Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Steunmaatregelen van de staten - Begrip - Van overheidswege bepaalde financiële voorwaarden voor medewerking die met beheer van weddenschappen op paardenrennen in Lid-Staat belast orgaan bij aannemen van inzetten verleent aan overeenkomstig orgaan in andere Lid-Staat - Geen voordeel voor begunstigde - Daarvan uitgesloten
(EG-Verdrag, art. 92, lid 1)
Samenvatting
Een maatregel kan niet als staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag worden aangemerkt, wanneer hij de zogenoemde begunstigde geen enkel voordeel heeft opgeleverd.
Aangezien de weddenschappen op Belgische paardenrennen niet identiek zijn aan die op Franse paardenrennen, kan het bestaan van een voordeel in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag niet automatisch worden afgeleid uit het feit dat zij verschillend worden behandeld.
Wat dit aangaat, worden totalisatorweddenschappen gekenmerkt door het feit dat de inzetten een gemeenschappelijk bedrag vormen, dat na verschillende inhoudingen gelijkelijk over de winnaars wordt verdeeld, ongeacht de oorsprong van de weddenschappen, hetgeen inhoudt dat het aan de winnaars voorbehouden gedeelte van de inzetten niet kan variëren naar gelang van de staten waar de weddenschappen worden aangegaan. De goede werking van een dergelijk systeem kan slechts worden verzekerd, indien de inhoudingen die op het bedrag van de inzetten van de weddenschappen op een bepaalde wedren kunnen worden toegepast, geschiedt tegen het tarief van de staat waar de wedren plaatsvindt.
Verder is het systeem van wettelijke en fiscale inhoudingen op de in een Lid-Staat georganiseerde weddenschappen op paardenrennen vastgesteld met inachtneming van de reglementaire en economische specifieke kenmerken van de paardenrennen en de totalisatorweddenschappen in die Lid-Staat. Niet kan worden verlangd, dat dit systeem overeenkomstig wordt toegepast voor de totalisatorweddenschappen op de paardenrennen in een andere Lid-Staat, die in een ander reglementair en economisch kader worden georganiseerd.
Partijen
In zaak C-353/95 P,
Tiercé Ladbroke SA, vennootschap naar Belgisch recht, vertegenwoordigd door J. Lever, QC, C. Vajda, Barrister, en S. Kon, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Winandy en Err, advocaten aldaar, Avenue Gaston Diderich 60,
rekwirante,
betreffende een hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Eerste kamer - uitgebreid) van 18 september 1995 in zaak T-471/93 (Tiercé Ladbroke/Commissie, Jurispr. 1995, blz. II-2537), en strekkende tot vernietiging van dat arrest, andere partij bij de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. White, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
ondersteund door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door J.-F. Dobelle, adjunct-directeur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, C. de Salins, onderdirecteur bij deze directie, en J.-M. Belorgey, chargé de mission bij deze directie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard Joseph II 8B,
interveniënte,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. Gulmann, H. Ragnemalm en R. Schintgen, kamerpresidenten, G. F. Mancini, P. J. G. Kapteyn (rapporteur), J. L. Murray, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet, G. Hirsch en P. Jann, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 21 januari 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 mei 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 17 november 1995, heeft Tiercé Ladbroke SA (hierna: "Ladbroke") krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 18 september 1995 (in zaak T-471/93 (Tiercé Ladbroke/Commissie, Jurispr. 1995, blz. II-253; hierna: "bestreden arrest"), waarbij het Gerecht het beroep van Ladbroke tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie, vervat in haar brief van 18 januari 1993, houdende afwijzing van een klacht (IV/34.013) van Ladbroke krachtens de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag (hierna: "litigieuze beschikking"), heeft afgewezen.
2 Blijkens het bestreden arrest heeft de Franse Pari mutuel urbain (hierna: "PMU"), een economisch samenwerkingsverband van de belangrijkste "sociétés de courses" in Frankrijk, dat exclusieve rechten geniet voor de organisatie in Frankrijk van weddenschappen buiten de renbaan op paardenrennen, voor het aangaan van weddenschappen in het buitenland op paardenrennen in Frankrijk en voor in Frankrijk aangegane weddenschappen op paardenrennen in het buitenland, met de Belgische Pari mutuel unifié, een vereniging zonder winstoogmerk, en haar auxiliaire coöperatieve vennootschap PMU (hierna tezamen: "PMU België"), die zijn opgericht door de elf Belgische organisatoren van harddraverijen en paardenrennen, een overeenkomst gesloten krachtens welke PMU namens PMU België in Frankrijk weddenschappen mag aangaan op Belgische paardenrennen (hierna: "overeenkomst") (r.o. 1-3 van het bestreden arrest).
3 De overeenkomst is gesloten in het kader van de Franse wettelijke regeling, waaronder wet nr. 64-1279 van 23 december 1964 houdende de begrotingswet voor 1965 (hierna: "wet nr. 64-1279"), waarvan artikel 15, lid 3, bepaalt, dat vennootschappen met vergunning om totalisatorweddenschappen te organiseren buiten de renbanen, kunnen worden gemachtigd weddenschappen aan te nemen die in Frankrijk worden afgesloten op buitenlandse paardenrennen, mits de genoteerde weddenschappen worden gecentraliseerd en in de verdeling opgenomen in rechtstreekse verbinding met het orgaan of de organen belast met het beheer van totalisatorweddenschappen in het betrokken land. Volgens deze bepaling zijn de aldus geplaatste weddenschappen onderworpen aan de wettelijke en fiscale inhoudingen die gelden in het land waar de paardenrennen worden gehouden en wordt de opbrengst van deze inhoudingen verdeeld tussen het land waar de weddenschappen zijn geplaatst en het land waar de paardenrennen worden gehouden. De aldus uitgevoerde verdeling kan een bijzonder deel omvatten ter dekking van de exploitatiekosten (r.o. 4 van het bestreden arrest).
4 Voorts bepaalt decreet nr. 91-118 van 31 januari 1991 betreffende het aannemen van weddenschappen door PMU op in België gehouden paardenrennen (hierna: "decreet nr. 91-118"), dat PMU over het gedeelte van de jaarlijks op de in België gehouden paardenrennen ontvangen inzetten, dat lager is dan 50 miljoen FF, elke maand de opbrengst van het zegelrecht aan de algemene begroting en 0,876 % van het bedrag van de inzetten aan het nationale fonds voor de fokkerij en hippische activiteiten zal betalen. Naast bovengenoemde betalingen komt volgens dit decreet over het gedeelte tussen 50 en 75 miljoen FF aan jaarlijks ontvangen inzetten een derde van de opbrengst van een progressieve aanvullende inhouding (hierna: "PSP") op de winst ten goede aan de algemene begroting en 0,181 % van het bedrag van de inzetten aan het nationale fonds voor de fokkerij en hippische activiteiten. Daarnaast komt over het gedeelte tussen 75 en 100 miljoen FF aan jaarlijks ontvangen inzetten tweederde van de PSP op de winst ten goede aan de algemene begroting en 0,362 % van het bedrag van de inzetten aan het nationale fonds voor de fokkerij en hippische activiteiten. Ten slotte komt over het jaarlijks ontvangen gedeelte boven 100 miljoen FF de volledige opbrengst van de PSP op de winst ten goede aan de algemene begroting en 0,543 % van het bedrag van de inzetten aan het nationale fonds voor de fokkerij en hippische activiteiten (r.o. 5 van het bestreden arrest).
5 In Frankrijk mogen de gecumuleerde bedragen van de verschillende wettelijke en fiscale inhoudingen die op het bedrag van de inzetten van de geplaatste weddenschappen op paardenrennen mogen plaatsvinden, niet hoger zijn dan 30 %, terwijl die inhoudingen in België ingevolge artikel 44, lid 2, sub d, van het koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende algemene regeling van de met inkomstenbelasting gelijkgestelde heffingen, tot ten hoogste 35 % kunnen oplopen (r.o. 6 en 7 van het bestreden arrest).
6 In het kader van deze wettelijke regeling bepaalde de overeenkomst dat de inhouding op de opbrengst van de in Frankrijk op Belgische paardenrennen afgesloten weddenschappen ingevolge de bepalingen van zowel de Franse als de Belgische wettelijke regeling ten belope van 35 % wordt verdeeld volgens een systeem dat rekening houdt met de behaalde omzet. Daartoe voorziet deze overeenkomst in vier schijven. De eerste schijf bestrijkt een omzet lager dan 50 miljoen FF; de Franse openbare bestemmingen ontvangen 6,386 % van de inhouding en het Belgische deel bedraagt 23,114 %. De tweede schijf omvat een omzet tussen 50 en 75 miljoen FF; het Franse deel bedraagt 10,817 % en het Belgische 16,183 %. De derde schijf omvat een omzet tussen 75 en 100 miljoen FF; het Franse deel bedraagt 15,238 % en het Belgische 9,762 %. Voor een omzet boven 100 miljoen FF ten slotte bedraagt het Belgische deel slechts 5,602 % en het Franse deel 19,169 % (r.o. 8 van het bestreden arrest).
7 Op 12 juli 1991 diende Ladbroke, waarvan de activiteit bestaat uit het aangaan van weddenschappen in België op in het buitenland gelopen paardenrennen volgens het bookmakingsysteem, tegen PMU, PMU België en de Franse Republiek een klacht in bij de Commissie krachtens onder meer de artikelen 92 en 93 van het Verdrag. In die klacht werd de Commissie verzocht, vast te stellen dat de overeenkomst tot gevolg had, dat Frankrijk aan PMU België onwettige staatssteun verleende die niet was aangemeld (r.o. 9 van het bestreden arrest).
8 In haar klacht beklemtoonde Ladbroke, dat volgens de overeenkomst de in Frankrijk aangegane weddenschappen op dezelfde manier worden geplaatst en beheerd als de weddenschappen op Franse paardenrennen, die deel uitmaken van het Franse systeem en volgens het totalisatiesysteem van PMU met de middelen en de technologie van laatstgenoemde worden gecentraliseerd. Vervolgens worden de inzetten van de in Frankrijk aangegane weddenschappen op Belgische paardenrennen volgens haar omgezet van het Franse naar het Belgische totalisatiesysteem en wordt daarop een inhouding van 35 % toegepast, overeenkomstig de Belgische wettelijke regeling. Van deze inhouding van 35 % wordt een bedrag, overeenkomend met 26 %, aan PMU België gelaten en het restant van 9 % naar het Franse systeem teruggevoerd, waarvan ongeveer 4 % toekomt aan de Franse Staat en ongeveer 5 % aan de Franse "sociétés de courses". Van de inzetten van de in Frankrijk aangegane weddenschappen op Franse paardenrennen gaat daarentegen van de inhouding van ongeveer 30 % 18 % naar de Franse Staat en 10 % naar de "sociétés de courses" (r.o. 10 van het bestreden arrest).
9 Ladbroke stelde, dat het feit dat de Franse Staat, PMU en de "sociétés de courses" slechts 9 % van de inhouding op de inzetten van de weddenschappen op Belgische paardenrennen ontvangen en niet 28 %, zoals het geval is bij de inhouding op de inzetten van de weddenschappen op Franse paardenrennen, een fiscale behandeling is die, waar zij een belasting voor de Franse Staat en een voordeel voor de begunstigde PMU België inhoudt, een onwettige staatssteun aan laatstgenoemde oplevert (r.o. 11 van het bestreden arrest).
10 Bij de litigieuze beschikking wees de Commissie de klacht van Ladbroke betreffende de gestelde verlening van staatssteun af om de volgende redenen:
- de inhouding op de opbrengst van de weddenschappen op Belgische paardenrennen kan niet als belasting worden aangemerkt, omdat zij zelf is onderworpen aan overheidsheffingen van fiscale aard en in Frankrijk evenals in België varieert op grond van verschillende factoren (r.o. 14 van het bestreden arrest);
- na aftrek van de "uitsluitend Franse" bijdragen, ongeveer 5 %, bedraagt de Franse overheidsheffing van 18 %, die geldt voor de inhouding van 30 % op de inzetten van weddenschappen op Franse paardenrennen, minder dan 13 % en komt zij zodoende dicht bij de Franse overheidsheffing van 6,4 % die thans rust op de inhouding van 35 % die geldt voor de opbrengst van de in Frankrijk op Belgische paardenrennen aangegane weddenschappen (r.o. 15 van het bestreden arrest);
- het aan PMU België toekomende deel van de inhouding is in cijfers bijna gelijk, ongeacht of de weddenschappen in Frankrijk of in België worden geplaatst (r.o. 16 van het bestreden arrest);
- de overeenkomst lijkt, in haar geheel bezien, enkel in het beginstadium voordelig voor PMU België, aangezien haar aandeel in de inhouding op de omzetschijven met hogere bedragen afneemt (r.o. 17 van het bestreden arrest).
11 Teneinde rekening te kunnen houden met alle nieuwe feiten en met de mogelijkheid dat de overeenkomst in de komende jaren in verdere stadia dan het beginstadium wordt toegepast, heeft de Commissie zich evenwel het recht voorbehouden, de overeenkomst na vier jaar opnieuw te onderzoeken, en heeft zij de Franse autoriteiten verzocht, haar jaarlijks een verslag over de uitvoering van de overeenkomst te doen toekomen (r.o. 18 van het bestreden arrest).
12 In het bestreden arrest heeft het Gerecht, in de rechtsoverwegingen 58 tot en met 63, het beroep tegen de litigieuze beschikking afgewezen omdat het in wezen van oordeel was, dat de Commissie zich voor haar conclusie dat er geen sprake was van een voordeel dat een staatsteun aan PMU België opleverde, mocht baseren op een vergelijking tussen de door PMU België in Frankrijk en België behaalde recettes.
13 In rechtsoverweging 68 gaf het Gerecht niettemin te kennen, dat de motivering van de litigieuze beschikking niet van dien aard was, dat Ladbroke geen enkele twijfel kon koesteren omtrent de gegrondheid van de weigering van de Commissie om het bestaan van een financieel voordeel voor PMU België te erkennen, en van de afwijzing van haar klacht, zodat de Commissie moest worden geacht, gedeeltelijk te hebben bijgedragen tot de instelling van het beroep in eerste aanleg. Mitsdien zijn partijen, alsook de Franse Republiek, interveniente, elk in hun eigen kosten verwezen.
14 Ter terechtzitting heeft de Franse regering het Hof meegedeeld, dat vooral wegens onvoldoende inzetten de overeenkomst per 1 oktober 1996 niet meer werd uitgevoerd.
15 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding wordt verwezen naar de rechtsoverwegingen 1 tot en met 18 van het bestreden arrest.
16 In hogere voorziening verzoekt Ladbroke het Hof:
1) de hogere voorziening toe te wijzen en het bestreden arrest te vernietigen;
2) de litigieuze beschikking nietig te verklaren, en
3) de Commissie in de procedure zowel voor het Gerecht als voor het Hof in de kosten te verwijzen.
17 De Commissie concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en tot verwijzing van Ladbroke in de kosten.
18 De Franse Republiek concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening.
19 Tot staving van haar hogere voorziening stelt Ladbroke schending van het recht, doordat het Gerecht de door haar voorgedragen argumenten omtrent de redenen waarom de overeenkomst een staatssteun in de zin van artikel 92 van het Verdrag inhoudt niet uitdrukkelijk heeft behandeld, door ten onrechte aan te nemen dat de overeenkomst PMU België geen enkel voordeel toekende.
20 De vier onderdelen van dit middel betreffen de redenering van het Gerecht in achtereenvolgens de rechtsoverwegingen 58, 59, 60 en 62 van het bestreden arrest.
21 Allereerst kritiseert Ladbroke de redenering in rechtsoverweging 58 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht in wezen stelt, dat de opening van de Franse markt voor weddenschappen op paardenrennen, waardoor PMU België via PMU toegang verkreeg tot de Franse wedders, een keuze is die de Franse wetgever heeft gemaakt, die op zich niet met een beroep op artikel 92, lid 1, van het Verdrag ter discussie kan worden gesteld op de enkele grond dat deze overeenkomst tot een toeneming van de recettes van PMU België kan leiden.
22 Ladbroke erkent weliswaar dat de omstandigheid dat een Lid-Staat aan een onderneming van een andere Lid-Staat toegang tot zijn nationale markt verleent, als zodanig geen staatssteun inhoudt, doch zij is van mening dat dit anders ligt indien de recettes die de opening van de markt voor deze onderneming oplevert, rechtstreeks van deze Lid-Staat afkomstig zijn of voortvloeien uit een door deze staat gelaste overmaking van gelden. In dergelijke gevallen moet worden aangenomen dat deze recettes steunmaatregelen van de staat of uit staatsmidddelen bekostigde steunmaatregelen zijn in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag, tenzij wordt aangetoond, dat zij een normale betaling vormen voor diensten van de buitenlandse onderneming aan de staat of aan degene die de gelden overmaakt.
23 Volgens Ladbroke had het Gerecht dus moeten onderzoeken, of de Franse recettes van PMU België, zoals zij stelde, van de staat of uit staatsmiddelen afkomstig zijn, zoals zij stelde via een verplichte inhouding krachtens de regels van Frans publiekrecht en door een systeem van door de Franse Republiek gelaste overmaking van gelden. Bij een bevestigend antwoord had het Gerecht vervolgens moeten onderzoeken, welk gedeelte van deze recettes eventueel als een redelijke tegenprestatie voor de diensten van PMU België aan PMU kon worden aangemerkt.
24 Artikel 92 van het Verdrag bepaalt: "Behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloedt."
25 Om te kunnen spreken van staatssteun in de zin van deze bepaling, moet er dus enerzijds een steun zijn die bepaalde ondernemingen of bepaalde producties begunstigt, en moet anderzijds dit voordeel van de staat of uit staatsmiddelen afkomstig zijn.
26 Voor zover de motivering van de litigieuze beschikking betreffende het ontbreken van een voordeel voor PMU België correct was, heeft het Gerecht dus terecht geoordeeld, dat deze reden op zich reeds volstond om de klacht af te wijzen, zodat het niet behoefde in te gaan op Ladbroke's betoog dat de Franse recettes van PMU België afkomstig zijn uit een verplichte inhouding krachtens de regels van Frans publiekrecht.
27 Derhalve moet worden onderzocht, of het Gerecht de motivering van de litigieuze beschikking betreffende het ontbreken van begunstiging van PMU België terecht heeft bevestigd.
28 Dienaangaande betwist Ladbroke de redenering in de rechtsoverwegingen 59 tot en met 63 van het bestreden arrest, waarin de motivering van de litigieuze beschikking, volgens welke PMU België niet wordt begunstigd omdat de recettes die zij krachtens de overeenkomst uit in Frankrijk aangegane weddenschappen behaalt, even hoog zijn als de recettes die zij zou behalen indien de weddenschappen op Belgische paardenrennen rechtstreeks door haar werden afgesloten, niet door het Gerecht is gelaakt.
29 In de rechtsoverwegingen 60 en 62 van het bestreden arrest heeft het Gerecht met name verklaard, dat een vergelijking van de recettes van PMU België in Frankrijk met de recettes op weddenschappen op Belgische paardenrennen het geschikte criterium is om te bepalen of PMU België al dan niet een voordeel in de zin van artikel 92 heeft genoten, aangezien de weddenschappen op paardenrennen in het buitenland volgens de algemene regel van artikel 15, lid 3, van wet nr. 64-1279 zijn onderworpen aan de wettelijke en fiscale inhoudingen die gelden in het land waar deze paardenrennen worden georganiseerd. Volgens het Gerecht is de behandeling in Frankrijk van de inhouding op weddenschappen op Belgische paardenrennen, waardoor PMU België een deel van die inhouding verkrijgt dat vergelijkbaar is met het deel dat haar toekomt uit hoofde van de wettelijke en fiscale heffingen in België, derhalve geen uitzondering op het algemene systeem, doch past zij in dit systeem.
30 Volgens Ladbroke daarentegen hadden de inhoudingen op in Frankrijk geplaatste weddenschappen op niet-Franse paardenrennen moeten worden vergeleken met de inhoudingen op in Frankrijk geplaatste weddenschappen op Franse paardenrennen. Wanneer een Lid-Staat jurisdictie claimt over een bijzondere economische activiteit (in de vorm van belastingheffing of de inning van heffingen), moet hij namelijk al dergelijke economische activiteiten gelijk behandelen. Het algemene systeem van wettelijke en fiscale inhoudingen voor het plaatsen van weddenschappen in Frankrijk moet dus, anders dan het Gerecht oordeelde, het systeem voor in Frankrijk geplaatste weddenschappen zijn en niet het systeem uit hoofde van de bepalingen van artikel 15, lid 3, van wet nr. 64-1279, dat bovendien enkel aan PMU België ten goede komt.
31 Het is zeker juist, dat een vergelijking van de recettes van PMU België in Frankrijk met de recettes welke zij zou hebben behaald indien dezelfde weddenschappen in België waren afgesloten, op zichzelf nog niet de conclusie rechtvaardigt dat PMU België niet is begunstigd.
32 In de rechtsoverwegingen 61 tot en met 63 van het bestreden arrest heeft het Gerecht evenwel ook Ladbroke's argument onderzocht, dat de inhouding op de Belgische paardenrennen op dezelfde manier moest worden behandeld als de inhouding op de inzetten van de weddenschappen op Franse paardenrennen, die aan PMU toekomt.
33 Ladbroke's redenering houdt evenwel geen rekening met het specifieke karakter van de weddenschappen op de Belgische paardenrennen en met hetgeen deze onderscheidt van de weddenschappen op de Franse paardenrennen. Wanneer de twee categorieën van weddenschappen niet identiek zijn, kan het bestaan van een voordeel in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag niet automatisch worden afgeleid uit het feit dat zij verschillend worden behandeld.
34 Totalisatorweddenschappen worden gekenmerkt door het feit dat de inzetten een gemeenschappelijk bedrag vormen, dat na verschillende inhoudingen gelijkelijk over de winnaars wordt verdeeld, ongeacht de oorsprong van de weddenschappen, hetgeen inhoudt dat het aan de winnaars voorbehouden gedeelte van de inzetten niet kan variëren naar gelang van de staten waar de weddenschappen worden aangegaan. De goede werking van een dergelijk systeem kan dus slechts worden verzekerd, indien de inhoudingen die op het bedrag van de inzetten van de weddenschappen op een bepaalde wedren kunnen worden toegepast, geschiedt tegen het tarief van de staat waar de wedren plaatsvindt.
35 Verder is het systeem van wettelijke en fiscale inhoudingen op de weddenschappen op de Franse paardenrennen vastgesteld met inachtneming van de reglementaire en economische specifieke kenmerken van de paardenrennen en de totalisatorweddenschappen in Frankrijk. Niet kan worden verlangd, dat dit systeem overeenkomstig wordt toegepast voor de totalisatorweddenschappen op de Belgische paardenrennen, die in een ander reglementair en economisch kader worden georganiseerd. Aangezien de tarieven van de inhouding in Frankrijk en België verschillen en de toepassing van de Belgische tarieven op de in Frankrijk aangegane weddenschappen worden gerechtvaardigd door de in rechtsoverweging 34 van het onderhavige arrest genoemde redenen die de structuur van het systeem van de totalisatorweddenschappen betreffen, kan deze inhouding in de beide gevallen hoe dan ook niet op precies dezelfde basis over de verschillende bestemmingen worden verdeeld.
36 Onder deze omstandigheden kan de Franse wetgever niet worden verweten, dat hij de weddenschappen op Franse paardenrennen in Frankrijk anders heeft behandeld dan de weddenschappen op buitenlandse paardenrennen, door in artikel 15, lid 3, van wet nr. 64-1279 te bepalen, dat de weddenschappen op paardenrennen in het buitenland zijn onderworpen aan de wettelijke en fiscale inhoudingen die gelden in het land waar deze paardenrennen worden georganiseerd.
37 Derhalve is het Gerecht in rechtsoverweging 63 van het bestreden arrest terecht tot de slotsom gekomen, dat Ladbroke's stelling dat de gunstige behandeling van de inzetten op Belgische paardenrennen, die ten grondslag zou liggen aan het gewraakte voordeel van PMU België, zou moeten worden gelijkgetrokken met de behandeling van de aan PMU toekomende inhouding, niet kan worden aanvaard.
38 Aan deze conclusie wordt overigens niet afgedaan door het feit, dat het algemene systeem voor de weddenschappen op paardenrennen in het buitenland tot dusver niet is toegepast op weddenschappen op in België georganiseerde paardenrennen. Dienaangaande zij opgemerkt, dat artikel 15, lid 3, van wet nr. 64-1279, krachtens hetwelk de "sociétés de courses" die totalisatorweddenschappen buiten de renbanen mogen organiseren, kunnen worden gemachtigd weddenschappen aan te nemen die in Frankrijk worden afgesloten op buitenlandse paardenrennen al lang vóór de vaststelling van decreet nr. 91-118, alsook van de overeenkomst bestond en dat zowel dit decreet als de overeenkomst binnen het bij deze bepaling ingestelde algemene systeem blijft.
39 Mitsdien moet de hogere voorziening worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
40 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Ladbroke in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
41 Ingevolge artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering dragen de Lid-Staten die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten. De Franse Republiek zal dus haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende,
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst Tiercé Ladbroke SA in de kosten.
3) Verstaat dat de Franse Republiek haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy