Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Vrij verkeer van personen - Werknemers - Recht van verblijf voor zoeken van werk - Duur van verblijf - Nationale regeling die onderdanen van Lid-Staten die werk zoeken, na afloop van termijn van drie maanden automatisch verplicht om grondgebied te verlaten - Ontoelaatbaarheid
(EG-Verdrag, art. 48; richtlijn nr. 68/360 van de Raad)
2 Vrij verkeer van personen - Recht van toegang en verblijf van onderdanen van Lid-Staten - Werknemers met arbeidsverhouding van meer dan een jaar - Nationale regeling die voor eerste zes maanden van verblijf voorziet in afgifte en vernieuwing van attest van immatriculatie tegen betaling van vergoeding - Ontoelaatbaarheid
(EG-Verdrag, art. 48; richtlijn nr. 68/360 van de Raad, art. 1, 4 en 9, lid 1)
3 Vrij verkeer van personen - Recht van toegang en verblijf van onderdanen van Lid-Staten - Werknemers in loondienst en seizoenarbeiders met arbeidsverhouding van niet meer dan drie maanden - Nationale regeling die voorziet in afgifte van document betreffende verblijf tegen betaling van vergoeding - Ontoelaatbaarheid
(EG-Verdrag, art. 48; richtlijn 68/360 van de Raad, art. 8, lid 1, sub a en c, en 8, lid 2)
Samenvatting
4 Het in artikel 48, leden 1 tot en met 3, van het Verdrag neergelegde beginsel van het vrije verkeer van werknemers, dat ruim moet worden uitgelegd, impliceert, dat de onderdanen van de Lid-Staten het recht hebben om zich binnen het grondgebied van de andere Lid-Staten vrij te verplaatsen en daar te verblijven teneinde er werk te zoeken.
Het nuttig effect van artikel 48 is gewaarborgd zolang het gemeenschapsrecht of, bij gebreke daarvan, de wettelijke regeling van een Lid-Staat de belanghebbenden een redelijke termijn laat om zich op het grondgebied van de betrokken Lid-Staat op de hoogte te stellen van de werkaanbiedingen die bij hun beroepskwalificatie passen, en om in voorkomend geval het nodige te doen om te worden aangeworven.
Bij gebreke van een communautaire bepaling die een termijn stelt voor het verblijf van gemeenschapsonderdanen die werk zoeken, mogen de Lid-Staten te dien einde een redelijke termijn vaststellen. Indien de belanghebbende evenwel na afloop van die termijn aantoont dat hij nog steeds werk zoekt en een reële kans heeft het te vinden, mag hij niet worden gedwongen de Lid-Staat van ontvangst te verlaten.
Hieruit volgt, dat een Lid-Staat de krachtens artikel 48 van het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nakomt, wanneer hij de onderdanen van de andere Lid-Staten die op zijn grondgebied werk zoeken, na afloop van een termijn van drie maanden automatisch verplicht om dit te verlaten.
5 Een Lid-Staat die aan werknemers die arbeid in loondienst verrichten waarvan de duur minstens een jaar bedraagt, gedurende de eerste zes maanden van hun verblijf twee opeenvolgende attesten van immatriculatie afgeeft in plaats van de in de richtlijn bedoelde verblijfskaart, en voor de afgifte van deze attesten een vergoeding eist waarvan het bedrag gelijk is aan het bedrag dat voor de afgifte van een identiteitskaart aan de eigen onderdanen wordt verlangd, voldoet niet aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens artikel 48 van het Verdrag en richtlijn 68/360 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der Lid-Staten en van hun familie binnen de Gemeenschap.
Artikel 4 van deze richtlijn houdt voor de Lid-Staten immers de verplichting in, een verblijfsvergunning af te geven aan iedere werknemer die door passende documenten - te weten het document op vertoon waarvan hij hun grondgebied heeft betreden en een door de werkgever verstrekte verklaring van indienstneming of tewerkstelling - bewijst, dat hij tot een van de in artikel 1 van deze richtlijn genoemde categorieën behoort. Een dergelijk stelsel van attesten van immatriculatie houdt er evenwel geen rekening mee, of een werknemer uit een andere Lid-staat reeds bij de indiening van zijn eerste verzoek om afgifte van een verblijfsvergunning alle door de richtlijn vereiste documenten overlegt. Bovendien brengen de vorm en de duur van de procedure, waarbij een termijn van zes maanden kan verstrijken vóór de afgifte van de verblijfskaart, buitensporige lasten met zich, zodat zij een feitelijke belemmering van het vrije verkeer van werknemers vormen, hetgeen in strijd is met artikel 48 van het Verdrag.
Overigens volgt duidelijk uit artikel 9, lid 1, van de richtlijn, dat de aan de gemeenschapsonderdanen verleende verblijfsdocumenten kosteloos of tegen betaling van een bedrag dat de rechten en kosten voor de afgifte van identiteitskaarten aan eigen onderdanen niet te boven gaat, worden afgegeven en vernieuwd. Gezien de wijze waarop de afgifte van de attesten van immatriculatie is geregeld, moet een gemeenschapsonderdaan verschillende administratieve stadia doorlopen voordat hij een definitief document krijgt, en wordt in ieder stadium van hem een recht geheven. Weliswaar is elk recht, op zich beschouwd, niet hoger dan het bedrag dat verschuldigd is voor de afgifte van een identiteitskaart aan de eigen onderdanen, doch het totaalbedrag is hoger dan dit bedrag, hetgeen een schending van artikel 9, lid 1, van de richtlijn oplevert.
6 Een Lid-Staat die aan werknemers in loondienst en seizoenarbeiders waarvan de te verwachten duur van hun werkzaamheden niet meer dan drie maanden beloopt, een document betreffende hun verblijf afgeeft en voor dit document een vergoeding eist, voldoet niet aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens artikel 48 van het Verdrag en richtlijn 68/360 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der Lid-Staten en van hun familie binnen de Gemeenschap.
Artikel 8, lid 1, sub a, van de richtlijn bepaalt namelijk, dat de Lid-Staten het recht van verblijf toekennen aan de werknemer die arbeid in loondienst verricht waarvan de te verwachten duur niet meer dan drie maanden beloopt, zonder dat een verblijfskaart wordt afgegeven, waarbij zijn verblijf wordt gewettigd door het document op vertoon waarvan hij het grondgebied heeft betreden en een verklaring van de werkgever waarin de te verwachten tijd van tewerkstelling is vermeld. Krachtens artikel 8, lid 1, sub c, van de richtlijn heeft de seizoenarbeider het recht van verblijf, wanneer hij houder is van een arbeidsovereenkomst, gewaarmerkt door de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat op welks grondgebied hij zijn arbeid komt verrichten. Artikel 8, lid 1, impliceert bijgevolg, dat al wat verder gaat dan de in artikel 8, lid 2, van de richtlijn bedoelde verklaring, die de bevoegde autoriteiten van de ontvangende staat aan de werknemer kunnen voorschrijven om zijn aanwezigheid te melden, en het karakter van een toelating of een verblijfskaart heeft, tegen de richtlijn indruist. Bovendien vormt het vereiste van de betaling van een heffing voor de afgifte van een dergelijke verklaring een geldelijke belemmering van het verkeer van deze werknemers, wat in strijd is met de gemeenschapsbepalingen.
Partijen
In zaak C-344/95,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. van Nuffel, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door J. Devadder, adviseur-generaal bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Résidence Champagne, Rue des Girondins 4,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Koninkrijk België,
- door onderdanen van andere Lid-Staten die in België werk zoeken, te verplichten het grondgebied na een termijn van drie maanden te verlaten,
- door aan werknemers die arbeid in loondienst verrichten waarvan de duur minstens een jaar bedraagt, gedurende de eerste zes maanden van hun verblijf twee opeenvolgende attesten van immatriculatie af te geven, in plaats van de verblijfskaart van onderdanen van een Lid-Staat, en voor deze attesten een vergoeding te eisen,
- door aan werknemers in loondienst en seizoenarbeiders waarvan de te verwachten duur van hun werkzaamheden niet meer dan drie maanden beloopt, een document betreffende hun verblijf af te geven, en voor dit document een vergoeding te eisen,
de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 48 EG-Verdrag en richtlijn 68/360/EEG van de Raad van 15 oktober 1968 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der Lid-Staten en van hun familie binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 13),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident (rapporteur), C. N. Kakouris, G. Hirsch, H. Ragnemalm en R. Schintgen, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 november 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 oktober 1995, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag beroep ingesteld, strekkende tot de vaststelling, dat het Koninkrijk België,
- door onderdanen van andere Lid-Staten die in België werk zoeken, te verplichten het grondgebied na een termijn van drie maanden te verlaten,
- door aan werknemers die arbeid in loondienst verrichten waarvan de duur minstens een jaar bedraagt, gedurende de eerste zes maanden van hun verblijf twee opeenvolgende attesten van immatriculatie af te geven, in plaats van de verblijfskaart van onderdanen van een Lid-Staat en voor deze attesten een vergoeding te eisen,
- door aan werknemers in loondienst en seizoenarbeiders waarvan de te verwachten duur van hun werkzaamheden niet meer dan drie maanden beloopt, een document betreffende hun verblijf af te geven, en voor dit document een vergoeding te eisen,
de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 48 EG-Verdrag en richtlijn 68/360/EEG van de Raad van 15 oktober 1968 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der Lid-Staten en van hun familie binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 13; hierna: "richtlijn").
2 Het verblijf van gemeenschapsonderdanen en hun familieleden die naar België gaan om er arbeid in loondienst te verrichten, is geregeld bij de wet van 15 december 1980 (zoals gewijzigd bij de wet van 6 mei 1993, Belgisch Staatsblad van 21 mei 1993), waaraan uitvoering is gegeven door het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 (Belgisch Staatsblad van 27 oktober 1981) betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: "koninklijk besluit").
3 Artikel 45 van dit koninklijk besluit regelt de procedure voor de afgifte van verblijfskaarten aan de onderdanen van andere Lid-Staten die gedurende minstens een jaar in België arbeid in loondienst of anders dan in loondienst willen uitoefenen. Artikel 45, § 1, luidt als volgt:
"De EG-vreemdeling die naar België komt om er een werkzaamheid in loondienst of anders dan in loondienst uit te oefenen waarvan de te verwachten duur minstens een jaar bedraagt, wordt na inzage van de documenten die vereist zijn voor zijn binnenkomst, ingeschreven in het vreemdelingenregister en in het bezit gesteld van een attest van immatriculatie (...), geldig drie maand vanaf de datum van afgifte.
Bij zijn inschrijving moet hij een aanvraag tot vestiging (...) indienen.
Voor het einde van de derde maand na de aanvraag moet de EG-vreemdeling hetzij een werkgeversattest (...) overleggen wanneer hij een werkzaamheid in loondienst uitoefent of wil uitoefenen, hetzij de documenten die vereist zijn voor de uitoefening van het beroep wanneer hij een werkzaamheid anders dan in loondienst uitoefent of wil uitoefenen.
Zo nodig, gaat het gemeentebestuur na of de EG-vreemdeling werkelijk een winstgevende werkzaamheid uitoefent; het maakt daarover een verslag op en zendt een exemplaar daarvan aan de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft.
Indien de in lid 3 bedoelde documenten voor de gestelde termijn overgelegd werden, verlengt het gemeentebestuur het attest van immatriculatie voor een nieuwe termijn van drie maanden. In het tegenovergestelde geval geeft het aan de vreemdeling een document af (...)"
4 Artikel 45, § 2, van het koninklijk besluit bepaalt:
"De Minister (...) of zijn gemachtigde beslist zo spoedig mogelijk en uiterlijk zes maanden na de aanvraag tot vestiging over de toekenning of weigering van de vestigingsvergunning, en geeft de nodige onderrichtingen aan het gemeentebestuur.
Indien de Minister (...) of zijn gemachtigde de vestigingsvergunning toekent of indien voor het verstrijken van de zesde maand geen enkele onderrichting is gegeven, schrijft het gemeentebestuur de EG-vreemdeling in het bevolkingsregister in en geeft het hem de verblijfskaart van onderdaan van een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen af.
Indien de Minister (...) of zijn gemachtigde de vestiging weigert, kan hij de vreemdeling bevel geven om het grondgebied te verlaten. Aan de vreemdeling wordt van de beslissing kennis gegeven (...)"
5 Artikel 47 van het koninklijk besluit regelt de situatie van de onderdanen van andere Lid-Staten die in België arbeid in loondienst of anders dan in loondienst willen uitoefenen waarvan de te verwachten duur niet meer dan drie maanden beloopt, met inbegrip van de seizoenarbeiders. Het luidt als volgt:
"De EG-vreemdeling die naar België komt om er een werkzaamheid in loondienst of anders dan in loondienst uit te oefenen waarvan de te verwachten duur drie maanden niet overschrijdt, alsmede de EG-seizoenarbeider die voor maximum drie maanden tewerkgesteld is, ontvangt van het gemeentebestuur, na inzage van de documenten die voor zijn binnenkomst vereist zijn en op overlegging van hetzij een door de werkgever verstrekte verklaring van indienstneming of van tewerkstelling, hetzij de documenten die vereist zijn voor de uitoefening van zijn beroep, een document (...)"
6 Krachtens artikel 49 van het koninklijk besluit zijn de artikelen 45 tot en met 47 van toepassing op de familieleden van de gemeenschapsonderdanen.
7 Voor het overige worden de gemeenten bij artikel 2 van de wet van 14 maart 1968 tot opheffing van de wetten betreffende de verblijfbelasting voor vreemdelingen, gecooerdineerd op 12 oktober 1953 (Belgisch Staatsblad van 5 april 1968), gemachtigd tot het innen van retributies om hun administratieve kosten van afgifte, vernieuwing, vervanging of verlenging van de verblijfsdocumenten te dekken. Deze bepaling zegt uitdrukkelijk, dat deze retributies gelijk zijn aan die welke van de Belgische onderdanen voor de afgifte van identiteitskaarten worden gevorderd.
8 Ten slotte herinnert een ministeriële omzendbrief van 24 april 1989 betreffende de belasting op het afleveren van administratieve stukken aan vreemdelingen (Belgisch Staatsblad van 23 mei 1989), de gemeentebesturen aan het beginsel van non-discriminatie op dit gebied.
9 De Commissie stelde de Belgische regering bij brief van 3 augustus 1993 in gebreke, omdat deze niet overeenkomstig artikel 169 van het Verdrag haar opmerkingen over de verenigbaarheid van deze regeling met het gemeenschapsrecht had gemaakt.
10 Aangezien deze brief onbeantwoord bleef, zond de Commissie de Belgische regering op 4 augustus 1994 een met redenen omkleed advies, waarbij zij haar verzocht de nodige maatregelen te treffen om zich binnen twee maanden na de betekening van het advies naar het gemeenschapsrecht te voegen.
11 In een schrijven van 12 augustus 1994 erkende de Belgische regering, dat de regeling, wat de werkzoekenden betreft, niet in overeenstemming was met de communautaire verplichtingen en deelde zij mee, voornemens te zijn deze te wijzigen. Daarentegen betwistte de regering in eerste instantie het standpunt van de Commissie met betrekking tot de tweede en de derde grief. In twee latere brieven van 9 november 1994 en 18 april 1995 erkende zij evenwel, dat een aanpassing van de regeling eveneens op deze punten nodig zou zijn. Aangezien geen enkele maatregel werd getroffen, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
De eerste grief, betreffende de verplichting om na een termijn van drie maanden het grondgebied te verlaten
12 Met deze eerste grief betoogt de Commissie, dat artikel 45 van het koninklijk besluit, dat bepaalt dat een gemeenschapsonderdaan die na een periode van drie maanden volgend op zijn aanvraag tot vestiging geen werk heeft gevonden en het gemeentebestuur geen attest heeft overgelegd, waarin wordt vastgesteld dat hij arbeid in loondienst uitoefent, automatisch het bevel krijgt het grondgebied te verlaten, kennelijk indruist tegen artikel 48 van het Verdrag, zoals dat door het Hof is uitgelegd in zijn arrest van 26 februari 1991 (zaak C-292/89, Antonissen, Jurispr. 1991, blz. I-745).
13 De Belgische regering betwist deze grief niet en verklaart, dat zij van plan is het koninklijk besluit te wijzigen om het verblijf van werkzoekenden te kunnen verlengen onder de door het Hof in het arrest Antonissen vastgestelde voorwaarden.
14 In de eerste plaats dient eraan te worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het beginsel van het vrije verkeer van werknemers, neergelegd in artikel 48, leden 1 tot en met 3, tot de grondslagen van de Gemeenschap behoort, zodat de bepalingen waarin deze vrijheid verankerd ligt, ruim moeten worden uitgelegd (zie onder meer arrest Antonissen, reeds aangehaald, r.o. 11).
15 Bovendien heeft het Hof in rechtsoverweging 13 van het arrest Antonissen verklaard, dat het vrije verkeer van werknemers impliceert, dat de onderdanen van de Lid-Staten het recht hebben om zich binnen het grondgebied van de andere Lid-Staten vrij te verplaatsen en daar te verblijven teneinde er werk te zoeken.
16 Dienaangaande dient vervolgens te worden beklemtoond, dat het nuttig effect van artikel 48 gewaarborgd is zolang het gemeenschapsrecht of, bij gebreke daarvan, de wettelijke regeling van een Lid-Staat de belanghebbenden een redelijke termijn laat om zich op het grondgebied van die Lid-Staat op de hoogte te stellen van de werkaanbiedingen die bij hun beroepskwalificatie passen, en om in voorkomend geval het nodige te doen om te worden aangeworven (zie arrest Antonissen, reeds aangehaald, r.o. 16).
17 Ten slotte zij opgemerkt, dat de Lid-Staten bij gebreke van een communautaire bepaling die een termijn stelt voor het verblijf van gemeenschapsonderdanen die werk zoeken, te dien einde een redelijke termijn mogen vaststellen. Wanneer de belanghebbende evenwel na afloop van die termijn aantoont dat hij nog steeds werk zoekt en een reële kans heeft het te vinden, mag hij niet worden gedwongen de Lid-Staat van ontvangst te verlaten (zie arrest Antonissen, reeds aangehaald, r.o. 21).
18 Gelet op het voorgaande volstaat het vast te stellen, dat de Belgische regeling in strijd is met het gemeenschapsrecht, waar zij de onderdanen van de andere Lid-Staten die werk zoeken, na afloop van de toegestane termijn automatisch verplicht om het grondgebied te verlaten.
19 De grief die de Commissie dienaangaande heeft geformuleerd, is derhalve gegrond.
De tweede grief, betreffende het stelsel van het attest van immatriculatie
20 Met de tweede grief betoogt de Commissie, dat de richtlijn niet voorziet in de afgifte van een ander document dan de verblijfskaart, en dat de autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst volgens artikel 4 van de richtlijn gehouden zijn een verblijfskaart af te geven aan de werknemer die de door deze bepaling vereiste documenten overlegt. Op grond van deze overwegingen is de Commissie van oordeel, dat het koninklijk besluit indruist tegen het gemeenschapsrecht. Aangezien bovendien van een gemeenschapsonderdaan een vergoeding kan worden geëist bij de afgifte en bij iedere vernieuwing van het attest van immatriculatie, zou deze regeling niet in overeenstemming zijn met het in artikel 9, lid 1, van de richtlijn neergelegde beginsel van non-discriminatie inzake de kosten.
21 De Belgische regering voert in de eerste plaats aan, dat zij voornemens is het koninklijk besluit te wijzigen om te voorzien in de afgifte van één enkel attest van immatriculatie, en in de tweede plaats, dat een tot de gemeenten gerichte circulaire wordt opgesteld, om hen duidelijk te maken, dat het totaalbedrag van de rechten en kosten betreffende de procedure van afgifte van de verblijfskaart niet hoger mag zijn dan het bedrag dat voor de afgifte van een identiteitskaart aan Belgische onderdanen wordt verlangd.
22 Volgens de rechtspraak van het Hof houdt artikel 4 van de richtlijn voor de Lid-Staten de verplichting in, de verblijfsvergunning af te geven aan iedere werknemer die door passende documenten - te weten het document op vertoon waarvan hij hun grondgebied heeft betreden en een door de werkgever verstrekte verklaring van indienstneming of tewerkstelling - bewijst, dat hij tot een van de in artikel 1 van de richtlijn genoemde categorieën behoort (zie arrest van 8 april 1976, zaak 48/75, Royer, Jurispr. 1976, blz. 497, r.o. 37).
23 Dienaangaande zij opgemerkt, dat het Belgische stelsel van attesten van immatriculatie er geen rekening mee houdt, of een werknemer uit een andere Lid-Staat reeds bij de indiening van zijn eerste verzoek om afgifte van een verblijfsvergunning alle door de richtlijn vereiste documenten overlegt. Bovendien kan volgens dit stelsel een termijn van zes maanden verstrijken vóór de afgifte van de verblijfskaart.
24 Zoals de advocaat-generaal in punt 11 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zijn de vorm en de daarmee gepaard gaande duur van de procedure tot aan de afgifte van de verblijfskaart te zwaar en te lang, zodat zij een feitelijke belemmering van het vrije verkeer van werknemers vormen, hetgeen in strijd is met artikel 48 van het Verdrag.
25 Wat de regeling inzake de betaling van rechten voor de afgifte van de attesten betreft, uit artikel 9, lid 1, van de richtlijn blijkt duidelijk, dat de aan de gemeenschapsonderdanen verleende verblijfsdocumenten kosteloos of tegen betaling van een bedrag dat de rechten en kosten voor de afgifte van identiteitskaarten aan eigen onderdanen niet te boven gaat, worden afgegeven en vernieuwd.
26 Gezien de wijze waarop de afgifte van de attesten van immatriculatie is geregeld, moet een gemeenschapsonderdaan verschillende administratieve stadia doorlopen voordat hij een definitief document krijgt, en wordt in ieder stadium van hem een recht geheven. Weliswaar is elk recht, op zich beschouwd, niet hoger dan het bedrag dat verschuldigd is voor de afgifte van een identiteitskaart aan de eigen onderdanen, doch het totaalbedrag is hoger dan dit bedrag, hetgeen een schending van artikel 9, lid 1, van de richtlijn oplevert.
27 Derhalve is de grief die de Commissie dienaangaande heeft geformuleerd, gegrond.
De derde grief, betreffende de attesten die worden afgegeven aan werknemers wier verblijf minder dan drie maanden bedraagt
28 Met de derde grief betoogt de Commissie, dat de afgifte van een document voor het verblijf van een werknemer van een andere Lid-Staat die naar België gaat om er arbeid in loondienst te verrichten waarvan de duur niet meer dan drie maanden beloopt, en voor het verblijf van een seizoenarbeider, voor hen een administratieve en geldelijke belemmering vormt, zodat zij in strijd is met artikel 8, lid 1, van de richtlijn, dat niet voorziet in de afgifte van een dergelijk document.
29 De Belgische regering verklaart, dat zij voornemens is de verplichting tot het overleggen van een door de werkgever verstrekte verklaring van indienstneming of tewerkstelling in te trekken voor de seizoenarbeiders en de gemeenschapsonderdanen die in België arbeid in loondienst willen uitoefenen, waarvan de te verwachten duur niet meer dan drie maanden beloopt.
30 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat artikel 8, lid 1, sub a, van de richtlijn bepaalt, dat de Lid-Staten het recht van verblijf toekennen aan de werknemer die arbeid in loondienst verricht waarvan de te verwachten duur niet meer dan drie maanden beloopt, zonder dat een verblijfskaart wordt afgegeven, waarbij zijn verblijf wordt gewettigd door het document op vertoon waarvan hij het grondgebied heeft betreden en een verklaring van de werkgever waarin de te verwachten tijd van tewerkstelling is vermeld. Krachtens artikel 8, lid 1, sub c, van de richtlijn heeft de seizoenarbeider het recht van verblijf, wanneer hij houder is van een arbeidsovereenkomst, gewaarmerkt door de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat op welks grondgebied hij zijn arbeid komt verrichten.
31 Hoewel artikel 8, lid 2, van de richtlijn bepaalt, dat de bevoegde autoriteiten van de ontvangende staat aan de werknemer de verplichting kunnen opleggen zijn aanwezigheid te melden, blijkt uit het voorgaande, dat al wat verder gaat dan een dergelijke verklaring en het karakter van een toelating of een verblijfskaart heeft, tegen de richtlijn indruist.
32 Bovendien vormt het vereiste van de betaling van een heffing voor de afgifte van een dergelijke verklaring een geldelijke belemmering van het verkeer van deze werknemers, wat eveneens in strijd is met de gemeenschapsbepalingen.
33 Derhalve is de grief die de Commissie dienaangaande heeft geformuleerd, gegrond.
34 Bijgevolg dient te worden geconcludeerd, dat het Koninkrijk België,
- door onderdanen van andere Lid-Staten die in België werk zoeken, te verplichten het grondgebied na een termijn van drie maanden te verlaten,
- door aan werknemers die arbeid in loondienst verrichten waarvan de duur minstens een jaar bedraagt, gedurende de eerste zes maanden van hun verblijf twee opeenvolgende attesten van immatriculatie af te geven in plaats van de verblijfskaart van onderdanen van een Lid-Staat, en voor deze attesten een vergoeding te eisen,
- door aan werknemers in loondienst en seizoenarbeiders, waarvan de te verwachten duur van hun werkzaamheden niet meer dan drie maanden beloopt, een document betreffende hun verblijf af te geven, en voor dit document een vergoeding te eisen,
de krachtens artikel 48 EG-Verdrag en de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
35 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) - Door onderdanen van andere Lid-Staten die in België werk zoeken, te verplichten het grondgebied na een termijn van drie maanden te verlaten,
- door aan werknemers die arbeid in loondienst verrichten waarvan de duur minstens een jaar bedraagt, gedurende de eerste zes maanden van hun verblijf twee opeenvolgende attesten van immatriculatie af te geven in plaats van de verblijfskaart van onderdanen van een Lid-Staat, en voor deze attesten een vergoeding te eisen,
- door aan werknemers in loondienst en seizoenarbeiders waarvan de te verwachten duur van hun werkzaamheden niet meer dan drie maanden beloopt, een document betreffende hun verblijf af te geven, en voor dit document een vergoeding te eisen,
is het Koninkrijk België de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 48 EG-Verdrag en richtlijn 68/360/EEG van de Raad van 15 oktober 1968 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der Lid-Staten en van hun familie binnen de Gemeenschap.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy