Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Procedure ° Interventie ° Belanghebbenden ° Geding inzake geldigheid van verordening tot instelling van anti-dumpingrecht ° Producerende onderneming die niet zelfstandig beroep heeft ingesteld ° Procedurele rechten ° Invoerende ondernemingen ° Rechtstreeks en daadwerkelijk belang bij beslissing van rechtsgeding
(' s Hofs Statuut-EG, art. 37)
2. Procedure ° Interventie ° Belanghebbenden ° Geding inzake geldigheid van verordening tot instelling van anti-dumpingrecht ° Verzoek van onderneming dat niet met voldoende zekerheid omstandigheden uiteenzet waaruit haar recht op tussenkomst blijkt ° Afwijzing
(' s Hofs Statuut-EG, art. 37, tweede alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 93, lid 1, tweede alinea, sub f)
Samenvatting
1. Krachtens artikel 37 van 's Hofs Statuut-EG heeft elke persoon, die aannemelijk maakt belang te hebben bij de beslissing van een voor het Hof aanhangig rechtsgeding, het recht zich te voegen in dat geding, doch de conclusies van het verzoek tot tussenkomst kunnen slechts strekken tot ondersteuning van de conclusies van een der partijen.
Een onderneming waaraan een bijzonder anti-dumpingrecht werd opgelegd, moet in een geding inzake de geldigheid van een verordening tot instelling van een anti-dumpingrecht kunnen interveniëren, daar zij individueel en rechtstreeks door de bestreden verordening werd geraakt en dienaangaande een zelfstandig beroepsrecht had krachtens artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag. Daar zij echter geen beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld, kan zij nog slechts interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de partij aan de zijde waarvan zij zich schaart.
De ondernemingen die het produkt invoeren en uit dien hoofde een specifiek anti-dumpingrecht betalen, hebben dus eveneens een rechtstreeks en daadwerkelijk belang bij de beslissing van het rechtsgeding.
2. Uit artikel 93, lid 1, tweede alinea, sub f, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt, dat elk verzoek tot tussenkomst een uiteenzetting moet bevatten van de omstandigheden waaruit het recht op tussenkomst blijkt.
Een onderneming die niet heeft aangetoond op grond waarvan zij het anti-dumpingrecht moest of moet betalen, heeft geen rechtstreeks en daadwerkelijk belang bij de beslissing van een rechtsgeding inzake de geldigheid van een verordening tot instelling van een anti-dumpingrecht in de zin van artikel 37, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG.
Partijen
In zaak C-245/95 P,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. White en N. Khan, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
requirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer ° uitgebreid) van 2 mei 1995 in de gevoegde zaken T-163/94 en T-165/94 (NTN Corporation en Koyo Seiko/Raad, Jurispr. 1995, blz. II-1381),
andere partijen bij de procedure:
NTN Corporation, vennootschap naar Japans recht, gevestigd te Osaka (Japan), vertegenwoordigd door J. Schwarze en M. Sprenger, advocaten te Duesseldorf, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van C. Penning, advocaat aldaar, Grand-Rue 78,
Koyo Seiko Co. Ltd, vennootschap naar Japans recht, gevestigd te Osaka (Japan), vertegenwoordigd door J. Buhart, advocaat te Parijs, en Ch. Kaplan, Barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Arendt en Medernach, advocaten aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door Y. Cretien, juridisch adviseur, en A. Tanca, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door H.-J. Rabe en G. M. Berrisch, advocaten te Hamburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
en
Federation of European Bearing Manufacturers' Associations, gevestigd te Frankfurt (Duitsland), vertegenwoordigd door D. Ehle en V. Schiller, advocaten te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Lucius, advocaat aldaar, Rue Michel Welter 6,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. N. Kakouris, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet en G. Hirsch, kamerpresidenten, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, P. J. G. Kapteyn, C. Gulmann, J. L. Murray, P. Jann, H. Ragnemalm (rapporteur), L. Sevón en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: R. Grass
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 oktober 1995, hebben NSK Ltd, vennootschap naar Japans recht, gevestigd te Tokio (Japan), en acht van haar Europese dochtermaatschappijen, NSK Bearings Europe Ltd, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk), NSK-RHP France SA, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Guyancourt (Frankrijk), NSK-RHP UK Ltd, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Ruddington (Verenigd Koninkrijk), NSK-RHP Deutschland GmbH, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Ratingen (Duitsland), NSK-RHP Italia SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Milaan (Italië), NSK-RHP Nederland BV, vennootschap naar Nederlands recht, gevestigd te Amstelveen (Nederland), NSK-RHP European Distribution Centre BV, vennootschap naar Nederlands recht, gevestigd te Amstelveen (Nederland), en NSK-RHP Iberica SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Barcelona (Spanje), alsmede Permarin SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Valencia (Spanje), alle vertegenwoordigd door D. Vaughan, QC, Barrister, geïnstrueerd door R. Griffith, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Loesch, advocaat aldaar, Rue Zithe 8, verzocht om toelating tot interventie in zaak C-245/95 P ter ondersteuning van de conclusies van NTN Corporation en Koyo Seiko Co. Ltd.
2 Deze zaak betreft een hogere voorziening die de Commissie heeft ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 2 mei 1995 in de gevoegde zaken T-163/94 en T-165/94 (NTN Corporation en Koyo Seiko/Raad, Jurispr. 1995, blz. II-1381). Bij dit arrest heeft het Gerecht artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2849/92 van de Raad van 28 september 1992 tot wijziging van het bij verordening (EEG) nr. 1739/85 ingestelde definitieve anti-dumpingrecht op de invoer in de Europese Gemeenschap van kogellagers met een grootste uitwendige diameter van meer dan 30 mm, van oorsprong uit Japan (PB 1992, L 286, blz. 2; hierna: de "bestreden verordening"), nietig verklaard, voor zover daarbij aan verzoeksters een anti-dumpingrecht werd opgelegd.
3 Het verzoek tot tussenkomst is ingediend overeenkomstig de artikelen 93 en 123 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
4 In hun verzoek tot interventie stellen NSK Ltd en haar acht dochtermaatschappijen (hierna: de "NSK-groep"), dat zij belang hebben bij de uitkomst van het geding, voor zover de dochtermaatschappijen van de NSK-groep krachtens het door het Gerecht nietig verklaarde artikel 1 van de bestreden verordening anti-dumpingrechten moesten betalen op de invoer van kogellagers in de Gemeenschap. Indien de hogere voorziening wordt afgewezen en de nietigverklaring van artikel 1 van de bestreden verordening wordt gehandhaafd, zouden de dochtermaatschappijen van de NSK-groep derhalve geen anti-dumpingrechten over de in geding zijnde kogellagers meer behoeven te betalen en zouden zij terugbetaling van de rechten kunnen vorderen, die zij reeds hebben betaald en die zij blijven betalen totdat het Hof op de hogere voorziening heeft beslist.
5 NSK Ltd zou ook belang bij de uitkomst van het geding hebben voor zover, indien de nietigverklaring van artikel 1 van de bestreden verordening wordt gehandhaafd, zij rechtstreeks zou profiteren van de terugbetaling van de in geding zijnde rechten aan haar dochtermaatschappijen. Voorts zou NSK Ltd willen verzekeren, dat de NSK-kogellagers concurrentieel niet worden benadeeld, doordat daarop een anti-dumpingrecht van 6,5 % blijft drukken.
6 Permarin SA heeft haars inziens eveneens belang bij de uitkomst van het geding, voor zover 30 % van het kapitaal van NSK-RHP Iberica SA in haar handen is en zij bij deze vennootschap NSK-kogellagers koopt op basis van een nettoprijs waarin een anti-dumpingrecht van 6,5 % is begrepen.
7 Krachtens artikel 37 van 's Hofs Statuut-EG kunnen de Lid-Staten en de instellingen van de Gemeenschap zich voegen in een voor het Hof aanhangig rechtsgeding. Hetzelfde recht heeft elke andere persoon, die aannemelijk maakt belang te hebben bij de beslissing van een voor het Hof aanhangig rechtsgeding, met uitzondering van een aantal rechtsgedingen. De conclusies van het verzoek tot tussenkomst kunnen slechts strekken tot ondersteuning van de conclusies van een der partijen.
8 Aangaande NSK Ltd zij opgemerkt, dat zij een zelfstandig beroepsrecht had krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag (thans artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag) tegen de bestreden verordening. Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie onder meer arrest van 10 maart 1992, zaak C-174/87, Ricoh, Jurispr. 1992, blz. I-1335, r.o. 7) wordt, wanneer een verordening uiteenlopende anti-dumpingrechten oplegt aan een aantal ondernemingen, een van deze ondernemingen slechts individueel geraakt door die bepalingen die haar een bijzonder anti-dumpingrecht opleggen en de hoogte ervan vaststellen, en niet door die, waarbij anti-dumpingrechten aan andere ondernemingen worden opgelegd. Aangezien in casu bij artikel 1 van de verordening aan NSK Ltd (in de bestreden verordening aangeduid onder haar voormalige benaming van Nippon Seiko Co. Ltd) een bijzonder anti-dumpingrecht van 6,5 % werd opgelegd, werd zij door die verordening rechtstreeks en individueel geraakt.
9 Bijgevolg moet NSK Ltd in de onderhavige zaak kunnen interveniëren. Daar zij echter geen beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld, kan zij nog slechts interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van verweersters (zie beschikkingen Hof van 28 januari 1987, zaak 150/86, Usinor en Sacilor, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, en Gerecht van 28 november 1991, zaak T-35/91, Eurosport, Jurispr. 1991, blz. II-1359).
10 De belangen van alle dochtermaatschappijen van de NSK-groep moeten worden geacht, door het in hogere voorziening te wijzen arrest te worden geraakt. Zij voeren immers door NSK Ltd vervaardigde kogellagers in de Gemeenschap in en betalen uit dien hoofde krachtens de bestreden verordening een specifiek anti-dumpingrecht van 6,5 %. Zij hebben dus een rechtstreeks en daadwerkelijk belang erbij, dat de conclusies van verweersters door het Hof worden toegewezen.
11 Bijgevolg moeten de verzoeken tot interventie van alle vennootschappen van de NSK-groep worden ingewilligd.
12 Krachtens artikel 93, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 118 van dat Reglement van toepassing is op de procedure voor het Hof in hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht, zullen NSK Ltd en haar acht dochtermaatschappijen afschriften van alle aan partijen betekende processtukken ontvangen. Er wordt een termijn bepaald waarbinnen zij schriftelijk hun middelen tot staving van hun conclusies kunnen uiteenzetten.
13 Blijkens haar verzoek tot tussenkomst heeft Permarin SA 30 % van het kapitaal van NSK-RHP Iberica SA in handen en koopt zij bij deze vennootschap NSK-kogellagers voor een nettoprijs waarin het anti-dumpingrecht van 6,5 % is begrepen.
14 Uit artikel 93, lid 1, tweede alinea, sub f, van het Reglement voor de procesvoering volgt, dat elk verzoek tot tussenkomst een uiteenzetting moet bevatten van de omstandigheden waaruit het recht op tussenkomst blijkt. In hogere voorziening vormt deze uiteenzetting het enige element waarop het Hof zijn beslissing op het verzoek kan baseren.
15 In casu kan het Hof niet op grond van de door Permarin SA aangevoerde redenen met voldoende zekerheid concluderen, dat deze vennootschap een rechtstreeks en daadwerkelijk belang heeft bij de beslissing van het rechtsgeding. Uit de stukken blijkt namelijk dat zij niet verplicht is, het specifieke anti-dumpingrecht van 6,5 % op de NSK-kogellagers te betalen. Bovendien is niet aangetoond, dat zij krachtens de bestreden verordening een anti-dumpingrecht moest of nog steeds moet betalen. In deze context is het belang van Permarin SA bij de beslissing van het rechtsgeding in de zin van artikel 37, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG niet genoegzaam aangetoond.
16 Gelet op het een en ander, dient het verzoek tot tussenkomst van NSK Ltd en haar acht dochtermaatschappijen te worden ingewilligd, doch dat van Permarin SA te worden afgewezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
1) NSK Ltd, NSK Bearings Europe Ltd, NSK-RHP France SA, NSK-RHP UK Ltd, NSK-RHP Deutschland GmbH, NSK-RHP Italia SpA, NSK-RHP Nederland BV, NSK-RHP European Distribution Centre BV en NSK-RHP Iberica SA worden toegelaten tot interventie in zaak C-245/95 P ter ondersteuning van de conclusies van verweersters.
2) Een kopie van alle processtukken wordt door de griffier aan de interveniënten betekend.
3) Er wordt een termijn bepaald waarbinnen interveniënten schriftelijk de middelen tot staving van hun conclusies kunnen uiteenzetten.
4) Het verzoek tot interventie van Permarin SA wordt afgewezen.
5) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden, met uitzondering van de kosten betreffende het verzoek tot tussenkomst van Permarin SA, die te haren laste blijven.
Luxemburg, 14 februari 1996
Full & Egal Universal Law Academy