Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Beroep tot nietigverklaring ° Bevoegdheid van gemeenschapsrechter ° Beschikking van Commissie, waarbij wordt vastgesteld dat kwijtschelding van invoerrechten niet gerechtvaardigd is ° Conclusie strekkende tot bevel aan Commissie, nieuwe beschikking te geven ° Niet-ontvankelijkheid
(EG-Verdrag, art. 173 en 176)
2. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen ° Navordering van rechten bij invoer of bij uitvoer ° Voorwaarden voor afzien van invordering, gesteld in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 ° Vergissing van bevoegde autoriteiten "die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken" ° Beoordelingscriteria ° Concreet geval
(Verordening nr. 1697/79 van de Raad, art. 5, lid 2)
3. Beroep tot nietigverklaring ° Middelen ° Rechtsdwaling ° Beschikking van Commissie, houdende toepassing van verordening betreffende kwijtschelding van rechten bij invoer of bij uitvoer in plaats van verordening betreffende navordering van deze rechten ° Dwaling betreffende rechtsgrondslag, zonder gevolgen voor materiële beoordeling van rechten van marktdeelnemer ° Nietigverklaring niet gerechtvaardigd
(Verordeningen van de Raad nr. 1430/79, art. 13, en nr. 1697/79, art. 5, lid 2)
Samenvatting
1. In het kader van een beroep tot nietigverklaring kan de gemeenschapsrechter niet zonder in de bevoegdheden van het administratief gezag te treden, een gemeenschapsinstelling gelasten de maatregelen te nemen, welke volgens artikel 176 van het Verdrag nodig zijn ter uitvoering van een arrest waarbij een beschikking nietig wordt verklaard. In het kader van een beroep tot nietigverklaring van een beschikking van de Commissie, waarbij wordt vastgesteld dat kwijtschelding van invoerrechten niet gerechtvaardigd is, is de conclusie, ertoe strekkende dat de Commissie wordt verplicht een nieuwe beschikking te geven, dus niet-ontvankelijk.
2. Artikel 5 , lid 2, van verordening nr. 1697/79 inzake de navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer stelt drie voorwaarden, waaraan tegelijkertijd moet zijn voldaan, willen de bevoegde douaneautoriteiten kunnen afzien van navordering van invoerrechten: de rechten zijn aanvankelijk niet geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, de belastingschuldige heeft te goeder trouw gehandeld, dat wil zeggen dat hij de vergissing van de bevoegde autoriteiten redelijkerwijze niet kon ontdekken, en hij heeft voldaan aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte.
Met betrekking tot in het bijzonder de vraag of de betrokken marktdeelnemer de vergissing kon ontdekken, moeten in concreto alle omstandigheden van het betrokken geval worden onderzocht, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken marktdeelnemer en de door deze betrachte zorgvuldigheid. Een dergelijke zorgvuldigheid ontbreekt in een geval waarin enerzijds de marktdeelnemer, door de facturen van de exporteur te betalen voor de ontvangst van de belastingaanslag, welke een vergissing bevatte, zelf een financieel risico heeft genomen, dat op grond van zijn contractuele betrekkingen niet onontbeerlijk was, zodat hij wat het ontbreken van een douaneschuld betreft niet kan stellen een gewettigd vertrouwen te hebben gehad, dat zou zijn beschaamd, en anderzijds de vergissing door een oplettend marktdeelnemer had kunnen worden ontdekt door het Publikatieblad te lezen, waarin de relevante bepalingen enige dagen voor de betrokken importen zijn bekendgemaakt. De verplichting om het Publikatieblad te raadplegen geldt namelijk niet enkel voor professionele marktdeelnemers met als voornaamste werkgebied de in- en uitvoer, doch ook voor hen die een zekere ervaring hebben opgedaan met de invoer van de betrokken goederen.
3. Het feit dat de Commissie in een door de nationale autoriteiten aan haar voorgelegd geval verordening nr. 1430/79 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten toepast, terwijl zij, omdat de rechten niet waren betaald, verordening nr. 1697/79 inzake de navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer had moeten toepassen, levert stellig een rechtsdwaling op, doch deze dwaling rechtvaardigt niet, dat de beschikking van de Commissie nietig wordt verklaard, wanneer de klaarblijkelijke nalatigheid van de marktdeelnemer, waardoor deze haars inziens geen aanspraak meer kan maken op het bepaalde in artikel 13 van verordening nr. 1430/79, overeenkomt met de omstandigheid dat de door de bevoegde autoriteiten begane vergissing kon worden ontdekt, op grond waarvan de aanspraak op het bepaalde in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 kan worden geweigerd, en wanneer de zuiver formele verwisseling van de twee rechtsgrondslagen door de Commissie geen beslissende invloed heeft gehad op het resultaat van haar materieel onderzoek.
Partijen
In zaak T-75/95,
Guenzler Aluminium GmbH, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Ostfildern (Duitsland), vertegenwoordigd door J. Strauss, advocaat te Stuttgart, Uhlandstrasse 11,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Schmidt, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de tot de Bondsrepubliek Duitsland gerichte beschikking K(911) 3006 def. van de Commissie betreffende een kwijtschelding van invoerrechten,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. P. Briët, kamerpresident, B. Vesterdorf en A. Potocki, rechters,
griffier: B. Pastor, hoofdadministrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 18 april 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Rechtskader
1 Artikel 13, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (PB 1979, L 175, blz. 1; hierna: "verordening nr. 1430/79"), zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 6, van verordening (EEG) nr. 3069/86 van de Raad van 7 oktober 1986 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (PB 1986, L 286, blz. 1; hierna: "verordening nr. 3069/86"), bepaalt dat "tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten kan worden overgegaan in andere bijzondere situaties dan die welke zijn bedoeld in de afdelingen A tot en met D, die het gevolg zijn van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van de betrokkene inhouden".
2 Artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB 1979, L 197, blz. 1; hierna: "verordening nr. 1697/79"), bepaalt dat "de bevoegde autoriteiten niet behoeven over te gaan tot navordering van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat niet is geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en voldaan heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte".
De feiten
3 Op 22 mei 1990, 8 juni 1990 en 26 juni 1991 importeerde verzoekster vanuit de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië gelegeerde aluminiumstangen. Overeenkomstig de verkoopcontracten waarop de transacties waren gebaseerd, kwamen de desbetreffende douanerechten ten laste van de Joegoslavische verkopers. Daarom was met de verkopers met name overeengekomen, dat de prijs pas zou worden betaald nadat de beschikking inzake de douanerechten was ontvangen, om in voorkomend geval de betaalde rechten op de prijs in mindering te kunnen brengen.
4 Na de aangiften van deze importen door verzoekster stelde het bevoegde Duitse douanekantoor op 25 mei 1990, 11 juni 1990 en 26 juni 1991 beschikkingen vast, volgens welke de betrokken importen waren vrijgesteld van douanerechten.
5 De vrijstellingen van douanerechten waren evenwel verleend als gevolg van een vergissing van de Duitse douaneautoriteiten. De preferentiële bepalingen betreffende Joegoslavië waren namelijk niet meer van kracht gedurende de betrokken tijdvakken, zoals vastgesteld in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Publikatieblad") [zie verordening (EEG) nr. 1280/90 van de Commissie van 15 mei 1990 houdende wederinvoering van de heffing van douanerechten ten aanzien van derde landen voor bepaalde produkten van oorsprong uit Joegoslavië, betreffende de periode van 19 mei tot 31 december 1990 (PB 1990, L 126, blz. 22; hierna: "verordening nr. 1280/90"), en verordening (EEG) nr. 1347/91 van de Commissie van 23 mei 1991 houdende wederinvoering van de heffing van douanerechten ten aanzien van derde landen voor bepaalde produkten van oorsprong uit Joegoslavië, betreffende de periode van 27 mei tot 31 december 1991 (PB 1991, L 129, blz. 21; hierna: "verordening nr. 1347/91")].
6 Vervolgens liet het douanekantoor na, het centrale kantoor, dat belast was met het toezicht op de contingenten en de plafonds, in te lichten. Bijgevolg werd pas in maart 1991 en in augustus 1991 (met betrekking tot de importen in 1990, respectievelijk 1991) naar aanleiding van een controle achteraf van de douaneaangiften vastgesteld, dat de douanevrijstellingen ten onrechte waren verleend.
7 Op 23 april 1992 en 30 juni 1992 stuurde het bevoegde Hauptzollamt verzoekster beschikkingen tot wijziging van de douanerechten ten belope van 29 429,79 DM.
8 Toen verzoekster vernam dat de douanerechten zouden worden nagevorderd, probeerde zij contact op te nemen met haar Joegoslavische partners. Deze poging bleef evenwel zonder succes wegens de onlusten als gevolg van de inmiddels uitgebroken burgeroorlog.
9 Daarop diende verzoekster bij de bevoegde Duitse douaneautoriteiten een bezwaarschrift in, waarin zij verzocht dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 niet tot navordering van de douanerechten zou worden overgegaan. Subsidiair verzocht zij om kwijtschelding van de douanerechten krachtens artikel 13 van verordening nr. 1430/79. Bij dit bezwaarschrift verzocht zij krachtens nationaal recht eveneens om uitstel van betaling, hetgeen haar werd verleend.
10 Op 2 mei 1994 verzochten de Duitse autoriteiten de Commissie om te beslissen of kwijtschelding van de douanerechten gerechtvaardigd was op basis van artikel 13 van verordening nr. 1430/79. De Commissie ontving dit verzoek op 16 mei 1994. Na het advies te hebben ingewonnen van een uit vertegenwoordigers van alle Lid-Staten bestaande groep van deskundigen, stelde de Commissie bij tot de Bondsrepubliek Duitsland gerichte beschikking van 14 november 1994 vast, dat kwijtschelding van de douanerechten niet gerechtvaardigd was, op grond dat verzoekster zich niet kon beroepen op het feit dat zij in het Publikatieblad verschenen voorschriften niet kende (hierna: "bestreden beschikking").
11 Bij brief van 27 december 1994, die verzoekster ontving op 29 december 1994, is de bestreden beschikking haar betekend.
Procedure en conclusies van partijen
12 In deze omstandigheden heeft verzoekster bij op 3 maart 1995 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift onderhavig beroep ingesteld.
13 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Tweede kamer) besloten zonder instructiemaatregelen tot de mondelinge behandeling over te gaan. Bij brief van 15 maart 1996 heeft het Gerecht partijen evenwel verzocht, een aantal vragen schriftelijk te beantwoorden en enige documenten neer te leggen. De Commissie en verzoekster hebben de gestelde vragen beantwoord en de gevraagde documenten neergelegd bij brieven van 27 maart, respectievelijk 29 maart 1996.
14 Ter terechtzitting van 18 april zijn partijen gehoord in hun pleidooien en hun antwoorden op vragen van het Gerecht.
15 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
° de beschikking van de Commissie van 14 november 1994 nietig te verklaren;
° de Commissie te verplichten, met inachtneming van de rechtsopvatting van het Gerecht een nieuwe beschikking te geven op het verzoek van Duitsland van 2 mei 1994 betreffende de terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten.
16 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen;
° verzoekster te verwijzen in de kosten.
De ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van de conclusie, ertoe strekkende dat de Commissie wordt verplicht, een nieuwe beschikking te geven op het verzoek van Duitsland van 2 mei 1994
17 Naast haar conclusie tot nietigverklaring vraagt verzoekster het Gerecht, de Commissie te verplichten, een nieuwe beschikking te geven op het verzoek van Duitsland van 2 mei 1994 betreffende de kwijtschelding van invoerrechten.
18 Het Gerecht herinnert eraan dat volgens vaste rechtspraak de gemeenschapsrechter in het kader van een krachtens artikel 173 EG-Verdrag ingesteld beroep tot nietigverklaring niet zonder in de bevoegdheden van het administratief gezag te treden, een gemeenschapsinstelling kan gelasten de maatregelen te nemen, welke volgens artikel 176 van het Verdrag nodig zijn ter uitvoering van een arrest waarbij een beschikking nietig wordt verklaard (zie laatstelijk arrest Gerecht van 9 november 1995, zaak T-346/94, France-aviation, Jurispr. 1995, blz. II-2841, r.o. 42).
19 Bijgevolg is de conclusie, ertoe strekkende dat de Commissie wordt verplicht, een nieuwe beschikking te geven op het verzoek van Duitsland van 2 mei 1994, niet-ontvankelijk.
Ten gronde
De conclusie, strekkende tot nietigverklaring
20 Tot staving van haar beroep voert verzoekster één middel aan, ontleend aan artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1430/79, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3069/86.
Argumenten van partijen
21 Verzoekster betoogt in de eerste plaats, dat ter bepaling of er sprake is van een "bijzondere situatie" in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het concrete geval, aangezien deze bepaling een algemene billijkheidsclausule is. Bovendien zou door artikel 13 aan de Commissie een beoordelingbevoegdheid worden verleend, inhoudende dat haar beschikking gebaseerd moet zijn op feiten die correct en adequaat zijn vastgesteld. Volgens verzoekster heeft de Commissie in de bestreden beschikking niet aan deze vereisten voldaan.
22 Ter zake moet volgens verzoekster worden vastgesteld, dat de onjuiste douanehandelingen enkel aan de verzuimen en vergissingen van het Duitse douanekantoor zijn te wijten. Omdat zij beschikkingen had ontvangen, waarbij de importen werden vrijgesteld van douanerechten, zonder dat de mogelijkheid van een latere wijziging werd vermeld, had verzoekster te goeder trouw de volle verkoopprijzen betaald, zonder jegens haar commerciële partners rechten op terugbetaling geldend te maken (zie hiervoor, r.o. 3).
23 Vervolgens herinnert verzoekster eraan, dat het douanekantoor heeft nagelaten het centrale douanekantoor in te lichten, dat verantwoordelijk is voor het toezicht op de contingenten en de plafonds. Dientengevolge waren de oorspronkelijke vergissingen pas twee jaar later (voor de importen in 1990) en een jaar later (voor de importen in 1991) gecorrigeerd. Ter terechtzitting heeft verzoekster daaraan toegevoegd dat uit het dossier dat de Commissie desgevraagd aan het Gerecht heeft voorgelegd, twee punten naar voren komen. Enerzijds blijkt volgens verzoekster dat de directeur van het douanekantoor heeft erkend dat indien het douanekantoor het centrale kantoor behoorlijk op de hoogte had gesteld, dit laatste de vergissingen onmiddellijk zou hebben ontdekt. Anderzijds zou uit het dossier blijken, dat de wijzigingsbeschikkingen ongeveer twaalf maanden na de ontdekking van de vergissingen in maart en in augustus 1991 zijn verstuurd.
24 Deze onverklaarbare vertragingen zouden de enige reden zijn waardoor verzoekster als gevolg van de burgeroorlog in de voormalige Federatieve Republiek Joegoslavië niet meer van haar commerciële partners kan vorderen, dat zij de douanerechten, die thans worden nagevorderd, terugbetalen.
25 In de tweede plaats merkt verzoekster op, dat het begrip "bijzondere situatie" een rechtsbegrip is, waarvan de inhoud door uitlegging moet worden bepaald met inachtneming van het doel van de invoerrechten. Derhalve had de Commissie de gegrondheid van het verzoek moeten onderzoeken, door het onderhavige geval te vergelijken met de situaties waarin uitdrukkelijk een kwijtschelding van de douanerechten is voorzien. Dan zou zij hebben gezien dat de kwijtschelding van invoerrechten gerechtvaardigd is, wanneer het economisch doel dat met de goedereninvoer werd beoogd, niet meer kan worden bereikt door omstandigheden waarop de importeur geen invloed heeft.
26 Dit zou in casu precies het geval zijn. Verzoekster zou namelijk niet door het economisch nadeel van een navordering zijn getroffen, indien het douanekantoor de betrokken regeling correct had toegepast of indien de vergissing binnen een redelijke termijn was gecorrigeerd, aangezien het bevoegde Joegoslavische centrale bureau de gefundeerde verzoeken om terugbetaling niet heeft kunnen inwilligen als gevolg van het feit dat het is opgeheven. Daarom had in casu eveneens vrijstelling van de douanerechten moeten worden verleend.
27 In de derde plaats merkt verzoekster met betrekking tot het in artikel 13 van verordening nr. 1430/79 vereiste ontbreken van manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van de betrokkene op, dat niet kan worden betwist dat verzoekster niet nalatig heeft gehandeld of een bedrieglijk oogmerk had, alsmede dat blijkens de rechtspraak de verplichting om zich door lezing van het Publikatieblad te vergewissen van het gemeenschapsrecht dat op de betrokken transacties van toepassing is, voornamelijk geldt voor professionele marktdeelnemers met als voornaamste werkgebied de in- en uitvoer (zie arrest Hof van 12 juli 1989, zaak 161/88, Binder, Jurispr. 1989, blz. 2415, r.o. 22). Gelet op het feit dat zij slechts af en toe invoertransacties verricht en dus als een marktdeelnemer zonder ervaring op dit gebied moet worden beschouwd, zou redelijkerwijze van haar niet meer kennis kunnen worden verlangd dan van de douane, en zeker niet dat zij de door de douane genomen maatregelen kan controleren.
28 Tegen de verklaring van de Commissie, dat verzoekster zich niet op de billijkheidsclausule van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 kan beroepen, omdat zij volgens het Duitse recht beroep kan instellen tegen de wijzigingsbeschikkingen (zie arrest Hof van 12 maart 1987, gevoegde zaken 244/85 en 245/85, Cerealmangimi en Italgrani, Jurispr. 1987, blz. 1303, r.o. 17), brengt verzoekster in dat zij van dit recht gebruik heeft gemaakt en dat zij juist tijdens dit beroep bij wege van conservatoire maatregel subsidiair om kwijtschelding van de douanerechten krachtens artikel 13 heeft verzocht. Aangezien zij op geen enkele wijze invloed had kunnen uitoefenen op het feit dat de Duitse autoriteiten eerst uitspraak wilden doen op het verzoek om kwijtschelding van de douanerechten en daarom een desbetreffend verzoek tot de Commissie hebben gericht, kan dit verzoek volgens verzoekster niet worden afgewezen met het betoog dat de nationale procedure nog aanhangig is.
29 Hoewel artikel 13 van verordening nr. 1430/79 en artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 "hetzelfde doel" hebben, vraagt verzoekster zich ten slotte af, of daaraan de conclusie kan worden verbonden dat voor de toepassing van deze bepalingen dezelfde feitelijke voorwaarden gelden. In elk geval is verzoekster van oordeel dat zij haar zorgvuldigheidsplichten in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 niet heeft verzuimd.
30 De Commissie betoogt om te beginnen, dat het rechtsmiddel waarover verzoekster krachtens het Duitse recht beschikt, om de geldigheid van de wijzigingsbeschikkingen van 23 april 1992 en 30 juni 1992 te betwisten, belet dat zij zich kan beroepen op artikel 13 van verordening nr. 1430/79, een algemene billijkheidsclausule (zie arrest Hof van 15 december 1983, zaak 283/82, Schoellershammer, Jurispr. 1983, blz. 4219, r.o. 7, en arrest Cerealmangimi en Italgrani, reeds aangehaald, r.o. 10). Wanneer een dergelijk rechtsmiddel bestaat, behoeft geen billijkheidsbeslissing te worden gezocht (zie ter zake arrest Cerealmangimi en Italgrani, reeds aangehaald, r.o. 17).
31 Zo verzoekster zich niettemin op artikel 13 van verordening nr. 1430/79 kan beroepen, wijst de Commissie erop dat het begrip "bijzondere situatie" niet wordt gedefinieerd. Volgens de Commissie moet dit begrip worden uitgelegd in het licht van de in de afdelingen A tot en met D van verordening nr. 1430/79 opgesomde omstandigheden, aangezien het een billijkheidsclausule betreft.
32 Aangaande de door de Duitse douane begane vergissing betoogt de Commissie, dat de uitdrukkelijk in verordening nr. 1430/79 beschreven buitengewone situaties betrekking hebben op gevallen van ingevoerde goederen die niet voor een ander doel kunnen worden gebruikt dan waarvoor zij zijn ingevoerd. Hiervan zou in casu geen sprake zijn. Volgens haar kan het loutere feit dat de uit de invoer behaalde winst niet het verwachte niveau heeft bereikt, niet een bijzondere situatie opleveren.
33 Wat het gestelde verdwijnen van de Joegoslavische wederpartijen betreft, merkt de Commissie op, dat het feit dat verzoekster geen contact meer zou kunnen opnemen met haar commerciële partners in de voormalige Federatieve Republiek Joegoslavië, niet relevant is (zie arresten Hof van 13 november 1984, gevoegde zaken 98/83 en 230/83, Van Gend & Loos en Bosman, Jurispr. 1984, blz. 3736, r.o. 16, en 6 juli 1993, gevoegde zaken C-121/91 en C-122/91, CT Control en JCT Benelux, Jurispr. 1993, blz. I-3873, r.o. 37).
34 Volgens de Commissie volgt daaruit dat de omstandigheden in de onderhavige zaak geen bijzondere situatie in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 kunnen opleveren.
35 In elk geval betoogt de Commissie, dat verzoekster zich heeft schuldig gemaakt aan een ernstige nalatigheid in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79. De betrokken regeling was eenvoudig genoeg om de vergissing gemakkelijk te kunnen ontdekken (zie arrest Hof van 26 juni 1990, zaak C-64/89, Deutsche Fernsprecher, Jurispr. 1990, blz. I-2535, en voor een omgekeerd geval arrest Hof van 22 oktober 1987, zaak 314/85, Foto-Frost, Jurispr. 1987, blz. 4199, r.o. 25). In dit verband voegt de Commissie hieraan toe, dat verzoekster niet heeft verklaard dat het voor haar moeilijk was om aan het Publikatieblad te komen (zie arrest Hof van 15 mei 1986, zaak 160/84, Kavallas e.a., Jurispr. 1986, blz. 1633).
36 Aangaande verzoeksters beweerde gebrek aan ervaring stelt de Commissie, dat dit voor haar een reden had moeten zijn om de relevante bepalingen en publikaties zorgvuldig te bestuderen. Indien verzoekster zich ervan wilde vergewissen dat zij niet achteraf rechten moest betalen, kon zij volgens de Commissie niet blindelings afgaan op de beschikking waarbij haar vrijstelling van douanerechten werd verleend.
37 Met betrekking tot verzoeksters stelling ten slotte, dat van een importeur niet meer kennis kan worden verlangd dan van de douaneambtenaren zelf, herinnert de Commissie eraan, dat het Hof een dergelijk argument reeds heeft verworpen (zie arrest Deutsche Fernsprecher, reeds aangehaald, r.o. 17).
Beoordeling door het Gerecht
38 Krachtens de verordeningen nrs. 1280/90 en 1347/91 van de Commissie moesten ten aanzien van de onderhavige importen douanerechten worden geheven, hetgeen tussen partijen vaststaat. Wat de eerste twee importen van 22 mei 1990, respectievelijk 8 juni 1990 betreft, volgens artikel 1 van verordening nr. 1280/90 was voor de invoer in de Gemeenschap van de betrokken produkten van oorsprong uit Joegoslavië de heffing van douanerechten wederingevoerd voor de periode van 19 mei tot 31 december 1990. Wat de derde invoer van 26 juni 1991 betreft, volgens artikel 1 van verordening nr. 1347/91 was voor de invoer in de Gemeenschap van de betrokken produkten van oorsprong uit Joegoslavië de heffing van douanerechten wederingevoerd voor de periode van 27 mei tot 31 december 1991.
39 Ten gevolge van een vergissing van het bevoegde Duitse douanekantoor zijn bij de drie onderhavige importen geen douanerechten geheven en heeft de Duitse administratie de bij de invoer niet van verzoekster opgeëiste douanerechten nagevorderd. Uit het dossier blijkt, dat verzoekster de douanerechten nog niet heeft betaald.
40 Derhalve moet het verzoek om te mogen afzien van de navordering worden beoordeeld overeenkomstig verordening nr. 1697/79, in het bijzonder artikel 5, lid 2, daarvan, dat bepaalt dat "de bevoegde autoriteiten niet behoeven over te gaan tot navordering van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat niet is geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en voldaan heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte". Volgens artikel 1 worden in de verordening namelijk de voorwaarden vastgesteld waaronder de bevoegde autoriteiten overgaan tot navordering van rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (zie arrest Hof van 12 november 1981, gevoegde zaken 212/80-217/80, Salumi e.a., Jurispr. 1981, blz. 2735, r.o. 7). Verder blijkt uit het door de Duitse autoriteiten aan de Commissie overgelegde dossier, dat verzoekster na de toezending van de beschikkingen tot wijziging van de douanerechten primair heeft verzocht, dat overeenkomstig artikel 5, lid 2, niet wordt overgegaan tot navordering.
41 Ten tijde van de feiten ° de importen vonden plaats in 1990 en 1991 en de wijzigingsbeschikkingen zijn vastgesteld in 1992 ° gold verordening nr. 1697/79, die met ingang van 1 januari 1994 is ingetrokken bij artikel 251 van verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair wetboek (PB 1992, L 302, blz. 1; hierna: "verordening nr. 2913/92").
42 Met betrekking tot de toepassing van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 herinnert het Gerecht eraan, dat deze bepaling drie voorwaarden stelt, waaraan tegelijkertijd moet zijn voldaan, willen de bevoegde douaneautoriteiten kunnen afzien van navordering van invoerrechten: de rechten zijn aanvankelijk niet geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, de belastingschuldige heeft te goeder trouw gehandeld, dat wil zeggen dat hij de vergissing van de bevoegde autoriteiten redelijkerwijze niet kon ontdekken, en hij heeft voldaan aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte (zie laatstelijk arrest Hof van 4 mei 1993, zaak C-292/91, Weis, Jurispr. 1993, blz. I-2219, r.o. 14). Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, heeft de belastingschuldige er recht op, dat niet tot navordering wordt overgegaan (zie arrest Weis, reeds aangehaald, r.o. 15). Daarentegen volstaat het dat een van deze voorwaarden niet is vervuld, opdat het verzoek om niet tot navordering over te gaan niet kan worden ingewilligd.
43 In casu acht het Gerecht het nuttig, zijn onderzoek toe te spitsen op de tweede voorwaarde, dat wil zeggen de vraag of de betrokken marktdeelnemer de vergissing kon ontdekken. Dienaangaande moeten alle omstandigheden van het geval in concreto worden onderzocht, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken marktdeelnemer en de door deze betrachte zorgvuldigheid (zie arrest Hof van 1 april 1993, zaak C-250/91, Hewlett Packard France, Jurispr. 1991; blz. I-1819, r.o. 28).
44 Wat de aard van de vergissing van de Duitse administratie betreft, waarbij de betrokken importen in strijd met de geldende regeling van douanerechten werden vrijgesteld, is het Gerecht van oordeel dat deze regeling eenvoudig genoeg was om gemakkelijk te kunnen worden begrepen. Uit de niet dubbelzinnige bepalingen van de verordeningen nrs. 1280/90 en 1347/91 blijkt namelijk duidelijk dat de douanerechten op het moment van deze importen weer waren ingevoerd.
45 Op het punt van de beroepservaring van de marktdeelnemer is het Gerecht van mening dat verzoeksters argument dat zij, omdat zij slechts af en toe aluminiumstangen uit het buitenland heeft ingevoerd, als een onervaren marktdeelnemer moet worden beschouwd, van wie redelijkerwijs niet meer kennis kan worden verlangd dan van de douane en zeker niet dat zij de maatregelen van de douane controleert, dient te worden verworpen.
46 Uit de processtukken blijkt namelijk, zonder dat dit door verzoekster wordt betwist, dat zij in 1990 elf keer aluminiumstangen heeft ingevoerd en in 1991 acht keer, telkens voor niet geringe bedragen. Hoewel verzoeksters activiteiten niet voornamelijk op het gebied van de in- en uitvoer liggen, dient niettemin te worden vastgesteld, dat zij een zekere ervaring heeft opgedaan met de invoer van de betrokken goederen en overigens in het verleden al dergelijke transacties heeft verricht, waarvoor douanerechten waren berekend, zoals uit het dossier blijkt (zie arrest Deutsche Fernsprecher, reeds aangehaald, r.o. 21).
47 Met betrekking tot het argument dat van een importeur niet meer kennis kan worden verlangd dan van de douaneambtenaren, volstaat het op te merken, dat het Hof een dergelijk argument reeds heeft verworpen, door te verklaren dat wanneer dit als beginsel zou worden gesteld, het gevolg daarvan zou zijn dat het praktisch onmogelijk zou worden tot navordering over te gaan, omdat een vergissing noodzakelijkerwijze altijd is begaan door een bevoegd ambtenaar die een bepaalde feitelijke of juridische situatie niet vanuit alle gezichtshoeken heeft bekeken. Artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 zou namelijk zinledig worden, omdat dit artikel van de logische vooronderstelling uitgaat, dat inning van de betrokken rechten achterwege is gebleven als gevolg van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf (zie arrest Deutsche Fernsprecher, reeds aangehaald, r.o. 17).
48 Aangaande de zorgvuldigheid van de marktdeelnemer ten slotte is het Gerecht van oordeel, dat verzoekster, gelet op de feitelijke omstandigheden, in casu niet de nodige zorgvuldig heeft betracht. Zoals verzoekster tijdens de schriftelijke procedure heeft betoogd, was zij namelijk met haar Joegoslavische partners overeengekomen, dat de eventuele douanerechten door hen zouden worden betaald. Ter zake heeft zij in het bijzonder beklemtoond, dat overeengekomen was dat de koopprijs pas zou worden betaald nadat de douaneautoriteiten hun beschikkingen hadden toegestuurd, om in voorkomend geval het bedrag van de eventueel betaalde douanerechten in mindering te kunnen brengen op de aankoopprijs.
49 Vastgesteld moet worden dat uit verzoeksters antwoord op de schriftelijke vragen van het Gerecht blijkt, dat de aankoopprijzen betreffende de twee importen in 1990 zijn betaald voordat verzoekster de beschikkingen van de douanekantoren had ontvangen. De eerste invoer vond namelijk plaats op 22 mei 1990, terwijl de beschikking is afgekomen op 25 mei 1990. Verzoekster heeft evenwel reeds op 17 mei 1990 betaald, zelfs voor de douaneaangifte was ingeleverd. De tweede invoer vond plaats op 8 juni 1990 en de beschikking is afgekomen op 11 juni 1990, terwijl verzoekster reeds op 8 juni 1990 heeft betaald. Daaruit volgt dat verzoekster zelf een financieel risico heeft genomen, dat op grond van de contractuele betrekkingen, zoals hiervoor in rechtsoverweging 3 beschreven, niet onontbeerlijk was. Bijgevolg kan zij niet stellen, met betrekking tot de geldigheid van de beschikkingen een gewettigd vertrouwen te hebben gehad, dat zou zijn beschaamd, aangezien artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 de bescherming beoogt van het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige in de juistheid van alle factoren die een rol spelen bij het besluit om al dan niet tot navordering van de douanerechten over te gaan (zie ter zake arrest Hof van 27 juni 1991, zaak C-348/89, Mecanarte, Jurispr. 1991, blz. I-3277, r.o. 19).
50 Bovendien is het Gerecht van mening dat de Commissie terecht heeft verklaard dat verzoekster, indien zij zich ervan had willen vergewissen of zij achteraf geen rechten moest betalen, de relevante bepalingen en publikaties had moeten bestuderen. Het is namelijk vaste rechtspraak, dat de betrokken gemeenschapsbepalingen vanaf de datum van hun bekendmaking in het Publikatieblad het enige positieve recht ter zake vormen, dat iedereen geacht wordt te kennen (zie arrest Hof van 28 juni 1990, zaak C-80/89, Behn, Jurispr. 1990, blz. I-2659, r.o. 13, en arrest Binder, reeds aangehaald, r.o. 19). In dit verband is het Gerecht van oordeel dat de vergissing door een oplettende marktdeelnemer had kunnen worden ontdekt door het Publikatieblad te lezen, waarin de betrokken verordeningen enige dagen voor de relevante importen zijn bekendgemaakt (zie arrest Binder, reeds aangehaald, r.o. 20). Anders dan verzoekster denkt, geldt deze rechtspraak niet enkel voor professionele marktdeelnemers met als voornaamste werkgebied de in- en uitvoer.
51 Uit het voorgaande volgt dat de vergissingen van de Duitse administratie betreffende de vrijstelling van de douanerechten door verzoekster redelijkerwijze konden worden ontdekt in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79. Aangezien de belastingschuldige slechts aanspraak erop heeft dat niet tot navordering van de douanerechten wordt overgegaan, indien aan alle in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 opgesomde voorwaarden is voldaan, moet dus worden vastgesteld, dat een verzoek om de betrokken douanerechten niet te hoeven navorderen, had mogen worden afgewezen, indien de Duitse autoriteiten de Commissie om een uitspraak over de eventuele toepassing van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 in plaats van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 hadden verzocht (zie hiervoor, r.o. 10).
52 Aangezien blijkens de rechtspraak de omstandigheid dat de vergissing kan worden ontdekt in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79, overeenkomt met klaarblijkelijke nalatigheid of manipulatie in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 (zie arrest Hewlett Packard France, reeds aangehaald, r.o. 46), dient dit middel dus als ongegrond te worden verworpen, daar verzoekster dus in elk geval niet het bewijs van een ontbreken van kennelijke nalatigheid in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 heeft geleverd.
53 Daar de Commissie de gegrondheid van dit verzoek aan artikel 13 van verordening nr. 1430/79 heeft getoetst en niet aan artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 (zie hiervoor, r.o. 40), dient thans te worden onderzocht, welke eventuele consequenties hieraan moeten worden verbonden, ook al heeft verzoekster ter zake geen middel aangevoerd.
54 Uit de tekst van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 volgt dat dit artikel slechts van toepassing is, indien tegelijkertijd aan twee voorwaarden is voldaan, namelijk het bestaan van buitengewone omstandigheden en het ontbreken van nalatigheid of manipulatie, zodat reeds indien aan een van beide voorwaarden niet is voldaan, de kwijtschelding van de rechten moet worden geweigerd (zie ter zake arrest Kavallas e.a., reeds aangehaald). In de bestreden beschikking heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld, dat het verzoek niet gerechtvaardigd was, op grond dat de wederinvoering van de douanerechten is bekendgemaakt in het Publikatieblad en het Publikatieblad aan iedere belastingschuldige kan worden tegengeworpen en iedereen wordt geacht de daarin bekendgemaakte bepalingen te kennen. De Commissie was om die reden van oordeel, zakelijk weergegeven, dat verzoekster het ontbreken van kennelijke nalatigheid van haar kant in de zin van artikel 13 niet heeft aangetoond.
55 Zelfs indien de Commissie het door verzoekster krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 ingediende verzoek (zie hiervoor, r.o. 40) had moeten onderzoeken, zij evenwel opgemerkt dat artikel 13 van verordening nr. 1430/79 en artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 hetzelfde doel hebben, te weten betaling achteraf van in- of uitvoerrechten te beperken tot de gevallen waarin een dergelijke betaling gerechtvaardigd is en verenigbaar met een zo fundamenteel beginsel als het vertrouwensbeginsel. Derhalve komt, zoals hiervoor reeds in rechtsoverweging 52 is vastgesteld, de omstandigheid dat de vergissing kan worden ontdekt in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79, overeen met klaarblijkelijke nalatigheid of manipulatie in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79. Hoewel de Commissie, door het onderhavige geval te toetsen aan artikel 13 van verordening nr. 1430/79, een rechtsdwaling heeft begaan, is het Gerecht van mening dat het hier een zuiver formele dwaling betreft, die in de concrete omstandigheden van het onderhavige geval geen beslissende invloed heeft gehad op haar beoordeling van het aan haar voorgelegde geval. Er bestaan dus geen termen om de bestreden beschikking nietig te verklaren op grond dat de Commissie zich op een onjuiste rechtsgrondslag heeft gebaseerd.
56 In deze omstandigheden en gelet op het feit dat is vastgesteld dat de vergissing, bestaande in de vrijstelling van de betrokken importen van douanerechten, door verzoekster redelijkerwijze kon worden ontdekt in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79, is het Gerecht van oordeel dat de Commissie bij de bestreden beschikking terecht het verzoek om te mogen afzien van de navordering van douanerechten heeft afgewezen.
57 Deze conclusie dient dus als ongegrond te worden afgewezen. Bijgevolg dient het beroep in zijn geheel te worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
58 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie zulks heeft gevorderd, dient verzoekster in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het ertoe strekt dat de Commissie bevelen worden gegeven.
2) Verwerpt het beroep voor het overige.
3) Verwijst verzoekster in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy