Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Sociale politiek - Harmonisatie van wetgevingen - Overgang van ondernemingen - Behoud van rechten van werknemers - Richtlijn 77/187 - Toepassing ratione temporis - Overgang van onderneming voordat richtlijn in betrokken Lid-Staat rechtsgevolgen sorteerde - Uitgesloten
(Richtlijn 77/187 van de Raad)
Samenvatting
Op de bepalingen van richtlijn 77/187 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan, kan geen beroep worden gedaan met betrekking tot de overgang van een onderneming die heeft plaatsgevonden op een datum waarop de richtlijn in de betrokken Lid-Staat nog geen rechtsgevolgen was gaan sorteren.
Partijen
In zaak C-336/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Juzgado de lo Social n_ 16 de Barcelona (Spanje), in het aldaar aanhangig geding tussen
P. Burdalo Trevejo e.a.
en
Fondo de Garantía Salarial,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 1, lid 1, en 3, lid 3, tweede alinea, van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (PB 1977, L 61, blz. 26),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, C. Gulmann en J.-P. Puissochet (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. J. Navarro González, directeur-generaal Coördinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschappen, en M. Bravo-Ferrer Delgado, abogado del Estado voor het Hof van Justitie, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia en I. Martínez del Peral, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 februari 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 1 september 1995, ingekomen bij het Hof op 25 oktober daaraanvolgend, heeft de Juzgado de lo Social n_ 16 de Barcelona krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 1, lid 1, en 3, lid 3, tweede alinea, van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (PB 1977, L 61, blz. 26; hierna: "richtlijn").
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Burdalo Trevejo, Soriano Marco, Casa Alonso en Pérez de la Cruz enerzijds en het Fondo de Garantía Salarial (waarborgfonds voor salarissen) anderzijds, ter zake van de inaanmerkingneming van de anciënniteit van de belanghebbenden voor de berekening van de schadeloosstelling bij ontslag of beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
3 Artikel 1, lid 1, van de richtlijn bepaalt:
"Deze richtlijn is van toepassing op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst, of een fusie."
4 Artikel 3, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn luidt als volgt:
"De rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang in de zin van artikel 1, lid 1, bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding, gaan door deze overgang op de verkrijger over."
5 Ten slotte bepaalt artikel 3, lid 3:
"De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op de rechten van de werknemers op ouderdomsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen uit hoofde van voor één of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen welke bestaan naast de wettelijke stelsels van sociale zekerheid van de Lid-Staten.
De Lid-Staten stellen de nodige maatregelen vast om de belangen van de werknemers, alsmede van de personen die de vestiging van de vervreemder reeds hebben verlaten op het tijdstip van de overgang in de zin van artikel 1, lid 1, te beschermen met betrekking tot hun verkregen rechten of hun rechten in wording op ouderdomsuitkeringen met inbegrip van uitkeringen aan nagelaten betrekkingen uit hoofde van de in de eerste alinea bedoelde aanvullende stelsels."
6 Verzoekers waren gedurende een groot aantal jaren (tussen 24 en 42 jaar) werkzaam bij een door E. Capellà opgerichte textielonderneming, die herhaaldelijk in andere handen is overgegaan. Deze onderneming veranderde achtereenvolgens op 19 mei 1978 in de vennootschap "Hijos de Enrique Capellà", op 29 juni 1981 in de vennootschap "Ennoblecimiento Textil" en op 7 januari 1986 in de vennootschap "Hiades", zonder dat de arbeidsverhoudingen van de belanghebbenden hierdoor werden aangetast.
7 Op 10 mei 1993 werden de arbeidsverhoudingen tussen verzoekers en de onderneming Hiades door het Departament de Treball de la Generalitat de Catalunya beëindigd verklaard, waarop het Fondo de Garantía Salarial werd belast met de betaling van de in de Spaanse wettelijke regeling voorziene schadeloosstelling bij beëindiging van arbeidsovereenkomsten wegens economische of technologische redenen of wegens overmacht in ondernemingen met minder dan 25 werknemers.
8 Aangezien het Fondo de Garantía Salarial weigerde de vóór 19 mei 1978, het tijdstip van de eerste overgang van de onderneming, vervulde diensttijd voor de berekening van deze schadeloosstelling in aanmerking te nemen, stelden de belanghebbenden beroep in, dat voor behandeling werd verwezen naar de Juzgado de lo Social n_ 16 de Barcelona.
9 Van oordeel, dat voor de oplossing van het geschil uitlegging van de richtlijn noodzakelijk was, heeft de Juzgado het Hof de volgende vraag ter prejudiciële beslissing voorgelegd:
"Is het verenigbaar met het bepaalde in de artikelen 1, lid 1, en 3, lid 3, tweede alinea, van richtlijn 77/187/EEG van 14 februari 1977, indien op grond van de wetgeving of rechtspraak van een Lid-Staat de schadeloosstelling die het Fondo de Garantía Salarial moet betalen, wordt verminderd doordat niet de volledige anciënniteit van de werknemers in aanmerking wordt genomen, maar, ondanks het feit dat de werknemers ononderbroken werkzaam zijn geweest voor een onderneming die in andere handen is overgegaan, een deel van die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten?"
10 Blijkens de verwijzingsbeschikking is de nationale rechter van oordeel, dat het Fondo de Garantía Salarial weliswaar een waarborgfonds is in de zin van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB 1980, L 283, blz 23), doch dat de in geding zijnde schadeloosstelling buiten het bestek van deze richtlijn valt. Hij vraagt zich daarentegen af, wat de strekking is van sommige bepalingen van richtlijn 77/187, en wenst juist te vernemen of, gelet op deze bepalingen, het fonds de periode vóór de eerste overgang van de onderneming op 19 mei 1978 in mindering mag brengen op de anciënniteit die voor de berekening van de schadeloosstelling bij ontslag in aanmerking moet worden genomen.
11 De Spaanse regering stelt om te beginnen, dat aangezien de litigieuze datum 19 mei 1978 was gelegen vóór de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Gemeenschap en zelfs vóór het verstrijken van de voor de uitvoering van de richtlijn voorziene termijn van twee jaar, in het hoofdgeding op deze richtlijn geen beroep kan worden gedaan. Voorts is artikel 3, lid 3, van de richtlijn, dat uitsluitend betrekking heeft op ouderdoms- of invaliditeitsuitkeringen uit hoofde van aanvullende stelsels, niet van toepassing op de in geding zijnde schadeloosstelling. Wat ten slotte de algemene regel van artikel 3, lid 1, betreft, verwijst het Koninkrijk Spanje naar de rechtspraak van het Hof, volgens welke de richtlijn enkel beoogt te verzekeren, dat tussen de werknemer en de verkrijger dezelfde voorwaarden gelden als ingevolge het recht van de betrokken staat tussen de werknemer en de vervreemder golden.
12 De Commissie is van mening, dat ook al is de richtlijn, die de verplichtingen van de verkrijger regelt, niet rechtstreeks van toepassing op een waarborgfonds als het Fondo de Garantía Salarial, de wettelijke regeling met betrekking tot dit soort fondsen het nuttig effect van de richtlijn niet dient te beperken. Dienaangaande stelt zij in het bijzonder, dat de eventuele overgangen van de onderneming waar de werknemer werkzaam was, niet van invloed dienen te zijn op de inaanmerkingneming van de anciënniteit van de werknemer voor de berekening van de schadeloosstelling bij ontslag. Wat artikel 3, lid 3, van de richtlijn betreft, merkt de Commissie met de Spaanse regering op, dat deze bepaling niet van toepassing is op de schadeloosstelling die in het hoofdgeding aan de orde is.
13 In antwoord op een door het Hof gestelde vraag heeft de Spaanse regering verklaard, dat in de rechtspraak van het Tribunal Supremo onderscheid werd gemaakt tussen het begrip "anciënniteit", dat de gehele periode van uitoefening van een bepaald beroep bestrijkt, en het begrip "diensttijd", dat betrekking heeft op de in een bepaalde onderneming gewerkte tijd. In het hoofdgeding konden de werkzaamheden van vóór 1978 niet in aanmerking worden genomen, omdat in dat jaar een nieuwe onderneming werd opgericht, welke werknemers in dienst nam en voor de sociale zekerheid opgaf die reeds werkzaam waren geweest in een andere onderneming, waarmee hun arbeidsverhouding was beëindigd. Dit lag evenwel anders voor de overgangen in 1981 en 1986, waarbij krachtens de wet subrogatie in de rechten en verplichtingen van de ondernemingen plaatsvond.
14 Zoals de advocaat-generaal in de punten 23 tot en met 26 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vloeit uit deze feitelijke elementen voort, dat de betrokken werknemers zich niet met succes op de richtlijn kunnen beroepen, ongeacht de materiële werkingssfeer ervan in omstandigheden als door de verwijzende rechter beschreven, omdat de in geding zijnde overgang van de onderneming heeft plaatsgevonden vóór de datum waarop de richtlijn in de betrokken Lid-Staat rechtsgevolgen is gaan sorteren.
15 De datum 19 mei 1978 is immers gelegen vóór de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Gemeenschappen, die eerst vanaf 1 januari 1986 rechtsgevolgen is gaan sorteren (artikel 2 van het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; PB 1985, L 302, blz. 9). Zoals de Spaanse regering heeft opgemerkt, is deze datum zelfs gelegen vóór het verstrijken van de voor de uitvoering van de richtlijn door de Lid-Staten voorziene termijn van twee jaar (artikel 8, lid 1, van de richtlijn). Derhalve kan er hoe dan ook met betrekking tot de overgang van een onderneming die op deze datum heeft plaatsgevonden, geen beroep worden gedaan op de bepalingen van deze richtlijn (zie bijvoorbeeld arresten van 3 december 1992, gevoegde zaken C-140/91, C-141/91, C-278/91 en C-279/91, Suffritti e.a., Jurispr. 1992, blz. I-6337, r.o. 11-13, en 3 maart 1994, zaak C-316/93, Vaneetveld, Jurispr. 1994, blz. I-763, r.o. 16).
16 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat op de bepalingen van de richtlijn geen beroep kan worden gedaan met betrekking tot de overgang van een onderneming die heeft plaatsgevonden op een datum waarop de richtlijn in de betrokken Lid-Staat nog geen rechtsgevolgen was gaan sorteren.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
17 De kosten door de Spaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door de Juzgado de lo Social n_ 16 de Barcelona bij beschikking van 1 september 1995 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Op de bepalingen van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan, kan geen beroep worden gedaan met betrekking tot de overgang van een onderneming die heeft plaatsgevonden op een datum waarop de richtlijn in de betrokken Lid-Staat nog geen rechtsgevolgen was gaan sorteren.
Full & Egal Universal Law Academy