Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Ouderdoms- en overlijdensverzekering ° Vaststelling van uitkeringen ° Gelijktijdige vaststelling krachtens wettelijke regelingen van alle Lid-Staten waaraan werknemer onderworpen is geweest, zodra aanvraag om uitkeringen wordt ingediend ° Niet-naleving door werknemer van verplichting om aanvraag tot orgaan van Lid-Staat van woonplaats te richten ° Geen invloed
(Verordeningen van de Raad nr. 1408/71, art. 44, lid 2, en nr. 574/72, art. 36, leden 1 en 4)
Samenvatting
Artikel 36, lid 4, van verordening nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71, dat, wat ouderdomsuitkeringen betreft, uitdrukkelijk bepaalt dat de uitkeringen gelijktijdig worden vastgesteld krachtens de wettelijke regeling van alle Lid-Staten wanneer een aanvraag om uitkeringen tot het orgaan van een Lid-Staat wordt gericht, is een autonome procedureregel die van toepassing is ongeacht of de bepalingen van de leden 1 tot en met 3 van hetzelfde artikel in acht zijn genomen, en met name die van lid 1, eerste zin, naar luid waarvan de migrerende werknemer verplicht is zijn aanvraag tot het orgaan van zijn woonplaats te richten.
Enerzijds is in verordening nr. 1408/71, waarvan verordening nr. 574/72 slechts een toepassingsverordening is, gelet op met name artikel 44, lid 2, onmiskenbaar het beginsel neergelegd dat zodra een aanvraag tot een orgaan van een Lid-Staat is gericht, de uitkering gelijktijdig wordt vastgesteld krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten, waarbij de datum van indiening van de aanvraag voor alle betrokken organen als referentiedatum voor de vaststelling van de uitkeringen geldt. Anderzijds is artikel 36, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 574/72, dat de migrerende werknemer de verplichting oplegt zijn aanvraag om uitkeringen tot het orgaan van zijn woonplaats te richten, slechts een bijkomende procedureregel met het oog op de vereenvoudiging van de door de werknemer te ondernemen stappen; de niet-naleving van die bepaling staat niet in de weg aan de gelijktijdige vaststelling van de uitkeringen, zoals voorzien in zowel verordening nr. 1408/71 als in voormeld artikel 36, lid 4.
Partijen
In zaak C-335/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Arbeidshof te Luik (België), in het aldaar aanhangig geding tussen
Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (RSVZ)
en
M. Picard,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 36 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en aangepast bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 86),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), kamerpresident, C. Gulmann en J.-P. Puissochet, rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (RSVZ), vertegenwoordigd door zijn adjunct-adviseur P. van Glabeke,
° M. Picard,
° de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en A. de Bourgoing, chargé de mission bij dezelfde directie, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 juli 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 10 oktober 1995, ingekomen bij het Hof op 23 oktober daaraanvolgend, heeft het Arbeidshof te Luik krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 36 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en aangepast bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 86; hierna: "verordening nr. 574/72").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (hierna: "RSVZ") en M. Picard, een in België wonende Franse onderdaan, over de datum vanaf welke hij recht heeft op een door de RSVZ uit te keren ouderdomspensioen.
3 Uit de stukken van het hoofdgeding blijkt, dat Picard, geboren op 24 december 1931, gedurende vele jaren in Frankrijk heeft gewerkt, alsook in België van 1 januari 1981 tot en met 30 juni 1982 en van 1 januari 1985 tot en met 31 maart 1988. Toen hij de leeftijd van 60 jaar naderde, diende hij op 11 april 1991 een pensioenaanvraag in bij het bevoegde orgaan in Frankrijk, dat hem overeenkomstig die aanvraag een pensioen toekende met ingang van 1 januari 1992.
4 Op uitdrukkelijke aanwijzing van de Franse administratie diende Picard vervolgens op 11 juni 1992 via het gemeentebestuur van Verviers (België) een aanvraag om vervroegd pensioen in bij het bevoegde Belgische orgaan, het RSVZ. Aanvankelijk wees dit Picards verzoek af, op grond dat hij niet voldeed aan de criteria voor het verkrijgen van een pensioen krachtens Belgisch recht. Na te hebben vernomen dat het Franse bevoegde orgaan Picard een pensioen had toegekend, nam het RSVZ een nieuw besluit, waarbij het met ingang van 1 juli 1992 Picards recht erkende op een pro-ratapensioen, berekend met inaanmerkingneming van de in Frankrijk vervulde tijdvakken van verzekering.
5 Wat de datum van ingang van het pensioen betreft, baseerde het RSVZ zijn besluit op de toepasselijke Belgische wetgeving, volgens welke enerzijds de pensioenaanvraag moet worden ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de aanvrager is ingeschreven, en anderzijds het ouderdomspensioen niet kan ingaan vóór de eerste van de maand die volgt op die waarin de aanvraag is ingediend.
6 Picard stelde beroep in tegen het besluit van het RSVZ; hij betwistte zowel de berekeningswijze van het Belgische pensioen als de ingangsdatum ervan (1 juli 1992).
7 Bij vonnis van 18 november 1994 bevestigde de Arbeidsrechtbank te Verviers het besluit van het RSVZ wat het bedrag van het aan Picard toegekende pensioen betreft; zij oordeelde evenwel, dat ingevolge artikel 36, lid 4, van verordening nr. 574/72 het Belgische pensioen moest ingaan op 1 januari 1992, de datum waarop het Franse bevoegde orgaan Picard een ouderdomspensioen had toegekend.
8 Artikel 36, lid 4, van verordening nr. 574/72 bepaalt:
"Een aanvraag om uitkeringen die aan het orgaan van een Lid-Staat wordt gericht, heeft automatisch tot gevolg dat de uitkeringen krachtens de wettelijke regeling van alle betrokken Lid-Staten aan de voorwaarden waarvan de aanvrager voldoet, gelijktijdig worden vastgesteld, behalve wanneer de aanvrager overeenkomstig artikel 44, lid 2, van de verordening wenst dat vaststelling van de ouderdomsuitkeringen die krachtens de wettelijke regeling van één of meer Lid-Staten zouden zijn verkregen, wordt uitgesteld."
9 Het RSVZ is tegen dat onderdeel van het vonnis in beroep gekomen bij het Arbeidshof te Luik met het betoog dat, gezien artikel 36, lid 1, van verordening nr. 574/72, een pro-ratapensioen volgens de Belgische wetgeving slechts met ingang van 1 juli 1992 aan Picard kon worden toegekend.
10 Artikel 36, lid 1, van verordening nr. 574/72 bepaalt:
"Om in aanmerking te komen voor uitkeringen krachtens de artikelen 40 tot en met 51 van de verordening, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 35 van de toepassingsverordening, is de aanvrager verplicht een aanvraag tot het orgaan van de woonplaats te richten, volgens de voorschriften van de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling. Indien de werknemer of zelfstandige niet aan deze wettelijke regeling onderworpen is geweest, zendt het orgaan van de woonplaats de aanvraag door aan het orgaan van die Lid-Staat, aan de wettelijke regeling waarvan hij laatstelijk onderworpen is geweest, zulks onder opgave van de datum waarop de aanvraag werd ingediend. Deze datum wordt beschouwd als de datum waarop de aanvraag bij laatstgenoemd orgaan werd ingediend."
11 Onder die omstandigheden heeft de verwijzende rechter besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:
"1) Bevat lid 4 van artikel 36 van verordening nr. 574/72 een autonome algemene regel, die van toepassing is ongeacht of de bepalingen van de leden 1 tot en met 3 van hetzelfde artikel in acht zijn genomen?
2) Zo neen, is de werknemer of zelfstandige, aan wie zonder voorafgaande erkenning van zijn recht op pensioen door het bevoegde orgaan van een andere Lid-Staat (in casu de Lid-Staat van zijn nationaliteit), door het bevoegde orgaan van de Lid-Staat van zijn woonplaats geen recht op pensioen kan worden toegekend, niettemin verplicht in de staat van zijn woonplaats een aanvraag in te dienen opdat de uitkeringen gelijktijdig zouden worden vastgesteld?"
De eerste vraag
12 Het geding vloeit voort uit het feit dat de weg die Picard bij zijn pensioenaanvraag heeft gevolgd, niet met een van de in artikel 36, leden 1 tot en met 3, van verordening nr. 574/72 genoemde gevallen overeenkomt. Terwijl hij volgens lid 1, eerste zin, van dat artikel zijn aanvraag bij het orgaan van zijn woonplaats, dus in België, had moeten indienen, wendde hij zich rechtstreeks tot het bevoegde Franse orgaan.
13 Volgens het RSVZ volgt uit artikel 36, lid 1, van verordening nr. 574/72 duidelijk, dat het aan Picard toegekende Belgische ouderdomspensioen overeenkomstig de toepasselijke Belgische wetgeving eerst op 1 juli 1992 kon ingaan, daar de pensioenaanvraag op 11 juni 1992 was ingediend.
14 Voorts is het RSVZ van mening, dat artikel 36, lid 4, niet aan die uitlegging in de weg staat, daar de gelijktijdige vaststelling van de uitkeringen zijns inziens slechts kan worden verkregen, indien de aanvrager zijn aanvraag op juiste wijze, overeenkomstig artikel 36, lid 1, van verordening nr. 574/72, heeft ingediend, wat hij in casu pas op 11 juni 1992 heeft gedaan.
15 De regel van artikel 36, lid 4, van verordening nr. 574/72, aldus het RSVZ, is niet meer dan een aanvulling op het bepaalde in lid 1 van dat artikel en beoogt slechts de gevolgen te bepalen van aanvragen die overeenkomstig de voorschriften van die bepaling zijn ingediend.
16 Dit betoog faalt.
17 Picards aanvraag om een ouderdomspensioen valt immers onder artikel 44, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en aangepast bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6; hierna: "verordening nr. 1408/71"). Volgens genoemde bepaling "moet ten aanzien van alle wettelijke regelingen waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, worden overgegaan tot vaststelling van de uitkeringen zodra door de betrokkene een daartoe strekkend verzoek is gedaan".
18 Zodra een verzoek om vaststelling bij een orgaan van een Lid-Staat is gedaan, dient dit orgaan overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag en artikel 84 van verordening nr. 1408/71 voor de vaststelling en de pro-rataberekening samen te werken met de bevoegde organen van de andere Lid-Staten.
19 Zoals de Franse regering terecht opmerkt, blijkt uit artikel 86 van verordening nr. 1408/71, dat de datum waarvan de organen van de Lid-Staten voor de vaststelling en de pro-rataberekening moeten uitgaan, de datum is waarop de belanghebbende de aanvraag heeft ingediend. Dit artikel bepaalt: "Aanvragen, verklaringen of beroepschriften welke ter uitvoering van de wetgeving van een Lid-Staat binnen een bepaalde termijn moeten worden ingediend bij een autoriteit, een orgaan of een rechterlijke instantie van die Staat, zijn ontvankelijk indien zij binnen dezelfde termijn bij een overeenkomstige autoriteit, orgaan of rechterlijke instantie van een andere Lid-Staat worden ingediend. In dat geval zal de autoriteit, het orgaan of de rechterlijke instantie waarop aldus een beroep wordt gedaan, deze aanvragen, verklaringen of beroepschriften onverwijld doen toekomen aan de bevoegde autoriteit, het bevoegde orgaan of de bevoegde rechterlijke instantie van eerstbedoelde Staat, hetzij rechtstreeks, hetzij door bemiddeling van de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staten. De datum waarop die aanvragen, verklaringen of beroepschriften bij een autoriteit, een orgaan of een rechterlijke instantie van de andere Staat zijn ingediend, wordt beschouwd als de datum waarop deze zijn ingediend bij de autoriteit, het orgaan of de rechterlijke instantie welke bevoegd is hiervan kennis te nemen."
20 Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat verordening nr. 1408/71 ondubbelzinnig uitgaat van het beginsel, dat de uitkeringen gelijktijdig worden vastgesteld zodra bij een orgaan van een Lid-Staat een aanvraag is ingediend, en dat voor alle betrokken organen de datum waarop de aanvraag is ingediend, de referentiedatum is voor de vaststelling van de uitkeringen.
21 Als bepaling van een toepassingsverordening moet artikel 36 van verordening nr. 574/72 in het licht van de basisverordening worden uitgelegd. Het mag immers niet in de weg staan aan het volle genot van de bij verordening nr. 1408/71 erkende rechten.
22 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat artikel 36, lid 4, van verordening nr. 574/72 uitdrukkelijk bepaalt, dat een aanvraag om uitkeringen die tot het orgaan van een Lid-Staat wordt gericht, automatisch tot gevolg heeft dat uitkeringen krachtens de wettelijke regeling van alle betrokken Lid-Staten gelijktijdig worden vastgesteld.
23 Dat de datum waarop de aanvraag bij een orgaan van een Lid-Staat is ingediend, de referentiedatum is, vindt voorts bevestiging in artikel 36, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 574/72.
24 Ingevolge artikel 36, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 574/72 is de aanvrager inderdaad verplicht zijn aanvraag tot het orgaan van zijn woonplaats te richten.
25 Maar zoals het Hof heeft beklemtoond in zijn arrest van 3 februari 1993 (zaak C-275/91, Iacobelli, Jurispr. 1993, blz. I-523, r.o. 13), zijn de bepalingen van artikel 36 van verordening nr. 574/72 van procedurele aard. Zij zijn vastgesteld met het oog op administratieve vereenvoudiging, namelijk om migrerende werknemers die in verschillende Lid-Staten rechten kunnen doen gelden, te bevrijden van de verplichting bij de verzekeringsorganen van elk van die staten een aanvraag in te dienen voor de toekenning van uitkeringen waarop zij aanspraak kunnen maken (zie, in die zin, arresten van 9 maart 1976, zaak 108/75, Balsamo, Jurispr. 1976, blz. 375, r.o. 9, en 9 november 1977, zaak 41/77, Warry, Jurispr. 1977, blz. 2085, r.o. 28). De bij artikel 36, lid 1, eerste zin, aan de migrerend werknemer opgelegde verplichting zijn aanvraag tot het meeste nabije orgaan te richten, dus tot het orgaan van zijn woonplaats, past in dat streven naar administratieve vereenvoudiging.
26 Ook wanneer de verplichting van artikel 36, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 574/72, dat een aanvullende procedureregel is, niet wordt nageleefd, belet dat dus niet, dat de betrokken uitkeringen overeenkomstig artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1408/71 worden vastgesteld op de datum waarop een aanvraag bij een orgaan van een Lid-Staat is ingediend.
27 Mitsdien moet aan de verwijzende rechter worden geantwoord, dat artikel 36, lid 4, van verordening nr. 574/72, dat bepaalt dat de uitkeringen gelijktijdig worden vastgesteld wanneer een aanvraag om uitkeringen tot het orgaan van een Lid-Staat wordt gericht, een autonome procedureregel is, die van toepassing is ongeacht of de bepalingen van de leden 1 tot en met 3 van hetzelfde artikel in acht zijn genomen.
De tweede vraag
28 Gezien het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
29 De kosten door de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door het Arbeidshof te Luik bij arrest van 10 oktober 1995 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 36, lid 4, van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en aangepast bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, dat bepaalt dat de uitkeringen gelijktijdig worden vastgesteld wanneer een aanvraag om uitkeringen tot het orgaan van een Lid-Staat wordt gericht, is een autonome procedureregel die van toepassing is ongeacht of de bepalingen van de leden 1 tot en met 3 van hetzelfde artikel in acht zijn genomen.
Full & Egal Universal Law Academy