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, als zodanig worden omschreven of aangemerkt (zie, met name wat de gelijkgestelde tijdvakken betreft, arrest van 7 februari 1990, zaak C-324/88, Vella e.a., Jurispr. 1990, blz. I-257), onder het voorbehoud evenwel dat de artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag in acht worden genomen (zie in die zin met name arrest van 15 oktober 1991, zaak C-302/90, Faux, Jurispr. 1991, blz. I-4875, r.o. 25-28).
29 Een nationale wettelijke regeling die voor het ontstaan van het recht op de invaliditeitsuitkering alleen de op het nationale grondgebied vervulde tijdvakken van werkloosheidsverzekering in aanmerking neemt, met uitsluiting van de op het grondgebied van andere Lid-Staten vervulde soortgelijke tijdvakken, is evenwel in strijd met bovengenoemde verdragsbepalingen.
30 Een dergelijk vereiste, waarvoor geen enkele objectieve rechtvaardiging is aangevoerd en dat migrerende werknemers minder goed behandelt dan werknemers die hun recht van vrij verkeer niet hebben uitgeoefend, moet als discriminerend worden aangemerkt en is dus in strijd met de fundamentele verdragsregels die het vrij verkeer van werknemers waarborgen.
31 Gepreciseerd zij evenwel, dat het INPS en de Italiaanse regering ter terechtzitting voor het Hof onweersproken hebben opgemerkt, dat de Italiaanse regeling de tijdvakken van werkloosheid slechts voor een maximumduur van zes maanden met de tijdvakken van premiebetaling gelijkstelt voor de berekening van het tijdstip waarop het recht op invaliditeitsuitkering ontstaat.
32 Gelet op deze verklaringen, waarvan de nationale rechter de juistheid moet nagaan, moet worden geconcludeerd, dat de artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag niet eraan in de weg staan, dat de wetgeving van een Lid-Staat, zoals de Italiaanse wetgeving, de in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van werkloosheid slechts ten belope van zes maanden in aanmerking neemt voor de toekenning van een invaliditeitsuitkering, wanneer die beperking ook geldt ingeval die tijdvakken in de Lid-Staat van het bevoegde orgaan zijn vervuld.
33 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat de artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag, artikel 9 bis van verordening nr. 1408/71 en artikel 15, lid 1, sub f-ii, van verordening nr. 574/72 aldus moeten worden uitgelegd, dat zij een Lid-Staat niet verplichten de referentieperiode waarin zijn nationale wettelijke regeling ter bepaling van het minimumverzekeringsvereiste voor de toekenning van een invaliditeitsuitkering voorziet, te verlengen met een periode gelijk aan de tijdvakken van werkloosheid die de betrokkene heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat, die anders dan die van eerstgenoemde Lid-Staat, de verlenging toestaat wanneer de tijdvakken van werkloosheid op het nationale grondgebied zijn vervuld. Bovendien staan de artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag niet eraan in de weg, dat de wetgeving van een Lid-Staat weigert, voor de berekening van het minimumverzekeringsvereiste voor de toekenning van een invaliditeitsuitkering meer in de loop van een bepaalde periode voorafgaand aan het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van werkloosheidsverzekering in aanmerking te nemen dan in de loop van dezelfde periode door de wetgeving van de eerste Lid-Staat in aanmerking worden genomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
34 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Pretura circondariale di Roma bij beschikking van 3 oktober 1995 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De artikelen 48 tot en met 51 EG-Verdrag, artikel 9 bis van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 en vervolgens gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2332/89 van de Raad van 18 juli 1989, en artikel 15, lid 1, sub f-ii, van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij genoemde verordening nr. 2001/83, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij een Lid-Staat niet verplichten de referentieperiode waarin zijn nationale wettelijke regeling ter bepaling van het minimumverzekeringsvereiste voor de toekenning van een invaliditeitsuitkering voorziet, te verlengen met een periode gelijk aan de tijdvakken van werkloosheid die de betrokkene heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat, die anders dan die van eerstgenoemde Lid-Staat, de verlenging toestaat wanneer de tijdvakken van werkloosheid op het nationale grondgebied zijn vervuld. Bovendien staan de artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag niet eraan in de weg, dat de wetgeving van een Lid-Staat weigert, voor de berekening van het minimumverzekeringsvereiste voor de toekenning van een invaliditeitsuitkering meer in de loop van een bepaalde periode voorafgaand aan het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van werkloosheidsverzekering in aanmerking te nemen dan in de loop van dezelfde periode door de wetgeving van de eerste Lid-Staat in aanmerking worden genomen.
Full & Egal Universal Law Academy