Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Internationale overeenkomsten - Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Vrij verkeer van personen - Werknemers - Recht van Turkse onderdanen, na één jaar legale arbeid, op verlenging van verblijfsvergunning - Voorwaarden - Uitoefening van legale arbeid, gedurende ononderbroken periode van één jaar, in dienst van één en dezelfde werkgever
(Besluit nr. 1/80 van Associatieraad EEG-Turkije, art. 6, lid 1, eerste streepje)
Samenvatting
Artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije moet aldus worden uitgelegd, dat het voor de verlenging van de verblijfsvergunning van een Turkse werknemer in de Lid-Staat van ontvangst vereist, dat deze gedurende een ononderbroken periode van één jaar legale arbeid in dienst van één en dezelfde werkgever heeft verricht.
In de eerste plaats is voormelde bepaling, die voor het recht op verlenging van de werkvergunning bij dezelfde werkgever een ononderbroken werkzaamheid van één jaar verlangt en die inhoudt, dat de betrokkene een recht van verblijf geniet waardoor hij zijn arbeid daadwerkelijk kan uitoefenen, immers gebaseerd op de vooronderstelling, dat alleen een contractuele betrekking die gedurende een periode van één jaar blijft bestaan, een arbeidsbetrekking vormt die duurzaam genoeg is om de Turkse werknemer de continuïteit van zijn tewerkstelling bij dezelfde werkgever te garanderen.
In de tweede plaats zou de coherentie van het stelsel van geleidelijke integratie van de Turkse werknemer in de arbeidsmarkt van de Lid-Staat van ontvangst, zoals dat in artikel 6, lid 1, eerste tot en met derde streepje is neergelegd, worden verstoord, indien de betrokkene reeds vóór hij aan de in lid 1, eerste streepje, bedoelde voorwaarde van één jaar legale arbeid voldoet, recht had om bij een andere werkgever in dienst te treden, terwijl de Turkse werknemer volgens het tweede streepje van dit lid pas na drie jaar legale arbeid in de betrokken Lid-Staat in dienst van een andere werkgever mag treden, op voorwaarde dat deze werkgever tot dezelfde beroepsgroep behoort als de vorige werkgever en de voorrang eerbiedigt die aan werknemers van de Lid-Staten moet worden verleend.
Partijen
In zaak C-386/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
S. Eker
en
Land Baden-Württemberg,
in aanwezigheid van de Oberbundesanwalt beim Bundesverwaltungsgericht en van de Vertreter des öffentlichen Interesses bei den Gerichten der allgemeinen Verwaltungsgerichtsbarkeit in Baden-Württemberg,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, J. L. Murray, P. J. G. Kapteyn, H. Ragnemalm en R. Schintgen (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. B. Elmer
griffier: L. Hewlett, administrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- S. Eker, vertegenwoordigd door R. Becker, advocaat te Titisee-Neustadt,
- het Land Baden-Württemberg, vertegenwoordigd door W. Scheifele, Oberregierungsrat (Landratsamt Waldshut), als gemachtigde,
- de Vertreter des öffentlichen Interesses bei den Gerichten der allgemeinen Verwaltungsgerichtsbarkeit in Baden-Württemberg, vertegenwoordigd door H. Fliegauf, leitender Oberlandesanwalt, als gemachtigde,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde,
- de Griekse regering, vertegenwoordigd door A. Samoni-Rantou, assistent bijzonder juridisch adviseur bij de bijzondere dienst Communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door L. Pnevmatikou en G. Karipsiadis, gespecialiseerde wetenschappelijke medewerkers bij die dienst,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en C. Chavance, secretaris Buitenlandse zaken bij die directie, als gemachtigden,
- de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door W. Okresek, Ministerialrat bij het Bundeskanzleramt-Verfassungsdienst, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Sack, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van S. Eker, de Vertreter des öffentlichen Interesses bei den Gerichten der allgemeinen Verwaltungsgerichtsbarkeit in Baden-Württemberg, de Duitse regering, de Franse regering en de Commissie, ter terechtzitting van 30 januari 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 maart 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 29 september 1995, binnengekomen bij het Hof op 11 december daaraanvolgend, heeft het Bundesverwaltungsgericht krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (hierna: "besluit nr. 1/80"). De Associatieraad is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, die op 12 september 1963 te Ankara door de Turkse Republiek enerzijds en door de Lid-Staten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds is ondertekend, en die bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, blz. 3685) namens de Gemeenschap is gesloten, goedgekeurd en bekrachtigd.
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen S. Eker, Turks onderdaan, en het Land Baden-Württemberg over de weigering om de verblijfsvergunning van Eker in Duitsland te verlengen.
3 Blijkens het dossier van het hoofdgeding kwam Eker op 1 december 1988 illegaal Duitsland binnen en werd hij op 13 februari 1989 het land uitgezet.
4 Op 17 januari 1991 huwde Eker in Turkije een Duits onderdaan en op 6 april daaraanvolgend keerde hij met een inreisvergunning naar Duitsland terug.
5 Op 17 april 1991 verkreeg hij een arbeidsvergunning zonder geografische beperking en voor alle soorten werkzaamheden en vervolgens, op 24 juli 1991, een op 24 juli 1992 aflopende verblijfsvergunning.
6 Van 15 juni tot en met 30 september 1991 was Eker in loondienst werkzaam in een hotel te Schluchsee (Duitsland).
7 Vervolgens werkte hij van 1 oktober 1991 tot en met 15 november 1992 in een kuur- en revalidatiecentrum te Höchenschwand (Duitsland). Op 1 februari 1993 hervatte hij deze werkzaamheid.
8 Volgens Eker zijn de echtgenoten op 24 juli 1991 uit elkaar gegaan. In april 1992 bevestigde hij, dat een echtscheidingsprocedure was ingeleid.
9 Op 22 juli 1992 verzocht Eker om verlenging van zijn verblijfsvergunning in Duitsland.
10 Het Landratsamt Waldshut verstrekte hem daarop een tot en met 11 augustus 1992 geldige verklaring, doch wees hem erop, dat het van plan was zijn aanvraag af te wijzen. Bij beschikking van 12 augustus 1992 wees het Landratsamt Ekers aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning af en gelastte het hem het Duitse grondgebied te verlaten om te voorkomen dat hij zou worden uitgezet.
11 Het door Eker tegen deze beschikking ingestelde beroep werd in eerste aanleg toegewezen, doch in hoger beroep bij arrest van het Verwaltungsgerichtshof Baden-Württemberg van 30 november 1994 verworpen. Laatstgenoemde rechterlijke instantie oordeelde in de eerste plaats, dat het Duitse recht geen grondslag biedt voor een autonoom verblijfsrecht van een Turks onderdaan die van zijn Duitse echtgenote gescheiden is. Voorts kon Eker zich niet op artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 beroepen, omdat deze bepaling verlangt, dat de Turkse werknemer gedurende één jaar legaal bij dezelfde werkgever werkzaam is geweest, aan welke voorwaarde de betrokkene op de datum van afloop van zijn verblijfsvergunning niet voldeed.
12 Eker stelde daarop "Revision" in bij het Bundesverwaltungsgericht en voerde aan, dat artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 slechts verlangt, dat de verlenging van de arbeids- en verblijfsvergunning wordt aangevraagd teneinde bij dezelfde werkgever te werken en dat hij op het moment van de indiening van zijn aanvraag aan die voorwaarde voldeed.
13 Ofschoon het Bundesverwaltungsgericht vaststelde, dat de weigering om de verblijfsvergunning te verlengen in overeenstemming met het Duitse recht was, vroeg het zich af, of uit artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 geen gunstiger beslissing voor Eker kon voortvloeien.
14 Artikel 6, lid 1, dat in hoofdstuk II (Sociale bepalingen), deel 1 (Arbeidsmarktvraagstukken en vraagstukken in verband met het vrije verkeer van werknemers), van besluit nr. 1/80 staat, luidt als volgt:
"Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behoort:
- na één jaar legale arbeid in die Lid-Staat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;
- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de Lid-Staten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die Lid-Staat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die Lid-Staat;
- na vier jaar legale arbeid, in die Lid-Staat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze."
15 Het Bundesverwaltungsgericht vraagt zich in dit verband af, of de Turkse werknemer krachtens artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 slechts aanspraak op verlenging van zijn arbeids- en verblijfsvergunning kan maken, indien hij gedurende een ononderbroken periode van één jaar legaal bij dezelfde werkgever werkzaam is geweest, dan wel of het voor de toepassing van deze bepaling volstaat, dat de werknemer gedurende één jaar ononderbroken en met een geldige arbeids- en verblijfsvergunning in loondienst werkzaam is geweest bij verschillende werkgevers en hij zijn werk bij zijn laatste werkgever wenst voort te zetten.
16 Van oordeel, dat de beslechting van het geding uitlegging van deze bepaling vergde, heeft het Bundesverwaltungsgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
"Voldoet een Turkse werknemer ook aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije wanneer hij gedurende het eerste jaar van tewerkstelling met toestemming van de nationale autoriteiten weliswaar ononderbroken, doch bij verschillende werkgevers werkzaam was en hij het dienstverband bij zijn laatste werkgever wil voortzetten?"
17 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd, dat het voor de verlenging van de verblijfsvergunning van een Turkse werknemer in de Lid-Staat van ontvangst vereist dat deze gedurende een ononderbroken periode van één jaar legaal werkzaam is geweest bij één en dezelfde werkgever, dan wel of deze bepaling enkel verlangt, dat hij gedurende één jaar ononderbroken en met een geldige arbeids- en verblijfsvergunning werkzaam is geweest, zij het in dienst van verschillende werkgevers, voor zover de betrokkene de verlenging van zijn verblijfsvergunning vraagt teneinde te blijven werken bij de werkgever bij wie hij over een arbeidsplaats beschikt.
18 Voor de beantwoording van deze vraag moet allereerst worden beklemtoond, dat het Hof sinds het arrest van 20 september 1990 (zaak C-192/89, Sevince, Jurispr. 1990, blz. I-3461) steeds heeft geoordeeld, dat artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 rechtstreekse werking heeft in de Lid-Staten, zodat Turkse onderdanen die aan de voorwaarden van dat artikel voldoen, zich rechtstreeks kunnen beroepen op de hun bij de diverse onderdelen van die bepaling verleende rechten (zie, laatstelijk, arrest van 23 januari 1997, zaak C-171/95, Tetik, Jurispr. 1997, blz. I-329, r.o. 22).
19 In de tweede plaats is het vaste rechtspraak, dat de rechten die de drie onderdelen van artikel 6, lid 1, op het vlak van werkgelegenheid aan de Turkse werknemers verlenen, noodzakelijkerwijs inhouden, dat de belanghebbende een recht van verblijf heeft, omdat anders het recht van toegang tot de arbeidsmarkt en het verrichten van arbeid elke inhoud zou verliezen (zie, laatstelijk, arrest Tetik, reeds aangehaald, r.o. 24).
20 In de derde plaats moet worden opgemerkt, dat de Turkse werknemer, om recht te hebben op verlenging van zijn arbeidsvergunning, volgens artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 eerst voor de duur van één jaar legaal werkzaam moet zijn geweest, zonder dat echter wordt gepreciseerd, of het moet gaan om een periode van tewerkstelling in dienst van de werkgever met betrekking tot dewelke de verlenging van de arbeidsvergunning wordt gevraagd, dan wel of het om een cumulatieve periode van tewerkstelling bij verschillende werkgevers mag gaan.
21 Vaststaat, dat de drie onderdelen van artikel 6, lid 1, de Turkse werknemer rechten verlenen die variëren en die zijn onderworpen aan voorwaarden die verschillen naar gelang van de duur van de periode tijdens welke de belanghebbende in de betrokken Lid-Staat legale arbeid heeft verricht (zie, laatstelijk, arrest Tetik, reeds aangehaald, r.o. 23).
22 In de eerste plaats moet worden overwogen dat, waar artikel 6, lid 1, eerste streepje, voor het recht op verlenging van de arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever een ononderbroken arbeidsduur van één jaar verlangt, het is gebaseerd op de vooronderstelling, dat alleen een contractuele betrekking die gedurende een periode van één jaar blijft bestaan, een arbeidsbetrekking vormt die duurzaam genoeg is om de Turkse werknemer de continuïteit van zijn tewerkstelling bij dezelfde werkgever te garanderen.
23 In de tweede plaats zou de coherentie van het stelsel van geleidelijke integratie van de Turkse werknemer in de arbeidsmarkt van de Lid-Staat van ontvangst, zoals dat in de drie onderdelen van artikel 6, lid 1, is neergelegd, worden verstoord, indien de betrokkene reeds vóór hij aan de in lid 1, eerste streepje, bedoelde voorwaarde van één jaar legale arbeid voldoet, recht had om bij een andere werkgever in dienst te treden. Volgens het tweede streepje van dit lid mag de Turkse werknemer immers pas na drie jaar legale arbeid in de betrokken Lid-Staat in dienst van een andere werkgever treden, op voorwaarde dat deze werkgever tot dezelfde beroepsgroep behoort als de vorige werkgever en de voorrang eerbiedigt die aan werknemers van de Lid-Staten moet worden verleend.
24 Onder deze omstandigheden kan artikel 6, lid 1, eerste streepje, waarin noch het recht van de betrokkene om een andere werkgever te kiezen noch het voorbehoud van het tweede streepje van deze bepaling is opgenomen, niet aldus worden opgevat, dat de Turkse werknemer aan de voorwaarden ervan kan voldoen en zich dus op de daarin verleende rechten kan beroepen, wanneer hij vóór afloop van het eerste jaar van legale arbeid bij een bepaalde werkgever in dienst van een nieuwe werkgever treedt.
25 Hieruit volgt, dat in een geval als het hoofdgeding, waarin de bevoegde nationale autoriteiten de Turkse werknemer toestemming hebben verleend om van werkgever te veranderen vóór hij één jaar legale arbeid had verricht bij de eerste werkgever met betrekking tot dewelke de arbeids- en de verblijfsvergunning waren verleend, het recht op verlenging van die vergunningen, waarin artikel 6, lid 1, eerste streepje voorziet, pas ontstaat na afloop van een nieuwe periode van één jaar legale arbeid.
26 Deze uitleg wordt bevestigd door de rechtspraak van het Hof.
27 In het arrest van 5 oktober 1994 (zaak C-355/93, Eroglu, Jurispr. 1994, blz. I-5113) heeft het Hof artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 immers reeds aldus uitgelegd, dat het een Turkse onderdaan geen recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij zijn eerste werkgever verleent, wanneer hij meer dan één jaar in dienst van die werkgever en vervolgens gedurende ongeveer tien maanden in dienst van een andere werkgever heeft gewerkt.
28 In hetzelfde arrest heeft het Hof beklemtoond, dat deze bepaling enkel de continuïteit van de tewerkstelling bij dezelfde werkgever beoogt te garanderen en dus slechts van toepassing is wanneer de Turkse werknemer om verlenging van zijn arbeidsvergunning verzoekt om na het eerste jaar van legale arbeid bij dezelfde werknemer te blijven werken (r.o. 13).
29 Indien de toepassing van deze bepaling, aldus het Hof, werd uitgebreid tot een Turkse werknemer die na één jaar legale arbeid van werkgever is veranderd en die nadien om verlenging van zijn arbeidsvergunning verzoekt om weer in het bedrijf van zijn eerste werkgever te kunnen gaan werken, zou enerzijds die werknemer op grond van die bepaling vóór het verstrijken van de in het tweede streepje bepaalde termijn van drie jaar van werkgever kunnen veranderen, en zouden anderzijds de werknemers uit de Lid-Staten de hun bij dat streepje verleende voorrang verliezen wanneer de Turkse werknemer van werkgever verandert (r.o. 14).
30 Ofschoon de feiten in die zaak in zoverre verschilden van die van het hoofdgeding, dat Eroglu na afloop van één jaar legale arbeid in de Lid-Staat van ontvangst van werkgever was veranderd en om verlenging van haar arbeidsvergunning had verzocht teneinde opnieuw bij haar eerste werkgever te gaan werken, moet de door het Hof in dat arrest aan artikel 6, lid 1, eerste streepje, gegeven uitlegging des te meer gelden in een geval als dat van Eker, waarin de Turkse werknemer vóór het verstrijken van het eerste jaar van tewerkstelling in de betrokken Lid-Staat van werkgever is veranderd en om verlenging van zijn verblijfsvergunning verzoekt teneinde zijn werk in dienst van zijn nieuwe werkgever voort te zetten nog vóór hij bij deze werkgever één jaar legaal werkzaam is geweest.
31 Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd, dat het voor de verlenging van de verblijfsvergunning van een Turkse werknemer in de Lid-Staat van ontvangst vereist dat deze gedurende een ononderbroken periode van één jaar legale arbeid in dienst van één en dezelfde werkgever heeft verricht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 De kosten door de Duitse, de Griekse, de Franse en de Oostenrijkse regering alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesverwaltungsgericht bij beschikking van 29 september 1995 gestelde prejudiciële vraag, verklaart voor recht:
Artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, moet aldus worden uitgelegd, dat het voor de verlenging van de verblijfsvergunning van een Turkse werknemer in de Lid-Staat van ontvangst vereist dat deze gedurende een ononderbroken periode van één jaar legale arbeid in dienst van één en dezelfde werkgever heeft verricht.
Full & Egal Universal Law Academy