Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Hogere voorziening ° Middelen ° Middelen betreffende omstandigheden waarover definitief uitspraak is gedaan bij arrest van Gerecht, waartegen hogere voorziening is ingesteld die door het Hof is afgewezen ° Gezag van gewijsde ° Afwijzing
(EG-Verdrag, art. 168 A; 's Hofs Statuut-EG, art. 52)
Samenvatting
Een hogere voorziening waarin alle door de requirant voorgedragen middelen betrekking hebben op omstandigheden waarover definitief uitspraak is gedaan in een arrest van het Gerecht, waartegen een hogere voorziening is ingesteld die door het Hof is afgewezen, dient te worden afgewezen.
Partijen
In zaak C-397/95 P,
D. Coussios, voormalig ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Sakellaropoulos, advocaat te Athene,
requirant,
betreffende hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vierde kamer) van 11 oktober 1995 (zaak T-302/94, Coussios/Commissie, JurAmbt. 1995, blz. II-723), en strekkende tot vernietiging van deze beschikking,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. M. Alves Vieira, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en C. Gulmann (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: R. Grass
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 december 1995, heeft D. Coussios krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van de Statuten-EGKS en EGA, hogere voorziening ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vierde kamer) van 11 oktober 1995 (zaak T-302/94, Coussios/Commissie, JurAmbt. 1995, blz. II-723; hierna: de "bestreden beschikking"), waarbij zijn beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie tot benoeming per 1 december 1993 van P. als hoofd van de eenheid VII.C.3 niet-ontvankelijk is verklaard.
2 Blijkens de bestreden beschikking besloot de Commissie op 10 april 1991 bij DG VII een nieuwe eenheid "Veiligheid van het luchtvervoer ° controle op het luchtverkeer ° industriebeleid" (VII.C.3) op te richten.
3 Op 2 mei 1991 publiceerde de Commissie kennisgeving van vacature COM/64/91 betreffende de post van hoofd van deze nieuwe eenheid. Coussios, destijds adjunct-hoofd van eenheid VII.B.3 "Veiligheid van het vervoer ° onderzoek en technologie" bij DG VII, was een van de sollicitanten. Op basis van een nota van de directeur-generaal van 4 juni 1991 heeft de directeur "de opdracht van hoofd van de eenheid C.3 waargenomen". Op 16 juni 1991 werd Coussios als adjunct-hoofd bij de nieuwe eenheid tewerkgesteld.
4 Op 5 juli 1991 verzocht de Commissie de andere instellingen kennisgeving van vacature COM/64/91 ter kennis van hun personeelsleden te brengen. Niemand stelde zich kandidaat.
5 Op 8 juli 1991 is de kennisgeving van vacature in een gewijzigde versie "opnieuw gepubliceerd". D. Coussios solliciteerde opnieuw. Coussios is tegen de wettigheid van deze "nieuwe publikatie" opgekomen bij het Gerecht (zaak T-18/92).
6 Op 13 februari 1992 besloot de Commissie om in deze fase niet in de vacante post bij eenheid VII.C.3 te voorzien, en niet een intern doch een extern vergelijkend onderzoek te organiseren. Tegen deze besluiten stelde Coussios een tweede beroep in bij het Gerecht (zaak T-68/92).
7 Bij arrest van 23 februari 1994 (gevoegde zaken T-18/92 en T-68/92, Coussios/Commissie, JurAmbt. 1994, blz. II-171) heeft het Gerecht (Vijfde kamer) het beroep in zaak T-18/92 verworpen. Bij hetzelfde arrest verklaarde het Gerecht in zaak T-68/92 het middel ontleend aan ontbreken van motivering van de afwijzing van de kandidatuur van Coussios voor een bevordering naar de betrokken post gegrond (r.o. 77), en verwierp het het beroep voor het overige. Voorts oordeelde het Gerecht, dat die onwettigheid ook de onwettigheid meebracht van de besluiten om geen intern, doch wel een extern vergelijkend onderzoek te organiseren (r.o. 103). Het was evenwel van oordeel, dat de nietigverklaring van deze besluiten een te strenge sanctie voor de begane onwettigheid zou vormen, aangezien daardoor de rechten van derden te zeer zouden worden aangetast (r.o. 106). Het Gerecht was derhalve, op grond van een schadebegroting ex aequo et bono, van oordeel, dat de toekenning van een bedrag van 2 000 ECU een passende schadeloosstelling van verzoeker vormde (r.o. 108).
8 De hogere voorziening van Coussios tegen dit arrest is door het Hof (Derde kamer) bij arrest van 1 juni 1995 (zaak C-119/94 P, Coussios/Commissie, Jurispr. 1995, blz. I-1439) verworpen.
9 Nog voor het arrest van het Hof heeft Coussios op 28 september 1994 bij het Gerecht een nieuw beroep ingesteld, dat is ingeschreven onder nummer T-302/94 en gericht is tegen de benoeming per 1 december 1993 van P., die was geslaagd voor het extern vergelijkend onderzoek, als hoofd van de eenheid VII.C.3.
10 De Commissie heeft krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep opgeworpen. Coussios van zijn kant heeft opmerkingen ingediend strekkende tot verwerping van de exceptie van niet-ontvankelijkheid.
De bestreden beschikking
11 Bij de bestreden beschikking is het beroep van Coussios niet-ontvankelijk verklaard.
12 Het Gerecht heeft er allereerst op gewezen, dat het beroep strekte tot nietigverklaring van de benoeming per 1 december 1993 van P. als hoofd van de eenheid VII.C.3. Het Gerecht stelde ook vast, dat van de tot staving van het beroep aangevoerde middelen, alleen dat inzake schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, voor zover tot benoeming was overgegaan op een datum waarop het organiseren van een extern vergelijkend onderzoek nog ter discussie stond, rechtstreeks was gericht tegen het benoemingsbesluit waarvan verzoeker om nietigverklaring verzocht. Alle andere middelen waren namelijk gericht tegen besluiten die op hun wettigheid zijn getoetst bij het arrest van het Gerecht van 23 februari 1994 (zaken T-18/92 en T-68/92), dat in hogere voorziening is bevestigd bij het arrest van het Hof van 1 juni 1995 (r.o. 44 van de bestreden beschikking).
13 Dienaangaande heeft het Gerecht er in rechtsoverweging 45 van de bestreden beschikking allereerst aan herinnerd, dat de enige bij zijn arrest van 23 februari 1994 vastgestelde onwettigheid, te weten de niet-nakoming van de motiveringsplicht inzake het besluit tot afwijzing van verzoekers sollicitatie, definitief was hersteld door de toekenning van schadevergoeding. Het Gerecht had namelijk enerzijds gesteld, dat op zich geen enkele onwettigheid kleefde aan de besluiten om geen intern doch een extern vergelijkend onderzoek te organiseren, en anderzijds dat, ook al kon de vastgestelde onwettigheid de onwettigheid meebrengen van de besluiten om geen intern doch een extern vergelijkend onderzoek te organiseren, de nietigverklaring van deze twee besluiten een te strenge sanctie voor de begane onwettigheid zou vormen, aangezien daardoor de rechten van derden te zeer zouden worden aangetast. In het op de hogere voorziening gewezen arrest bevestigde het Hof het arrest van het Gerecht, stellende dat het Gerecht terecht kon oordelen dat het ontbreken van motivering van het besluit tot afwijzing van verzoekers sollicitatie naar de betrokken post niet de nietigverklaring van de gehele aanstellingsprocedure kon rechtvaardigen en de toekenning van een schadeloosstelling een passend herstel was van de door het ontbreken van motivering veroorzaakte morele schade.
14 Het Gerecht was dus van oordeel, dat zijn weigering om de besluiten voorafgaand aan de benoeming van P., waaronder het besluit om geen intern maar een extern vergelijkend onderzoek te organiseren, nietig te verklaren, gezag van gewijsde had verkregen, zodat verzoeker daar niet meer tegen kon opkomen. Deze besluiten bleven dus geldig (r.o. 46 van de bestreden beschikking).
15 In de tweede plaats wees het Gerecht erop, dat verzoeker blijkens het dossier zelf heeft deelgenomen aan het door de Commissie ter voorziening in de betrokken post georganiseerd extern vergelijkend onderzoek, maar niet op de lijst van voor aanstelling in aanmerking komende geslaagde kandidaten was geplaatst. Evenwel konden de wettigheid van het organiseren van dit extern vergelijkend onderzoek noch die van het verloop ervan in dat stadium worden betwist (r.o. 47 van de bestreden beschikking).
16 Het Gerecht was dus van oordeel, dat de verzoeker, gelet op deze preciseringen, geen enkel belang had bij een uitspraak van het Gerecht over het middel inzake schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, aangezien de eventuele nietigverklaring van de aanstelling van P. niet de nietigverklaring tot gevolg kon hebben van de voorbereidende besluiten, en verzoeker daardoor bovendien ook niet op de lijst kwam te staan van voor een nieuwe aanstelling in aanmerking komende kandidaten, omdat in dat geval alleen de voor het extern vergelijkend onderzoek geslaagde kandidaten voor de betrokken post in aanmerking kwamen (r.o. 48 van de bestreden beschikking).
17 Het Gerecht stelde derhalve vast, dat verzoeker geen enkel belang had bij het verzoek tot nietigverklaring van de aanstelling van P., welke nietigverklaring geen enkele invloed kon hebben op zijn rechtspositie, zodat het beroep niet-ontvankelijk was en de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moest worden toegewezen (r.o. 49 en 50 van de bestreden beschikking).
De hogere voorziening
18 Coussios verzoekt het Hof de hogere voorziening ontvankelijk te verklaren, de bestreden beschikking te vernietigen, vast te stellen dat het in zaak T-302/94 bij het Gerecht ingediende verzoekschrift ontvankelijk is, en de Commissie in de kosten te verwijzen.
19 Volgens de Commissie is deze hogere voorziening gedeeltelijk niet-ontvankelijk en in ieder geval ongegrond.
20 Tot staving van zijn hogere voorziening draagt Coussios drie middelen voor.
21 Met het eerste middel stelt requirant, dat de bestreden beschikking op onjuiste argumenten is gebaseerd wat de kwestie van het behoorlijk bestuur en het ontbreken van procesbelang betreft, aangezien de niet-naleving van de beginselen van behoorlijk bestuur reeds bij de arresten van 23 februari 1994 van het Gerecht en van 1 juni 1995 van het Hof was vastgesteld. Bovendien behoudt hij een procesbelang, aangezien hij ambtenaar van de Commissie is en zich nooit bij zijn ambtshalve pensionering heeft neergelegd.
22 Met zijn tweede middel stelt Coussios schending van het evenredigheidsbeginsel betreffende de rechten van derden. Volgens hem wordt in de bestreden beschikking het evenredigheidsbeginsel toegepast ten gunste van de rechten van derden die geen deel uitmaken van de dienst, doch niet jegens hem.
23 Met zijn derde middel betoogt Coussios, dat het door hem gemaakte voorbehoud betreffende zijn sollicitatie in het kader van het litigieuze vergelijkend onderzoek en het feit dat hij dezelfde dag, 1 december 1993, onrechtmatig werd weggestuurd en de ander, die vreemd is aan de dienst, werd benoemd, het gezag van gewijsde uitsluiten. Hij stelt dat het geen kwestie is van personen of van onenigheid, maar dat, al ging men ervan uit dat zulks het geval is, het tegendeel blijkt uit de arresten van 23 februari 1994 van het Gerecht en van 1 juni 1995 van het Hof, nu in zaak T-68/92 betreffende het extern vergelijkend onderzoek is vastgesteld, dat "de regels niet zijn nageleefd".
24 Allereerst zij eraan herinnerd, dat krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering, het Hof de hogere voorziening die kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, op ieder moment kan afwijzen.
25 Vervolgens zij vastgesteld, dat de drie door requirant in hogere voorziening voorgedragen middelen betrekking hebben op omstandigheden waarover in de arresten van 23 februari 1994 van het Gerecht en van 1 juni 1995 van het Hof definitief uitspraak is gedaan. Met deze middelen kan dus in het kader van de onderhavige hogere voorziening geen rekening worden gehouden. Zoals het Gerecht in rechtsoverweging 46 van de bestreden beschikking terecht heeft opgemerkt, kunnen de in die arresten gemaakte vaststellingen door de verzoeker immers in het kader van het onderhavige beroep niet opnieuw ter discussie worden gesteld.
26 Wat het argument van requirant betreft, dat hij zijn procesbelang behoudt aangezien hij nog steeds ambtenaar van de Commissie is, zij hieraan toegevoegd dat, zoals de Commissie opmerkt, het niet deze omstandigheid is waaraan het Gerecht in de bestreden beschikking refereert. Het Gerecht was namelijk van oordeel, dat de verzoeker geen enkel belang had bij het verzoek tot nietigverklaring van de aanstelling op de litigieuze post, omdat hij niet was geslaagd voor het ter voorziening in de betrokken post georganiseerd vergelijkend onderzoek, en dus niet tot de voor een nieuwe benoeming in aanmerking komende kandidaten was te rekenen.
27 Uit een en ander volgt, dat de door requirant tot staving van zijn hogere voorziening voorgedragen middelen kennelijk ongegrond zijn. Ingevolge artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering moet de hogere voorziening dus worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
28 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Volgens artikel 70 van het Reglement blijven de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste. Krachtens artikel 122 van het Reglement is artikel 70 evenwel niet van toepassing in geval van hogere voorziening ingesteld door een ambtenaar of ander personeelslid van een instelling. Aangezien Coussios in het ongelijk is gesteld, moet hij worden verwezen in de kosten van de procedure.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer)
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Requirant wordt verwezen in de kosten.
Luxemburg, 11 juli 1996.
Full & Egal Universal Law Academy