Zaak C‑286/95 P‑DEP
Imperial Chemical Industries plc
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Begroting van kosten”
Samenvatting van de beschikking
Procedure – Kosten – Begroting – Invorderbare kosten – Begrip – In aanmerking te nemen factoren
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 73, sub b)
Omdat een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, moet het Hof, wanneer het wordt verzocht om een kostenbegroting, de gegevens van de zaak vrijelijk beoordelen, daarbij rekening houdend met het voorwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen.
(cf. punt 17)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Eerste kamer)
8 juli 2004 (*)
„Begroting van kosten”
In zaak C‑286/95 P DEP,
Imperial Chemical Industries plc, vertegenwoordigd door S. Berwick, solicitor,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. J. Currall als gemachtigde,
verweerster,
betreffende een verzoek tot begroting van de invorderbare kosten na het arrest van het Hof van 6 april 2000, Commissie/ICI (C‑286/95 P, Jurispr. blz. I‑2341),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann (rapporteur), kamerpresident, J. N. Cunha Rodrigues, N. Colneric, E. Juhász en E. Levits, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Bij op 30 augustus 1995 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 49 van ’s Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 29 juni 1995, ICI/Commissie (T‑37/91, Jurispr. blz. II‑1901; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht een beschikking van de Commissie tegen Imperial Chemical Industries (hierna: „ICI”) inzake een procedure op grond van artikel 86 van het EEG-Verdrag (nadien artikel 86 EG-Verdrag, thans artikel 82 EG) heeft nietigverklaard. Daarnaast heeft het Gerecht in een arrest van dezelfde datum, ICI/Commissie (T‑36/91, Jurispr. blz. II‑1847), een beschikking van de Commissie tegen ICI inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (nadien artikel 85 EG-Verdrag, thans artikel 81 EG) nietigverklaard. Tegen dit arrest is geen hogere voorziening ingesteld.
2 Bij arrest van 6 april 2000, Commissie/ICI (C‑286/95 P, Jurispr. blz. I-2341), heeft het Hof de hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht in zaak T‑37/91 afgewezen en de Commissie in de kosten van het geding verwezen.
3 Aangezien ICI en de Commissie geen overeenstemming konden bereiken over de invorderbare kosten, heeft ICI bij op 16 oktober 2003 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift het Hof overeenkomstig artikel 74 van het Reglement voor de procesvoering verzocht de kosten te begroten.
Argumenten van partijen
4 ICI concludeert dat het het Hof behage de invorderbare kosten van het geding voor het Hof vast te stellen op 76 910 GBP (ongeveer 115 000 euro). Dit bedrag is samengesteld als volgt:
– Advocatenhonoraria en ‑kosten in verband met het redigeren van de memories voor het Hof
– Senior counsel 22 901 GBP
– Junior counsel 12 459 GBP
– Advocatenhonoraria en ‑kosten in verband met de voorbereiding en het bijwonen van de terechtzitting bij het Hof op 7 oktober 1999
– Senior counsel 25 226 GBP
– Junior counsel 10 058 GBP
– Reis- en verblijfkosten te Brussel van de senior counsel en twee interne adviseurs van ICI die aan de bijeenkomsten van de advocaten van 14 november 1995, 13 maart 1996 en 28 september 1999 hebben deelgenomen
2010 GBP
– Reis‑ en verblijfkosten te Luxemburg van de senior counsel, de junior counsel en de twee interne adviseurs van ICI te Luxemburg die de terechtzitting bij het Hof hebben bijgewoond (1873 GBP), alsmede de huur van een vergaderzaal (1488, 99 GBP), ofwel in totaal
3361,99 GBP
– De aan een Luxemburgs advocatenkantoor betaalde kosten van domiciliekeuze
894 GBP
zijnde een totaalbedrag van 76 909,99 GBP
5 Ter onderbouwing van deze bedragen heeft ICI twee declaraties van haar senior counsel aan het Hof overgelegd, een van 17 juni 1996 ter hoogte van 23 625 GBP, en een van 13 januari 2000 ter hoogte van 26 023 GBP, alsmede drie declaraties van haar junior counsel, de eerste van 13 december 1995 ter hoogte van 9781, 25 GBP, de tweede van 13 juni 1996 ter hoogte van 3071,25 GBP en de derde van 10 november 1999 ter hoogte van 10 375 GBP.
6 ICI betoogt dat de betrokken zaak uitzonderlijk complex en technisch van aard was en dat de stukken van het dossier volumineus waren. Sommige rechtsvragen waren nieuw en uiterst moeilijk te beantwoorden, met name door het ontbreken van precedenten op het gebied van kortingen. Vooral de vraagstukken betreffende de machtspositie, het misbruik en het tussenstaatse handelsverkeer hebben uitvoerig zoekwerk en een uitgebreide argumentatie gevergd.
7 Wat de gebruikmaking van de diensten van twee advocaten betreft, voert ICI aan dat de advocaat die haar in eerste aanleg had vertegenwoordigd, niet meer vrij was haar tevens in de procedure in hogere voorziening te vertegenwoordigen. Zij heeft daarop besloten zich tot de junior counsel te wenden, die die advocaat destijds had geassisteerd en een uitstekende kennis had van de feiten van de zaak. Gelet op het belang en de complexiteit van de zaak, heeft dit de taak van de senior counsel die haar in hogere voorziening zou vertegenwoordigen, verlicht.
8 Bovendien stond er financieel enorm veel op het spel voor ICI. De haar wegens misbruik van machtspositie opgelegde boete van 10 miljoen ecu was destijds een van de hoogste boeten die de Commissie ooit had opgelegd.
9 Met betrekking tot de reiskosten en de kosten in verband met de terechtzitting bij het Hof betoogt ICI, dat de aanwezigheid van twee advocaten en twee interne adviseurs van de vennootschap noodzakelijk was om naar behoren pleidooi te kunnen houden. Meer in het bijzonder heeft de betrokkenheid van de twee laatstgenoemde personen tot een aanzienlijke verlaging van de honoraria van de externe raadslieden geleid.
10 De Commissie stelt dat het verzoek van ICI tot vaststelling van de invorderbare kosten op 76 910 GBP buitensporig is. Hetzelfde geldt haars inziens voor het verzoek ten bedrage van 203 340 GBP dat deze vennootschap tegelijkertijd bij het Gerecht heeft ingediend in verband met de procedure in eerste aanleg.
11 De Commissie stelt het Hof voor, het bedrag van de invorderbare kosten in casu vast te stellen op 25 000 GBP.
12 Volgens haar hebben de meeste argumenten die ICI in de onderhavige procedure heeft aangevoerd, in werkelijkheid betrekking op de twee gedingen bij het Gerecht, die twee verschillende beschikkingen betroffen, te weten enerzijds een beschikking betreffende onderling afgestemde feitelijke gedragingen en anderzijds een beschikking betreffende misbruik van machtspositie. De hogere voorziening heeft echter slechts betrekking gehad op de tweede beschikking, die door het Gerecht enkel was nietigverklaard omdat zij niet overeenkomstig het reglement van orde van de Commissie was geauthentiseerd, dus niet om inhoudelijke redenen. Deze argumenten zijn derhalve niet relevant.
13 De zaak voor het Gerecht betreffende onderling afgestemde feitelijke gedragingen was weliswaar ingewikkeld, doch dit geldt niet ten aanzien van de zaak betreffende misbruik van machtspositie en de daarop betrekking hebbende hogere voorziening, want daarin ging het slechts om het ontbreken van authentisatie van de beschikking van de Commissie. Een vergelijking van de lengte van de arresten, 83 bladzijden in de Jurisprudentie voor de twee arresten van het Gerecht en 18 bladzijden voor het arrest van het Hof, volstaat ten bewijze van het verschillende belang van de respectieve zaken.
14 Bovendien is de kwestie van de authentisatie van beschikkingen van de Commissie niet nieuw. Zij is besproken in het kader van het onderzoek van de zogenoemde „PVC I”-zaken, die aanleiding hebben gegeven tot het arrest van het Gerecht van 27 februari 1992, BASF e.a./Commissie (T‑79/89, T‑84/89, T‑85/89, T‑86/89, T‑89/89, T‑91/89, T‑92/89, T‑94/89, T‑96/89, T‑98/89, T‑102/89 en T‑104/89. Jurispr. blz. II‑315), en het arrest van het Hof van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a. (C‑137/92 P, Jurispr. blz. I‑2555). In casu had de Commissie in hogere voorziening slechts twee middelen voorgedragen: het ene middel betrof de gevolgen van het ontbreken van authentisatie en het andere middel de omstandigheden waarin het Gerecht artikel 48, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering had toegepast om ICI toe te staan het middel betreffende het ontbreken van authentisatie tardief voor te dragen.
15 Voorts achtte het Hof zelf de zaak of de aangevoerde argumenten niet bijzonder complex, want het heeft een van de twee door de Commissie tot staving van haar hogere voorziening voorgedragen middelen kennelijk ongegrond verklaard (arrest Commissie/ICI, C‑286/95 P, reeds aangehaald, punt 66). In de opvatting van het Hof had ICI dus geen problemen gehad om zich in de hogere voorziening te verdedigen.
Beoordeling door het Hof
16 Volgens artikel 73, sub b, van het Reglement voor de procesvoering worden als invorderbare kosten aangemerkt „de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten, in het bijzonder de reis- en verblijfkosten en het honorarium van de gemachtigde, de raadsman of de advocaat”.
17 Omdat een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, moet het Hof de gegevens van de zaak vrijelijk beoordelen, daarbij rekening houdend met het onderwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen (zie onder meer beschikkingen van 30 november 1994, British Aerospace/Commissie, C‑294/90 DEP, Jurispr. blz. I-5423, punt 13, en 17 februari 2004, DAI/ARAP e.a., C‑321/99 P/DEP, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 16).
18 Het bedrag van de invorderbare kosten moet op basis van deze criteria worden vastgesteld.
19 Wat het economisch belang van het geschil voor de partijen betreft, was de zaak voor ICI onbetwistbaar van economisch belang, gelet op het bedrag van de haar door de Commissie wegens het verweten misbruik van machtspositie opgelegde boete.
20 Wat het onderwerp en de aard van het geschil aangaat, moet worden onderstreept dat het om een hogerevoorzieningsprocedure ging, die naar haar aard beperkt is tot rechtsvragen en geen betrekking heeft op feitelijke constateringen.
21 In casu betroffen de middelen in hogere voorziening waarop ICI moest reageren, twee rechtsvragen.
22 De eerste rechtsvraag had betrekking op de authentisatie van handelingen als bedoeld in artikel 12, eerste alinea, van het reglement van orde van de Commissie. In zijn arrest heeft het Hof op basis van het voormelde arrest Commissie/BASF e.a. vastgesteld dat de authentisatie is te beschouwen als een wezenlijk vormvoorschrift in de zin van artikel 230 EG, waarvan schending aanleiding kan geven tot een beroep tot nietigverklaring. Bovendien dient de authentisatie vooraf te gaan aan de kennisgeving van de betrokken handeling aan de betrokken partijen. De tweede rechtsvraag die onderwerp van de hogere voorziening was, kwam erop neer of het ontbreken van authentisatie ambtshalve door de gemeenschapsrechter mag worden aangevoerd, welke vraag het Hof bevestigend heeft beantwoord.
23 Deze twee duidelijk afgebakende vragen zijn stellig van belang uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht. De eerste vraag was echter in grote lijnen reeds beantwoord in het voormelde arrest Commissie/BASF e.a., en de tweede vraag was niet bijzonder ingewikkeld. Ook de moeilijkheidsgraad van de zaak was niet uitzonderlijk.
24 Wat de hoeveelheid werk betreft die de raadslieden van ICI aan de hogerevoorzieningsprocedure kunnen hebben gehad, wijst het Hof erop dat zij over de hiervoor omschreven vragen twee memories hebben geredigeerd als reactie op de memories van de Commissie. De terechtzitting bij het Hof op 7 oktober 1999 heeft ongeveer twee uur geduurd. De werklast voor deze raadslieden kwam dus weliswaar overeen met die van een zaak van zekere omvang, doch was niet uitzonderlijk.
25 In deze omstandigheden lijken de door ICI gevorderde advocatenkosten ten bedrage van 70 644 GBP (22 901 GBP en 25 226 GBP voor de senior counsel en 12 459 GBP en 10 058 GBP voor de junior counsel) niet objectief noodzakelijk te zijn geweest voor de verdediging van de belangen van deze vennootschap in hogere voorziening.
26 Wat meer in het bijzonder de kosten in verband met de diensten van een tweede advocaat aangaat, moet eraan worden herinnerd dat de procedure in hogere voorziening was beperkt tot twee duidelijk afgebakende rechtsvragen die geen verband hielden met de vaststelling van de feiten door het Gerecht. Deze feitelijke constateringen waren bovendien van groter belang in de procedure betreffende onderling afgestemde feitelijke gedragingen dan in de procedure betreffende misbruik van machtspositie, welke laatste als enige aan de orde was in de hogere voorziening. De kosten gemoeid met de inschakeling van de tweede advocaat wegens diens goede kennis van de procedure in eerste aanleg en van de feitelijke ontwikkelingen, waren dus niet noodzakelijk. Het is derhalve niet gerechtvaardigd deze kosten voor rekening van de Commissie te brengen.
27 Gelet op het voorgaande en met inachtneming van de in punt 17 van deze beschikking genoemde criteria moeten de invorderbare advocatenkosten worden vastgesteld op 25 000 GBP.
28 Met betrekking tot het bedrag van 2010 GBP aan reis- en verblijfkosten van de twee advocaten en de twee interne adviseurs in verband met het beleggen van drie vergaderingen in Brussel, heeft ICI voor het Hof noch de aard van deze vergaderingen en de noodzaak daarvan voor de hogerevoorzieningsprocedure, noch de noodzaak om deze vergaderingen in Brussel te houden, aangetoond. Dit bedrag kan dan ook niet worden aanvaard.
29 De door ICI gevorderde reis‑ en verblijfkosten in verband met het bijwonen van de terechtzitting bij het Hof door de twee advocaten en de twee interne adviseurs kunnen slechts worden aanvaard voor één advocaat en één intern adviseur, dat wil zeggen tot een bedrag van 936,50 GBP, aangezien de aanwezigheid van de tweede advocaat om de hiervoor in punt 26 van deze beschikking uiteengezette redenen niet noodzakelijk was. Daar komen nog bij de kosten in verband met de domiciliekeuze te Luxemburg, een bedrag van 894 GBP. De huur van een vergaderzaal ten bedrage van 1488,99 GBP kan daarentegen niet in aanmerking worden genomen, omdat deze kosten niet noodzakelijk lijken.
30 Gelet op het voorgaande is het billijk om het bedrag van de invorderbare kosten in zaak C‑286/95 P vast te stellen op 26 830,50 GBP.
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer)
beschikt:
Het totaalbedrag van de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen aan Imperial Chemical Industries terug te betalen kosten in zaak C‑286/95 P wordt vastgesteld op 26 830,50 GBP.
Luxemburg, 8 juli 2004.
De griffier
De president van de Eerste kamer
R. Grass
P. Jann
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy