Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Prejudiciële vragen ° Ontvankelijkheid ° Vragen die zijn gesteld zonder toereikende precisering van feitelijk en juridisch kader
(EG-Verdrag, art. 177; 's Hofs Statuut-EG, art. 20)
Samenvatting
Wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, is het noodzakelijk dat deze een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd.
De in de verwijzingsbeschikkingen verstrekte inlichtingen en gestelde vragen moeten niet enkel het Hof in staat stellen een nuttig antwoord te geven, doch ook de regeringen van de Lid-Staten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid bieden, overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut opmerkingen in te dienen.
Partijen
In zaak C-257/95,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Tribunal administratif de Clermont-Ferrand (Frankrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen
G. Bresle
en
Préfet de la Région Auvergne en Préfet du Puy-de-Dôme,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 95 EG-Verdrag,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. N. Kakouris, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet en G. Hirsch, kamerpresidenten, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, P. J. G. Kapteyn, C. Gulmann, J. L. Murray, P. Jann, H. Ragnemalm, L. Sevón en M. Wathelet (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: R. Grass
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 27 juni 1995, ingekomen bij het Hof op 28 juli daaraanvolgend, heeft het Tribunal administratif de Clermont-Ferrand krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 95 van dat Verdrag.
2 Die prejudiciële vraag is gerezen in een geding tussen G. Bresle en de Préfet du Puy-de-Dôme over de weigering van deze laatste om het administratief vermogen van het voertuig van Bresle te wijzigen.
3 In het arrest van 17 september 1987 (zaak 433/85, Feldain, Jurispr. 1987, blz. 3521) overwoog het Hof, dat een stelsel van motorrijtuigenbelasting zoals het Franse een discriminerende of beschermende werking in de zin van artikel 95 van het Verdrag had. In dat verband onderzocht het Hof onder meer de modaliteiten voor het bepalen van het fiscaal vermogen, ingevoerd bij circulaire nr. 77-191 van 23 december 1977 (JORF van 8.2.1978, blz. 1052; hierna: "circulaire nr. 77-191"), die het ongunstig achtte voor uit andere Lid-Staten ingevoerde voertuigen.
4 Na dat arrest preciseerden de Franse autoriteiten in circulaire nr. 91-71 van 20 september 1991 (JORF van 23.6.1993, blz. 8833; hierna: "circulaire nr. 91-71") de voorwaarden waaronder al dan niet tot verlaging van het administratief vermogen van bepaalde voertuigen kon worden overgegaan.
5 Bijlage I bij die circulaire, getiteld "Categorieën voertuigen waarvan het administratief vermogen niet kan worden gerectificeerd", bepaalt:
"Alle verzoeken ingediend door eigenaars van privé-auto' s die onder een van de hierna opgesomde categorieën vallen, zijn ongegrond en moeten derhalve worden afgewezen:
a) de voertuigen waarvan het administratief vermogen is berekend overeenkomstig de bepalingen van de circulaire van 28 december 1956.
De circulaire van 23 december 1977 is slechts op bepaalde categorieën privé-auto' s van toepassing: dientengevolge blijven privé-auto' s die buiten het toepassingsgebied van die circulaire vallen en alle andere categorieën voertuigen (...) voor de berekening van hun administratief vermogen aan de bepalingen van de circulaire van 28 december 1956 onderworpen. Hun administratief vermogen kan dus niet worden gewijzigd.
Voor privé-auto' s is dat het geval met:
a 1) voertuigen die vóór 1 januari 1978 voor het eerst in het verkeer zijn gebracht;
a 2) voertuigen die na 1 januari 1978 voor het eerst zijn ingeschreven, doch waarvan het type vóór de inwerkingtreding van de circulaire van 23 december 1977, dat wil zeggen vóór 1 januari 1978, is goedgekeurd.
(...)"
6 Bijlage II bij circulaire nr. 91-71 bevat de lijst van de types privé-auto' s waarvan het administratief vermogen wordt gewijzigd. Met betrekking tot het in geding zijnde voertuig van het merk Porsche en het type 930-19 blijkt uit die lijst, dat het oorspronkelijke administratief vermogen, dat 19 pk bedraagt, wordt gewijzigd en tot 13 pk wordt verlaagd, wanneer de datum van goedkeuring van het type 16 juni 1987 is en het voertuig niet vóór die datum voor het eerst in het verkeer is gebracht.
7 Sedert 16 april 1986 is Bresle eigenaar van een voertuig Porsche 930-19, dat op 3 januari 1978 apart door de Service des Mines is goedgekeurd en op 21 juli 1981 in het verkeer is gebracht. Het administratief vermogen van dit voertuig is vastgesteld op 19 pk, volgens de criteria neergelegd in de circulaire van 28 december 1956 (JORF van 22.1.1957).
8 Op grond van bijlage II bij circulaire nr. 91-71 verzocht Bresle de Préfet du Puy-de-Dôme tweemaal om het administratief vermogen van zijn voertuig Porsche van 19 tot 13 pk te verlagen. Die verzoeken zijn, de ene uitdrukkelijk en de andere stilzwijgend, afgewezen bij besluiten van 26 mei respectievelijk 2 augustus 1992.
9 Bresle legde deze twee besluiten voor aan het Tribunal administratif de Clermont-Ferrand (hierna: "Tribunal administratif") en concludeerde tot nietigverklaring ervan en derhalve tot verlaging van het administratief vermogen van zijn voertuig, alsook tot veroordeling van de staat om hem krachtens artikel L. 8-1 van de Code des Tribunaux administratifs et des Cours administratives d' appel de som van 4 000 respectievelijk 5 000 FF te betalen.
10 Bij tussenvonnis van 8 september 1994 gelastte het Tribunal administratif enerzijds de voeging van de twee verzoeken tot nietigverklaring en verklaarde het het tegen het stilzwijgend besluit tot afwijzing van 2 augustus 1992 gerichte verzoek niet-ontvankelijk als strekkende tot nietigverklaring van een bevestigend besluit. Anderzijds verwierp het het middel ontleend aan de toepasselijkheid van circulaire nr. 77-191 in de onderhavige zaak en verzocht het partijen om hun opmerkingen over twee middelen, het ene ontleend aan de aanpassing, door middel van circulaires, van het nationale recht aan het gemeenschapsrecht, het andere ontleend aan de verenigbaarheid van de circulaire van 28 december 1956 met artikel 95 van het Verdrag na de inwerkingtreding hiervan.
11 In het verwijzingsvonnis wees het Tribunal administratif het eerste van die middelen af, op grond dat de circulaire van 28 december 1956 voorkomt onder de bepalingen waaraan artikel 35.-I van wet nr. 93-859 van 22 juni 1993 (JORF van 23.6.1993, blz. 8815) op retroactieve wijze kracht van wet heeft verleend.
12 Met betrekking tot het tweede middel wees het Tribunal administratif erop, dat ingevolge circulaire nr. 91-71 onder meer voertuigen die na 1 januari 1978 voor het eerst zijn ingeschreven, doch waarvan het type vóór die datum is goedgekeurd, aan de bepalingen van de circulaire van 28 december 1956 onderworpen blijven en hun administratief vermogen dus niet kan worden gewijzigd.
13 Volgens het Tribunal administratif valt het voertuig van Bresle onder deze laatste categorie: enerzijds is het ingeschreven op 21 juli 1981 en anderzijds was, ondanks het feit dat het op 3 januari 1978 apart door de Service des Mines is goedgekeurd, het type van dat voertuig vóór 1 januari 1978 goedgekeurd op grond van in de circulaire van 28 december 1956 vastgestelde criteria. Ingevolge bijlage I bij circulaire nr. 91-71 kan het voertuig van Bresle dus niet voor de in bijlage II bij die circulaire bedoelde verlaging van het administratief vermogen in aanmerking komen.
14 Het Tribunal administratif zette echter uiteen, dat aangezien het type van het voertuig Porsche 930-19 na de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag is goedgekeurd, gezien het vermogen dat in die tijd door in Frankrijk vervaardigde en in de andere Lid-Staten gebouwde voertuigen werd ontwikkeld, de in de circulaire met kracht van wet van 28 december 1956 bedoelde berekeningswijze sedert de inwerkingtreding van het Verdrag een discriminerend karakter in de zin van artikel 95 kan hebben.
15 In die omstandigheden heeft het Tribunal administratif het Hof de navolgende prejudiciële vraag gesteld:
"Kan de berekeningswijze van het administratief vermogen van voertuigen overeenkomstig de circulaire met terugwerkende kracht van wet van de staatssecretaris van Openbare werken, Vervoer en Toerisme van 28 december 1956 als discriminerend in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag worden beschouwd voor voertuigen waarvan het type na de inwerkingtreding van dit Verdrag en vóór 1 januari 1978 is goedgekeurd?"
16 Vooraf moet worden opgemerkt, dat het volgens vaste rechtspraak wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, noodzakelijk is dat deze een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd (zie onder meer arrest van 26 januari 1993, gevoegde zaken C-320/90, C-321/90 en C-322/90, Telemarsicabruzzo e.a., Jurispr. 1993, blz. I-393, r.o. 6; beschikkingen van 19 maart 1993, zaak C-157/92, Banchero, Jurispr. 1993, blz. I-1085, r.o. 4; 23 maart 1995, zaak C-458/93, Saddik, Jurispr. 1995, blz. I-511, r.o. 12; 7 april 1995, zaak C-167/94, Grau Gomis e.a., Jurispr. 1995, blz. I-1023, r.o. 8, en 21 december 1995, zaak C-307/95, Max Mara, Jurispr. 1995, blz. I-5083, r.o. 6).
17 Het verwijzingsvonnis bevat echter niet voldoende gegevens om aan die vereisten te voldoen. De verwijzende rechter maakt immers enkel melding van enerzijds de tekst van een circulaire waaraan de wet op retroactieve wijze kracht van wet heeft verleend, waaruit volgt dat een voertuig als dat van Bresle niet voldoet aan de voorwaarden om voor verlaging van het administratief vermogen in aanmerking te komen, en anderzijds de eventuele onverenigbaarheid met artikel 95 van het Verdrag van de berekeningswijze van het administratief vermogen van voertuigen, dat voortvloeit uit een andere circulaire waaraan de wet ook op retroactieve wijze kracht van wet heeft verleend. Hij vermeldt niet de bepalingen van deze laatste richtlijn die relevant zijn voor de berekeningswijze van het administratief vermogen, de inhoud ervan, de precieze redenen waarom hij zich afvraagt of zij verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht en het noodzakelijk acht het Hof een vraag te stellen, en zelfs niet de technische kenmerken van het voertuig Porsche 930-19, zonder welke gegevens geen objectieve vergelijking uit het oogpunt van artikel 95 van het Verdrag met soortgelijke in Frankrijk vervaardigde voertuigen mogelijk is.
18 In die omstandigheden stellen de gegevens van het verwijzingsvonnis, doordat zij te onnauwkeurig naar de door de nationale rechter bedoelde feitelijke en rechtstoestand verwijzen, het Hof niet in staat een nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te geven.
19 Bovendien moet worden beklemtoond, dat de in de verwijzingsbeschikkingen verstrekte inlichtingen en gestelde vragen niet enkel het Hof in staat moeten stellen een nuttig antwoord te geven, doch ook de regeringen van de Lid-Staten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid moeten bieden, overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG opmerkingen in te dienen (beschikking Max Mara, reeds aangehaald, r.o. 7).
20 Mitsdien moet overeenkomstig artikel 92 van het Reglement voor de procesvoering worden vastgesteld, dat de aan het Hof gestelde prejudiciële vraag kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
21 De kosten door de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
Het bij vonnis van 27 juni 1995 door het Tribunal administratif de Clermont-Ferrand ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing is niet-ontvankelijk.
Luxemburg, 2 februari 1996.
Full & Egal Universal Law Academy