Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
EGA - Voorzieningsregeling - Verplichting voor Voorzieningsagentschap om afzet van communautaire productie te verzekeren - Geen - Geen onderscheid tussen communautaire productie en ingevoerde productie zowel voor gewone procedure van afweging van vraag en aanbod als voor vereenvoudigde procedure
(EGA-Verdrag, art. 52-76; verordening van Voorzieningsagentschap van Euratom waarbij wordt bepaald op welke wijze vraag en aanbod voor ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen tegen elkaar worden afgewogen, art. 5 bis)
Samenvatting
Het Voorzieningsagentschap van Euratom is opgericht om onder de in hoofdstuk 6 EGA-Verdrag gestelde voorwaarden een regelmatige en billijke erts- en splijtstofvoorziening van alle gebruikers te verzekeren.
Geen bepaling van dat hoofdstuk verplicht evenwel het Agentschap, de afzet van de communautaire ertsproductie te verzekeren. Integendeel, aangezien artikel 60 van het Verdrag, betreffende de procedure van afweging van vraag en aanbod, niet alleen van toepassing is op leveringen herkomstig uit de Gemeenschap, maar overeenkomstig artikel 65 ook op de aanvragen van de gebruikers en op de contracten tussen de gebruikers en het Agentschap betreffende leveringen herkomstig van buiten de Gemeenschap, wordt in het stelsel van centralisatie van het aanbod en van de vraag bij het Agentschap geen enkel onderscheid gemaakt naar gelang van de herkomst van de producten.
De vereenvoudigde procedure van afweging van vraag en aanbod, zoals die is geregeld in artikel 5 bis van de krachtens artikel 60, zesde alinea, van het Verdrag vastgestelde verordening van het Agentschap, is ook van toepassing op de invoer uit derde landen, daar artikel 65 verwijst naar artikel 60 in zijn geheel. Daarenboven druist deze procedure niet in tegen artikel 66 van het Verdrag, daar zij geen afbreuk doet aan het uitsluitend recht van het Agentschap om rechtstreeks contracten te sluiten, aangezien het volgens artikel 5 bis, sub d tot en met g, van de verordening aan het Agentschap staat die te sluiten, hetgeen dit orgaan kan weigeren.
Partijen
In zaak C-357/95 P,
Empresa Nacional de Urânio SA (ENU), vennootschap naar Portugees recht, gevestigd te Urgeiriça, Nelas (Portugal), vertegenwoordigd door J. Mota de Campos en J. L. dos Reis Mota de Campos, advocaten te Lissabon, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J. Calvo Basáran, Boulevard Ernest Feltgen 34,
requirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Tweede kamer - uitgebreid) van 15 september 1995 in de gevoegde zaken T-458/93 en T-523/93 (ENU/Commissie, Jurispr. 1995, blz. II-2459), en strekkende tot vernietiging van dat arrest, andere partij bij de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseurs A. Caeiro en J. Grunwald, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, Centre Wagner, Kirchberg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, G. F. Mancini, J. L. Murray en L. Sevón, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet, G. Hirsch, P. Jann, H. Ragnemalm en M. Wathelet (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Fennelly
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 8 oktober 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 december 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 november 1995, heeft Empresa Nacional de Urânio SA (hierna: "ENU") krachtens artikel 50 van 's Hofs Statuut-EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 15 september 1995 in de gevoegde zaken T-458/93 en T-523/93 (ENU/Commissie, Jurispr. 1995, blz. II-2459; hierna: "bestreden arrest"), waarbij haar beroepen tot nietigverklaring van beschikking 93/428/Euratom van de Commissie van 19 juli 1993 betreffende de toepassing van artikel 53, tweede alinea, van het EGA-Verdrag (PB 1993, L 197, blz. 54; hierna: "litigieuze beschikking"), en tot erkenning van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap ten gevolge van de schending van hoofdstuk 6 EGA-Verdrag, zijn verworpen, en zij in de kosten is verwezen.
2 Volgens artikel 2, sub d, EGA-Verdrag moet de Gemeenschap waken voor een regelmatige en billijke erts- en splijtstofvoorziening van alle gebruikers in de Gemeenschap. De uitvoering van deze verplichting is geregeld in titel II, hoofdstuk 6 (artikelen 52 tot en met 76), waarbij een gemeenschappelijk stelsel voor de voorziening van ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen is ingevoerd.
3 Artikel 52, lid 1, EGA-Verdrag luidt als volgt: "De voorziening van ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen geschiedt (...) volgens het beginsel van gelijke toegang tot de hulpbronnen en door middel van een gemeenschappelijk voorzieningsbeleid." Daarom "is elke handelwijze, welke beoogt aan bepaalde gebruikers een bevoorrechte positie te verschaffen, verboden" (artikel 52, lid 2, sub a).
4 Om dit beleid uit te voeren voorziet artikel 52, lid 2, sub b, EGA-Verdrag in de oprichting van een Voorzieningsagentschap van Euratom (hierna: "Agentschap"), dat rechtspersoonlijkheid en financiële zelfstandigheid bezit (artikel 54 van het Verdrag).
5 Artikel 53 EGA-Verdrag luidt als volgt:
"Het agentschap staat onder toezicht van de Commissie; deze geeft richtlijnen aan het agentschap, heeft het recht van veto over zijn beslissingen en benoemt zijn directeur-generaal, alsmede zijn adjunct-directeur-generaal.
Iedere stilzwijgende of uitdrukkelijke handeling door het agentschap verricht in de uitoefening van zijn optierecht of van zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten, kan door belanghebbenden aan de Commissie worden voorgelegd; de Commissie neemt binnen een maand een beschikking."
6 Om zijn voorzieningsopdracht te volbrengen, beschikt het Agentschap over twee in artikel 52, lid 2, sub b, voorziene middelen rechtens: een optierecht op ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen, voortgebracht op het grondgebied van de Lid-Staten, alsmede het uitsluitend recht om contracten te sluiten voor de levering van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, herkomstig uit landen binnen of buiten de Gemeenschap.
7 Voor de voorziening van grondstoffen als omschreven in artikel 197 EGA-Verdrag en herkomstig uit landen binnen de Gemeenschap, geldt het optierecht van het Agentschap voor de verkrijging van het eigendomsrecht (artikel 57, lid 1, sub b, EGA-Verdrag), welk recht het onder de in artikel 60 van het Verdrag gestelde voorwaarden vervolgens aan de gebruikers kan overdragen.
8 Volgens artikel 57, lid 2, eerste en tweede alinea, van het Verdrag oefent het Agentschap zijn optierecht uit door het sluiten van contracten met de producenten, die in beginsel gehouden zijn de ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen die op het grondgebied van de Lid-Staten worden voortgebracht, aan het Agentschap aan te bieden, alvorens deze ertsen of stoffen worden gebruikt, overgedragen of opgeslagen.
9 Artikel 59, eerste alinea, EGA-Verdrag luidt als volgt:
"Wanneer het agentschap zijn optierecht niet uitoefent ten aanzien van de gehele produktie of een gedeelte daarvan:
a) kan de producent hetzij met eigen middelen, hetzij door middel van contracten voor loonveredeling, de ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen verwerken, onder voorbehoud dat hij het agentschap het produkt van deze verwerking aanbiedt;
b) wordt de producent bij beschikking van de Commissie toestemming verleend om de beschikbare produktie buiten de Gemeenschap te verkopen onder voorbehoud dat geen gunstiger voorwaarden worden bedongen dan bij het eerder gedane aanbod aan het agentschap" (behoudens de bijzondere bepalingen voor bijzondere splijtstoffen).
10 Artikel 60, dat de procedure voor de afweging van vraag en aanbod voor ertsen regelt, luidt als volgt:
"De eventuele gebruikers delen aan het agentschap op gezette tijden hun behoeften aan materialen mede, onder opgave van de hoeveelheden, de natuurkundige en scheikundige aard, de plaatsen van herkomst, het gebruik, de leveringstermijnen en de prijzen, welke de bepalingen en voorwaarden zouden uitmaken van een leveringscontract, waarvan zij de afsluiting wensen.
Eveneens delen de producenten aan het agentschap de aanbiedingen mede, welke zij kunnen doen, met alle specificaties die nodig zijn om hun produktieprogramma's te kunnen opstellen en met name de duur der contracten. Deze duur mag, zonder toestemming van de Commissie, niet langer zijn dan tien jaar.
Het agentschap brengt alle eventuele gebruikers op de hoogte van de aanbiedingen en van de omvang der ontvangen aanvragen en nodigt hen uit binnen een bepaalde termijn bestellingen in te dienen.
Wanneer het agentschap al deze bestellingen ontvangen heeft, deelt het mede, onder welke voorwaarden het aan deze kan voldoen.
Indien het agentschap niet in staat is aan alle ontvangen bestellingen volledig te voldoen, verdeelt het de leveringen naar evenredigheid van de bij elk der aanbiedingen passende bestellingen, behoudens de bepalingen van de artikelen 68 en 69.
Een reglement van het agentschap, dat de goedkeuring van de Commissie behoeft, bepaalt de wijze waarop vraag en aanbod tegen elkaar worden afgewogen."
11 Artikel 61, eerste alinea, EGA-Verdrag luidt als volgt:
"Het agentschap is verplicht aan alle bestellingen te voldoen, tenzij juridische of materiële bezwaren zich daartegen verzetten."
12 De voorziening van ertsen en grondstoffen van buiten de Gemeenschap wordt in hoofdzaak beheerst door artikel 64 EGA-Verdrag, dat het Agentschap het uitsluitend recht verleent, "behoudens de in dit Verdrag bepaalde uitzonderingen, akkoorden of overeenkomsten te sluiten".
13 Naar luid van artikel 65 EGA-Verdrag is de in artikel 60 geregelde procedure van afweging van vraag en aanbod "van toepassing op de aanvragen van de gebruikers en op de contracten tussen de gebruikers en het agentschap, betreffende de levering van ertsen (...) herkomstig van buiten de Gemeenschap" (eerste alinea). "Het agentschap kan echter bepalen, welke de geografische oorsprong van de te leveren goederen zal zijn, voor zover het daardoor aan de gebruiker ten minste even gunstige voorwaarden verzekert als die welke in de bestelling zijn neergelegd" (tweede alinea).
14 Artikel 66, eerste alinea, EGA-Verdrag bevat een algemene uitzondering op het uitsluitend recht van het Agentschap om akkoorden te sluiten:
"Indien de Commissie op verzoek van de betrokken gebruikers vaststelt, dat het agentschap niet in staat is binnen een redelijke termijn het bestelde materiaal geheel of gedeeltelijk te leveren, of dit slechts kan doen tegen onredelijke prijzen, hebben de gebruikers het recht rechtstreeks contracten te sluiten voor leveringen van buiten de Gemeenschap, voor zover deze contracten wezenlijk beantwoorden aan de in hun bestelling tot uiting gebrachte behoeften."
15 Op 5 mei 1960 stelde het Agentschap overeenkomstig artikel 60, zesde alinea, van het Verdrag een verordening vast waarbij de wijze wordt bepaald waarop vraag en aanbod voor ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen tegen elkaar worden afgewogen (PB 1960, blz. 777; hierna: "verordening").
16 De verordening stelt vereenvoudigde procedures voor de afweging van vraag en aanbod voor ertsen in. Artikel 5, eerste alinea, luidt als volgt:
"Indien de Commissie, eventueel op initiatief van het Agentschap dat het advies inwint van het Raadgevend Comité, vaststelt dat voor een bepaald produkt de marktsituatie wordt gekenmerkt door het feit dat het aanbod de vraag aanzienlijk overtreft, kan zij, door middel van daartoe strekkende richtlijnen, het Agentschap verzoeken de (...) vereenvoudigde procedure toe te passen (...)"
17 Volgens deze vereenvoudigde procedure zijn de gebruikers en de producenten gerechtigd om, nadat het Agentschap de algemene voorwaarden heeft vastgesteld waaraan de leveringscontracten moeten voldoen, rechtstreeks te onderhandelen en contracten te tekenen. De contracten worden vervolgens aan het Agentschap meegedeeld en worden geacht door het Agentschap te zijn gesloten, indien het Agentschap binnen acht dagen na de ontvangst van de contracten geen bezwaren aan de betrokkenen heeft kenbaar gemaakt.
18 Deze procedure is evenwel niet van toepassing op leveringscontracten met betrekking tot bijzondere splijtstoffen (artikel 5, laatste alinea).
19 Artikel 5 bis van de verordening, ingevoegd bij verordening van het Agentschap van 15 juli 1975 (PB 1975, L 193, blz. 37), voorziet in een nieuwe vereenvoudigde procedure, die waarborgt dat het Agentschap ten volle kennis heeft van de marktsituatie (sub b), maar de gebruikers machtigt "de producenten van hun keuze rechtstreeks te verzoeken om offerten en met hen leveringscontracten te sluiten" (sub a).
20 Artikel 5 bis, sub d, f en g, van de gewijzigde verordening luidt evenwel als volgt:
"d) ten einde het contract af te sluiten, moet het binnen een termijn van 10 werkdagen aan het agentschap ter ondertekening worden voorgelegd;
f) het agentschap moet binnen een termijn van 10 werkdagen na de ontvangst mededelen of het contract al dan niet wordt afgesloten;
g) een weigering om het contract af te sluiten moet bij een met redenen omkleed besluit ter kennis van de betrokkenen worden gebracht. Overeenkomstig het bepaalde in artikel VIII, lid 3, van de statuten van het Voorzieningsagentschap kan dit besluit aan de Commissie worden voorgelegd".
De feiten
21 In het bestreden arrest (r.o. 1 tot en met 17) stelde het Gerecht het volgende vast:
- ENU is een vennootschap die zich op het Portugese grondgebied bezighoudt met de productie van natuurlijk uraniumconcentraat. In de Gemeenschap is zij met een uraniumproductie van 200 ton per jaar (1,5 % van het in de Gemeenschap gebruikte natuurlijk uranium) een kleine producent, maar door de exploitatie van een nieuwe ertsader te Niza (Portugal) zou zij haar productie kunnen opdrijven.
- Aangezien er in Portugal geen industriële kerncentrales zijn, is ENU gedwongen haar gehele productie uit te voeren. Daartoe had zij een langlopende overeenkomst gesloten met Électricité de France (hierna: "EDF"), die bijna drie vierde van haar uraniumproductie vertegenwoordigde. Ten gevolge van de zeer lage prijzen die bij op de "spotmarkt" gesloten contracten werden berekend, en die niet eens de productiekosten dekten, en van het besluit van EDF om geen lange-termijncontracten meer te sluiten, nam haar uraniumvoorraad toe (tot een geraamde 350 ton in 1990) en kwam zij in financiële moeilijkheden die de voorgenomen exploitatie van de nieuwe ertsader te Niza ernstig in het gedrang brachten.
- Overeenkomstig hoofdstuk 6 van het Verdrag verzocht ENU het Agentschap bij brief van 8 oktober 1987, en opnieuw bij brief van 10 oktober 1988, om uitoefening van het in artikel 57 van het Verdrag bedoelde optierecht op de voorraad van 350 ton uraniumconcentraat. Ook bracht zij haar situatie onder de aandacht van het directoraat-generaal Energie van de Commissie.
- De Commissie antwoordde bij brief van 8 november 1988, waarin zij het belang van het door ENU naar voren gebrachte probleem erkende en stelde, dat daaraan de nodige aandacht zou worden besteed. Zij herhaalde dit standpunt in een brief van 14 november 1988, waarmee zij antwoordde op een verzoek van de staatssecretaris voor Energie van de Portugese regering.
- Nadat met het Agentschap een briefwisseling was gevoerd en een vergadering was gehouden, verzocht ENU bij gebreke van een reactie het Agentschap opnieuw om te handelen in overeenstemming met de verdragsregels. Zij zond een kopie van die brief aan de Commissie en wees erop, dat de afzet van haar voorraad noodzakelijk was voor het overleven van de onderneming. Bij brief van 8 december 1989 deelde het Commissielid Cardoso e Cunha ENU mee, dat hij het standpunt deelde, dat het voorzieningsbeleid van het Agentschap een speciaal onderdeel moest omvatten dat het mogelijk zou maken om gevallen als het onderhavige op te lossen, en dat hij het Agentschap hiertoe om voorstellen had verzocht.
- In antwoord op dat verzoek maakte het Agentschap een "schets voor een praktische oplossing voor het onderdeel $Portugees uranium' van het voorzieningsbeleid ($speciaal onderdeel')" en nam het contact op met de gebruikers in de Gemeenschap om deze ervan te overtuigen, dat zij dienden in te stemmen met het plan (verdeling van het uranium tussen de elektriciteitsmaatschappijen volgens een verdeelsleutel en tegen de kostprijs van de producent, vermeerderd met 10 %, met dien verstande dat wanneer de marktprijs hoger zou zijn, het stelsel geen toepassing meer zou vinden). De pogingen van het Agentschap hadden aanvankelijk geen succes.
- Bij brief van 21 december 1990 verzocht ENU de Commissie formeel, krachtens de artikelen 53, tweede alinea, en 148 EGA-Verdrag het Agentschap op te dragen, het normale functioneren van het stelsel van hoofdstuk 6 te herstellen en het te gelasten het "speciaal onderdeel" te ontwikkelen.
- Toen een stellingname van de Commissie uitbleef, stelde ENU op 3 april 1991 krachtens artikel 148 EGA-Verdrag beroep wegens nalaten in.
- In het arrest van 16 februari 1993 (zaak C-107/91, ENU, Jurispr. 1993, blz. I-599) oordeelde het Hof, dat de Commissie in strijd met artikel 53, tweede alinea, EGA-Verdrag had nagelaten een beschikking te geven op het verzoek van ENU, dat de Commissie het Agentschap zou gelasten zijn optierecht op de Portugese uraniumproductie uit te oefenen.
- Ter uitvoering van dat arrest stelde de Commissie de litigieuze beschikking vast, waarbij zij alle door ENU in haar klacht van 21 december 1990 ingediende verzoeken afwees.
- Bij verzoekschrift van 27 september 1993 verzocht ENU het Gerecht om nietigverklaring van de litigieuze beschikking.
- Inmiddels had ENU op 20 oktober 1992 tevens bij het Hof beroep ingesteld, strekkende tot vergoeding van de schade voortvloeiend uit de gestelde schending van hoofdstuk 6 EGA-Verdrag door de Commissie. Het Hof verwees deze zaak naar het Gerecht krachtens besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 tot wijziging van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1993, L 144, blz. 21).
- Deze beide zaken werden bij beschikking van het Gerecht van 16 december 1994 gevoegd.
- Dankzij de inspanningen van het Agentschap verkocht ENU in 1993 en 1994 ongeveer 250 ton uranium. Deze verkopen zouden hebben plaatsgevonden tegen een veel lagere prijs dan die waartegen zij haar uraniumproductie in het kader van het "speciaal onderdeel" had aangeboden.
Het arrest van het Gerecht
22 Blijkens het bestreden arrest had ENU tot staving van haar beroep tot nietigverklaring voor het Gerecht twee categorieën middelen aangevoerd.
- Enerzijds verweet ENU de Commissie, dat deze ten onrechte had geweigerd van het Agentschap te eisen, dat het zijn optierecht en zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten zou uitoefenen, teneinde de afzet van de uraniumproductie van ENU te verzekeren: volgens haar verlangde het Verdrag in casu, dat de afzet van haar productie werd verzekerd, nu dit tegen een redelijke prijs beschikbaar was; zij betwistte in het bijzonder de rechtmatigheid van de vereenvoudigde procedure van afweging van vraag en aanbod voor ertsen in artikel 5 bis van de verordening (zie r.o. 21-39 van het bestreden arrest).
- Anderzijds verweet ENU de Commissie, dat deze het Agentschap niet had opgedragen, het "speciale onderdeel" van zijn voorzieningsbeleid, betreffende het Portugese uranium, toe te passen, ofschoon dat in de brief van commissielid Cardoso e Cunha aan ENU van 8 december 1989 was goedgekeurd (zie r.o. 75-79 van het bestreden arrest).
23 Op het eerste middel antwoordde het Gerecht in hoofdzaak het volgende.
- De taken van het Agentschap zijn beperkt tot het zorgen voor een regelmatige en billijke voorziening van alle gebruikers in de Gemeenschap. Voor bescherming van de belangen van de producenten is alleen plaats, indien die bescherming verband houdt met de eisen betreffende de zekerheid van de voorziening. Daaruit volgt, dat de voorzieningsregeling niet de preferentiële afzet van de communautaire ertsproductie garandeert (r.o. 59 en 60 van het bestreden arrest).
- Anders dan ENU stelde, kan
"het criterium $onredelijke prijzen', dat in artikel 66 speciaal is opgenomen om de werkingssfeer van een afwijkende procedure te beperken, in de context van het Verdrag niet aldus (...) worden uitgelegd, dat het eveneens is bedoeld om in het kader van de gewone procedure van artikel 60 een preferentie te verzekeren ten gunste van produkten uit de Gemeenschap" (r.o. 63 van het bestreden arrest).
- Het Agentschap zou zich alleen dan kunnen verzetten tegen de invoer van ertsen tegen lagere prijzen dan die gevraagd door de producenten in de Gemeenschap, wanneer die invoer afbreuk zou kunnen doen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag. In alle andere gevallen is de prijs het gevolg van de in artikel 60 van het Verdrag of 5 bis van de verordening geregelde afweging van vraag en aanbod, zonder dat het Agentschap daar een stem in heeft (r.o. 64 van het bestreden arrest).
- Het Agentschap is dus niet verplicht voorrang te geven aan de afzet van de communautaire productie, want de bij het Verdrag ingevoerde voorzieningsregeling is niet gebaseerd op het beginsel van communautaire preferentie ten gunste van de producenten (r.o. 61, 62 en 67 van het bestreden arrest).
- Mocht het Agentschap niettemin besluiten, op te treden ten gunste van de producenten in de Gemeenschap en zich daarom tegen invoer te verzetten, dan kan het dit slechts doen, indien de vraagprijs van die producenten gelijk is aan of lager dan de aan het Agentschap meegedeelde prijs, of indien de aanbiedingen van de producenten in de Gemeenschap voor de gebruikers voordelen meebrengen die een eventueel prijsverschil kunnen compenseren (r.o. 66 van het bestreden arrest).
- In deze zaak heeft ENU geen enkele bijzondere omstandigheid genoemd die een juridisch bezwaar kan opleveren tegen de bevoorrading van de gebruikers van de Gemeenschap met ertsen van buiten de Gemeenschap (r.o. 69 van het bestreden arrest).
- Met betrekking tot de regelmatigheid van de bij artikel 5 bis van de verordening ingevoerde vereenvoudigde procedure van afweging van vraag en aanbod, is het betoog van ENU, ertoe strekkende dat het Agentschap gebruik moet maken van zijn optierecht en van zijn uitsluitend recht om contracten voor de levering van ertsen te sluiten, om aldus de afzet van verzoeksters uraniumproductie te verzekeren, irrelevant, daar de afwijzing door de Commissie van het verzoek van ENU, gelet op de in het Verdrag neergelegde voorzieningsregeling, geen enkele onregelmatigheid vertoonde (r.o. 71 en 72 van het bestreden arrest). Die procedure vindt hoe dan ook een verklaring in de conjuncturele ontwikkeling, gekenmerkt door een aanbodoverschot, waardoor die centralisatie overbodig wordt; zij ontneemt het Agentschap niet zijn uitsluitende rechten, die "moeten worden uitgeoefend volgens de regels van een markteconomie" (r.o. 73 van het bestreden arrest).
24 Met betrekking tot het tweede middel overwoog het Gerecht het volgende:
- De brief van Cardoso e Cunha van 8 december 1989 was een "mededeling met een beleidskarakter", en geen richtlijn van de Commissie aan het Agentschap; hij behelsde geen verbintenis noch enig gegeven dat de gewettigde verwachting kon wekken, dat het "speciale onderdeel" dwingend ten uitvoer zou worden gelegd (r.o. 82 van het bestreden arrest).
- De prijs die ENU bereid was te aanvaarden in het kader van het "speciale onderdeel", was aanzienlijk hoger dan de prijzen die toentertijd waren overeengekomen in meerjarige contracten tussen de gebruikers van de Gemeenschap en de producenten en die de Commissie vertrouwelijk aan het Gerecht heeft meegedeeld. Mitsdien kon ENU in geen geval de dwingende toepassing van het "speciale onderdeel" verlangen, daar er geen sprake was van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de voorzieningsregeling van hoofdstuk 6 van het Verdrag konden rechtvaardigen (r.o. 84 van het bestreden arrest).
- Zelfs indien de door ENU voorgestelde prijzen ten minste even gunstig waren geweest als de marktprijs, beschikte het Agentschap hoe dan ook over een discretionaire bevoegdheid, die het in casu niet heeft overschreden (r.o. 85 van het bestreden arrest).
25 Daar de Commissie geen onrechtmatige gedraging kon worden verweten, heeft het Gerecht de schadevordering van ENU afgewezen (r.o. 89-91 van het bestreden arrest).
De verwerping van het beroep tot nietigverklaring
26 Tot staving van haar hogere voorziening voert requirante drie middelen aan tegen de verwerping van het beroep tot nietigverklaring.
27 In de eerste plaats verwijt ENU het Gerecht, dat dit het voorwerp van haar beroep heeft gewijzigd.
28 In de tweede plaats verwijt ENU het Gerecht, niet te hebben onderzocht, of de bij de artikelen 5 en 5 bis van de verordening ingevoerde vereenvoudigde procedures geldig zijn.
29 In de derde plaats verwijt ENU het Gerecht, dat het in rechtsoverweging 82 van het bestreden arrest niet heeft geoordeeld, dat de brief van Cardoso e Cunha van 8 december 1989 een verbintenis van de Commissie behelsde die bij haar gewettigde verwachtingen kon wekken.
Het eerste middel
30 Tot staving van haar hogere voorziening voert requirante in de eerste plaats rechtsdwaling bij de omschrijving van het voorwerp van het beroep aan. Zij betoogt, dat het Gerecht in rechtsoverweging 54 van het bestreden arrest het verzoek van ENU om de afzet van haar uraniumproductie te garanderen aan de orde heeft gesteld, en in rechtsoverweging 72 heeft verklaard, dat de beslechting van het geding "uitsluitend afhangt van de vraag, of de verdragsbepalingen aldus kunnen worden uitgelegd, dat zij het Agentschap en/of de Commissie verplichten de afzet van het door ENU aangeboden natuurlijk uranium te garanderen".
31 Volgens requirante had zij evenwel enkel verzocht om nietigverklaring van de litigieuze beschikking tot afwijzing van haar verzoek om het Agentschap op te dragen, het normale functioneren van het stelsel van hoofdstuk 6 van het Verdrag te herstellen en een "speciaal onderdeel" te ontwikkelen dat onmiddellijk een oplossing kon bieden voor het probleem van de afzet van uranium door ENU. Om op het beroep tot nietigverklaring te beslissen, behoefde het Gerecht dus niet na te gaan, of het stelsel van het Verdrag de afzet van haar uraniumproductie garandeerde (r.o. 54 en 71 van het bestreden arrest), noch "of de verdragsbepalingen aldus kunnen worden uitgelegd, dat zij het Agentschap en/of de Commissie verplichten de afzet van het door ENU aangeboden natuurlijk uranium te garanderen" (r.o. 72). Het Gerecht had enkel moeten nagaan, of de producenten in de Gemeenschap, de gebruikers, het Agentschap, de Lid-Staten en de Commissie de verdragsbepalingen daadwerkelijk hadden toegepast. Volgens requirante konden deze vragen enkel ontkennend worden beantwoord.
32 Dienaangaande zij opgemerkt, dat het Gerecht het voorwerp van het beroep tot nietigverklaring in rechtsoverweging 20 van het bestreden arrest heeft omschreven als volgt:
"Verzoekster vordert nietigverklaring van de beschikking, voor zover daarin de verzoeken die zij in haar brief van 21 december 1990 (...) op basis van artikel 53, tweede alinea, EGA-Verdrag had geformuleerd om een oplossing te vinden voor het probleem van de afzet van haar uraniumproduktie, zijn afgewezen. Voor het onderzoek van het onderhavige beroep kunnen deze verzoeken als volgt worden ingedeeld. Teneinde het Agentschap ertoe te bewegen overeenkomstig de bepalingen van het EGA-Verdrag zijn optierecht op deze produktie uit te oefenen en gebruik te maken van zijn uitsluitend recht om contracten te sluiten voor de levering van ertsen, verzocht ENU de Commissie in wezen, het Agentschap te gelasten de normale werking te herstellen van het stelsel van hoofdstuk VI van het Verdrag, en op grond van diezelfde bepalingen een einde te maken aan de vrije bevoorrading van de gebruikers van de Gemeenschap op de buitenlandse markt terwijl de produktie van ENU tegen een redelijke prijs beschikbaar is (...) Teneinde het urgente probleem van de afzet van haar uraniumvoorraad op te lossen, verzocht belanghebbende de Commissie voorts, het Agentschap te gelasten het $speciale onderdeel' van zijn voorzieningsbeleid betreffende het Portugese uranium toe te passen (...)"
33 Deze omschrijving van het voorwerp van het beroep, die in rechtsoverweging 54 van het bestreden arrest ten dele wordt herhaald, stemt volledig overeen met het door ENU bij het Gerecht ingediende verzoek.
34 Het bij het Gerecht ingestelde beroep strekt namelijk tot nietigverklaring van de afwijzing, door de Commissie, van de door requirante krachtens artikel 53, tweede alinea, van het Verdrag ingediende verzoeken. Het voorwerp ervan moet derhalve worden beoordeeld in het licht van de aard van die verzoeken, waarop de litigieuze beschikking van de Commissie een antwoord geeft.
35 Zoals het Hof in het arrest van 16 februari 1993 (ENU, reeds aangehaald) overwoog, staat vast, dat de beschikking waarom ENU aanvankelijk krachtens artikel 53, tweede alinea, van het Verdrag heeft verzocht, tot doel moest hebben een oplossing aan te dragen voor het concrete probleem dat zij aan het Agentschap en de Commissie had voorgelegd (r.o. 16), namelijk de moeilijkheden bij de afzet van haar voorraad uranium. Voor zover de Commissie formeel werd verzocht, het Agentschap met name te gelasten een "speciaal onderdeel" te ontwikkelen voor de onverwijlde oplossing van het probleem van ENU's uraniumafzet, moet de brief van requirante aan de Commissie van 21 december 1990 aldus worden begrepen, dat daarbij de stilzwijgende weigering van het Agentschap om met betrekking tot haar uraniumproductie gebruik te maken van zijn optierecht, aan de Commissie werd voorgelegd (r.o. 34).
36 Derhalve heeft het Gerecht het voorwerp van het bij hem ingestelde beroep geenszins gewijzigd, door bij de beoordeling van de regelmatigheid van de toepassing van hoofdstuk 6 van het Verdrag door het Agentschap en de Commissie de kwestie van de afzet van de uraniumvoorraad van requirante concreet in aanmerking te nemen.
37 Het eerste middel moet dus worden afgewezen.
Het tweede middel
38 Met haar tweede middel verwijt requirante het Gerecht, dat dit heeft nagelaten, de artikelen 5 en 5 bis van de verordening op grond van de verdragsregels ongeldig te verklaren, en in rechtsoverweging 73 van het bestreden arrest enkel heeft gesteld, dat de vereenvoudigde procedure van afweging van vraag en aanbod een verklaring vindt in de conjuncturele ontwikkeling en beantwoordt aan het doel van de gecentraliseerde procedure van artikel 60 van het Verdrag, meer in het algemeen aan dat van de voorzieningsregeling van hoofdstuk 6 van het Verdrag. Volgens requirante kunnen tegen deze vereenvoudigde procedure evenwel verschillende bezwaren worden ingebracht.
39 Allereerst is volgens requirante het Agentschap noch de Commissie op grond van artikel 60 van het Verdrag gemachtigd een procedure in te voeren die afwijkt van die van hoofdstuk 6, in het bijzonder door in strijd met artikel 66 van het Verdrag de gebruikers toe te staan, met eender welke producent, al dan niet uit de Gemeenschap, te onderhandelen en contracten te sluiten (zie artikel 5 bis van de verordening). Het staat aan de Raad om in voorkomend geval op grond van artikel 76 EGA-Verdrag de voorzieningsregeling aan de gewijzigde omstandigheden aan te passen.
40 Vervolgens stelt requirante, dat de vereenvoudigde procedure de producenten elke bescherming ontneemt, doordat zij de gebruikers vrij laat om zich buiten de Gemeenschap te bevoorraden, hetgeen de afzet van de communautaire productie bemoeilijkt. Krachtens artikel 66 van het Verdrag kan invoer uit derde landen evenwel slechts per geval en onder de daar gestelde strenge voorwaarden worden toegestaan, en dit juist om geen afbreuk te doen aan de afzet van de communautaire productie wanneer die tegen een redelijke prijs beschikbaar is.
41 Doordat, zoals uit rechtsoverweging 84 van het bestreden arrest blijkt, de vereenvoudigde procedure het ten slotte mogelijk maakt de prijzen geheim te houden en aldus de marktpartijen belet de daadwerkelijk toegepaste prijzen te kennen, vervalst zij, aldus requirante, het prijsmechanisme van de markt, waarop het bij artikel 60 van het Verdrag in het belang van gebruikers en producenten ingevoerde stelsel van afweging van vraag en aanbod is gebaseerd.
42 Opgemerkt zij, dat het Gerecht in rechtsoverweging 71 van het bestreden arrest overwoog,
"dat de afwijzing door de Commissie van het verzoek van ENU, ertoe strekkende dat het Agentschap gebruik zou maken van zijn optierecht en van zijn uitsluitend recht om contracten voor de levering van ertsen te sluiten, om aldus de afzet van verzoeksters uraniumproduktie te verzekeren, gelet op de in het Verdrag neergelegde voorzieningsregeling, geen enkele onregelmatigheid vertoont",
en dat onder deze omstandigheden niet
"behoeft te worden beslist over de regelmatigheid van de vereenvoudigde procedure van afweging van vraag en aanbod, ingevoerd bij artikel 5 bis van de verordening".
43 Dit standpunt moet worden goedgekeurd. Zoals in rechtsoverweging 34 van dit arrest is beklemtoond, strekt het door ENU bij het Gerecht ingestelde beroep tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking, waarbij de verzoeken die requirante krachtens artikel 53, tweede alinea, van het Verdrag bij de Commissie heeft ingediend teneinde het probleem van de afzet van haar uraniumproductie op te lossen, zijn verworpen. Wanneer vaststaat, dat hoe dan ook het stelsel van hoofdstuk 6 van het Verdrag het Agentschap noch de Commissie onder de omstandigheden van de onderhavige zaak verplichtten, de afzet van die productie te garanderen, is het niet nodig, daarnaast nog een uitspraak te doen over het betoog van requirante inzake de gestelde onregelmatigheid van de bij artikel 5 bis van de verordening ingevoerde vereenvoudigde procedure.
44 Onder deze omstandigheden, en ongeacht de bij de verordening ingevoerde procedure voor afweging van vraag en aanbod, moet op grond van de grieven die requirante in haar tweede middel tegen het bestreden arrest aanvoert, allereerst worden nagegaan, of het Gerecht inderdaad heeft kunnen oordelen, dat het stelsel van hoofdstuk 6 het Agentschap niet verplichtte de afzet van de uraniumproductie van ENU te garanderen, en derhalve de Commissie niet verplichtte om het Agentschap te gelasten de afzet van die productie te garanderen.
45 Zoals het Gerecht in rechtsoverweging 57 van het bestreden arrest terecht heeft gedaan, moet in dit verband worden beklemtoond, dat het Agentschap is opgericht om onder de in hoofdstuk 6 gestelde voorwaarden de verwezenlijking te verzekeren van één van de belangrijkste doelstellingen die de Gemeenschap ingevolge artikel 2, sub d, van het Verdrag dient na te streven, te weten dat alle gebruikers van de Gemeenschap op regelmatige en billijke wijze van ertsen en splijtstoffen worden voorzien.
46 Zoals de advocaat-generaal in de punten 44 en volgende van zijn conclusie heeft gesteld, garandeert geen bepaling van de voorzieningsregeling zoals die in hoofdstuk 6 is neergelegd teneinde deze doelstelling te verwezenlijken, de afzet van de communautaire ertsproductie. Integendeel, zoals het Gerecht terecht overwoog,
"in het stelsel van centralisatie bij het Agentschap van het aanbod van de producenten van de Gemeenschap en van de vraag van de gebruikers van de Gemeenschap, welk stelsel het Agentschap in staat moet stellen de regelmatige en billijke voorziening van alle gebruikers te verzekeren, wordt geen enkel onderscheid gemaakt naar gelang van de herkomst van de produkten" (r.o. 61 van het bestreden arrest),
zodat overeenkomstig artikel 65, eerste alinea, van het Verdrag, artikel 60, betreffende de procedure van afweging van vraag en aanbod, van toepassing is op de aanvragen van de gebruikers en op de contracten tussen de gebruikers en het Agentschap betreffende de levering van ertsen herkomstig van buiten de Gemeenschap.
47 Voorts moet worden opgemerkt, dat het Gerecht in rechtsoverweging 69 van zijn arrest heeft vastgesteld, dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die de fundamentele doelstelling van regelmatige en billijke voorziening van ertsen en splijtstoffen in gevaar brengen of dreigen te brengen.
48 Onder deze omstandigheden dwong geen bepaling van hoofdstuk 6 het Agentschap, de afzet van de uraniumproductie van ENU te garanderen. In rechtsoverweging 73 van het bestreden arrest heeft het Gerecht juist vastgesteld, dat de conjuncturele ontwikkeling sinds de oprichting van de Gemeenschap gekenmerkt wordt door een aanbodoverschot.
49 Voor het overige berust het argument van ENU, dat artikel 66 van het Verdrag invoer van buiten de Gemeenschap slechts toestaat, wanneer de communautaire productie ontoereikend is of wanneer de prijzen van de communautaire producenten onredelijk zijn, op een verkeerde lezing van artikel 66. Zoals het Gerecht in rechtsoverweging 63 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, heeft artikel 66 slechts tot doel, onder de daarin gestelde voorwaarden te voorzien in een uitzondering op het uitsluitend recht van het Agentschap om rechtstreeks contracten te sluiten voor leveringen van buiten de Gemeenschap.
50 Hieraan moet worden toegevoegd, dat de vereenvoudigde procedure zoals die is geregeld in artikel 5 bis van de verordening, niet alleen van toepassing is op leveringen herkomstig uit de Gemeenschap, maar ook op de invoer uit derde landen overeenkomstig artikel 65 van het Verdrag, dat verwijst naar artikel 60 in zijn geheel, waarvan de zesde alinea de rechtsgrondslag van de verordening vormt. Daarenboven druist deze procedure niet in tegen artikel 66 van het Verdrag, daar zij geen afbreuk doet aan het uitsluitend recht van het Agentschap om rechtstreeks contracten te sluiten, aangezien het volgens artikel 5 bis, sub d tot en met g, van de verordening aan het Agentschap staat die te sluiten, hetgeen dit orgaan kan weigeren. Derhalve is het voor de toepassing van artikel 5 bis van de verordening onnodig na te gaan, of de twee voorwaarden van artikel 66 van het Verdrag vervuld moeten zijn wanneer de betrokken leveringen herkomstig zijn van buiten de Gemeenschap.
51 Uit de feitelijke vaststellingen van het Gerecht volgt hoe dan ook, dat requirante niet heeft aangetoond, dat het Agentschap daadwerkelijk enige gebruiker van de Gemeenschap had gemachtigd om, in strijd met artikel 66 van het Verdrag, zonder tussenkomst van het Agentschap, rechtstreeks een contract voor de levering van ertsen van buiten de Gemeenschap te sluiten.
52 Uit een en ander volgt, dat ook het tweede middel moet worden afgewezen.
Het derde middel
53 Anders dan het Gerecht meent requirante, dat de brief die Cardoso e Cunha haar op 8 december 1989 heeft gezonden, een verbintenis van de Commissie jegens de Portugese regering en het Europees Parlement behelsde om een bevredigende oplossing voor het probleem van de afzet van haar uraniumproductie te vinden, en bij haar gewettigde verwachtingen had gewekt.
54 In rechtsoverweging 82 van het bestreden arrest stelt het Gerecht, dat de betrokken brief slechts aangeeft "in welke richting het bevoegde Commissielid in het kader van zijn bevoegdheden de actie van het Agentschap wil sturen". In rechtsoverweging 86 van het bestreden arrest overweegt het Gerecht voorts het volgende: "De documenten waarop ENU zich beroept en die afkomstig zijn van het Agentschap, de Commissie of het bevoegde lid van de Commissie, behelzen geen verbintenis ten aanzien van de dwingende uitvoering van het $speciale onderdeel', noch enig gegeven dat bij de belanghebbende gewettigde verwachtingen in die zin kon wekken. Integendeel, uit het dossier en in het bijzonder uit verzoeksters opmerkingen blijkt duidelijk, dat er voor haar geen enkele twijfel over bestond, dat het $speciale onderdeel' niet meer dan een aansporing was."
55 Dienaangaande volstaat de opmerking, dat het Gerecht op basis van zijn feitelijke vaststellingen, die het Hof in hogere voorziening niet in twijfel kan trekken, inderdaad heeft kunnen oordelen dat de brief van Cardoso e Cunha geen verbintenis van de Commissie behelsde die het gewettigd vertrouwen van de adressaat ervan had opgewekt.
56 Het derde middel moet dan ook worden afgewezen. De verwerping van het beroep tot schadevergoeding
57 Daar alle middelen van requirante tegen de verwerping door het Gerecht van het beroep tot nietigverklaring zijn afgewezen, moet worden vastgesteld, dat het Gerecht in rechtsoverweging 91 van het bestreden arrest tot de slotsom heeft kunnen komen, dat aangezien de handelwijze die het Agentschap werd verweten en de weigering van de Commissie om aan de verzoeken van ENU te voldoen, geen onregelmatigheid vertoonden, het beroep tot schadevergoeding hoe dan ook ongegrond moest worden verklaard.
58 Nu geen enkel middel slaagt, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
59 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien requirante in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst requirante in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy