Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Hogere voorziening ° Middelen ° Verkeerde beoordeling van feiten ° Niet-ontvankelijkheid ° Afwijzing
(EG-Verdrag, art. 168 A; 's Hofs Statuut-EG, art. 51)
2. Hogere voorziening ° Middelen ° Verkeerde beoordeling van regelmatig overgelegde bewijzen ° Niet-ontvankelijkheid ° Afwijzing
(' s Hofs Statuut-EG, art. 51)
Samenvatting
1. Volgens artikel 168 A EG-Verdrag is de hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen. Deze beperking wordt gepreciseerd in artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG.
De hogere voorziening kan dus slechts worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling, en is derhalve slechts ontvankelijk, voor zover het verzoekschrift erover klaagt, dat het Gerecht uitspraak heeft gedaan onder miskenning van rechtsregels waarvan het de eerbiediging had te verzekeren.
2. In het kader van een hogere voorziening is het Hof, evenals ten aanzien van de vaststelling van de feiten, in beginsel niet bevoegd om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht tot staving van die feiten in aanmerking heeft genomen. Wanneer die bewijzen regelmatig zijn verkregen en de rechtsregels en algemene beginselen inzake de bewijslast en de procedureregels inzake de bewijsvoering zijn gerespecteerd, staat het immers enkel aan het Gerecht te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem overgelegde bewijzen.
Partijen
In zaak C-89/95 P,
D, voormalig ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Boigelot, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van L. Schiltz, advocaat aldaar, Rue du Fort Rheinsheim 2,
requirant,
betreffende hogere voorziening tegen het op 26 januari 1995 door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vierde kamer) in zaak T-549/93 gewezen arrest tussen D en de Commissie (JurAmbt 1995, blz. II-43), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. M. Alves Vieira, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, P. Jann (rapporteur) en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: M. B. Elmer
griffier: R. Grass
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij een op 24 maart 1995 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft D krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige artikelen van 's Hofs Statuut-EGKS en 's Hofs Statuut-EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van 26 januari 1995 (zaak T-549/93, D/Commissie, JurAmbt 1995, blz. II-43) houdende verwerping van zijn beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 30 september 1993 waarbij jegens hem de in artikel 86, lid 2, sub f, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen genoemde tuchtmaatregel van tuchtrechtelijk ontslag zonder intrekking of vermindering van het recht op ouderdomspensioen was getroffen.
2 Met betrekking tot de aan het geschil tussen D en de Commissie ten grondslag liggende feiten stelt het Gerecht vast:
"1 Op 28 april 1988 werd verzoeker aangesteld tot hoofd van de delegatie van de Commissie voor de Stille Oceaan, gevestigd op F., waar hij zijn ambt uitoefende tot november 1991. Vanaf 1 december 1991 bekleedde verzoeker het ambt van hoofd van de delegatie van de Commissie in Zambia. Voordien had hij het ambt van adviseur en later van hoofd van een delegatie van de Commissie uitgeoefend in verschillende landen.
2 Tijdens een onderzoek dat de algemene inspectie van de delegaties van de Commissie in februari 1993 bij de delegatie op F. verrichtte, werden de inspecteurs in kennis gesteld van een aantal klachten jegens verzoeker betreffende de periode waarin deze het ambt van hoofd van de delegatie had uitgeoefend. Deze klachten [zie het rapport van de inspecteurs Wolff en Long (bijlage 3 bij het verweerschrift) en de verklaringen van de dames M., C. en T. aan de inspecteurs (bijlage 4 bij het verweerschrift)] betroffen voornamelijk sexuele intimidatie waarvan vrouwelijke personeelsleden het slachtoffer zouden zijn geweest, en administratieve onregelmatigheden, met name ongerechtvaardigde en discriminerende betalingen aan bepaalde personeelsleden en, in het algemeen, onbehoorlijk en abusief beheer van het personeel en de goederen van de Commissie.
3 Op 4 mei 1993 deelde de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen beheer (...), in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, verzoeker mee, dat een tuchtprocedure tegen hem was ingeleid.
4 Na verzoeker op 26 mei 1993 te hebben gehoord, schorste het tot aanstelling bevoegd gezag hem krachtens artikel 88 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: 'Statuut' ) zonder verlies bezoldiging, bij besluit van 28 mei 1993.
5 Op 2 juni 1993 belastte het tot aanstelling bevoegd gezag een adviseur bij het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer met de taak 'namens (dit gezag) de getuigen te horen die zich hebben aangemeld en die zich op F. bevinden, en een onderzoek ter plaatse te verrichten' . De klaagsters en andere plaatselijke functionarissen werden in de periode van 7 tot 13 juni 1993 gehoord. In de periode van 18 juni tot 2 juli 1993 werden andere ambtenaren en personeelsleden die in het verleden met verzoeker hadden samengewerkt, eveneens ondervraagd.
6 Na verzoeker op 29 juni 1993 van zijn voornemen in kennis te hebben gesteld, bracht het tot aanstelling bevoegd gezag de zaak voor de tuchtraad bij een rapport van 9 juli 1993 (bijlage 5 bij het verweerschrift). In dit rapport werd verzoeker verweten, vrouwelijke plaatselijke functionarissen van de delegatie van de Commissie op F. sexueel te hebben geïntimideerd tijdens de periode waarin hij aan het hoofd stond van die delegatie. Het rapport gaat voorbij aan de eerder aangevoerde 'ernstige administratieve onregelmatigheden' . Het tot aanstelling bevoegd gezag verklaart, dat het (...), 'gelet op de aard van die aantijgingen en de daarvoor aangedragen bewijzen, zijns inziens niet opportuun is deze aangelegenheid op dit ogenblik aan de tuchtraad voor te leggen' .
7 In zijn advies van 27 juli 1993 geeft de tuchtraad, na kennis te hebben genomen van alle stukken en na verzoeker, bijgestaan door diens advocaat, en de inspecteur van de Commissie te hebben gehoord, het tot aanstelling bevoegd gezag in overweging, 'jegens de heer D de in artikel 86, lid 2, sub f, van het Statuut genoemde tuchtmaatregel, te weten tuchtrechtelijk ontslag zonder intrekking van het recht op ouderdomspensioen, te treffen' . Tijdens zijn verhoor door de tuchtraad vroeg verzoeker om een aanvullend onderzoek op tegenspraak, dat met name een confrontatie met de drie klaagsters en een medische expertise diende te omvatten. De tuchtraad wees dit verzoek af.
8 Na verzoeker op 29 juli 1993 opnieuw te hebben gehoord, liet het tot aanstelling bevoegd gezag hem bij nota van 30 juli 1993 weten, dat het 'ingaat op [zijn] verzoek (...) om een confrontatie met elk van de klaagsters te organiseren, alvorens enig besluit te nemen met betrekking tot de [tegen hem] ingeleide tuchtprocedure. Het resultaat van die confrontaties, die in de komende weken zullen plaatsvinden, zullen het advies van de tuchtraad van 27 juli 1993 aanvullen en bij het dossier worden gevoegd.'
9 De confrontatie van verzoeker met de drie klaagsters, bijgestaan door hun respectieve advocaten, vond op 7 september 1993 plaats voor een gemachtigde van het tot aanstelling bevoegd gezag.
10 Op 15 september 1993 hoorde het tot aanstelling bevoegd gezag verzoeker een laatste keer, overeenkomstig artikel 7 van bijlage IX bij het Statuut.
11 Aan het einde van deze procedure trof het tot aanstelling bevoegd gezag bij besluit van 30 september 1993 jegens verzoeker de tuchtmaatregel van tuchtrechtelijk ontslag zonder intrekking van het recht op ouderdomspensioen per 1 december 1993. In zijn besluit oordeelde het tot aanstelling bevoegd gezag, zakelijk weergegeven, dat de aan verzoeker ten laste gelegde handelingen, zoals die in de verklaringen van de slachtoffers zijn beschreven, een zeer zware fout en een misdrijf van gemeen recht opleveren, waarvoor noch verzoekers gezondheidstoestand noch enige andere omstandigheid een verschoningsgrond kan opleveren."
3 Bij een op 25 oktober 1993 neergelegd verzoekschrift heeft requirant een beroep ingesteld bij het Gerecht. Bij besluit van 23 februari 1994 heeft het tot aanstelling bevoegd gezag zijn klacht uitdrukkelijk afgewezen. Bij arrest van 26 januari 1995 heeft het Gerecht het beroep verworpen.
4 In zijn hogere voorziening tegen dit arrest vordert requirant, dat het Hof het arrest van het Gerecht vernietigt en, bij wege van toewijzing van zijn aanvankelijk beroep, het besluit van de Commissie van 30 september 1993 en het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 23 februari 1994 nietig verklaart en bijgevolg voor recht verklaart, dat verweerster hem ter enkele uitvoering van het te wijzen arrest in zijn ambt, rang, salaristrap en salaris moet herplaatsen met terugwerkende kracht tot de datum van inwerkingtreding van het bestreden besluit, verweerster veroordeelt hem al zijn salarisachterstallen, daaronder begrepen de voordelen die hem sedert 1 december 1993 tot aan de datum van het te wijzen arrest verschuldigd waren, vermeerderd met de wettelijke interest van 8 % per jaar vanaf de vervaldag van elke bezoldiging, te betalen en verweerster in ieder geval in de kosten van beide instanties te verwijzen.
5 In haar opmerkingen over de hogere voorziening geeft de Commissie als haar mening te kennen, dat deze hogere voorziening niet-ontvankelijk of althans ongegrond is.
6 Volgens artikel 119 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof de hogere voorziening op ieder moment zonder mondelinge behandeling afwijzen wanneer deze hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
7 Tot staving van zijn hogere voorziening voert requirant twee middelen aan.
Het eerste middel
8 In zijn eerste middel verwijt requirant het Gerecht, te hebben geoordeeld dat de hem ten laste gelegde sexuele intimidatie was bewezen. Volgens requirant rechtvaardigden de beschikbare getuigenverklaringen die conclusie niet. Het door de Commissie voorgelegde dossier bevatte in feite slechts de klachten van de slachtoffers en verklaringen van andere personen, die erkennen geen getuige te zijn geweest van de gestelde feiten. Het arrest verwart vooral "de klacht en het bewijs" doordat daarin wordt overwogen, dat de verklaringen van de slachtoffers, die uiteraard niet onpartijdig zijn, een afdoende bewijs zijn van het bestaan van de betrokken handelingen. Uit aanbeveling 92/131/EEG van de Commissie van 27 november 1991 betreffende de bescherming van de waardigheid van vrouwen en mannen op het werk, inzonderheid de bijlage houdende een gedragscode inzake maatregelen tegen sexuele intimidatie (PB 1992, L 49, blz. 1), blijkt overigens, dat het bewijs van sexuele intimidatie in elk geval los van de klachten moet worden geleverd.
9 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat, anders dan requirant stelt, die gedragscode niet aldus kan worden uitgelegd, dat hij verbiedt de verklaringen van een klagende partij als bewijselement in aanmerking te nemen. Degene die de waarachtigheid van de gestelde feiten moet nagaan, oordeelt immers soeverein, of de bij hem aangedragen elementen een afdoende bewijs vormen.
10 In dit verband volstaat de vaststelling, dat blijkens de rechtsoverwegingen 69 tot en met 72 van het bestreden arrest het Gerecht zich overduidelijk niet enkel heeft gebaseerd op de verklaringen van de drie slachtoffers van verzoekers gedrag, maar ook op het feit dat die verklaringen driemaal zijn afgelegd en op alle punten overeenstemmen en dat die drie personen tegelijkertijd over hetzelfde soort gedrag hebben geklaagd, alsmede op een aantal getuigenverklaringen van personen die hadden vastgesteld hoe ontsteld de vrouwen waren nadat zij door verzoeker waren geïntimideerd, en die dienaangaande andere opmerkingen hebben kunnen maken.
11 Derhalve kan aan het Gerecht niet worden verweten, dat het de regels en algemene rechtsbeginselen inzake de bewijslast heeft geschonden. Dit onderdeel van het eerste middel van requirant is dus kennelijk ongegrond.
12 Met betrekking tot de rest van het betoog van requirant, te weten verkeerde beoordeling van de bewijzen door het Gerecht, dient eraan te worden herinnerd, dat volgens artikel 168 A EG-Verdrag en de overeenkomstige bepalingen van het EGKS-Verdrag en het EGA-Verdrag, de hogere voorziening tot rechtsvragen is beperkt. Deze beperking wordt gepreciseerd in artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG en in de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuut-EGKS en 's Hofs Statuut-EGA.
13 Verder dient eraan te worden herinnerd, dat het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, dat hogere voorziening slechts kan worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling, en derhalve slechts ontvankelijk is, voor zover het verzoekschrift erover klaagt, dat het Gerecht uitspraak heeft gedaan onder miskenning van rechtsregels waarvan het de eerbiediging had te verzekeren (zie arresten van 1 oktober 1991, zaak C-283/90 P, Vidrányi, Jurispr. 1991, blz. I-4339, r.o. 12 en 13; 8 april 1992, zaak C-346/90 P, F., Jurispr. 1992, blz. I-2691, r.o. 7; 2 maart 1994, zaak C-53/92 P, Hilti, Jurispr. 1994, blz. I-667, r.o. 10, en 1 juni 1994, zaak C-136/92 P, Brazzelli Lualdi e.a., Jurispr. 1994, blz. I-1981, r.o. 48).
14 In het kader van een hogere voorziening is het Hof, evenals ten aanzien van de vaststelling van de feiten, in beginsel niet bevoegd om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht tot staving van die feiten in aanmerking heeft genomen. Wanneer die bewijzen regelmatig zijn verkregen en de rechtsregels en algemene beginselen inzake de bewijslast en de procedureregels inzake de bewijsvoering zijn gerespecteerd, staat het immers enkel aan het Gerecht te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijsmiddelen (zie onder meer het arrest Brazzelli Lualdi, reeds aangehaald, r.o. 66).
15 Aangezien het Hof dus niet bevoegd is om de beoordeling door het Gerecht te toetsen, moet het betoog dat requirant dienaangaande in zijn eerste middel heeft gevoerd, als kennelijk niet-ontvankelijk worden afgewezen.
Het tweede middel
16 In zijn tweede middel verwijt requirant het Gerecht, inbreuk te hebben gemaakt op de algemene rechtsbeginselen volgens welke tuchtzaken onpartijdig moeten worden onderzocht en het recht van verweer volledig en strikt moet worden geëerbiedigd.
17 In het eerste onderdeel van dit middel voert requirant aan, dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met de verklaringen van verschillende vrouwen die zegden door verzoeker nooit op enigerlei wijze sexueel te zijn geïntimideerd, maar zich enkel op de door sommige slachtoffers afgelegde verklaringen à charge heeft gebaseerd, zonder dit verzuim uit te leggen of te motiveren.
18 Dienaangaande behoeft slechts te worden vastgesteld, dat het Gerecht in rechtsoverweging 73 van zijn arrest heeft geoordeeld, dat de door requirant bedoelde verklaringen à décharge de bewijswaarde van de verklaringen à charge in geen geval op losse schroeven konden zetten, daar de omstandigheid dat die personen nooit getuige zijn geweest van de aan verzoeker ten laste gelegde handelingen, niet impliceert dat die handelingen niet zijn verricht. Het Gerecht heeft dus wel degelijk rekening gehouden met de door requirant aangevoerde verklaringen à décharge en heeft afdoende uitgelegd, om welke redenen het deze verklaringen niet doorslaggevend achtte. Het eerste onderdeel van het tweede middel is derhalve kennelijk ongegrond.
19 In het tweede onderdeel van zijn tweede middel voert requirant aan, dat het arrest van het Gerecht ontoereikend is gemotiveerd, omdat daarin niet wordt geantwoord op zijn grief, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de zaak à charge, maar niet à décharge heeft geïnstrueerd. Het algemeen beginsel volgens welke elke verdachte wordt vermoed onschuldig te zijn, is daardoor geschonden.
20 Dienaangaande behoeft slechts te worden vastgesteld, dat het Gerecht er in rechtsoverweging 74 van het bestreden arrest op heeft gewezen, dat requirant tijdens de procedure voor de tuchtraad geen gebruik heeft gemaakt van de hem door artikel 4 van bijlage IX bij het Statuut geboden mogelijkheid om getuigen à décharge op te roepen. Het tweede onderdeel van het tweede middel is dus eveneens kennelijk ongegrond.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
21 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Volgens artikel 70 van dat Reglement blijven de kosten die de instellingen in ambtenarenberoepen hebben gemaakt, te hunnen laste. Volgens artikel 122, tweede alinea, van dat Reglement is artikel 70 evenwel niet van toepassing, indien de hogere voorziening door een ambtenaar of ander personeelslid tegen een instelling is ingesteld. Aangezien requirant in het ongelijk is gesteld, dient hij derhalve in de kosten van deze instantie te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer)
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Requirant wordt in de kosten verwezen.
Luxemburg, 11 januari 1996.
Full & Egal Universal Law Academy