Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Internationale overeenkomsten - Vierde ACS-EEG-overeenkomst van Lomé - Bepalingen betreffende samenwerking op handelsgebied - Algemene regeling van handelsverkeer - Verschil in behandeling van traditionele en niet-traditionele importen van ACS-bananen - Wettigheid
(Vierde ACS-EEG-overeenkomst van Lomé van 15 december 1989, art. 168 en protocol nr. 5; verordening nr. 404/93 van de Raad)
2 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Bananen - Invoerregeling - Noodzaak van invoercertificaat en zekerheidstelling - Schending van evenredigheidsbeginsel - Geen - Uitvoeringsbepalingen - Verenigbaarheid met Vierde ACS-EEG-overeenkomst van Lomé en basisverordening
(Vierde ACS-EEG-overeenkomst van Lomé van 15 december 1989; verordening nr. 404/93 van de Raad, art. 17; verordening nr. 1442/93 van de Commissie, art. 14, lid 2)
Samenvatting
3 Gelet op de invoering van een tariefcontingent, valt de invoer in de Gemeenschap van bananen uit ACS-staten onder artikel 168, lid 2, sub a-ii, van de Vierde ACS-EEG-overeenkomst van Lomé, het bij de overeenkomst gevoegde protocol nr. 5 betreffende bananen, alsmede de bijlagen LXXIV en LXXV bij dit protocol. Krachtens deze bepalingen, en meer bepaald de bij artikel 1 van het protocol ingevoerde standstill-clausule, is de Gemeenschap met betrekking tot de toegang van bananen uit de ACS-staten tot de gemeenschapsmarkt enkel verplicht, de voordelen van de ACS-staten van vóór deze overeenkomst te handhaven, zodat in verordening nr. 404/93, zonder schending van de overeenkomst of het protocol, de vrije toegang tot de communautaire markt kon worden beperkt, doordat daarin de traditionele en niet-traditionele importen van ACS-bananen verschillend worden behandeld.
4 Artikel 17 van verordening nr. 404/93, volgens hetwelk voor elke invoer van bananen in de Gemeenschap een door de Lid-Staten afgegeven invoercertificaat moet worden overgelegd en deze certificaten slechts worden afgegeven na het stellen van een zekerheid als waarborg dat de marktdeelnemer de verbintenis tot invoer naleeft, is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Immers, deze regeling moet als een beheersmaatregel voor de tariefcontingenten worden beschouwd, die nodig is om toezicht op de importen te kunnen uitoefenen in een stelsel van uiteenlopende invoerregelingen en gaat niet verder dan noodzakelijk is ter bereiking van het door die verordening nagestreefde doel.
Bij de in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1442/93 vermelde uitvoeringsbepalingen van deze regeling, die met betrekking tot het tijdsschema voor de afgifte van de certificaten de procedure voor de invoer van bananen in vier kwartalen opsplitst, zonder dat dit gepaard gaat met het definitieve verval van de rechten van de marktdeelnemers, is, vergeleken met de Vierde ACS-EEG-overeenkomst van Lomé en de basisverordening, niet een te restrictieve regeling ingesteld, aangezien deze opsplitsing onder de bevoegdheid van de Commissie valt om de voorwaarden voor de toegang van bananen van oorsprong uit derde landen tot de Gemeenschap aan te passen, zonder deze evenwel te beperken.
Partijen
In zaak C-369/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Tribunale di Salerno (Italië), in het aldaar aanhangig geding tussen
Somalfruit SpA Camar SpA
en
Ministero delle Finanze Ministero del Commercio con l'Estero,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (PB 1993, L 47, blz. 1), van verordening (EEG) nr. 1442/93 van de Commissie van 10 juni 1993 houdende bepalingen ter toepassing van de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap (PB 1993, L 142, blz. 6), en van verordening (EEG) nr. 1443/93 van de Commissie van 10 juni 1993 houdende overgangsmaatregelen voor de toepassing van de regeling voor de invoer, in 1993, van bananen in de Gemeenschap (PB 1993, L 142, blz. 16),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: H. Ragnemalm, kamerpresident, R. Schintgen (rapporteur), G. F. Mancini, P. J. G. Kapteyn en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: M. B. Elmer
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Somalfruit SpA en Camar SpA, vertegenwoordigd door A. Miele en W. Viscardini Donà, advocaten te Padua, en G. M. Roberti en A. Tizzano, advocaten te Napels,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door P. G. Ferri, avvocato dello Stato,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur van de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en F. Pascal, attaché d'administration centrale bij die directie, als gemachtigden,
- de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J. Huber en A. Tanca, juridisch adviseurs, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. de March, juridisch adviseur, en T. Christoforou, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Somalfruit SpA en Camar SpA; de Italiaanse regering; de Franse regering; de Raad en de Commissie ter terechtzitting van 15 mei 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 juni 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 12 oktober 1995, ingekomen bij het Hof op 28 november daaraanvolgend, heeft het Tribunale di Salerno krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de geldigheid van verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (PB 1993, L 47, blz. 1), van verordening (EEG) nr. 1442/93 van de Commissie van 10 juni 1993 houdende bepalingen ter toepassing van de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap (PB 1993, L 142, blz. 6), en van verordening (EEG) nr. 1443/93 van de Commissie van 10 juni 1993 houdende overgangsmaatregelen voor de toepassing van de regeling voor de invoer, in 1993, van bananen in de Gemeenschap (PB 1993, L 142, blz. 16).
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Somalfruit SpA en Camar SpA (hierna: "Somalfruit" en "Camar") enerzijds en het Ministero delle Finanze (Ministerie van Financiën) en het Ministero del Commercio con l'Estero (Ministerie van Buitenlandse handel) anderzijds, betreffende de invoer in Italië van een lading van 533 520 kilo bananen van oorsprong uit Somalië.
Toepasselijke bepalingen
3 De op 15 december 1989 te Lomé ondertekende vierde ACS-EEG-overeenkomst, die is goedgekeurd bij besluit 91/400/EGKS, EEG van de Raad en de Commissie van 25 februari 1991 (PB 1991, L 229, blz. 1; hierna: "Overeenkomst van Lomé"), bepaalt in artikel 168:
"1. Produkten van oorsprong uit de ACS-Staten mogen met vrijdom van douanerechten en heffingen van gelijke werking in de Gemeenschap worden ingevoerd.
2. a) Produkten van oorsprong uit de ACS-Staten:
- die zijn genoemd in de lijst van bijlage II van het Verdrag, voor zover zij aan een gemeenschappelijke marktordening in de zin van artikel 40 van het Verdrag zijn onderworpen, of
- die bij invoer in de Gemeenschap zijn onderworpen aan een bijzondere regeling, ingesteld in verband met de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid,
worden in afwijking van de algemene regeling die ten aanzien van derde landen geldt, overeenkomstig de volgende bepalingen in de Gemeenschap ingevoerd:
i) produkten waarvoor de op het moment van invoer van kracht zijnde gemeenschapsbepalingen behoudens douanerechten geen andere maatregel inzake de invoer behelzen, mogen met vrijdom van douanerechten worden ingevoerd;
ii) voor andere dan de onder i) bedoelde produkten neemt de Gemeenschap de nodige maatregelen om een regeling te waarborgen die gunstiger is dan die welke krachtens de clausule van de meestbegunstigde natie voor dezelfde produkten op derde landen wordt toegepast.
(...)"
4 Het bij de Overeenkomst van Lomé gevoegde protocol nr. 5 betreffende bananen (hierna: "protocol nr. 5"), bepaalt in artikel 1:
"Bij uitvoer van bananen naar de markten van de Gemeenschap wordt geen enkele ACS-Staat ten aanzien van de toegang tot en de voordelen op zijn traditionele markten minder gunstig behandeld dan vroeger of thans."
Artikel 2 van protocol nr. 5 luidt:
"Elke betrokken ACS-Staat en de Gemeenschap zullen onderling overleg plegen om na te gaan welke maatregelen moeten worden genomen ter verbetering van de produktie- en afzetvoorwaarden voor bananen. Daartoe zullen alle middelen worden aangewend waarin in het kader van de bepalingen van de Overeenkomst betreffende de financiële, technische, landbouw-, industriële en regionale samenwerking is voorzien. Deze maatregelen zullen zodanig worden uitgewerkt dat de ACS-Staten, inzonderheid Somalië, met inachtneming van hun eigen situatie in staat worden gesteld hun concurrentiepositie zowel op hun traditionele markten als op de andere markten van de Gemeenschap te verbeteren (...)"
5 De gemeenschappelijke verklaring betreffende protocol nr. 5, die in bijlage LXXIV is opgenomen, bepaalt:
"(...) dat artikel 1 van Protocol nr. 5 de Gemeenschap niet belet om in open overleg met de ACS-Staten gemeenschappelijke regels vast te stellen voor bananen, op voorwaarde dat geen enkele ACS-Staat die een traditioneel leverancier van de Gemeenschap is, ten aanzien van de toegang tot de Gemeenschap en de voordelen van die Staat in de Gemeenschap minder gunstig wordt behandeld dan vroeger of thans".
6 In een bijzondere verklaring betreffende protocol nr. 5, die in bijlage LXXV is opgenomen, bevestigde de Gemeenschap de bijzondere rechten van de traditionele leveranciers uit de ACS-staten.
7 Artikel 360 van de Overeenkomst van Lomé luidt:
"1. De Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop de akten van bekrachtiging van de Lid-Staten van de Gemeenschap en van ten minste twee derde van de ACS-Staten, alsmede de akte van kennisgeving van het sluiten van de Overeenkomst door de Gemeenschap, zijn nedergelegd.
2. De ACS-Staat die de in artikel 359 bedoelde procedures op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst, zoals deze in lid 1 is vastgesteld, niet heeft voltooid, kan zulks slechts doen binnen twaalf maanden na deze datum en kan deze procedures slechts inleiden tijdens de twaalf maanden na deze datum, tenzij hij vóór het verstrijken van die termijn de Raad van Ministers in kennis stelt van zijn voornemen die procedures uiterlijk binnen zes maanden na het verstrijken van die termijn te voltooien en mits hij binnen die zes maanden overgaat tot nederlegging van de akte van bekrachtiging.
(...)"
8 Blijkens een mededeling die het secretariaat van de Raad in het Publikatieblad heeft bekendgemaakt, is de Overeenkomst van Lomé in werking getreden op 1 september 1991 (PB 1991, L 229, blz. 287).
9 De Democratische Republiek Somalië, die de Overeenkomst van Lomé op 15 december 1989 had ondertekend, heeft niet binnen de gestelde termijn een akte van bekrachtiging neergelegd.
10 Dit land heeft ook niet deelgenomen aan de overeenkomst tot wijziging van voornoemde overeenkomst, die op 4 november 1995 op Mauritius is ondertekend (PB 1997, C 20, blz. 134). Artikel 364 bis van deze laatste overeenkomst voorziet met zoveel woorden een toekomstige toetreding van de Democratische Republiek Somalië tot de Overeenkomst van Lomé.
11 De Raad van Ministers ACS-EU heeft op 28 juni 1996 ten aanzien van de Democratische Republiek Somalië de volgende conclusies vastgesteld:
"De Raad van Ministers ACS-EU
1. bekrachtigt de politieke toetreding van Somalië tot de Overeenkomst van Lomé, ofschoon het land door omstandigheden waarop het geen invloed heeft, de Overeenkomst niet heeft kunnen ratificeren;
(...)"
12 Verordening nr. 404/93 heeft in titel IV de verschillende voordien bestaande nationale regelingen vervangen door een gemeenschappelijke regeling voor het handelsverkeer met derde landen.
13 Met betrekking tot de invoer van bananen uit ACS-staten maakt verordening nr. 404/93 in artikel 15, thans artikel 15 bis sedert de vaststelling van verordening (EG) nr. 3290/94 van de Raad van 22 december 1994 inzake de aanpassingen en de overgangsmaatregelen in de landbouwsector voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde (PB 1994, L 349, blz. 105), onderscheid tussen de "traditionele invoer uit de ACS-Staten" - de in de bijlage vastgestelde hoeveelheden bananen die door elke traditioneel exporterende ACS-staat naar de Gemeenschap zijn uitgevoerd - en de "niet-traditionele invoer uit de ACS-Staten" - de hoeveelheden bananen die door die staten boven de in de bijlage omschreven hoeveelheid naar de Gemeenschap worden uitgevoerd.
14 De bijlage bij de verordening van de Raad stelt voor Somalië de traditionele hoeveelheid vast op 60 000 ton nettogewicht.
15 Artikel 18, lid 1, van deze verordening, in de versie van verordening nr. 3290/94, bepaalt, dat voor 1994 een tariefcontingent van 2,1 miljoen ton nettogewicht en voor de volgende jaren een contingent van 2,2 miljoen ton nettogewicht wordt geopend voor de invoer van "bananen uit derde landen" en "niet-traditionele ACS-bananen".
16 In het kader van dit tariefcontingent wordt op de invoer van niet-traditionele ACS-bananen een nulrecht toegepast, terwijl buiten het contingent ingevoerde bananen zijn onderworpen aan een recht van 750 ECU per ton.
17 Ingevolge artikel 17 van verordening nr. 404/93, in de versie van verordening nr. 3290/94, moet voor elke invoer van bananen in de Gemeenschap een door de Lid-Staten afgegeven invoercertificaat worden overgelegd. Deze certificaten worden, behoudens afwijkingen, slechts afgegeven tegen een zekerheidstelling, als garantie dat aan de verbintenis tot invoer van de marktdeelnemer zal worden voldaan.
18 Artikel 19, lid 1, van verordening nr. 404/93 verdeelt het tariefcontingent dat wordt geopend, als volgt: 66,5 % voor de categorie van marktdeelnemers die bananen uit derde landen en/of niet-traditionele ACS-bananen hebben afgezet; 30 % voor de categorie van marktdeelnemers die bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen hebben afgezet, en 3,5 % voor de categorie van in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemers die vanaf 1992 zijn begonnen andere bananen dan bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen af te zetten.
19 Artikel 19, lid 2, van deze verordening bepaalt, dat elke marktdeelnemer invoercertificaten ontvangt op basis van de gemiddelde hoeveelheden bananen die hij heeft verkocht in de laatste drie jaren waarover gegevens beschikbaar zijn.
20 In artikel 20 verleent de Raad de Commissie de bevoegdheid om bepalingen ter uitvoering van de verordening vast te stellen, die met name betrekking kunnen hebben op de afgifte van de certificaten.
21 Ter uitvoering van verordening nr. 404/93 heeft de Commissie in het bijzonder verordening nr. 1442/93 vastgesteld, die in de artikelen 2 en 3 het onderscheid tussen de drie categorieën van marktdeelnemers, als bedoeld in artikel 19, lid 1, van verordening nr. 404/93, overneemt en deze categorieën aanduidt als categorieën A, B en C.
22 Volgens artikel 10 van verordening nr. 1442/93 delen de nationale autoriteiten de Commissie voor elk van de categorieën mede, voor welke hoeveelheden bananen een invoercertificaataanvraag is ingediend, en stellen zij haar in kennis van de niet-gebruikte hoeveelheden.
23 Artikel 10, lid 3, luidt:
"De niet-gebruikte hoeveelheden worden op verzoek in het volgende kwartaal weer aan dezelfde marktdeelnemer toegewezen."
24 Artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1442/93 bepaalt:
"De invoercertificaataanvragen worden in de eerste week van de laatste maand van elk kwartaal bij de bevoegde autoriteiten van eender welke Lid-Staat ingediend."
25 Artikel 17 van verordening nr. 1442/93 stelt de wijze van afgifte van de certificaten door de nationale autoriteiten vast en bepaalt, dat de Lid-Staten de Commissie in kennis stellen van de hoeveelheden die resteren in het kader van niet of slechts gedeeltelijk gebruikte certificaten.
26 Artikel 17, lid 4, bepaalt:
"De niet-gebruikte hoeveelheden worden in het volgende kwartaal op verzoek weer aan dezelfde marktdeelnemer toegewezen."
27 Bij verordening nr. 1443/93 heeft de Commissie de overgangsmaatregelen voor de toepassing van de regeling voor de invoer, in 1993, van bananen in de Gemeenschap vastgesteld.
28 Bij verordening (EG) nr. 2161/94 van de Commissie van 2 september 1994 tot vaststelling van hoeveelheden voor de invoer van bananen in de Gemeenschap in het vierde kwartaal van 1994 (PB 1994, L 230, blz. 1), heeft de Commissie de hoeveelheden voor de invoer van bananen in de Gemeenschap in het vierde kwartaal van 1994 vastgesteld. In de bijlage bij deze verordening wordt de hoeveelheid traditionele bananen die in de loop van dit kwartaal voor de invoer beschikbaar is, voor Somalië vastgesteld op 60 000 ton.
29 Verordening (EG) nr. 2686/94 van de Raad van 31 oktober 1994 tot instelling van een bijzondere regeling voor bijstand ten behoeve van traditionele ACS-leveranciers van bananen (PB 1994, L 286, blz. 1), noemt Somalië in haar bijlage.
De feiten van het hoofdgeding
30 Somalfruit en Camar zijn ondernemingen die bananen uitvoeren uit Somalië, respectievelijk invoeren in Italië.
31 Op 20 september 1994 vroeg Camar bij de Italiaanse autoriteiten een invoercertificaat aan voor een lading van 533 520 kilo bananen van oorsprong uit Somalië, die in het laatste kwartaal van 1994 in de Italiaanse havens zou aankomen.
32 In zijn mededeling aan de Commissie wees het Italiaanse Ministerie van Buitenlandse handel erop, dat de aanvraag na afloop van de in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1442/93 gestelde termijn was ingediend; het verzocht de Commissie evenwel de aanvraag te mogen inwilligen, gelet op de politieke situatie in Somalië en de geringe omvang van de invoer.
33 Op 3 oktober 1994 bracht de Commissie een negatief advies uit, op grond dat de aanvraag na het verstrijken van de dwingend voorgeschreven termijn was ingediend.
34 Daarop wezen de Italiaanse autoriteiten de aanvraag af.
35 Naar aanleiding van een verzoek in kort geding van Somalfruit en Camar gelastte het Tribunale di Salerno, de bananen in te klaren en tot het vrije verkeer toe te laten tegen een zekerheidstelling als garantie voor de betaling van het douanerecht van 750 ECU per ton, dat geldt voor buiten het contingent ingevoerde niet-traditionele ACS-bananen.
De prejudiciële vragen
36 Derhalve heeft het Tribunale di Salerno besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
"1) Is verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad geldig, voor zover zij een beperking inhoudt van het recht om Somalische bananen in te voeren, dus van het recht van toegang, zoals dat is erkend door de Overeenkomst van Lomé van 15 december 1989 in protocol nr. 5 en in de in bijlage LXXIV bij de overeenkomst opgenomen gemeenschappelijke verklaring, en met name:
a) doordat zij een verschillende invoerregeling instelt voor traditionele bananen, niet-traditionele bananen, en bananen ingevoerd buiten het daartoe vastgestelde contingent, met de daaruit voortvloeiende kwantitatieve beperkingen;
b) doordat zij een invoercertificaat met verplichte zekerheidstelling voorschrijft, welk certificaat niet enkel een statistisch doel heeft en slechts wordt afgegeven op lastige en moeilijk na te komen voorwaarden;
c) doordat zij een douanerecht van 750 ECU per ton voor buiten het tariefcontingent ingevoerde bananen oplegt?
2) Zijn de verordeningen (EEG) nrs. 1442/93 en 1443/93, zoals door latere verordeningen gewijzigd en aangevuld, geldig, voor zover zij het recht van toegang van Somalische bananen, zoals dat door voornoemde overeenkomst en door verordening nr. 404/93 van de Raad is gewaarborgd, onnodig en in een ten opzichte van het gestelde doel buitensporige mate beperken, inperken en verminderen, en met name:
a) doordat zij bepalen dat aanvragen voor invoercertificaten uiterlijk drie maanden en drie weken vóór de betrokken invoer moeten worden ingediend, en de periode voor het indienen van die aanvragen beperken tot slechts vier maal per jaar één week;
b) doordat zij, voor het geval de termijn niet in acht wordt genomen, slechts één sanctie kennen, te weten verval van het recht op invoer voor een heel kwartaal, en niet voorzien in een bijzondere regeling of uitzonderingen voor overmacht, toeval en dergelijke;
c) doordat zij de afgifte van het invoercertificaat afhankelijk stellen van een zekerheidstelling?"
De eerste vraag
37 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of verordening nr. 404/93 verenigbaar is met de Overeenkomst van Lomé en protocol nr. 5, voor zover in deze verordening de vrije toegang van bananen tot de communautaire markt wordt beperkt, doordat daarin onderscheid wordt gemaakt tussen drie verschillende categorieën van importen die douanerechtelijk verschillend worden behandeld, een douanerecht van 750 ECU per ton voor buiten het tariefcontingent ingevoerde bananen wordt opgelegd en de overlegging van een invoercertificaat wordt verlangd, dat slechts wordt afgegeven tegen een zekerheidstelling.
38 De Franse regering, de Raad en de Commissie betogen, dat verzoeksters in het hoofdgeding de wettigheid van de verordening van de Raad niet kunnen betwisten met een beroep op de Overeenkomst van Lomé, daar Somalië deze overeenkomst niet heeft geratificeerd. Zij leiden daaruit af, dat het Hof zich onbevoegd zou moeten verklaren om deze vraag te beantwoorden.
39 Verzoeksters in het hoofdgeding erkennen weliswaar, dat de overeenkomst niet formeel is geratificeerd wegens de interne moeilijkheden in dit land, doch zij merken op, dat de Gemeenschap de Democratische Republiek Somalië als een ACS-staat behandelt.
40 In dit verband zij eraan herinnerd, dat het in het kader van de in artikel 177 van het Verdrag neergelegde samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie onder meer arrest van 15 december 1995, zaak C-415/93, Bosman, Jurispr. 1995, blz. I-4921, r.o. 59).
41 Het Hof kan echter geen uitspraak doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer duidelijk blijkt dat de door de nationale rechter gestelde vraag over de uitlegging of de geldigheid van een communautair voorschrift, geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het geding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is en het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor een nuttig antwoord op de gestelde vragen noodzakelijk zijn (zie onder meer arresten van 12 december 1996, gevoegde zaken C-320/94, C-328/94, C-329/94, C-337/94, C-338/94 en C-339/94, RTI e.a., Jurispr. 1996, blz. I-6471, r.o. 23, en 16 januari 1997, zaak C-134/95, USSL no 47 di Biella, Jurispr. 1997, blz. I-195, r.o. 12). De verwijzingsprocedure moet in een geest van samenwerking worden gevoerd, hetgeen inhoudt, dat de nationale rechter oog dient te hebben voor de aan het Hof opgedragen taak om bij te dragen tot de rechtsbedeling in de Lid-Staten, doch niet om adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken te geven (zie onder meer arresten van 16 juli 1992, zaak C-83/91, Meilicke, Jurispr. 1992, blz. I-4871, r.o. 25, en Bosman, reeds aangehaald, r.o. 60).
42 In casu hebben de prejudiciële vragen evenwel geen betrekking op het probleem van de ratificatie van de Overeenkomst van Lomé door de Democratische Republiek Somalië en op de waarde van de desbetreffende politieke verklaringen, maar op de geldigheid van de verordening van de Raad. De bijlage bij deze verordening, waarin de traditionele hoeveelheid bananen uit ACS-staten wordt vastgesteld, voorziet voor Somalië in een traditionele hoeveelheid van 60 000 ton.
43 De vraag, of de verordening van de Raad verenigbaar is met de Overeenkomst van Lomé, is dus kennelijk niet van hypothetische aard voor de zaak die bij de verwijzende rechter aanhangig is, zodat het Hof bevoegd is, haar te beantwoorden.
44 Wat de geldigheid van de verordening van de Raad betreft, zij eraan herinnerd, dat het Hof in het arrest van 5 oktober 1994 (zaak C-280/93, Duitsland/Raad, Jurispr. 1994, blz. I-4973, r.o. 102) het middel tot nietigverklaring, volgens hetwelk de verordening van de Raad onverenigbaar was met de Overeenkomst van Lomé en protocol nr. 5, heeft afgewezen.
45 De eerste vraag, sub a en c, heeft in wezen betrekking op het verschil in behandeling van traditionele en niet-traditionele importen van ACS-bananen waartegen de Bondsrepubliek Duitsland was opgekomen in zaak C-280/93 (reeds aangehaald). Dienaangaande heeft het Hof vastgesteld, dat, gelet op de invoering van een tariefcontingent, de invoer van bananen uit ACS-staten valt onder artikel 168, lid 2, sub a-ii, van de Overeenkomst van Lomé. Overeenkomstig protocol nr. 5 is de Gemeenschap enkel verplicht, die hoeveelheden bananen met vrijdom van douanerechten toe te laten die in het beste jaar vóór 1991 vanuit elke ACS-staat die een traditioneel leverancier is, daadwerkelijk zijn ingevoerd met een "nulrecht". De bijlagen LXXIV en LXXV bij dit protocol bevestigen trouwens, dat de Gemeenschap met betrekking tot de toegang van bananen uit de ACS-staten tot de gemeenschapsmarkt enkel verplicht is, de voordelen van de ACS-staten van vóór de Overeenkomst van Lomé te handhaven (arrest Duitsland/Raad, reeds aangehaald, r.o. 101).
46 Bovendien is volgens het arrest van 12 december 1995 (zaak C-469/93, Chiquita Italia, Jurispr. 1995, blz. I-4533, r.o. 59) artikel 1 van protocol nr. 5 betreffende bananen als een "standstill"-clausule geformuleerd. Anders gezegd, deze bepaling strekt ertoe, de toegang van bananen van oorsprong uit de ACS-staten tot hun traditionele markten te waarborgen onder voorwaarden en volgens modaliteiten die niet ongunstiger zijn dan bij de inwerkingtreding van de bepaling. Deze waarborg voor bananen van oorsprong uit de ACS-staten geldt evenwel slechts tot het beloop van de hoeveelheden die werden ingevoerd op het ogenblik waarop die bepaling in werking trad.
47 De invoerbeperkingen, zoals deze uit de verordening van de Raad voortvloeien, maken deze verordening dus niet ongeldig.
48 Met betrekking tot de eerste vraag, sub b, die betrekking heeft op de geldigheid van het vereiste van invoercertificaten, die slechts worden afgegeven tegen een zekerheidstelling, is de verwijzende rechter van oordeel, dat dit certificaat niet enkel statistische doeleinden dient en dat de voorwaarden waartegen het wordt afgegeven, moeilijk zijn na te komen. Hij vraagt zich dus af, of artikel 17 van verordening nr. 404/93 verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel.
49 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet bij het onderzoek van de vraag of een bepaling van gemeenschapsrecht in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, worden nagegaan of de aangewende middelen geschikt zijn ter verwezenlijking van het nagestreefde doel en niet verder gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is (zie met name arrest van 9 november 1995, zaak C-426/93, Duitsland/Raad, Jurispr. 1995, blz. I-3723, r.o. 42).
50 Voorts heeft het Hof meermaals geoordeeld, dat wanneer het om de beoordeling van een ingewikkelde situatie gaat, de gemeenschapsinstellingen over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken. Bij zijn controle op de rechtmatige uitoefening van een dergelijke bevoegdheid moet de rechter zich beperken tot de vraag, of er in zoverre geen sprake is geweest van een kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid dan wel of het betrokken gezagsorgaan de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid niet kennelijk heeft overschreden (zie arrest van 17 juli 1997, zaak C-354/95, National Farmer's Union e.a., Jurispr. 1997, blz. I-4559, r.o. 50).
51 Dienaangaande zij opgemerkt, dat de zeventiende overweging van de considerans van verordening nr. 404/93 preciseert, dat het stelsel van invoercertificaten met zekerheidstelling nodig is om toezicht te kunnen houden op de invoer, met name in het kader van het tariefcontingent.
52 Waar deze regeling dient te garanderen dat onder de voorwaarden van verordening nr. 404/93 tijdens de geldigheidsduur van het certificaat aan de verbintenis tot invoer wordt voldaan, is zij een beheersmaatregel voor de tariefcontingenten die nodig is om toezicht op de importen te kunnen uitoefenen in een stelsel van uiteenlopende invoerregelingen.
53 Gelet op een en ander lijkt het vereiste van invoercertificaten, die slechts worden afgegeven tegen een door de verordening voorgeschreven zekerheidstelling, niet verder te gaan dan ter bereiking van het door die verordening nagestreefde doel noodzakelijk is.
54 Mitsdien moet de eerste vraag aldus worden beantwoord, dat bij toetsing van verordening nr. 404/93 aan de Overeenkomst van Lomé, protocol nr. 5 ervan en de in bijlage LXXIV bij de overeenkomst opgenomen gemeenschappelijke verklaring, niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten.
De tweede vraag
55 Met de tweede vraag oppert de verwijzende rechter twijfel omtrent de geldigheid van de verordeningen nrs. 1442/93 en 1443/93 van de Commissie, zoals door latere verordeningen gewijzigd en aangevuld, gelet op verordening nr. 404/93 en de Overeenkomst van Lomé.
56 Om te beginnen zij opgemerkt, dat verordening nr. 1443/93 niet meer van kracht was op het ogenblik waarop de Somalische bananen, bedoeld in het hoofdgeding, werden ingevoerd. Krachtens artikel 1, lid 1, was die verordening immers enkel van toepassing op de invoer van bananen in 1993. Het is voor de beslechting van het hoofdgeding derhalve duidelijk niet ter zake dienend om de bepalingen van verordening nr. 1443/93 op hun geldigheid te toetsen aan verordening nr. 404/93.
57 Bovendien ontbreken nadere bijzonderheden omtrent de andere wijzigings- of aanvullingsverordeningen van de Commissie waarop de verwijzende rechter doelt, zodat het onderzoek van het Hof zich moet beperken tot verordening nr. 1442/93.
58 Met zijn tweede vraag, sub c, vraagt het Tribunale di Salerno zich af, of voor de afgifte van de invoercertificaten een zekerheidstelling als voorwaarde mag worden gesteld.
59 Dienaangaande zij opgemerkt, dat het stellen van een zekerheid in artikel 17, tweede alinea, van verordening nr. 404/93 wordt voorgeschreven. Daar de afgifte van de invoercertificaten tegen een zekerheidstelling door verordening nr. 404/93 en niet door verordening nr. 1442/93 wordt voorgeschreven, is de vraag of laatstgenoemde verordening, wat die voorwaarde betreft, geldig is, gelet op verordening nr. 404/93, eveneens niet relevant.
60 Bijgevolg dienen enkel de in de tweede vraag, sub a en b, bedoelde bepalingen van verordening nr. 1442/93, waarbij de perioden en termijnen voor de indiening van de aanvragen voor invoercertificaten voor bananen worden vastgesteld, op hun geldigheid aan verordening nr. 404/93 te worden getoetst.
61 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of verordening nr. 1442/93, vergeleken met de Overeenkomst van Lomé en verordening nr. 404/93, niet een te restrictieve regeling voor de toegang van Somalische bananen tot de gemeenschapsmarkt heeft ingesteld.
62 Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan de Raad zich genoopt zien, de Commissie op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid een ruime uitvoeringsbevoegdheid te laten, aangezien de Commissie als enige in staat is, de ontwikkeling van de landbouwmarkten voortdurend en nauwlettend te volgen en de spoedmaatregelen te treffen die de situatie vereist (zie met name arresten van 30 oktober 1975, zaak 23/75, Rey Soda, Jurispr. 1975, blz. 1279, r.o. 11, en 25 juni 1997, zaak C-285/94, Italië/Commissie, Jurispr. 1997, blz. I-3519, r.o. 22). De grenzen van die bevoegdheid moeten met name worden bepaald aan de hand van de wezenlijke algemene doelstellingen van de marktordening (zie arresten van 29 juni 1989, zaak 22/88, Vreugdenhil e.a., Jurispr. 1989, blz. 2049, r.o. 16, en 17 oktober 1995, zaak C-478/93, Nederland/Commissie, Jurispr. 1995, blz. I-3081, r.o. 30).
63 Artikel 20 van verordening nr. 404/93 preciseert, dat de Commissie volgens de procedure van het beheerscomité voor bananen de bepalingen ter uitvoering van de regeling voor het handelsverkeer met derde landen vaststelt. Het bepaalt uitdrukkelijk, dat deze uitvoeringsbepalingen met name betrekking kunnen hebben op de aanvullende maatregelen voor de afgifte van de certificaten, de geldigheidsduur daarvan, alsmede op de frequentie van de afgifte van die certificaten. Verordening nr. 1442/93 heeft dus tot doel, de bepalingen tot toepassing van de regeling voor de invoer van verse bananen als bedoeld in titel IV van verordening nr. 404/93, vast te stellen.
64 Ingevolge artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1442/93 verstrijkt de termijn voor indiening van de invoercertificaataanvragen drie weken vóór het kwartaal waarop het aangevraagde invoercertificaat betrekking heeft. Een marktdeelnemer die een invoercertificaataanvraag voor een kwartaal te laat bij de bevoegde autoriteit indient, verliest de mogelijkheid om tijdens het betrokken kwartaal bananen in te voeren in het kader van het tariefcontingent, met dien verstande evenwel dat hij, gelet op de in artikel 11, lid 2, van die verordening vastgestelde geldigheidsduur van de certificaten, nog bananen kan afzetten tot de zevende dag na het kwartaal waarvoor hij invoercertificaten heeft gekregen.
65 In een dergelijk geval wordt aan de marktdeelnemer niettemin nog wel een jaarlijkse referentiehoeveelheid toegewezen en kan hij verzoeken, dat de niet-gebruikte hoeveelheden weer aan hem worden toegewezen in het volgende kwartaal. Hij kan dus in de volgende kwartalen hoeveelheden bananen afzetten ten belope van zijn individuele referentiehoeveelheid, behoudens dat de marktdeelnemer overeenkomstig artikel 1, lid 3, van verordening nr. 404/93, volgens hetwelk het verkoopseizoen loopt van 1 januari tot en met 31 december, wanneer hij met betrekking tot het laatste kwartaal de termijn voor indiening van een invoercertificaataanvraag niet in acht neemt, geen enkele mogelijkheid meer heeft om na 31 december het resterend gedeelte van zijn jaarlijkse referentiehoeveelheid af te zetten.
66 Evenzo kan de marktdeelnemer die in het laatste kwartaal bepaalde hoeveelheden bananen, waarvoor een invoercertificaat is verleend, niet heeft gebruikt, het niet-gebruikte gedeelte van zijn referentiehoeveelheid niet meer afzetten.
67 Evenwel dient te worden vastgesteld, dat uit de beschrijving van de modaliteiten voor de afgifte van de invoercertificaten blijkt, dat de opsplitsing in vier kwartalen van de procedure voor de invoer van bananen, zonder dat deze gepaard gaat met het definitieve verval van de rechten van de marktdeelnemers, onder de bevoegdheid van de Commissie valt om de voorwaarden voor de toegang van bananen van oorsprong uit derde landen tot de Gemeenschap aan te passen, zonder deze evenwel te beperken. De niet-inachtneming van bepaalde data voor de indiening van een certificaataanvraag of voor het verrichten van de importen op basis van de afgegeven certificaten, heeft immers niet tot gevolg dat alle mogelijkheden om de jaarlijks aan elke marktdeelnemer toegewezen hoeveelheid bananen af te zetten, tenietgaan.
68 Niets wettigt dus de conclusie, dat de afgifte van invoercertificaten per kwartaal en voor beperkte periodes, ter verzekering van de goede afzet van bananen in de Gemeenschap in de loop van het verkoopseizoen, indruist tegen de Overeenkomst van Lomé of verordening nr. 404/93.
69 Bijgevolg moet de tweede vraag aldus worden beantwoord, dat bij toetsing van de verordening van de Commissie aan de Overeenkomst van Lomé en verordening nr. 404/93 niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
70 De kosten door de Franse en de Italiaanse regering, alsmede door de Raad en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunale di Salerno bij beschikking van 12 oktober 1995 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Bij toetsing van verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen, aan de op 15 december 1989 te Lomé ondertekende vierde ACS-EEG-overeenkomst die is goedgekeurd bij besluit 91/400/EGKS, EEG van de Raad en de Commissie van 25 februari 1991, is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten.
2) Bij toetsing van verordening (EEG) nr. 1442/93 van de Commissie van 10 juni 1993 houdende bepalingen ter toepassing van de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap, aan de vierde ACS-EEG-overeenkomst en aan verordening nr. 404/93 is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten.
Full & Egal Universal Law Academy