Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelproducten - Extra heffing op melk - Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Producenten die hun leveringen hebben opgeschort op grond van regeling betreffende niet-leverings- of omschakelingspremies en aan wie bijgevolg referentiehoeveelheid is geweigerd - Forfaitair vergoedingsvoorstel krachtens verordening nr. 2187/93 - Recht op moratoire rente over vergoeding - Opschorting in geval van aanhangige vorderingen in rechte tot nederlegging van akte houdende afstand van instantie
(EG-Verdrag, art. 215; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 99; verordening nr. 2187/93 van de Raad, art. 12)
Samenvatting
Indien een melkproducent die tijdelijk zijn activiteit niet heeft kunnen uitoefenen als gevolg van het feit dat hem wegens zijn niet-leveringsverbintenis geen van de extra heffing vrijgestelde referentiehoeveelheid is toegewezen, een vergoedingsvoorstel uit hoofde van verordening nr. 2187/93 heeft aanvaard met ondertekening van de bijbehorende kwitantie op grond waarvan hij van elke aanhangige rechtsvordering diende af te zien, hield zulks voor deze producent een verplichting in om afstand te doen van aanhangige procedures. Als instellingen die de vergoedingen verschuldigd waren, mochten de Raad en de Commissie de betaling van de in artikel 12 van deze verordening bedoelde moratoire rente opschorten, zolang de betrokken producent niet overeenkomstig zijn verbintenis afstand van instantie had gedaan.
Voor de uitvoering van deze verbintenis is niet het moment beslissend waarop de nationale autoriteiten van de afstand van instantie op de hoogte werden gebracht, doch de datum waarop de in artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bedoelde akte van afstand van instantie wordt neergelegd.
Partijen
In zaak T-112/95,
P. Dethlefs, wonende te Groven (Duitsland),
G. Backhaus, wonende te Standenbühl (Duitsland),
L. Banning, wonende te Wettringen (Duitsland),
F. Bock, wonende te Springe (Duitsland),
H. Bons, wonende te Kerken (Duitsland),
G. Brand, wonende te Rödelhausen (Duitsland),
J. Brautmeier, wonende te Delbrück, (Duitsland),
H. Brörmann, wonende te Neuenkirchen (Duitsland),
A. Bußmann, wonende te Rhauderfehn-Klostermoor (Duitsland),
J.-W. Evers, wonende te Hoogstede (Duitsland),
J. Franken, wonende te Kevelaer (Duitsland),
N. Frie, wonende te Lippetal (Duitsland),
P. Großbölting-Gries, wonende te Hamminkelm (Duitsland),
P. Gövert, wonende te Nottuln (Duitsland),
H.-J. Hallmanns, wonende te Nideggen (Duitsland),
W. Herking, wonende te Gronau (Duitsland),
B. Hess, wonende te Hagermarsch (Duitsland),
K. Horst, wonende te Hüllhorst (Duitsland),
J. Hurtz, wonende te Nideggen-Berg (Duitsland),
H. Hülsemann, wonende te Dinslaken (Duitsland),
J. Ingendae, wonende te Sonsbeck (Duitsland),
H. Kalck, wonende te Ringgau-Netra (Duitsland),
H.-B. Kamp, wonende te Wipperfürth (Duitsland),
R. Klinkhammer, wonende te Rees (Duitsland),
F. Krieft, wonende te Harsewinkel (Duitsland),
K.-H. List, wonende te Ringgau-Netra,
U. Lorentz, wonende te Wöhrden (Duitsland),
K. May, wonende te Drensteinfurt (Duitsland),
M. Mittwede, wonende te St. Annen (Duitsland),
E.-A. Mohr, wonende te Grande (Duitsland),
F.-J. Ott, wonende te Ingoldingen (Duitsland),
J. Pfender, wonende te Biberach (Duitsland),
J.-W. Schaffer, wonende te Adelsheim-Sennfeld (Duitsland),
C. Schulte-Stratmann, wonende te Meschede (Duitsland),
K.-H. Schöndube, wonende te Grasleben (Duitsland),
B. Stuckenberg, wonende te Neuenkirchen,
H. Tewordt, wonende te Rhede (Duitsland),
H. Vögeling, wonende te Drensteinfurt,
F.-J. Voß, wonende te Drensteinfurt,
landbouwondernemers, vertegenwoordigd door B. Meisterernst, M. Düsing, D. Manstetten, F. Schulze en W. Haneklaus, advocaten te Münster, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Dupong en Dupong, advocaten, Rue de la Boucherie 4-6,
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur A. Brautigam als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Morbilli, directeur-generaal van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Booß als gemachtigde, bijgestaan door H.-J. Rabe en G. M. Berrisch, advocaten te Hamburg en Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerders,
betreffende een verzoek op grond van de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EG-Verdrag, tot veroordeling van verweerders tot betaling van rente op de voet van 8 % per jaar over de vergoeding die aan verzoekers is uitgekeerd krachtens verordening (EEG) nr. 2187/93 van de Raad van 22 juli 1993 inzake het vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk of zuivelproducten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen (PB L 196, blz. 6), alsmede vertragingsrente over de aldus berekende bedragen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Eerste kamer),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, president, R. M. Moura Ramos en P. Mengozzi, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur, vervolgens B. Pastor, hoofdadministrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 14 januari en 2 april 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Het wettelijk kader
1 Bij arrest van 19 mei 1992, Mulder e.a./Raad en Commissie (C-104/89 en C-37/90, Jurispr. blz. I-3061; hierna: "arrest Mulder") verklaarde het Hof de Gemeenschap aansprakelijk voor de schade die bepaalde melkproducenten hadden geleden doordat zij ten gevolge van de toepassing van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 13; hierna: "verordening nr. 857/84") geen melk hadden kunnen leveren, wegens de verbintenissen die zij waren aangegaan in het kader van de toepassing van verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelproducten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB L 131, blz. 1; hierna: "verordening nr. 1078/77").
2 Gelet op het grote aantal producenten voor wie het arrest Mulder gevolgen had, en met het oog op een volledige uitvoering van dat arrest heeft de Raad verordening (EEG) nr. 2187/93 van 22 juli 1993 inzake het vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk of zuivelproducten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen (PB L 196, blz. 6; hierna: "verordening nr. 2187/93") vastgesteld. Deze verordening bevat een voorstel voor een forfaitaire vergoeding voor de producenten die, onder bepaalde omstandigheden, schade hebben geleden door de in het arrest Mulder gewraakte regeling.
3 De betrokken verordening bepaalt onder meer, dat de nationale instanties de producenten namens en voor rekening van de Raad en van de Commissie een vergoedingsvoorstel doen. Aanvaarding van dat voorstel geschiedt volgens artikel 14, laatste alinea, door terugzending van de goedgekeurde en ondertekende kwitantie aan de bevoegde instantie binnen een termijn van twee maanden na ontvangst, en houdt in, dat de producent afziet van elke verdere vordering tegen de instellingen van de Gemeenschap met betrekking tot het in artikel 1 omschreven nadeel. Wanneer het voorstel niet binnen twee maanden na ontvangst wordt aangenomen, zijn de betrokken instellingen van de Gemeenschap er niet meer door gebonden (artikel 14, derde alinea).
4 Artikel 12 van de verordening bepaalt, dat het bedrag van de vergoeding wordt verhoogd met een moratoire rente van 8 % per jaar tot op het moment dat de vergoeding wordt uitbetaald.
5 Het model van de in artikel 14 bedoelde kwitantie voor definitieve afrekening is vastgelegd bij verordening (EEG) nr. 2648/93 van de Commissie van 28 september 1993 houdende bepalingen voor de uitvoering van verordening nr. 2187/93 (PB L 243, blz. 1; hierna: "verordening nr. 2648/93").
6 Deze kwitantie luidt als volgt:
"Ondergetekende, (...), verklaart dat hij het vergoedingsvoorstel van (...) ten bedrage van (...) aanvaardt tot volledige genoegdoening van iedere vordering van welke aard ook tegen de instellingen van de Gemeenschap met betrekking tot de schade die hij heeft geleden door zijn deelname aan de bij verordening (...) nr. 1078/77 (...) vastgestelde regeling voor het niet in de handel brengen, respectievelijk de omschakeling, en dat hij uitdrukkelijk afziet van iedere door hemzelf of zijn eventuele rechtverkrijgenden of rechthebbenden reeds ingestelde of toekomstige vordering ter zake."
De feiten
7 Verzoekers, melkproducenten in Duitsland, zijn verbintenissen aangegaan in het kader van verordening nr. 1078/77 en waren ten gevolge van de toepassing van verordening nr. 857/84 verhinderd de melklevering te hervatten.
8 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof tussen 30 maart en 12 december 1990, stelden zij tegen de Raad en de Commissie vorderingen tot schadevergoeding in. Bij beschikking van 27 september 1993 verwees het Hof deze zaken naar het Gerecht, nadat diens bevoegdheden waren uitgebreid bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 tot wijziging van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 144, blz. 21).
9 Na de inwerkingtreding van verordening nr. 2187/93 ontvingen verzoekers in de periode van 22 november 1993 tot 6 februari 1994 van de bevoegde nationale instanties een vergoedingsvoorstel.
10 In de aangeboden vergoeding was een rente begrepen van 8 % per jaar over de periode van 19 mei 1992, de datum waarop het arrest Mulder werd gewezen, tot 30 september 1993, met dien verstande dat daarbij nog rente op dezelfde voet zou komen vanaf 1 oktober 1993 tot het moment waarop de vergoeding zou worden uitbetaald. Alle verzoekers hebben dit voorstel binnen de daarvoor gestelde termijn aanvaard.
11 Nadat zij de bij de voorstellen gevoegde kwitanties, waarvan de tekst was overgenomen uit het in de Duitse versie van verordening nr. 2648/93 opgenomen model, hadden ondertekend, deden verzoekers afstand van instantie bij op 20 april 1994 - in het geval van Gövert, verzoeker in zaak T-62/93 op 9 mei 1994 - gedeponeerde akten. In deze akten vorderden zij betaling door verweerders van de proceskosten overeenkomstig artikel 87, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering.
12 De Commissie achtte de vordering tot vergoeding van de proceskosten uit hoofde van artikel 87, lid 5, eerste alinea, tweede volzin, van het Reglement voor de procesvoering niet in overeenstemming met de in artikel 14, vierde alinea, van verordening nr. 2187/93 geformuleerde verbintenis om van elke verdere vordering af te zien, en gaf de Duitse instanties daarom instructie, nog niet over te gaan tot uitbetaling van de vergoedingen.
13 Drie verzoekers in de onderhavige zaak, Backhaus, Lorentz en Mittwede, die beroep hadden ingesteld in de zaken T-66/93, T-115/93 en T-69/93, trokken daarop hun vorderingen ter zake van de kosten op 14 en 15 juni 1994 in. Aan hen werd de vergoeding in de maand juli 1994 uitbetaald.
14 Inmiddels had de Commissie besloten, de uitbetaling van de vergoedingen alleen te laten afhangen van de afstand van het beroep tot schadevergoeding en niet meer van de intrekking van de vordering tot betaling van de kosten.
15 Op 27 juli 1994 berichtten de Duitse instanties verzoekers, dat de Commissie de uitbetaling van de vergoeding niet meer liet afhangen van intrekking van de vordering inzake de kosten en voortaan alleen intrekking van het beroep verlangde.
16 Op 2 augustus 1994 lieten verzoekers de Duitse instanties weten, dat zij afstand van hun beroep hadden gedaan. Na dit bericht werden de vergoedingen uitbetaald.
17 In de uitbetaalde vergoedingen was overeenkomstig artikel 12 van verordening nr. 2187/93 de rente begrepen over de periode van 19 mei 1992, de datum van het arrest Mulder, tot de sluitingsdatum van de aan verzoekers gestelde aanvaardingstermijn, en voorts over de periode van 4 augustus 1994 - of, in het geval van de verzoekers Backhaus, Lorentz en Mittwede, van 29 juni 1994, tot de data waarop de respectieve vergoedingen werden uitbetaald; 29 juni en 4 augustus 1994 waren de data waarop de nationale autoriteiten bericht ontvingen, dat de verschillende verzoekers afstand van instantie hadden gedaan.
18 Bij schrijven van 13 januari 1995 vorderden verzoekers van de Commissie betaling van rente over de periode waarop de hun uitbetaalde vergoeding niet betrekking had. Bij schrijven van 6 maart 1995 wees de Commissie deze vordering af.
Procesverloop en conclusies van partijen
19 Het verzoekschrift werd ter griffie van het Gerecht ingediend op 8 mei 1995.
20 Bij akte, ingediend op 21 juni 1995, betwistte de Raad de ontvankelijkheid van het beroep, stellende dat hij niet voor de gestelde schade aansprakelijk kon worden gesteld. Op 16 oktober 1995 hebben verzoekers hun opmerkingen gemaakt over deze exceptie van niet-ontvankelijkheid.
21 Bij beschikking van 13 mei 1996 heeft het Gerecht de exceptie bij de behandeling ten gronde gevoegd.
22 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Wel heeft het partijen om toezending van bepaalde documenten verzocht.
23 Partijen hebben pleidooi gevoerd bij de mondelinge behandeling die op 14 januari 1998 heeft plaatsgevonden.
24 Wegens verhindering van een van de leden van de kamer heeft de president van het Gerecht overeenkomstig artikel 32, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering een andere rechter aangewezen om de kamer aan te vullen.
25 Gelet op artikel 33, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering heeft het Gerecht (Eerste kamer) in zijn nieuwe samenstelling bij beschikking van 13 maart 1998 de heropening van de mondelinge behandeling bevolen overeenkomstig artikel 62 van genoemd reglement. Partijen zijn op de nieuwe terechtzitting van 2 april 1998 niet verschenen.
26 Verzoekers concluderen dat het het Gerecht behage:
- de verwerende instellingen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van rente op de voet van 8 % per jaar over de krachtens verordening nr. 2187/93 aan verzoekers uitbetaalde vergoeding over de periode vanaf de sluitingsdatum van de in artikel 14 van die verordening bedoelde termijn van twee maanden tot 29 juni 1994 - voor de verzoekers Backhaus, Lorentz en Mittwede - respectievelijk 3 augustus 1994 voor alle anderen, alsmede rente van 8 % over het aldus berekende bedrag vanaf de datum van uitspraak van het arrest;
- verweerders hoofdelijk te verwijzen in de kosten.
27 De Raad concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren voorzover het tegen de Raad is gericht of, subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;
- de verzoekende partij in de kosten te verwijzen.
28 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep ongegrond te verklaren;
- verzoekers in de kosten te verwijzen.
De ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
29 De Raad voert aan, dat hij geen enkele bevoegdheid heeft ten aanzien van de nationale autoriteiten die met de uitvoering van het gemeenschapsrecht zijn belast. De schade die verzoekers stellen te hebben geleden als gevolg van de wijze waarop de nationale autoriteiten verordening nr. 2187/93 hebben toegepast, moet noodzakelijkerwijze aan die instanties worden toegeschreven in het geval dat die op eigen initiatief en verantwoording hebben gehandeld, of aan de Commissie wanneer die onwettige aanwijzingen aan de nationale overheid zou hebben gegeven.
30 Volgens de rechtspraak kan de Raad de Gemeenschap in die omstandigheden niet voor het Gerecht vertegenwoordigen omdat hij de gestelde schade niet heeft veroorzaakt (arrest Hof van 13 november 1973, Werhahn e.a./Raad, 63/72-69/72, Jurispr. blz. 1229).
31 Volgens verzoekers is de exceptie ongegrond. Het beroep strekt tot verkrijging van een deel van de vergoeding die hun krachtens de door de Raad vastgestelde verordening nr. 2187/93 toekomt. Bovendien is de vergoeding namens en voor rekening van de Raad en de Commissie aan verzoekers aangeboden, en zijn in alle correspondentie met verzoekers de Duitse instanties als vertegenwoordigers van die instellingen opgetreden. De Raad kan niet op goede gronden stellen, dat hij deze feiten niet kende, en daarom is het tegen deze instelling ingestelde beroep ontvankelijk.
Beoordeling door het Gerecht
32 Tussen partijen is in wezen in geschil, of door de enkele ondertekening van de kwitantie, waarvan de uitbetaling van de vergoeding van de in artikel 1 van de verordening bedoelde schade afhangt, reeds rente verschuldigd wordt, dan wel of daarvoor tevens nodig is dat afstand wordt gedaan van de aanhangige beroepen. Het beroep heeft dus betrekking op de uitlegging van verordening nr. 2187/93 en de gevolgen daarvan.
33 Die verordening is door de Raad vastgesteld. Zoals in de tweede en de vierde overweging van de considerans wordt verklaard, heeft zij tot doel om, ter uitvoering van het arrest Mulder, de schade te vergoeden die sommige producenten hebben geleden doordat zij geen melk hebben kunnen produceren wegens een door hen uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis. Daar de Commissie en de Raad bij dat arrest tot schadeloosstelling van de betrokken producenten zijn veroordeeld, strekt het beroep dus tot uitlegging van een handeling die volledige uitvoering beoogde te geven aan een veroordeling tot vergoeding van schade die mede door laatstgenoemde instelling werd veroorzaakt.
34 Het argument, dat de nationale autoriteiten een fout zouden hebben begaan, snijdt geen hout. Blijkens verordening nr. 2187/93 zijn deze instanties opgetreden namens en voor rekening van de Raad en de Commissie en is hun bemoeienis beperkt gebleven tot de administratieve aspecten van de binnenkomst en de verificatie van de aanvragen, alsmede van de uitvoering van het voorstel. Verzoekers maken geen enkele melding van een fout van deze instanties. Integendeel, zij brengen rechtstreeks de uitlegging in geding van de draagwijdte van de verplichtingen die voor verweerders uit verordening nr. 2187/93 voortvloeien. Dat de Raad wegens de bevoegdheidsverdeling in de verordening geen aandeel heeft gehad in de redactie van het voorstel waarin die verplichtingen nader werden geconcretiseerd, geeft hem niet het recht om de ontvankelijkheid te betwisten van een beroep dat betrekking heeft op uitlegging van een door hemzelf vastgestelde verordening en van de consequenties daarvan, waarbij hem plichten worden opgelegd die hij zou hebben miskend.
35 In die omstandigheden moet de door de Raad opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid worden verworpen.
Ten gronde
Argumenten van partijen
36 Tot staving van hun beroep dragen verzoekers als enig middel voor, dat artikel 12 van verordening nr. 2187/93 is geschonden. Dit middel bestaat uit twee onderdelen.
Het eerste onderdeel van het middel: het bestaan van een rechtstreeks uit artikel 12 van verordening nr. 2187/93 voortvloeiend recht op betaling van rente
37 Volgens verzoekers is in artikel 12 van verordening nr. 2187/93 bepaald, dat het bedrag van de vergoeding wordt verhoogd met rente van 8 % over de periode van 19 mei 1992 tot het moment van uitbetaling op de enkele voorwaarde dat het voorstel binnen de gestelde termijn wordt aanvaard.
38 In het aan verzoekers gerichte voorstel wordt intrekking van het beroep ook niet als voorwaarde genoemd; de Commissie heeft die voorwaarde dus pas na de toezending van het voorstel gesteld. Eerst op 27 juli 1994 werd verzoekers meegedeeld, dat zij afstand moesten doen van hun beroep.
39 De ondertekening van de kwitantie betekent volgens verzoekers dat zij van elke materiële vordering jegens de Gemeenschap afzien. De afstand van instantie daarentegen heeft naar hun zeggen alleen formele consequenties. Nadat verzoekers de griffie van het Gerecht hadden meegedeeld dat zij afstand deden van hun vordering, had de Commissie trouwens, naar uit artikel 98 van het Reglement voor de procesvoering blijkt, de beroepen kunnen doen doorhalen.
40 Verzoekers erkennen, dat door hun aanvaarding van het voorstel het voorwerp van hun beroep is komen te vervallen. Maar met deze aanvaarding hebben zij zich er niet toe verbonden, onmiddellijk afstand te doen van instantie of af te zien van de kosten.
41 In elk geval was de Commissie op de hoogte van de datum waarop de beroepen zijn ingetrokken vanaf het moment dat de griffie van het Gerecht haar uitnodigde haar opmerkingen te maken over de afstand van instantie, hetgeen zij op 9 juli 1994 heeft gedaan. De keuze van 4 augustus als datum waarop de rente opnieuw begon te lopen, is dus willekeurig omdat verzoekers op die datum alleen de nationale autoriteiten op de hoogte hebben gebracht van hun afstand van instantie. In verordening nr. 2187/93 wordt een dergelijke kennisgeving aan die instanties trouwens niet eens voorgeschreven.
42 Zelfs al zou men het standpunt van de Commissie volgen, dan zouden als beslissende data moeten worden aangemerkt de data waarop verzoekers afstand van instantie - dit is een onvoorwaardelijke, onherroepelijke en onaantastbare handeling - hebben gedaan, hetgeen laatstelijk is geschied op 9 mei 1994.
43 Anders dan de Commissie stelt, houdt de omstandigheid dat het hier om moratoire interessen gaat, niet in, dat van vertraging geen sprake is zolang verzoekers geen afstand van instantie hebben gedaan. Volgens vaste rechtspraak (arrest Mulder, punt 35) zijn moratoire interessen verschuldigd wanneer de verplichting tot schadevergoeding bij arrest is vastgesteld. Artikel 12 van verordening nr. 2187/93 verwijst trouwens naar dat arrest en om die reden werd de rente berekend vanaf 19 mei 1992.
44 Volgens verweerders is het beroep ongegrond omdat verzoekers hebben afgezien van hun rechten en de gestelde vertraging uitsluitend aan henzelf is toe te schrijven.
45 Uit artikel 14 van verordening nr. 2187/93 vloeit voort, dat verzoekers door het voorstel tot uitbetaling van een forfaitaire vergoeding te aanvaarden, algehele kwijting hebben verleend en onherroepelijk hebben afgezien van elke verdere vordering, daaronder begrepen een vordering tot betaling van rente. Zij kunnen dus geen aanspraak maken op enige andere vergoeding dan hun in het door hen aanvaarde voorstel is aangeboden. Derhalve is het beroep niet gegrond.
46 Bovendien spreekt artikel 12 van verordening nr. 2187/93 van moratoire rente. Verzoekers vorderen in dit geval evenwel rente wegens vertraging waarvoor alleen zijzelf verantwoordelijk zijn.
47 Op het moment dat zij van elke vordering in rechte afzagen, hadden zij immers tevens afstand moeten doen van hun beroep tot schadevergoeding. De handhaving van hun beroep was in strijd met hun rechtstreeks uit artikel 14 van de verordening voortvloeiende verplichting om afstand van instantie te doen. Anders dan zij stellen, hebben verzoekers dus niet eerst uit de brief van de nationale autoriteiten van 27 juli 1994 vernomen dat zij afstand van instantie moesten doen. Gelet op deze inbreuk hebben de Duitse autoriteiten de betaling van de vergoeding terecht geweigerd totdat zij bericht zouden ontvangen van de afstand van instantie.
48 Voor de Commissie hield de weigering tot uitbetaling van de vergoeding geen verband met de door verzoekers gevorderde betaling van de kosten. Sinds juli 1994 heeft zij de afstand van die laatste vordering niet meer als voorwaarde voor uitbetaling gesteld. De verzoekers die geen afstand hadden gedaan van hun vordering met betrekking tot de kosten, hebben evenals de anderen rente ontvangen. Bij alle verzoekers is de rente berekend vanaf de datum waarop bericht van de afstand van instantie was ontvangen. Geen enkele verzoeker heeft dus schade geleden door het feit, dat de Commissie aanvankelijk had geëist dat van betaling van de kosten werd afgezien.
49 Wat er ook van zij, verschillende verzoekers zouden het bedrag van de door hen gevorderde rente onjuist hebben berekend.
Het tweede onderdeel van het middel: het bestaan een contractuele aanspraak op betaling van rente
50 Verzoekers stellen, dat zij hun aanspraken ontlenen aan het door hen ontvangen vergoedingsvoorstel. De toezegging in de door verzoekers ondertekende kwitantie dat van alle vorderingen zou worden afgezien, zou alleen betrekking hebben gehad op vorderingen die niet onder de transactie vielen. De in geding zijnde aanspraken spruiten echter uit die transactie voort.
51 Volgens het vergoedingsvoorstel, zoals dat is aanvaard, zou het bedrag van de vergoeding worden verhoogd met rente van 8 % over de periode van 1 oktober 1993 tot de dag van uitbetaling. Doordat verzoekers dit voorstel hebben aanvaard, hebben zij dus krachtens die overeenkomst aanspraak op de gevorderde rente.
52 Verzoekers aanvaarden de correcties die de Commissie in een aantal gevallen in de berekening van de rente heeft aangebracht.
53 Verweerders stellen, dat aangezien het beroep is ingesteld krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, van het Verdrag, het Gerecht alleen uitspraak kan doen over de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap. Het argument van verzoekers, dat de instellingen de met de aanvaarding van het forfaitaire voorstel totstandgekomen overeenkomst niet zijn nagekomen, is dus niet houdbaar. Het zouden in elk geval verzoekers zijn die hun contractuele verbintenis om van elke vordering af te zien, niet zijn nagekomen.
Beoordeling door het Gerecht
54 Om te beginnen benadrukt het Gerecht, dat verordening nr. 2187/93 bepaalt, welke voorwaarden aan de aan verzoekers gerichte vergoedingsvoorstellen zijn verbonden, en alle gegevens verstrekt die voor de berekening van de aangeboden bedragen nodig zijn. Die voorstellen, die rechtstreeks uit de verordening voortvloeien, staan dus niet los van die verordening.
55 Daarom zou het bestaan van een contractuele aansprakelijkheid, die verzoekers in het tweede onderdeel van hun middel stellen, eveneens de uitlegging van de in die verordening neergelegde voorschriften omtrent de schadeloosstelling van de melkproducenten vergen. Aangezien deze verordening een schaderegeling behelst ter voldoening aan de verplichtingen die voortvloeien uit de in het arrest Mulder uitgesproken veroordeling van de gemeenschapsinstellingen, behoort de uitvoering daarvan tot het gebied van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap. In die omstandigheden dienen de twee onderdelen van het middel tezamen te worden onderzocht.
56 Daarbij dient te worden vastgesteld, welke verplichtingen voor de ontvanger van het in verordening nr. 2187/93 bedoelde vergoedingsvoorstel voortvloeien uit de aanvaarding van dat voorstel en de ondertekening van de volgens het model in verordening nr. 2648/93 geformuleerde kwitantie, en met name of daartoe de verplichting behoort om afstand te doen van de aanhangige beroepen.
57 Om de draagwijdte van die verplichtingen te bepalen, moeten de doelstellingen waardoor de instellingen zich bij de vaststelling van verordening nr. 2187/93 hebben laten leiden en de context daarvan in aanmerking worden genomen (arresten Hof van 17 november 1983, Merck, 292/82, Jurispr. blz. 3781, punt 12, en 1 april 1993, Findling Wälzlager, C-136/91, Jurispr. blz. I-1793, punt 11).
58 Blijkens de considerans van deze verordening hebben de instellingen ingezien, dat een zeer groot aantal producenten aan het arrest Mulder recht op schadevergoeding ontleenden, en hebben zij geconcludeerd dat zij onmogelijk met elke individuele situatie rekening zouden kunnen houden. Zij besloten dus, door middel van een verordening een voorstel tot schadevergoeding te doen, waarbij aanvaarding van dit voorstel volgens artikel 14, laatste alinea, van de verordening zou inhouden, dat van elke verdere vordering tegen de gemeenschapsinstellingen zou worden afgezien (zie arrest Gerecht van 16 april 1997, Connaughton e.a./Raad, T-541/93, Jurispr. blz. II-549, punt 31).
59 Het Gerecht is van oordeel dat, anders dan verweerders stellen, de toezegging van de producenten om van elke vordering af te zien, niet tevens ziet op de eventuele consequenties van een schending van de door de verordening aan de instellingen opgelegde verplichtingen.
60 Zoals het Gerecht reeds heeft geoordeeld, had verordening nr. 2187/93 geen dwingende werking jegens de producenten, aangezien hun hierbij, naast hun recht om beroep tot schadevergoeding in te stellen, een mogelijkheid werd geboden de zaak in der minne te regelen, die zij in alle vrijheid konden aanvaarden (arrest Connaughton e.a./Raad, reeds aangehaald, punt 35). Dat de producenten van elke verdere vordering zouden afzien, stelden de instellingen dus als voorwaarde voor de onmiddellijke uitkering van een vergoeding zonder dat daarvoor een rechterlijke beslissing zou behoeven te worden afgewacht.
61 Vaststaat dat een groot aantal producenten, waaronder verzoekers, op het moment van vaststelling van verordening nr. 2187/93 reeds een beroep tot schadevergoeding tegen de Raad en de Commissie hadden ingesteld.
62 Uit de regeling van het vergoedingsvoorstel in haar geheel blijkt dus, dat daarmee werd beoogd al te veel gedingen over deze aangelegenheid te vermijden.
63 In het licht van deze conclusie moet worden onderzocht, welke verplichtingen voor partijen uit verordening nr. 2187/93 en uit de tekst van de kwitantie voortvloeiden.
64 Volgens de tekst van de kwitantie dienden de producenten die het voorstel hadden aanvaard, maar zich nog niet tot de gemeenschapsrechter hadden gewend, van het instellen van een beroep tot schadevergoeding af te zien.
65 In het geval van degenen die op de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 2187/93 reeds een beroep hadden ingesteld, kon het gewenste resultaat alleen door afstand van instantie worden bereikt.
66 Dit wordt bevestigd door de tekst zelf van de kwitantie, waarin staat dat aanvaarding van het voorstel inhoudt, dat de betrokkene uitdrukkelijk afziet "van iedere (...) reeds ingestelde (...) vordering ter zake", waarbij de woorden "reeds ingestelde" duiden op afstand van een aanhangige procedure.
67 Uit het voorgaande volgt, dat aanvaarding van een vergoedingsvoorstel uit hoofde van verordening nr. 2187/93, met ondertekening van de bijbehorende kwitantie, voor verzoekers de door hen overigens niet betwiste verplichting inhield om afstand te doen van de aanhangige procedures.
68 Verweerders hebben dus voor de uitbetaling van de vergoedingen terecht als voorwaarde gesteld, dat van zulke procedures afstand wordt gedaan.
69 In die omstandigheden waren zij gerechtigd, de uitbetaling van de in artikel 12 van verordening nr. 2187/93 bedoelde rente op te schorten zolang verzoekers niet overeenkomstig hun verbintenis afstand van instantie hadden gedaan.
70 Uitgemaakt moet dus worden, op welk moment verzoekers aan hun verbintenis uitvoering hebben gegeven. Anders dan de Commissie stelt, is dat niet het moment waarop de Duitse instanties van de afstand van instantie op de hoogte werden gebracht, te weten 4 augustus 1994, of in het geval van verzoekers Backhaus, Lorentz en Mittwede, 29 juni 1994. De datum waarop afstand van instantie wordt gedaan, is immers die waarop de in artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering bedoelde akte, waarbij van de vordering wordt afgezien, ter griffie van het Gerecht wordt neergelegd. De mededeling aan de nationale autoriteiten, die overigens door verordening nr. 2187/93 niet wordt voorgeschreven, speelt in dit verband geen enkele rol.
71 De griffie van het Gerecht heeft de afstand van instantie door verzoekers aan verweerders meegedeeld, en deze laatsten hebben bij schrijven van 6 en 9 juni 1994 hun opmerkingen daarover kenbaar gemaakt. Verweerders wisten dus, dat - en op welk tijdstip - de voorwaarde waarvan uitbetaling van de vergoeding afhing, was vervuld.
72 Op 20 april 1994, de datum waarop de akten van afstand van instantie ter griffie van het Gerecht werden ingeschreven, was dus door het merendeel van verzoekers aan die voorwaarde voldaan. Ten aanzien van verzoeker Gövert was dit op 9 mei 1994 het geval (zie hierboven punt 11).
73 Uit het voorgaande volgt, dat verzoekers' vordering tot betaling van rente gedeeltelijk gegrond is. Verweerders zullen hun dus over de betaalde vergoedingen rente op de voet van 8 % per jaar moeten betalen over de periode van 20 april tot en met 3 augustus 1994, datum waarvanaf reeds rente is betaald. Ten aanzien van verzoekers Backhaus, Lorentz en Mittwede zal rente zijn verschuldigd over de periode van 20 april tot en met 28 juni 1994 (zie hierboven punt 17). Wat ten slotte verzoeker Gövert betreft, die op 9 mei 1994 afstand van instantie heeft gedaan (zie hierboven punt 11), zal rente moeten worden betaald over de periode van 9 mei tot en met 3 augustus 1994.
74 Verzoekers vorderen voorts rente van 8 % per jaar over de gevorderde bedragen. Het Gerecht beslist, dat over de door de verwerende instellingen verschuldigde vergoedingen een moratoire rente van 6 % per jaar is verschuldigd, te rekenen vanaf de datum van het arrest, welk rentepercentage overigens door de verwerende instellingen zelf is voorgesteld.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
75 Volgens artikel 87, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien verzoekers en verweerders gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, moet deze bepaling in casu worden toegepast.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Verweerders zullen aan de verzoekers G. Backhaus, U. Lorentz en M. Mittwede over de periode van 20 april tot en met 28 juni 1994 rente op de voet van 8 % per jaar betalen over de vergoeding die hun is betaald in het kader van verordening (EEG) nr. 2187/93 van de Raad van 22 juli 1993 inzake het vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk of zuivelproducten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen.
2) Verweerders zullen aan verzoeker P. Gövert over de periode van 9 mei tot en met 3 augustus 1994 rente op de voet van 8 % per jaar betalen over de vergoeding die hem in het kader van genoemde verordening is betaald.
3) Verweerders zullen aan alle andere verzoekers over de periode van 20 april tot en met 3 augustus 1994 rente op de voet van 8 % per jaar betalen over de vergoeding die hun in het kader van genoemde verordening is betaald.
4) Over deze bedragen zal nog een rente van 6 % per jaar te rekenen vanaf de datum van dit arrest verschuldigd zijn.
5) Elke partij zal haar eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy