Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Hogere voorziening ° Middelen ° Verkeerde beoordeling van feiten ° Niet-ontvankelijkheid ° Afwijzing
(EG-Verdrag, art. 168 A; 's Hofs Statuut-EG, art. 51, eerste alinea)
2. Hogere voorziening ° Middelen ° Loutere herhaling van reeds voor Gerecht aangevoerde middelen en argumenten ° Niet-ontvankelijkheid ° Afwijzing
(EG-Verdrag, art. 168 A; 's Hofs Statuut-EG, art. 51; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c)
Samenvatting
1. Hogere voorziening is ingevolge artikel 168 A EG-Verdrag beperkt tot rechtsvragen en deze beperking is gepreciseerd in artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut. Hogere voorziening kan dus slechts worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling, en is derhalve slechts ontvankelijk voor zover het Gerecht uitspraak heeft gedaan onder miskenning van rechtsregels waarvan het de eerbiediging had te verzekeren.
2. Ingevolge artikel 168 A van het Verdrag junctis artikel 51 van 's Hofs Statuut en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, moet een verzoekschrift in hogere voorziening duidelijk aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest van het Gerecht waarvan de vernietiging wordt gevorderd het is gericht, en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven.
Middelen die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde argumenten herhalen of letterlijk overnemen, zonder enig juridisch argument te geven dat de conclusies in hogere voorziening staaft, voldoen niet aan dat vereiste. Dergelijke middelen beogen immers slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift en van het verweerschrift te verkrijgen, iets waartoe het Hof niet bevoegd is.
Partijen
In zaak C-293/95 P,
Odigitria AAE, vennootschap naar Grieks recht, gevestigd te Athene, vertegenwoordigd door A. Chatzitzani, G. Stefanakis en E. Marias, advocaten te Athene, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Thill-Kamitaki, advocaat aldaar, Boulevard Royal 17,
requirante,
betreffende hogere voorziening tegen het op 6 juli 1995 door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Eerste kamer) gewezen arrest in zaak T-572/93 (Odigitria/Raad en Commissie, Jurispr. 1995, blz. II-2025), en strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partijen bij de procedure:
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur J. Carbery en door S. Kyriakopoulou, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Kontou-Durande, lid van haar juridische dienst, en T. van Rijn, juridisch adviseur, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: J. L. Murray, kamerpresident, C. N. Kakouris en P. J. G. Kapteyn (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. B. Elmer
griffier: R. Grass
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 8 september 1995, heeft Odigitria AAE hogere voorziening ingesteld tegen het op 6 juli 1995 door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Eerste kamer) gewezen arrest in zaak T-572/93 (Odigitria/Raad en Commissie, Jurispr. 1995, blz. II-2025; hierna: "bestreden arrest"), waarbij dit het beroep strekkende tot vaststelling dat de Europese Gemeenschap uit hoofde van artikel 215, tweede alinea, EG-Verdrag aansprakelijk is voor de aan verzoekster toegebrachte schade, en tot haar veroordeling om bij wege van schadevergoeding een bedrag van 102 446 183 DR te betalen, vermeerderd met rente daarover ad 24 % per jaar, te rekenen vanaf de neerlegging van het verzoekschrift, ongegrond heeft verklaard.
2 Met betrekking tot de aan het beroep voor het Gerecht ten grondslag liggende feiten, heeft dit laatste vastgesteld:
"1 Het onderhavig geding spruit voort uit een geschil tussen de Republiek Senegal (hierna: 'Senegal' ) en de Republiek Guinee-Bissau (hierna: 'Guinee-Bissau' ) over de precieze afbakening van hun zeegebied. Dit conflict vloeit voort uit een verschil van mening omtrent de uitlegging van een grensverdrag dat in 1960, vóór de onafhankelijkheid van genoemde staten, is gesloten tussen de Franse Republiek en de Republiek Portugal.
2 Om tot een oplossing van het geschil te komen, stemden beide partijen in 1985 erin toe, het aan arbitrage te onderwerpen. Op 31 juli 1989 werd een arbitrale uitspraak gedaan.
3 Op 2 augustus 1989 betwistte Guinee-Bissau bij een schriftelijke mededeling de arbitrale uitspraak en verklaarde zij dat zij voornemens was een procedure in rechte in te leiden. De regering van Guinee-Bissau legde daarnaast de volgende verklaring af: '(...) vastbesloten de rechten van zijn volk te handhaven, zal Guinee-Bissau zijn aanwezigheid in het gebied intensiveren en er de biologische rijkdommen exploiteren, zonder enige activiteit te dulden die een belemmering van deze exploitatie of het toezicht daarop van de bevoegde autoriteiten kan opleveren' . Op 14 augustus 1989 werden deze verklaring en de mededeling van 2 augustus ter kennis gebracht van de Ministeries van Buitenlandse zaken van de Lid-Staten, de Raad en de Commissie.
4 Guinee-Bissau maakte het geschil vervolgens aanhangig bij het Internationaal Gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: 'IGH' ) en verzocht om voorlopige maatregelen. Dit verzoek werd door het IGH afgewezen bij beschikking van 2 maart 1990. Bij arrest van 12 november 1991 werd de arbitrale uitspraak door het IGH bevestigd. De autoriteiten van Guinee-Bissau besloten daarop voor het IGH een procedure ten principale aanhangig te maken. Voorzover de Commissie bekend, is deze procedure nog steeds aanhangig.
5 Intussen had de Europese Economische Gemeenschap (hierna: 'EEG' ) op 15 juni 1979 met de Senegalese regering een overeenkomst inzake de visserij voor de Senegalese kust gesloten. Die overeenkomst is namens de EEG goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2212/80 van de Raad van 27 juni 1980 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Regering van de Republiek Senegal en de Europese Economische Gemeenschap betreffende de visserij voor de Senegalese kust, alsmede van het protocol en de briefwisselingen ter zake (PB 1980, L 226, blz. 16).
6 Artikel 1 omschrijft het doel van de overeenkomst: de vaststelling van beginselen en regels voor de uitoefening van de visserij door vaartuigen die de vlag van een Lid-Staat van de Gemeenschap voeren, in de wateren die, voor wat de visserij betreft, onder de jurisdictie van Senegal vallen. Artikel 4 van de overeenkomst bepaalt, dat vaartuigen uit de Gemeenschap uitsluitend in de visserijzone van Senegal mogen vissen indien daarvoor op verzoek van de Gemeenschap door de Senegalese autoriteiten een vergunning is afgegeven. In bijlage I, sub E, bij de overeenkomst worden de zones afgebakend waarvoor de vergunning, afhankelijk van het type vaartuig en het soort visserij, geldig is.
7 Op 27 februari 1980 sloot de EEG tevens een visserijovereenkomst met Guinee-Bissau, die is goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2213/80 van de Raad van 27 juni 1980 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de regering van de Republiek Guinee-Bissau en de Europese Economische Gemeenschap betreffende de visserij voor de kust van Guinee-Bissau, alsmede van de twee briefwisselingen ter zake (PB 1980, L 226, blz. 33).
8 De overeenkomst met Senegal werd enkele malen bij overeenkomst tussen de partijen gewijzigd. Op 4 februari 1991 werd door de EEG een protocol bij de overeenkomst met Senegal gesloten, dat door de Raad is goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 420/91 betreffende de sluiting van het Protocol tot vaststelling van de visserijrechten en de financiële compensatie, bedoeld in de Overeenkomst tussen de regering van de Republiek Senegal en de Europese Economische Gemeenschap inzake de visserij voor de Senegalese kust, voor de periode van 1 mei 1990 tot en met 30 april 1992 (PB 1991, L 53, blz. 1). In dit Protocol (hierna: 'Protocol van 4 februari 1991' ) werden de visserijrechten en de financiële compensatie geregeld. Het Protocol is na een briefwisseling tussen de partijen op voorlopige basis toegepast.
9 Evenzo werd op 25 april 1990 door de EEG een protocol bij de overeenkomst met Guinee-Bissau gesloten, dat door de Raad is goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 1235/90 betreffende de sluiting van het Protocol tot vaststelling van de voor de periode van 16 juni 1989 tot en met 15 juni 1991 geldende visserijrechten en financiële compensatie, bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de regering van de Republiek Guinee-Bissau inzake de visserij voor de kust van Guinee-Bissau (PB 1990, L 125, blz. 1). In dit protocol (hierna: 'Protocol van 25 april 1990' ) werden de visserijrechten en de financiële compensatie geregeld.
10 Bij artikel 7 van het Protocol van 25 april 1990 werd de bijlage bij de overeenkomst met Guinee-Bissau geschrapt en vervangen door een nieuwe bijlage, die onder punt K voor het geval van aanhouding van vaartuigen de volgende regeling voorziet:
' Telkens wanneer vissersvaartuigen die de vlag voeren van een Lid-Staat van de Gemeenschap in de visserijzone van Guinee-Bissau worden aangehouden, worden de autoriteiten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in Guinee-Bissau daar binnen een termijn van 48 uur van in kennis gesteld. De bedoelde autoriteiten ontvangen tegelijk een kort verslag over de omstandigheden van en de redenen voor deze aanhouding.
Indien de zaak aan een bevoegde juridische instantie wordt voorgelegd, kunnen de instanties van Guinee-Bissau op verzoek van de Gemeenschap of van de reder een bankgarantie vaststellen.
In dat geval verbinden de autoriteiten van Guinee-Bissau zich ertoe het vaartuig binnen 24 uur na het stellen van de bankgarantie vrij te geven.
De bankgarantie wordt door de bevoegde instantie vrijgegeven, zodra de kapitein van het betrokken vaartuig is vrijgesproken. Ingeval een van de partijen zulks nodig acht, kan zij op grond van artikel 10 van de Overeenkomst een verzoek om urgent overleg indienen.'
11 Tegen deze achtergrond deed de ambassade van Guinee-Bissau te Brussel de Commissie op 11 mei 1990 een mondelinge nota toekomen, onder kenmerk nr. 447/CIJ/90, waarin zij haar 'op de hoogte bracht van de ontwikkeling van de situatie in het zeegebied voor de kust van Guinee-Bissau en Senegal' . In die nota werd melding gemaakt van een nieuw incident, dat op 11 april zou hebben plaatsgevonden: de Senegalese marine had een vissersboot uit de Sovjet-Unie aangehouden, die beschikte over een door Guinee-Bissau afgegeven visvergunning, in een gebied dat onbetwistbaar onder de jurisdictie van Guinee-Bissau viel. De nota eindigde met het verzoek '(...) deze uiterst gewichtige inlichtingen ter kennis te brengen van eenieder voor wie zij deze van belang acht' . Deze nota werd op 28 mei 1990 door de Commissie ingeschreven.
12 Op 14 mei 1990 werd het onder Griekse vlag varende en aan verzoekster toebehorende vissersvaartuig Theodoros M, dat op 10 mei de haven van Dakar was uitgevaren en beschikte over een door de Senegalese autoriteiten afgegeven visvergunning, in de betrokken wateren aangehouden door een patrouilleboot van Guinee-Bissau. Na de aanhouding werden de lading, ongeveer zes ton vis, alsmede de boorddocumenten door de autoriteiten van Guinee-Bissau in beslag genomen en verbeurd verklaard. De visvergunning voor de Theodoros M was door het Senegalese ministerie, belast met de zeevisserij, afgegeven overeenkomstig de tussen Senegal en de Gemeenschap geldende bepalingen. De vergunningsaanvraag was via de Commissie bij de Senegalese autoriteiten ingediend en het document was eveneens via de vertegenwoordiging van de Commissie te Dakar aan verzoeksters vaartuig afgegeven.
13 De kapitein van de Theodoros M werd voor de Volksrechtbank van Bissau gedaagd ter zake van het vissen, zonder in het bezit te zijn van de daartoe benodigde vergunning, in wateren die onder de soevereiniteit van Guinee-Bissau vallen. Bij vonnis van 28 mei 1990 heeft de Volksrechtbank dit feit bewezen verklaard en de kapitein veroordeeld tot een boete van 213 519 000 Guinese pesos. In het vonnis wordt vastgesteld, dat de kapitein wist dat er tussen de twee republieken een geschil bestond omtrent het zeegebied waar het schip was aangehouden. Op 25 juli 1990 is het schip vrijgegeven.
14 Bij telexbericht van 21 juni 1990 gaf de directie Zeevisserij van het Griekse Ministerie van Landbouw de nationale cooeperatie van vissers op volle zee en de unie van garnalenvissers de aanbeveling, hun leden te adviseren, 'niet meer in die zone, waarop door beide landen aanspraak wordt gemaakt, te vissen zonder eerst een vergunning te hebben verkregen voor zowel de territoriale wateren van Guinee-Bissau als die van Senegal' ."
3 In die omstandigheden heeft verzoekster op 6 december 1993 bij het Gerecht beroep ingesteld op grond van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag, strekkende tot vergoeding van de ten gevolge van het handelen en nalaten van verweerders geleden schade.
Het bestreden arrest
4 Tot staving van haar beroep voor het Gerecht, heeft verzoekster vier middelen aangevoerd, ontleend aan de onrechtmatigheid van, in de eerste plaats de onderhandeling over en de sluiting van de protocollen met Guinee-Bissau en Senegal, in de tweede plaats het verzuim van de Commissie om verzoekster te informeren omtrent het geschil tussen Guinee-Bissau en Senegal, in de derde plaats het verzuim van de Commissie om, na de aanhouding van het vaartuig van requirante, met de autoriteiten van Guinee-Bissau overleg te plegen, overeenkomstig punt K van de bijlage bij het Protocol van 25 april 1990, en in de vierde plaats het verzuim van de Commissie om ° op grond van dezelfde bepaling ° te verzoeken om vaststelling van een bankgarantie (r.o. 23).
5 In het bestreden arrest heeft het Gerecht dit beroep ongegrond verklaard.
6 Met betrekking tot het tweede middel, ontleend aan de aansprakelijkheid van de Commissie wegens haar verzuim om requirante omtrent het geschil te informeren, heeft het Gerecht in de eerste plaats vastgesteld, dat de kapitein van het vaartuig van requirante op de hoogte was van het geschil tussen Guinee-Bissau en Senegal betreffende de omstreden zone en van het risico dat hij aldaar door een van beide republieken zou worden aangehouden, zonder dat de kapitein ambtshalve als getuige behoefde te worden opgeroepen (r.o. 69).
7 Vervolgens was het Gerecht van oordeel, dat indien de kapitein inderdaad op de hoogte was van het feit dat de bewuste zone tussen beide republieken omstreden was, de aanhouding van zijn vaartuig slechts kon worden verklaard door de bewuste wil van de kapitein om aldaar op eigen risico en gevaar te vissen, of door een navigatiefout waardoor hij aldaar heeft gevist zonder het te beseffen (r.o. 70).
8 Het Gerecht heeft daaruit afgeleid, dat in het ene noch in het andere geval de gestelde schade was veroorzaakt door het verzuim van de Commissie om requirante omtrent het geschil tussen de beide betrokken staten in te lichten, en dat de gestelde schade dus niet was veroorzaakt door het gedrag van de Commissie (r.o. 71 en 72).
De hogere voorziening
9 In hogere voorziening verzoekt requirante het Hof allereerst, het bestreden arrest te vernietigen, vervolgens, uit hoofde van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag, vast te stellen dat verweerders wegens de hun toe te rekenen onrechtmatige gedraging aansprakelijk zijn voor de aan requirante toegebrachte schade, en de Gemeenschap te veroordelen bij wege van schadevergoeding een bedrag van 102 446 183 DR te betalen, vermeerderd met rente daarover ad 24 % per jaar, te rekenen vanaf de neerlegging van het verzoekschrift voor het Gerecht, en, ten slotte, verweerders in de kosten te verwijzen.
10 Tot staving van haar hogere voorziening beroept requirante zich in de eerste plaats op schending van het algemene beginsel van procesrecht, volgens hetwelk de bewijslast rust op de partij die een stelling formuleert of een exceptie opwerpt, in de tweede plaats op ernstige onregelmatigheden in het arrest, in de derde plaats op het gemis aan motivering van dit arrest, in de vierde plaats op onjuiste beoordeling van de door requirante in eerste aanleg opgeworpen argumenten, in de vijfde plaats op tegenstrijdigheden die de motivering van het arrest zouden aantasten, en in de zesde plaats op onregelmatigheden processueel en ten gronde van het arrest, met betrekking tot de nakoming door de Commissie van haar verplichting tot het verlenen van diplomatieke bescherming.
11 De Commissie en de Raad zijn daarentegen van mening, dat deze hogere voorziening ongegrond is.
12 Krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, deze op ieder moment bij met redenen omklede beschikking afwijzen, zonder tot de mondelinge behandeling over te gaan.
Het eerste middel, eerste en tweede onderdeel
13 In het eerste onderdeel van haar eerste middel verwijt requirante het Gerecht, het beginsel "actore non probante reus absolvitur" te hebben geschonden. Volgens haar hebben verweerders gesteld, dat het causaal verband tussen de beweerde schending van de informatieplicht en de schade was verbroken, met het betoog dat onder meer uit het vonnis van de Volksrechtbank van Bissau zou blijken, dat de kapitein op het moment dat zijn vaartuig werd aangehouden, op de hoogte was van het geschil tussen Guinee-Bissau en Senegal. Door aan requirante vragen te stellen over wat de kapitein van het geschil tussen die twee landen wist, en zich enkel op haar antwoorden te baseren voor de conclusie, dat deze op de hoogte was, zou het Gerecht de bewijslast hebben omgekeerd.
14 Dit onderdeel van het eerste middel betreft rechtsoverweging 66 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht onder meer vaststelt:
"In dit verband hebben de Raad en de Commissie betoogd, dat onder meer uit het vonnis van de Volksrechtbank van Guinee-Bissau zou blijken, dat de kapitein op het moment dat zijn vaartuig werd aangehouden, op de hoogte was van het geschil tussen Guinee-Bissau en Senegal. In repliek betwist verzoekster deze verklaring, zonder evenwel concreet aan te geven, wat de kapitein in feite wist. Om die reden heeft het Gerecht verzoekster bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang gevraagd, om nauwkeurig haar standpunt kenbaar te maken omtrent hetgeen door de Volksrechtbank van Bissau feitelijk is vastgesteld over wat de kapitein wist."
15 Daarmee heeft het Gerecht dus niet de bewijslast omgekeerd, maar requirante gevraagd, haar standpunt kenbaar te maken omtrent de in het vonnis van de Volksrechtbank van Bissau vastgestelde feiten die door de Raad en de Commissie zijn aangevoerd ten bewijze, dat er geen causaal verband bestond tussen het verzuim om requirante omtrent het geschil tussen de beide betrokken staten in te lichten en de gestelde schade.
16 In het tweede onderdeel van het eerste middel voert requirante aan, dat het Gerecht, dat nog in twijfel verkeerde, de overlegging van aanvullende bewijzen had moeten gelasten, zulks ten laste van verweerders, die de stelling inzake de gegevens waarvan de kapitein op de hoogte was, hebben geformuleerd. Dienaangaande herinnert requirante eraan, dat zij in het inleidend verzoekschrift had gevraagd de getuigen te horen.
17 Dit tweede onderdeel van het eerste middel berust op een kennelijk onjuiste uitlegging van het bestreden arrest. Uit de rechtsoverwegingen 66 en 67 hiervan blijkt niet, dat het Gerecht nog in twijfel verkeerde, maar dat requirante, aan wie in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang was gevraagd, nauwkeurig haar standpunt kenbaar te maken omtrent hetgeen door de Volksrechtbank van Bissau feitelijk was vastgesteld en door de Raad en de Commissie is aangevoerd ten bewijze dat er geen causaal verband bestond, een onduidelijk antwoord heeft gegeven. Zo heeft het Gerecht in rechtsoverweging 68 van het bestreden arrest overwogen, dat "verzoekster, de maatregel tot organisatie van de procesgang ten spijt, niet duidelijk [heeft] gemaakt wat haar kapitein concreet wist en evenmin getuigen, bij voorbeeld de kapitein, [heeft] opgeroepen om de verklaringen van de Commissie te ontkrachten, ook al betroffen die verklaringen verzoekster".
18 Daarenboven zij eraan herinnerd, dat ingevolge artikel 168 A EG-Verdrag hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen en dat deze beperking is gepreciseerd in artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG. Zoals het Hof reeds herhaaldelijk heeft geoordeeld, kan hogere voorziening slechts worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling, en is deze derhalve slechts ontvankelijk voor zover het Gerecht uitspraak heeft gedaan onder miskenning van rechtsregels waarvan het de eerbiediging had te verzekeren (zie beschikking van 11 juli 1996, zaak C-325/94 P, An Taisce en WWF UK, Jurispr. 1996, blz. I-3727, r.o. 28).
19 Voor zover het tweede onderdeel van het eerste middel betrekking heeft op de beoordeling van de antwoorden van requirante op de door het Gerecht in het kader van de organisatie van de procesgang gestelde feitelijke vragen, is het dus kennelijk niet-ontvankelijk.
20 Mitsdien moeten het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel kennelijk ongegrond respectievelijk kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het derde onderdeel van het eerste middel, en het tweede en het derde middel
21 In het derde onderdeel van het eerste middel betoogt requirante, dat het Gerecht in rechtsoverweging 70 van het bestreden arrest conjecturaal en onduidelijk heeft geconcludeerd, dat "[moest] worden vastgesteld dat de kapitein (...) op de hoogte was van het geschil (...) en van het risico dat hij (...) zou worden aangehouden".
22 In haar tweede middel verwijt requirante het Gerecht, zijn conclusie in rechtsoverweging 70 van het bestreden arrest niet categorisch te hebben geformuleerd. Het Gerecht zou dus niet de overtuiging hebben gehad die nodig was om tot die conclusie te komen.
23 Volgens het derde middel mist het bestreden arrest iedere motivering, wat de door verweerders gestelde verbreking van het causaal verband betreft. Het zou immers niet duidelijk en volledig de verschillende feitelijke gegevens en bewijzen uiteenzetten, die het Gerecht als vaststaand heeft beschouwd en waaruit met zekerheid kan worden afgeleid, dat de kapitein op de hoogte was.
24 Deze reeks argumenten berust op een kennelijk onjuiste uitlegging van het bestreden arrest.
25 Om te beginnen heeft het Gerecht in rechtsoverweging 65 eraan herinnerd, dat om de aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag vast te stellen, moest worden onderzocht of een eventuele schending van de informatieplicht door de Commissie aan de schade ten grondslag lag. Het heeft in dezelfde rechtsoverweging dus terecht overwogen, dat indien de kapitein van het vaartuig op het moment van aanhouding van zijn vaartuig op de hoogte was van het geschil, het feit dat de Commissie hem niet omtrent het geschil heeft ingelicht, geen enkele rol had kunnen spelen in het ontstaan van de beweerde schade.
26 Vervolgens heeft het Gerecht in de rechtsoverwegingen 66 tot en met 68 van het bestreden arrest de feitelijke gegevens en de argumenten van partijen betreffende de gegevens waarvan de kapitein van het vaartuig op de hoogte was, uiteengezet. Uit die rechtsoverwegingen blijkt duidelijk, dat de argumenten van requirante die van verweerders niet hebben weerlegd, en dat zij het Gerecht niet hebben overtuigd.
27 Ook in de rechtsoverwegingen 69 en 70 van het bestreden arrest heeft het Gerecht niet de minste twijfel omtrent zijn overtuiging laten bestaan, door zijn conclusie met betrekking tot hetgeen de kapitein wist, duidelijk te formuleren en bijgevolg te overwegen, dat de aanhouding van het vaartuig slechts kon worden verklaard door zijn bewuste wil om aldaar op eigen risico en gevaar te vissen, of door een navigatiefout waardoor hij aldaar heeft gevist zonder het te beseffen.
28 Ten slotte is de conclusie van het Gerecht in rechtsoverweging 71 van het bestreden arrest, volgens welke in het ene noch in het andere geval de gestelde schade is veroorzaakt door het verzuim van de Commissie om requirante omtrent het geschil tussen de beide betrokken staten in te lichten, categorisch en stellig geformuleerd.
29 In die omstandigheden moeten het derde onderdeel van het eerste middel, en het tweede en het derde middel kennelijk ongegrond worden verklaard.
Het vierde middel
30 Het vierde middel betreft de onjuiste beoordeling en de verdraaiing van de inhoud van de door requirante aangevoerde argumenten betreffende schending van de beginselen van zorgvuldigheid en goed bestuur.
31 Met betrekking tot de schending van het beginsel van zorgvuldigheid bij het sluiten van internationale overeenkomsten, merkt requirante op, dat zij voor het Gerecht niet had betoogd dat de instellingen van de Gemeenschap in het betrokken geschil hun standpunt moesten bepalen, maar dat zij ofwel geen overeenkomst of protocol hadden moeten sluiten, ofwel het omstreden gebied van de in de betrokken overeenkomsten bedoelde visserijzones hadden moeten uitsluiten.
32 Wat de schending van het beginsel van goed bestuur betreft, zou requirante voor het Gerecht hebben aangevoerd, dat zij noch bij de toezending van de visvergunning, noch na ontvangst van de mondelinge nota van de ambassade van Guinee-Bissau van 11 mei 1990, op de hoogte was gebracht van het risico dat het vaartuig zou worden aangehouden.
33 Vastgesteld zij, dat het vierde middel, voor zover het betrekking heeft op een onjuiste beoordeling van de feiten door het Gerecht, kennelijk niet-ontvankelijk is. Wat de verweten verdraaiing van argumenten betreft, blijkt bij vergelijking van de in het verzoekschrift vervatte argumenten, die zijn weergegeven in de rechtsoverwegingen 25, 26 en 48 tot en met 61 van het bestreden arrest, en de rechtsoverwegingen 38, 39, 62 en 63 van dit arrest, dat het Gerecht de teneur van de argumenten van requirante niet heeft gewijzigd.
34 Bijgevolg is het vierde middel deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels ongegrond.
Het vijfde middel
35 In haar vijfde middel betoogt requirante, dat de motivering van het bestreden arrest verschillende tegenstrijdigheden bevat. Ondanks de in de rechtsoverwegingen 63 en 64 van het bestreden arrest vermelde gegevens, zou het Gerecht de schending van het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel door de Commissie niet hebben vastgesteld, uit overweging dat de Commissie en de Raad geen enkele toezegging over de inhoud van de overeenkomst hadden gedaan (r.o. 41, 44 en 45).
36 Dit middel berust op een kennelijk onjuiste uitlegging van het bestreden arrest.
37 Wat de beweerde schending van het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel betreft, was het Gerecht in de rechtsoverwegingen 41 tot en met 45 van het bestreden arrest van oordeel:
"41 Wat de beweerde miskenning van het vertrouwensbeginsel betreft, herinnert Gerecht eraan, dat elke particulier het recht heeft om aanspraak te maken op bescherming van het gewettigd vertrouwen, wanneer blijkt dat de communautaire administratie, door hem precieze toezeggingen te doen, bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt (zie onder meer arresten Gerecht van 14 juli 1994, zaak T-534/93, Grynberg en Hall, JurAmt. 1994, blz. II-595, r.o. 51, en 19 mei 1994, zaak T-465/93, Jurispr. 1994, blz. II-361, r.o. 67). In dit geval heeft verzoekster niet gesteld of aangetoond, dat de Raad en de Commissie hem precieze toezeggingen hebben gedaan over de inhoud die de tussen de Gemeenschap en Senegal gesloten visserijovereenkomst en de daarbij horende protocollen zouden hebben. De Raad en de Commissie kan dan ook niet worden verweten dat zij met de sluiting van die visserijovereenkomst en bijbehorende protocollen het gewettigd vertrouwen van verzoekster hebben beschaamd.
42 Zo verzoekster met haar redenering al aannemelijk kan maken, dat de Raad en de Commissie met de sluiting van die visserijovereenkomst en bijbehorende protocollen haar teleurgesteld hebben in het gewettigd vertrouwen, dat die overeenkomst en de protocollen zouden stroken met de beginselen van goed bestuur en zorgvuldigheid, valt deze redenering samen met de argumenten die verzoekster ter zake van de miskenning van die beginselen zelf heeft aangevoerd.
43 Voor zover het betoog van verzoekster de aan haar afgegeven visvergunning geldt, stelt het Gerecht vast dat dit samenvalt met haar tweede middel.
44 Wat het rechtszekerheidsbeginsel betreft, zij opgemerkt dat het geschil tussen Guinee-Bissau en Senegal daadwerkelijk enige onzekerheid heeft doen ontstaan voor de subjecten die in de betwiste wateren vissen. Die onzekerheid is echter niet te wijten aan de door de Gemeenschap gesloten overeenkomsten en protocollen, maar aan een geschil waarvoor de Gemeenschap niet verantwoordelijk is (zie r.o. 1-4, 37 en 38 van dit arrest). In die omstandigheden kan de Raad en de Commissie niet worden verweten, dat zij niet van de voordelen hebben afgezien die de betrokken visserijovereenkomsten de Gemeenschap konden brengen, te meer omdat de vissers uit de Gemeenschap in staat waren de kwalijke gevolgen van de ontstane onzekere situatie te voorkomen. Het was immers de taak van de kapitein van het vaartuig om zijn positie op zee nauwkeurig te bepalen. Was hij van plan om in de omstreden wateren te vissen, dan had hij tevoren in beide betrokken landen een vergunning kunnen aanvragen om represaillemaatregelen van een van beide landen te voorkomen, mits hij, in voorkomend geval, de bepalingen van de door de Gemeenschap gesloten protocollen inzake de tewerkstelling van onderdanen van de respectieve landen op zijn vaartuig naleefde, welke bepalingen in casu geen rol hebben gespeeld.
45 Gezien de voordelen van het sluiten van de betrokken overeenkomsten en de mogelijkheid voor de marktdeelnemers om de daaraan verbonden problemen te voorkomen, moet worden vastgesteld dat de Gemeenschap het rechtszekerheidsbeginsel niet heeft miskend."
38 Het Gerecht was dus van oordeel, dat verweerders met het sluiten van de visserijovereenkomst en bijbehorende protocollen, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel niet hadden miskend.
39 Na in rechtsoverweging 62 van het bestreden arrest eraan te hebben herinnerd, dat de Commissie, door onderhandelingen te voeren over de overeenkomst en het bijbehorende protocol en de omstreden wateren niet van de overeenkomst en het protocol uit te sluiten, niet een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel had geschonden, was het Gerecht in de rechtsoverwegingen 63 tot en met 65 van het bestreden arrest van oordeel:
"63 Niettemin dient te worden onderzocht of de Commissie wellicht op bestuurlijk niveau een fout heeft gemaakt waarvoor de Gemeenschap aansprakelijk moet worden gesteld, door namelijk niet de vaartuigen van de Gemeenschap te beschermen die in de omstreden zone visten op basis van vergunningen die door bemiddeling van de Commissie en krachtens de door de Gemeenschap gesloten overeenkomsten waren afgegeven. Die vergunningen worden immers namens de reder aangevraagd en namens Senegal afgegeven door bemiddeling van de Commissie (zie de bijlage bij het Protocol van 4 februari 1991, betreffende de voorwaarden voor de uitoefening van de visserij in de visserijzone van Guinee-Bissau voor vaartuigen die de vlag van een Lid-Staat van de Gemeenschap voeren, sub A). De vergunning van verzoekster is dus door bemiddeling van de delegatie van de Commissie in Senegal afgegeven. Dus anders dan de Commissie beweert, had haar delegatie de mogelijkheid om bij elke afgegeven vergunning een schriftelijke waarschuwing te voegen, waarin de vergunninghouder op de risico' s van het vissen in de omstreden zone werd gewezen. Hiertegen kan niet worden ingebracht dat een dergelijke waarschuwing niet kon worden gegeven zonder de gevoelens van de twee betrokken staten te kwetsen. De Commissie kon namelijk als instelling een dergelijke waarschuwing neutraal en diplomatiek genoeg formuleren, zonder een standpunt in te nemen in het geschil tussen deze twee staten.
64 Indien de Commissie het misplaatst had gevonden om zulke waarschuwingen bij de vergunningen te voegen, had zij trouwens de Lid-Staten kunnen vragen om zelf de betrokkenen in te lichten omtrent de risico' s van het vissen in de tussen de betrokken staten betwiste wateren, zoals ook de Griekse regering overigens heeft gedaan, nadat het schip van verzoekster was aangehouden (zie hierboven, r.o. 14).
65 Zo de Commissie aldus inderdaad een informatieplicht heeft geschonden, moet worden onderzocht of die schending aan de schade ten oorsprong heeft gelegen. Indien de kapitein van het vaartuig op het moment van aanhouding van zijn vaartuig op de hoogte was van het geschil, heeft het feit dat de Commissie hem niet omtrent het geschil heeft ingelicht, geen enkele rol kunnen spelen in het ontstaan van de beweerde schade."
40 Daaruit blijkt, dat het Gerecht, alvorens zich over de mogelijke schending van de informatieplicht van de Commissie uit te spreken, heeft onderzocht of er tussen de beweerde schade en de gestelde inbreuk een causaal verband bestond. Van oordeel, dat de gestelde schade niet was veroorzaakt door het verzuim van de Commissie om verzoekster omtrent het geschil tussen de beide betrokken staten in te lichten, heeft het Gerecht in rechtsoverweging 71 van het bestreden arrest geconcludeerd, dat er geen causaal verband was.
41 Er is dus geen enkele tegenstrijdigheid tussen de door het Gerecht gevolgde redenering met betrekking tot de aansprakelijkheid van de Commissie in de zin van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag en de schending van de algemene beginselen van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van rechtszekerheid.
42 Dit middel is dus kennelijk ongegrond.
Het zesde middel
43 In haar zesde middel betwist requirante de conclusie van het Gerecht, dat de Commissie haar plicht tot het verlenen van diplomatieke bescherming is nagekomen (r.o. 85).
44 Zoals het Hof reeds in rechtsoverweging 18 van het onderhavige arrest in herinnering heeft gebracht, kan ingevolge artikel 168 A van het Verdrag en artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening slechts worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling, en is deze derhalve slechts ontvankelijk voor zover het Gerecht uitspraak heeft gedaan onder miskenning van rechtsregels waarvan het de eerbiediging had te verzekeren. In dezelfde lijn bepaalt artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat het verzoekschrift in hogere voorziening de tot staving van de conclusies aangevoerde middelen en argumenten rechtens moet vermelden.
45 Zo heeft het Hof herhaaldelijk overwogen, dat uit die bepalingen volgt, dat een verzoekschrift in hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd het is gericht, en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven. Het Hof heeft ook overwogen, dat middelen die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde argumenten herhalen of letterlijk overnemen, zonder enig juridisch argument te geven dat de conclusies in hogere voorziening staaft, niet aan dat vereiste voldoen. Dergelijke middelen beogen immers slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift en van het verweerschrift te verkrijgen, iets waartoe het Hof niet bevoegd is (zie onder meer beschikking van 7 maart 1994, zaak C-338/93 P, De Hoe, Jurispr. 1994, blz. I-819, r.o. 17-19).
46 Vastgesteld zij, dat requirante tot staving van haar zesde middel precies de argumenten herhaalt die zij in de loop van het geding in eerste aanleg had aangevoerd, zonder er nieuwe gegevens aan toe te voegen.
47 Het zesde middel is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk.
48 Uit een en ander volgt, dat de middelen die requirante tot staving van haar hogere voorziening heeft aangevoerd, hetzij kennelijk niet-ontvankelijk, hetzij kennelijk ongegrond zijn. De hogere voorziening moet dus overeenkomstig artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
49 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Aangezien requirante in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer)
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Requirante wordt in de kosten verwezen.
Luxemburg, 28 november 1996.
Full & Egal Universal Law Academy