Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Hogere voorziening ° Interventie ° Behoud, voor Hof, van tijdens procedure voor Gerecht verkregen hoedanigheid van interveniënt ° Niet-ontvankelijkheid van nieuw verzoek tot tussenkomst
(' s Hofs Statuut-EG, art. 49)
Samenvatting
Uit artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG volgt, dat de interveniënten in de procedure voor het Gerecht als partijen voor die instantie moeten worden beschouwd. Wanneer tegen het arrest van het Gerecht hogere voorziening wordt ingesteld, is derhalve genoemd artikel 115, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering op hen van toepassing, hetgeen hen ontslaat van de verplichting om in de procedure voor het Hof een nieuw verzoek tot tussenkomst in te dienen overeenkomstig de artikelen 93 en 123 van het Reglement voor de procesvoering.
Bijgevolg kan een verzoek tot tussenkomst dat in een hogere voorziening is ingediend door een partij die als interveniënt heeft deelgenomen aan de procedure in eerste aanleg, niet worden ingewilligd en moet het niet-ontvankelijk worden verklaard.
Partijen
In zaak C-245/95 P,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. White en N. Khan, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
requirante,
betreffende een hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer ° uitgebreid) van 2 mei 1995 in de gevoegde zaken T-163/94 en T-165/94 (NTN Corporation en Koyo Seiko/Raad, Jurispr. 1995, blz. II-1381),
andere partijen bij de procedure:
NTN Corporation, vennootschap naar Japans recht, gevestigd te Osaka (Japan), vertegenwoordigd door J. Schwarze en M. Sprenger, advocaten te Duesseldorf, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van C. Penning, advocaat aldaar, Grand-Rue 78,
Koyo Seiko Co. Ltd, vennootschap naar Japans recht, gevestigd te Osaka (Japan), vertegenwoordigd door J. Buhart, advocaat te Parijs, en Ch. Kaplan, Barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Arendt en Medernach, advocaten aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door Y. Cretien, juridisch adviseur, en A. Tanca, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door H.-J. Rabe en G. M. Berrisch, advocaten te Hamburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van B. Eynard, directeur van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
en
Federation of European Bearing Manufacturers' Associations, gevestigd te Frankfurt (Duitsland), vertegenwoordigd door D. Ehle en V. Schiller, advocaten te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Lucius, advocaat aldaar, Rue Michel Welter 6,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. N. Kakouris, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet en G. Hirsch, kamerpresidenten, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, P. J. G. Kapteyn, C. Gulmann, J. L. Murray, P. Jann, H. Ragnemalm (rapporteur), L. Sevón en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: R. Grass
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 oktober 1995, heeft de Federation of European Bearing Manufacturers' Associations (hierna: "FEBMA"), gevestigd te Frankfurt (Duitsland), vertegenwoordigd door D. Ehle en V. Schiller, advocaten te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Lucius, advocaat aldaar, Rue Michel Welter 6, verzocht om toelating tot interventie in zaak C-245/95 P ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
2 Deze zaak betreft een hogere voorziening die de Commissie heeft ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 2 mei 1995 in de gevoegde zaken T-163/94 en T-165/94 (NTN Corporation en Koyo Seiko/Raad, Jurispr. 1995, blz. II-1381).
3 In dit arrest heeft het Gerecht artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2849/92 van de Raad van 28 september 1992 tot wijziging van het bij verordening (EEG) nr. 1739/85 ingestelde definitieve anti-dumpingrecht op de invoer in de Europese Gemeenschap van kogellagers met een grootste uitwendige diameter van meer dan 30 mm, van oorsprong uit Japan (PB 1992, L 286, blz. 2), nietig verklaard, voor zover daarbij aan verzoeksters een anti-dumpingrecht werd opgelegd.
4 De FEBMA is in de procedure voor het Gerecht tussengekomen ter ondersteuning van de conclusies van de Raad.
5 Wanneer een hogere voorziening bij het Hof wordt ingesteld, wordt deze ingevolge artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering betekend aan alle in de procedure voor het Gerecht betrokken partijen die overeenkomstig artikel 115, lid 1, van dit Reglement een memorie van antwoord kunnen indienen binnen twee maanden te rekenen vanaf de betekening van het verzoekschrift.
6 In casu is de door de Commissie ingestelde hogere voorziening op 24 juli 1995 aan de FEBMA betekend krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering, zodat de in artikel 115, lid 1, van dit Reglement bedoelde termijn voor de indiening van een memorie van antwoord, vermeerderd met de termijn wegens afstand overeenkomstig artikel 81, lid 2, van dit Reglement, is verstreken op 2 oktober 1995.
7 Gelijk het Hof in het arrest van 22 december 1993 (zaak C-244/91 P, Pincherle, Jurispr. 1993, blz. I-6965, r.o. 16) heeft geoordeeld, volgt uit artikel 49 van 's Hofs Statuut-EEG, dat de interveniënten in de procedure voor het Gerecht als partijen voor die instantie moeten worden beschouwd. Derhalve is genoemd artikel 115, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering op hen van toepassing, hetgeen hen ontslaat van de verplichting om in de procedure voor het Hof een nieuw verzoek tot tussenkomst in te dienen overeenkomstig de artikelen 93 en 123 van het Reglement voor de procesvoering.
8 Bijgevolg kan een verzoek tot tussenkomst dat in een hogere voorziening is ingediend door een partij die als interveniënt heeft deelgenomen aan de procedure in eerste aanleg, niet worden ingewilligd.
9 Mitsdien moet het verzoek tot interventie niet-ontvankelijk worden verklaard.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
1) Het door de Federation of European Bearing Manufacturers' Associations ingediende verzoek tot tussenkomst wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) De Federation of European Bearing Manufacturers' Associations zal haar eigen kosten dragen.
Luxemburg, 14 februari 1996
Full & Egal Universal Law Academy