Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelproducten - Steun voor boter en boterconcentraat bestemd voor vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen - Toekenningsvoorwaarden - Tussenproducten - Omschrijving - Verplichting tot bijvoegen van verklikstoffen
(Verordening nr. 570/88 van de Commissie, art. 9 bis)
2 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelproducten - Steun voor boter en boterconcentraat bestemd voor vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen - Toekenningsvoorwaarden - Boter - Omschrijving
(Verordeningen van de Raad nr. 985/68, art. 1, lid 3, sub a en b, en nr. 2991/94; verordening nr. 570/88 van de Commissie, art. 1, tweede alinea, sub a)
3 Beroep tot nietigverklaring - Procesbelang - Handeling die geen betrekking heeft op door verzoeker vervaardigd product - Niet-ontvankelijkheid
(EG-Verdrag, art. 173, vierde alinea; verordeningen van de Commissie nr. 570/88, art. 1 en 9 bis, en nr. 455/95, art. 1, lid 4)
Samenvatting
4 Een product dat uit 82 % vet, 16 % water en 2 % van melk afkomstige droge stof bestaat en wordt verkregen door het concentreren, het fractioneren en het recombineren van grondstoffen die voor 65 % uit boter en voor 35 % uit room bestaan, moet worden aangemerkt als tussenproduct in de zin van artikel 9 bis van verordening nr. 570/88 betreffende de verkoop tegen verlaagde prijs van boter en de toekenning van steun voor boter en boterconcentraat bestemd voor de vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen.
Het niet bijmengen van verklikstoffen, die door artikel 9 bis worden voorgeschreven om het tussenproduct in aanmerking te laten komen voor de steun waarin die verordening voorziet, wijzigt de aard van het product niet, maar leidt er eenvoudigweg toe, dat het niet in aanmerking komt voor communautaire steun. De bijmenging van verklikstoffen heeft immers tot doel fraude te voorkomen, doch is niet noodzakelijk voor de bereiding van het product.
Het feit dat een tussenproduct in de zin van dit artikel volgens de wettelijke regeling van een Lid-Staat als boter kan worden aangemerkt, kan overigens niet ertoe leiden dat de voorwaarden die door dit artikel worden gesteld om een in die bepaling genoemd product in aanmerking te laten komen voor de in verordening nr. 570/88 bedoelde steun, buiten toepassing worden gelaten.
5 Ook al verwijst artikel 1, tweede alinea, sub a, van verordening nr. 570/88, ter precisering van de voorwaarden waaronder boter in aanmerking kan komen voor steun uit hoofde van artikel 1 van verordening nr. 570/88, enkel uitdrukkelijk naar artikel 1, lid 3, sub b, betreffende de indeling van boter, van verordening nr. 985/68 betreffende de interventiemaatregelen op de markt voor boter en room, het vereist eveneens, dat het product aan een bepaalde "omschrijving" beantwoordt. Deze omschrijving wordt gegeven in artikel 1, lid 3, sub a, van verordening nr. 985/68 en verwijst naar de technische voorwaarden voor de vervaardiging en de samenstelling van boter.
Aan het feit dat een bepaald product voor de toepassing van verordening nr. 570/88 niet tot de categorie boter behoort, wordt niet afgedaan door de omstandigheid, dat verordening nr. 2991/94, tot vaststelling van normen voor smeerbare vetproducten, een ruimere definitie van boter bevat, waaronder ditzelfde product. Deze verordening behoort immers niet tot de interventiemaatregelen, bedoeld om de afzet van de communautaire overschotten van boter te bevorderen, maar heeft tot doel, de consument te beschermen en voor te lichten.
6 Artikel 1, lid 4, van verordening nr. 455/95, betreffende in het bijzonder de toekenning van steun voor de aankoop van boter, wijzigt enkel artikel 1 van verordening nr. 570/88 en heeft daarom geen betrekking op de in artikel 9 bis van deze verordening bedoelde tussenproducten, zodat een beroep tot nietigverklaring van artikel 1, lid 4, ingesteld door een producent van tussenproducten, niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
Partijen
In zaak T-117/95,
N. Corman SA, vennootschap naar Belgisch recht, gevestigd te Goé-Limbourg (België), vertegenwoordigd door L. Defalque, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij de Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Berscheid, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van artikel 1, lid 4, van verordening (EG) nr. 455/95 van de Commissie van 28 februari 1995 tot wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 1547/87 en (EEG) nr. 1589/87 met betrekking tot de interventieaankopen van boter, en van de verordeningen (EEG) nr. 2191/81 en (EEG) nr. 570/88 betreffende de toekenning van steun voor de aankoop van boter en de verkoop van boter tegen verlaagde prijs aan bepaalde categorieën consumenten en bedrijven (PB 1995, L 46, blz. 31),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: R. García-Valdecasas, kamerpresident, J. Azizi en M. Jaeger, rechters,
griffier: J. Palacio, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 5 november 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De toepasselijke wetgeving
1 In het kader van maatregelen om het boterverbruik aan te moedigen, stelde de Commissie op 16 februari 1988 verordening (EEG) nr. 570/88 vast, betreffende de verkoop tegen verlaagde prijs van boter en de toekenning van steun voor boter en boterconcentraat bestemd voor de vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen (PB 1988, L 55, blz. 31; hierna: "verordening nr. 570/88").
2 Artikel 1 van deze verordening preciseert de voorwaarden waaronder steun kan worden verleend voor boter of boterconcentraat.
3 In zijn oorspronkelijk redactie luidde dat artikel als volgt:
"Onder de in deze verordening vastgestelde voorwaarden wordt overgegaan tot de verkoop van boter die overeenkomstig artikel 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 804/68 is aangekocht en vóór een nader te bepalen datum is ingeslagen, alsook tot de toekenning van steun voor het gebruik van boter en boterconcentraat als bedoeld in de tweede alinea.
De steun kan slechts worden verleend voor:
a) boter die in de Lid-Staat van vervaardiging beantwoordt aan de omschrijving en aan de indeling vastgesteld in artikel 1, lid 3, onder b, van verordening (EEG) nr. 985/68 en waarvan de verpakking dienovereenkomstig is gemerkt;
b) boterconcentraat dat in een overeenkomstig artikel 10 erkend bedrijf uit boter of room is geproduceerd en aan de bepalingen van bijlage IV beantwoordt."
4 Op de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 570/88 luidde artikel 1 van verordening (EEG) nr. 985/68 van de Raad van 15 juli 1968 houdende vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de interventiemaatregelen op de markt voor boter en room (PB 1968, L 169, blz. 1; hierna: "verordening nr. 985/68"), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2714/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB 1972, L 291, blz. 15; hierna: "verordening nr. 2714/72") en bij verordening (EEG) nr. 1897/87 van de Raad van 2 juli 1987 (PB 1987, L 182, blz. 35), als volgt:
"1. De interventiebureaus kopen slechts boter die:
a) is geproduceerd door een erkende onderneming,
b) voldoet aan de definitie en de indeling die voorkomen in lid 3, respectievelijk sub a) en b),
(...)
2. Tot de datum van toepassing van de krachtens artikel 27 van verordening (EEG) nr. 804/68 vastgestelde bepalingen wordt een onderneming slechts erkend indien zij boter vervaardigt die voldoet aan de in lid 3, sub a en b, gestelde eisen.
3. Tot de in lid 2 bepaalde datum moet de in lid 1 bedoelde boter:
a) de volgende samenstelling en kenmerken hebben:
aa) - een minimumgehalte aan botervet van 82 gewichtspercenten hebben;
- maximaal 16 gewichtspercenten water bevatten; - vervaardigd zijn uit zure room of
bb) - een minimumgehalte aan botervet van 82 gewichtspercenten hebben;
- maximaal 16 gewichtspercenten water bevatten; - vervaardigd zijn uit zoete room;
b) moet de in lid 1 bedoelde boter:
- zijn ingedeeld als $boter met controlemerk', wat Belgische boter betreft,
(...)"
5 Artikel 9 van verordening nr. 570/88 voorzag eveneens in de mogelijkheid om steun toe te kennen "wanneer het boterconcentraat of de boter, met of zonder verklikstoffen, in een tussenstadium in andere producten dan de eindprodukten wordt verwerkt en in een ander bedrijf dan in dat waarin de eindverwerking gebeurt". Voor deze steun werden bepaalde voorwaarden gesteld, in het bijzonder, de erkenning van het bedrijf waarin de verwerking van deze tussenproducten had plaatsgevonden, en de verplichting om op de verpakking van het product de vermelding "tussenproduct" aan te brengen.
6 Dit artikel is gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1813/93 van de Commissie van 7 juli 1993 (PB 1993, L 166, blz. 16; hierna: "verordening nr. 1813/93"), die op 1 augustus 1993 in werking is getreden. In de tweede overweging van de considerans van deze verordening wordt verklaard, dat voor sommige Lid-Staten verschillen waren geconstateerd in de interpretatie van het begrip tussenproducten, waardoor het nodig was objectieve en doorzichtige criteria voor de identificatie van deze producten vast te leggen.
7 Zo introduceerde verordening nr. 1813/93 in artikel 9 van verordening nr. 570/88 de verplichting van erkenning van de tussenproducten zelf. Daarvoor moest worden aangetoond, dat de vervaardiging van deze tussenproducten een gerechtvaardigde stap was bij de fabricage van de eindproducten.
8 De verordening voegde tevens in verordening nr. 570/88 een artikel 9 bis in, dat luidt als volgt:
"De in artikel 9 bedoelde tussenprodukten zijn, onverminderd artikel 4, andere produkten dan die van de GN-codes 0401 en 0405.
Evenwel
a) worden produkten met een botervetgehalte van ten minste 82 % die uitsluitend uit boterconcentraat als bedoeld in artikel 1, tweede alinea, onder b), zijn vervaardigd in een daartoe overeenkomstig artikel 10 erkend bedrijf als tussenprodukt beschouwd op voorwaarde dat de in artikel 6, lid 1, bedoelde verklikstoffen erin zijn bijgemengd; de betaalde minimumverkoopprijs en het maximumbedrag van de toegekende steun voor die produkten komen overeen met de minimumverkoopprijs en het maximumbedrag van de steun die overeenkomstig artikel 18 worden vastgesteld voor boter met een vetgehalte van 82 % waarin een verklikstof is bijgemengd;
b) worden de in bijlage VIII bedoelde mengsels niet als tussenprodukt beschouwd."
9 Dit nieuwe artikel heeft tot doel, de vaststelling van de uit boterconcentraat verkregen producten die als tussenproducten kunnen worden beschouwd en in aanmerking komen voor de steun waarin verordening nr. 570/88 voor deze producten voorziet.
10 Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2443/93 van de Commissie van 2 september 1993 (PB 1993, L 224, blz. 8), die vanaf 1 augustus 1993 geldt, wijzigde verordening nr. 570/88 als volgt:
"De inleidende zin van artikel 1, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 570/88 wordt vervangen door:
$Onverminderd het bepaalde in artikel 9 bis, onder a, kan de steun slechts worden verleend voor: (...)'."
11 De reden voor deze wijziging wordt genoemd in de eerste overweging van de considerans van de verordening:
"Overwegende dat (...) en gelet op de tekst van artikel 1, onduidelijkheid is ontstaan wat de steunaanvraag voor de in artikel 9 bis, onder a, bedoelde produkten betreft; dat het ter wille van de rechtszekerheid dienstig is te preciseren dat, met ingang van 1 augustus 1993, voor de in artikel 9 bis, onder a, bedoelde produkten steun kan worden aangevraagd, zelfs als die produkten niet onder artikel 1 vallen, en dat deze steun moet overeenstemmen met die welke geldt voor boter met een vetgehalte van 82 % waaraan verklikstoffen zijn toegevoegd".
12 Artikel 1, lid 4, van verordening (EG) nr. 455/95 van de Commissie van 28 februari 1995 tot wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 1547/87 en (EEG) nr. 1589/87 met betrekking tot de interventieaankopen van boter, en van de verordeningen (EEG) nr. 2191/81 en (EEG) nr. 570/88 betreffende de toekenning van steun voor de aankoop van boter en de verkoop van boter tegen verlaagde prijs aan bepaalde categorieën consumenten en bedrijven (PB 1995, L 46, blz. 31; hierna: "omstreden verordening"), die vanaf 1 maart 1995 geldt, heeft verordening nr. 570/88 aldus gewijzigd, dat de toekenning van steun afhankelijk wordt gesteld van het feit of de boter rechtstreeks en uitsluitend uit gepasteuriseerde room is vervaardigd.
13 Na deze wijziging luidt het nieuwe artikel 1, tweede alinea, sub a, van verordening nr. 570/88 als volgt:
"a) boter die in de Lid-Staat van vervaardiging rechtstreeks en uitsluitend van gepasteuriseerde room is vervaardigd en beantwoordt aan de in artikel 6, lid 2, van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde vereisten en aan de eisen voor de in bijlage II bij verordening (EG) nr. 454/95 genoemde nationale kwaliteitsklasse, en waarvan de verpakking dienovereenkomstig is gemerkt".
14 Verordening (EG) nr. 454/95 van de Commissie van 28 februari 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van de interventiemaatregelen op de markt voor boter en room, die in laatstgenoemde bepaling wordt genoemd, heeft verordening nr. 985/68, ten dele vervangen. Laatstgenoemde verordening is per 1 maart 1995 ingetrokken bij verordening (EG) nr. 2807/94 van de Raad van 14 november 1994 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (PB 1994, L 298, blz. 1). Bijlage II bij verordening nr. 454/95 vermeldt, wat Belgische boter betreft: "melkerijboter, extra kwaliteit; beurre de laiterie, qualité extra".
De aan het beroep ten grondslag liggende feiten
15 Verzoekster, een vennootschap naar Belgisch recht, maakt deel uit van een Franse zuivelgroep. Sinds 1959 heeft zij technische procédés voor de vervaardiging van boter ontwikkeld. Haar werkzaamheden op dit gebied hebben ertoe geleid, dat zij sinds 1987 haar eerste "technische boter" vervaardigt.
16 Dit nieuwe product, "BITA" (beurre industriel technologiquement adapté), is ontwikkeld door middel van een procédé dat is gebaseerd op selectie van grondstoffen, fysische vetfractionering en recombineren van de verschillende verkregen delen naar gelang van de gewenste technische kwaliteit. De door verzoekster gebruikte grondstoffen, 65 % boter en 35 % room, worden eerst geconcentreerd. Het aldus verkregen onvermengde vet wordt opgeslagen. Vervolgens wordt het gefractioneerd, waarna de verschillende delen worden gerecombineerd naar gelang van de gewenste producten en toepassingen (bijvoorbeeld vervaardiging van producten met een laag smeltpunt voor de consumptie-ijsproductie en met een hoog smeltpunt voor de croissanterie).
17 Met dit procédé kan een gestandaardiseerde boter worden verkregen die bestaat uit 82 % vet, 16 % water en 2 % van melk afkomstige droge stof, en zeer stabiel is en veel wordt gevraagd door de fabrikanten van banketbakkersproducten, aangezien de boter bovendien kan worden gebruikt in de automatische spuitlijnen van deze fabrikanten, die zijn opgezet voor het gebruik van margarine.
18 Voor de technische of gerecombineerde boter van verzoekster wordt sinds 1989 steun verleend krachtens artikel 9 van verordening nr. 570/88, dat betrekking heeft op tussenproducten.
19 Met ingang van 1 augustus 1993, de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 1813/93 die artikel 9 bis heeft ingevoegd in verordening nr. 570/88, komt verzoeksters technische boter alleen nog voor de in laatstgenoemde verordening bedoelde steun in aanmerking, indien er verklikstoffen in zijn bijgemengd.
20 Het toevoegen van verklikstoffen heeft tot doel, door middel van een smaak of een kleur de producten die communautaire steun genieten, gemakkelijk te herkennen, teneinde fraude te vermijden. Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 570/88 schrijft het gebruik van een combinatie van twee verklikstoffen voor, die kunnen worden gekozen uit drie chemische en vijf organoleptische verklikstoffen.
21 Volgens verzoekster hebben de verklikstoffen een aantal nadelen, die verband houden met de smaak en de geur ervan. Om die reden heeft zij vanaf 1 augustus 1993, de datum van de invoeging in verordening nr. 570/88 van artikel 9 bis waarbij de verplichting wordt opgelegd om verklikstoffen aan de betrokken producten - waaronder verzoeksters technische boter - toe te voegen, gepoogd haar technische boter door de Belgische autoriteiten te laten erkennen als "boter met controlemerk", teneinde haar producten verder te kunnen verkopen in het kader van verordening nr. 570/88 en in aanmerking te komen voor de steun waarin artikel 1, tweede alinea, sub a, van die verordening voorziet.
22 In 1990 en 1991 stelde de Franse douane de Commissie ervan op de hoogte, dat een Belgische vennootschap - te weten verzoekster - in Frankrijk een op basis van boterconcentraat gerecombineerde boter van 82 % botervet had ingevoerd, en voor dit product de steun voor tussenproducten in de zin van artikel 9 van verordening nr. 570/88 aanvroeg. De Franse douane verzocht de Commissie, haar mee te delen of het mogelijk was een dergelijke boter als tussenproduct in de zin van die bepaling aan te merken.
23 Na een eerste negatief antwoord verzocht de Commissie het Belgische Ministerie van Landbouw bij fax van 10 juni 1991 om inlichtingen. In die fax gaf zij aan, dat een samengestelde boter haars inziens niet in aanmerking kwam voor steun uit hoofde van verordening nr. 570/88, maar dat zij de uitkomst van het onderzoek afwachtte.
24 Bij fax van 1 juli 1991 deelde het Belgische Ministerie van Landbouw de Commissie mee, dat de Belgische toezichthoudende autoriteiten van mening waren, dat het betrokken product als een tussenproduct in de zin van artikel 9 van verordening nr. 570/88 moest worden aangemerkt. Bij die telefax was een beschrijving van het vervaardigingsprocédé en de eigenschappen van het product gevoegd. Het product werd daarin beschreven als "tussenprodukt van 82 % botervet, speciaal aangepast voor het gebruik in geplet deeg (viennoiserie, produkten van bladerdeeg) in de banketbakkerij, de koekjesindustrie, enz.". Het werd verkregen in een aantal stappen, waaronder het fysisch fractioneren en het recombineren. Aan het einde van de beschrijving werd verklaard, dat het verkregen product 82 % botervet, 16 % water en 2 % van melk afkomstige droge stof bevatte, en dat ofschoon het "een tussenprodukt in de zin van verordening nr. 570/88 was, de samenstelling ervan overeenkwam met die van klassieke boter".
25 Bij fax van 3 juli 1991 deelde de Commissie de Franse douane mee, dat het product waarover zij om inlichtingen was gevraagd, door de Belgische autoriteiten was onderzocht, en als een tussenproduct in de zin van artikel 9 van verordening nr. 570/88 kon worden aangemerkt. Zij voegde hieraan toe: "Wij wijzen u er echter op, dat het produkt niet als boter wordt beschouwd en in geen geval als boter in de zin van artikel 1, lid 3, onder b, van verordening (EEG) nr. 985/68 kan worden ingedeeld."
26 Bij fax van 22 augustus 1991 deelde het Belgische Ministerie van Landbouw de Commissie het volgende mee:
"Wij hebben kennis gekregen van uw fax van 3 juli jongstleden (fax van de Commissie aan de Franse douane).
Wij begrijpen uit deze fax, dat het betrokken produkt als tussenprodukt kan worden aangemerkt en dat, indien de voorschriften van de Lid-Staat van productie het toestaan, niets zich ertegen verzet, dat dit produkt, in casu een gerecombineerde boter, boter wordt genoemd (het koninklijk besluit van 6 mei 1988, inzonderheid artikel 1 ervan, verstaat onder boter ook die welke wordt verkregen door recombinatie).
Deze boter kan echter niet in één van de categorieën van artikel 1, lid 3, onder b, van verordening (EEG) nr. 985/68, voor België $boter met controlemerk', worden ingedeeld, en kan derhalve met name niet bij wege van interventie worden aangekocht en evenmin kan voor deze boter een particulier opslagcontract worden gesloten.
(...)"
27 Op 28 februari 1994 werd de door verzoekster vervaardigde technische boter ondanks de verklaring in deze fax door de Belgische autoriteiten als "boter met controlemerk" in de klasse "melkerijboter, extra kwaliteit" ingedeeld. Daardoor kwam de technische boter van verzoekster, waarvoor tot dan toe de in artikel 9 bis van verordening nr. 570/88 bedoelde steun werd ontvangen, in aanmerking voor de communautaire steun uit hoofde van artikel 1 van verordening nr. 570/88, zonder dat een wijziging van de toepasselijke communautaire regeling of van het betrokken product had plaatsgevonden.
28 Volgens artikel 2 van verordening nr. 570/88 wordt de steun toegekend volgens een permanente openbare inschrijving, die door de interventiebureaus van de Lid-Staten wordt gehouden.
29 Sinds de inwerkingtreding van de omstreden verordening wordt de technische boter van verzoekster "tussenproduct" genoemd en wordt daarvoor de in artikel 9 bis van verordening nr. 570/88 bedoelde steun ontvangen. Het bedrag van de steun waarin artikel 1 van verordening nr. 570/88 voorziet, is hetzelfde als dat van de in artikel 9 bis van die verordening bedoelde steun. Het verschil ligt in het feit, dat het in artikel 9 bis bedoelde product als tussenproduct rechtstreeks moet worden opgenomen in een eindproduct, dat daarin verklikstoffen moeten worden bijgemengd en dat de verpakking de vermelding "tussenproduct" moet dragen. De in artikel 1 bedoelde boter daarentegen kan zowel in een tussenproduct als in een eindproduct worden opgenomen. Voor deze boter geldt een minder strenge controleprocedure en zij mag de benaming "boter" dragen.
Het procesverloop en de conclusies van partijen
30 Bij op 10 mei 1995 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
31 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten om, enerzijds, krachtens artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering maatregelen tot organisatie van de procesgang te treffen, door partijen te verzoeken een aantal vragen te beantwoorden en bepaalde documenten over te leggen en, anderzijds, de mondelinge behandeling te openen. Verzoekster en de Commissie hebben op 28 juni respectievelijk 2 juli 1996 aan het verzoek van het Gerecht voldaan.
32 Ter terechtzitting van 5 november 1996 zijn partijen in hun pleidooien en in hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord.
33 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- artikel 1, lid 4, van de omstreden verordening nietig te verklaren;
- verweerster te verwijzen in de kosten van het geding.
34 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- subsidiair, de vordering ongegrond te verklaren;
- verzoekster te verwijzen in de kosten van het geding.
35 In repliek vraagt verzoekster het Gerecht, de Commissie te gelasten de processen-verbaal over te leggen van de vergaderingen van het Comité van beheer tijdens welke de tekst van de omstreden verordening is besproken.
De ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
36 Volgens de Commissie is het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
37 Artikel 1, tweede alinea, sub a, van verordening nr. 570/88, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 4, van de omstreden verordening, bevestigt slechts de vroegere situatie ter zake van het vereiste, dat voor steun in aanmerking komende boter moet zijn vervaardigd uit room. Voor de in artikel 1 van verordening nr. 570/88 bedoelde basisproducten, diende de boter, volgens de regeling die vóór de omstreden wijziging gold, "(...) in de Lid-Staat van vervaardiging (te beantwoorden) aan de omschrijving en aan de indeling vastgesteld in artikel 1, lid 3, onder b, van verordening (EEG) nr. 985/68" en diende "de verpakking dienovereenkomstig (te zijn) gemerkt". Volgens genoemde bepaling van verordening nr. 985/68 diende het, wat Belgische boter betreft, te gaan om boter die is ingedeeld als "boter met controlemerk". Volgens de bewoordingen van artikel 1 van verordening nr. 570/88 diende de boter bovendien nog aan een bepaalde definitie van boter te beantwoorden. Deze definitie van boter was opgenomen in artikel 1, lid 3, sub a, van verordening nr. 985/68, volgens hetwelk de boter moet zijn vervaardigd uit zure of zoete room.
38 Dat tegelijkertijd moet worden voldaan aan het genoemde technische vereiste dat de boter moet zijn vervaardigd uit room (artikel 1, lid 3, sub a, van verordening nr. 985/68) en aan dat van het beschermde merk (dezelfde bepaling, sub b), volgt bovendien uit artikel 8, lid 4, eerste alinea, van verordening nr. 985/68 - in de versie voortvloeiend uit verordening nr. 2714/72 -, daar het interventiebureau enkel boter kan kopen die aan beide criteria voldoet.
39 Met betrekking tot gerecombineerde boter als die welke door verzoekster wordt vervaardigd, heeft de omstreden verordening de bestaande situatie op geen enkel punt gewijzigd. De verordening heeft met name geen wijziging gebracht in de voorwaarden waaronder een tussenproduct als dit soort boter voor communautaire steun in aanmerking komt.
40 De Commissie stelt voorts, dat verzoekster zich met name tot staving van haar procesbelang in deze zaak, in geen geval kan beroepen op het feit, dat de Belgische autoriteiten haar gerecombineerde boter in strijd met zowel de destijds geldende als de huidige regeling in de klasse "extra" hadden ingedeeld. De Belgische autoriteiten hebben verzoeksters boter in 1994 in de klasse "extra" ingedeeld, ofschoon zij zich ervan bewust waren, dat een boter met dergelijke kenmerken niet aldus kon worden ingedeeld, hetgeen zij in 1991 overigens uitdrukkelijk hadden erkend. De Commissie betwist verzoeksters stelling, dat zij op de hoogte was van de indeling door de Belgische autoriteiten. Zij heeft hiervan geen enkel moment kennis gehad. Zij is steeds ervan uitgegaan, dat gerecombineerde boter niet in een van de categorieën boter van artikel 1, lid 3, sub b, van verordening nr. 985/68 kon worden ingedeeld. Deze mening wordt versterkt door het feit, dat een zelfde product in het kader van één en dezelfde verordening niet tegelijkertijd als basisproduct en als tussenproduct kan worden aangemerkt. In die omstandigheden kan een Lid-Staat, die voor de uitsluiting van gerecombineerde boter van artikel 1, tweede alinea, sub a, van verordening nr. 570/88 aan het gemeenschapsrecht is gebonden, niet door middel van een eenzijdige indeling de gerecombineerde boter voor de in die bepaling genoemde steun in aanmerking laten komen en deze boter onttrekken aan de in artikel 9 bis van die verordening vervatte verplichting om daarin verklikstoffen bij te mengen.
41 Teneinde de voor steun in aanmerking komende producten gemakkelijk te herkennen en fraude te bestrijden, geeft de toevoeging van verklikstoffen de producten een specifieke smaak of kleur. Verordening nr. 570/88 geeft de marktdeelnemers evenwel een vrij ruime keuze, aangezien zij het gebruik van een combinatie van twee verklikstoffen voorschrijft, die kunnen worden gekozen uit drie chemische en vijf organoleptische verklikstoffen. In de praktijk zal de bijmenging van verklikstoffen geen probleem opleveren, aangezien de producenten en consumenten elders, namelijk in het geval van room, een zeer gevoelig product, de bijmenging van verklikstoffen lijken te accepteren. De aanduiding "tussenproduct" zal evenmin problematisch zijn voor een onderneming die, naar eigen zeggen, als voornaamste klanten gespecialiseerde ondernemingen heeft. Deze beoordelen het product op basis van zijn technische eigenschappen en worden niet afgeschrikt door de betrokken kwalificatie.
42 Al zou in het geval van verzoekster aan de andere voorwaarden zijn voldaan, dan nog is de bestreden handeling volgens de Commissie slechts een bevestigende handeling, waartegen geen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld (zie arrest van 15 december 1988, gevoegde zaken 166/86 en 220/86, Irish Cement, Jurispr. 1988, blz. 6473, r.o. 16).
43 Verzoeksters belang is in geen geval een rechtstreeks belang, aangezien een maatregel van de nationale autoriteiten zich noodgedwongen plaatst tussen de bestreden bepaling en een situatie waarin verzoekster met succes een beroep kan doen op de verlening van steun. Naast de voorwaarde betreffende de herkomst en het technische karakter van de grondstof wordt namelijk geëist, dat verzoeksters product door een positieve handeling van de Belgische autoriteiten (die hier overigens in strijd is met het gemeenschapsrecht) is ingedeeld in de klasse "extra". Bovendien vindt steunverlening plaats volgens een openbare inschrijving, die door elk interventiebureau wordt gehouden. Aangezien het beheer door de nationale autoriteiten wordt verzekerd, is een handeling van deze autoriteiten dus noodzakelijk.
44 Er is evenmin sprake van een individueel belang. De gelaakte bepaling heeft een volstrekt algemeen normatief karakter en bepaalt (of beter gezegd bevestigt), dat elke marktdeelnemer die niet voldoet aan de objectieve voorwaarden ervan, te weten, in het bijzonder, dat de boter rechtstreeks en uitsluitend wordt vervaardigd uit room, wordt uitgesloten. Ook al is verzoekster, een op nationaal niveau belangrijke zuivelonderneming, wellicht de enige marktdeelnemer die het bijzondere product "BITA" vervaardigt, zij is bij lange niet de enige onderneming op de gemeenschapsmarkt die gerecombineerde boter produceert. In casu geldt de maatregel voor iedere marktdeelnemer die geen verse room gebruikt en sluit hij uitstekend aan bij de doelstelling van de handeling, namelijk de afzet van de voorraden te vergemakkelijken en tegelijkertijd maatregelen te treffen tegen fraude. Om die reden, en anders dan in de situatie die tot het door verzoekster aangevoerde arrest van 18 mei 1994 (zaak C-309/89, Codorníu, Jurispr. 1994, blz. I-1853) heeft geleid, kan verzoekster zich niet beroepen op het bestaan van een eventueel subjectief recht waarop de Commissie inbreuk zou hebben gemaakt.
45 Op het argument van verzoekster, dat zij, anders dan haar concurrenten, niet de mogelijkheid heeft systematisch melk of room te betrekken, antwoordt de Commissie, dat verzoekster de door haar gestelde bijzondere situatie niet heeft aangetoond. Verweerster geeft toe, dat een onderneming die geen melk ophaalt, afhankelijk is van de per definitie fluctuerende marktsituatie, althans voor de hoeveelheden die zij niet binnen haar eigen groep kan betrekken. Een verstandige marktdeelnemer probeert zich evenwel tegen deze situatie in te dekken door middel van langetermijncontracten en diversifiëring van zijn bevoorradingsbronnen.
46 Verzoekster stelt op basis van de rechtspraak van het Hof en het Gerecht, dat een marktdeelnemer die onder een communautaire regeling valt, de gegrondheid van deze regeling kan betwisten wanneer zij geen rekening houdt met zijn specifieke situatie en ertoe leidt, dat hem een recht wordt ontnomen en schade wordt berokkend, vooral wanneer de betrokken marktdeelnemer in zijn rechtspositie wordt geraakt uit hoofde van een feitelijke situatie, welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem individualiseert op soortgelijke wijze als de geadresseerde (arrest Hof van 15 juli 1963, zaak 25/62, Plaumann, Jurispr. 1963, blz. 211, 232, en arrest Codorníu, reeds aangehaald, r.o. 20; beschikking Gerecht van 28 oktober 1993, zaak T-476/93, FRSEA en FNSEA, Jurispr. 1993, blz. II-1187, r.o. 20, en arrest Gerecht van 15 december 1994, zaak T-489/93, Unifruit Hellas, Jurispr. 1994, blz. II-1201, r.o. 21). Volgens verzoekster maakt zij deel uit van een "geïndividualiseerde besloten kring" van marktdeelnemers wier specifieke rechten worden geraakt (arresten Hof van 14 juli 1983, zaak 231/82, Spijker, Jurispr. 1983, blz. 2259, r.o. 8; 26 juni 1990, zaak C-152/88, Sofrimport, Jurispr. 1990, blz. I-2477, r.o. 10, en 16 mei 1991, zaak C-358/89, Extramet Industrie, Jurispr. 1991, blz. I-2501, r.o. 17; beschikking Gerecht van 20 oktober 1994, zaak T-99/94, Asocarne, Jurispr. 1994, blz. II-871, r.o. 20 en 21, en arrest Unifruit Hellas, reeds aangehaald, r.o. 23).
47 De omstreden verordening heeft het vereiste ingevoerd, dat, om voor steun in aanmerking te komen, de boter rechtstreeks en uitsluitend moet zijn vervaardigd uit room. Voordien werd dit vereiste in de communautaire regeling niet gesteld. Verzoekster wijst erop, dat artikel 1, tweede alinea, sub a, van verordening nr. 570/88 in de versie vóór de omstreden verordening bepaalde, dat de steun slechts kon worden verleend voor "boter die in de Lid-Staat van vervaardiging beantwoordt aan de omschrijving en aan de indeling vastgesteld in artikel 1, lid 3, onder b, van verordening (EEG) nr. 985/68 en waarvan de verpakking dienovereenkomstig is gemerkt", en dat het volgens de genoemde bepaling van verordening nr. 985/68, wat Belgische boter betreft, uitsluitend diende te gaan om boter die was ingedeeld als "boter met controlemerk".
48 De nieuwe voorwaarden voor steun voor het gebruik van boter bij de vervaardiging van banketbakkerswerk vormen in geen geval de bevestiging van een eerdere maatregel, aangezien sinds de invoering van de gemeenschappelijke marktordening voor melk en zuivelproducten, de regeling van interventie voor openbare opslag steeds heeft verschild van de regeling van communautaire steun voor het gebruik van boter in verschillende sectoren, met name bij de vervaardiging van banketbakkerswerk en andere voedingsmiddelen. De openbare opslag heeft tot doel, de kwaliteit van de boter te behouden door te zorgen voor zeer goede opslagvoorwaarden. De regelingen op het gebied van de afzet van boter hebben daarentegen tot doel, de afzet van boter te bevorderen en, voor boter die wordt gebruikt bij de vervaardiging van banketbakkerswerk, concurrentie met plantaardige oliën mogelijk te maken.
49 Het is niet zo, dat er in de communautaire regeling maar één definitie van boter bestaat, volgens welke deze uitsluitend en rechtstreeks uit room moet worden vervaardigd. De in de douanenomenclatuur voorkomende definitie van boter bestemd voor de uitvoer is bijvoorbeeld een andere dan die waarop de Commissie zich beroept. Derhalve dient de in casu toepasselijke definitie van boter te worden gezocht in het specifieke kader van de boter bestemd voor de vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen, dat wil zeggen in het kader van verordening nr. 570/88, die vóór de bij de omstreden verordening aangebrachte wijziging enkel verlangde, dat de boter in de Lid-Staat van vervaardiging beantwoordde aan de omschrijving en de indeling van artikel 1, lid 3, sub b, van verordening nr. 985/68.
50 De omstreden verordening heeft in de communautaire regeling een striktere definitie van boter ingevoerd dan die welke voorkomt in verordening (EG) nr. 2991/94 van de Raad van 5 december 1994 tot vaststelling van normen voor smeerbare vetprodukten (PB 1994, L 316, blz. 2; hierna: "verordening nr. 2991/94"), die hiërarchisch van hogere rang is en gerecombineerde boter onder de definitie van boter opnam. De gerecombineerde boter werd tijdens de onderhandelingen die tot de vaststelling van verordening nr. 2991/94 hebben geleid, gunstig onthaald. Alle afvaardigingen waren van mening, dat dit product een goede boter was en als zodanig moest worden aangemerkt. Om die reden is de Belgische expertiseregeling gewijzigd teneinde gerecombineerde boter als kwaliteitsboter te kunnen indelen.
51 Volgens verzoekster voldeed de door haar vervaardigde boter vóór de bij de omstreden verordening ingevoerde wijziging aan alle voorwaarden om voor de steun van artikel 1 van verordening nr. 570/88 in aanmerking te komen, aangezien de Belgische autoriteiten haar, volledig in overeenstemming met de Belgische en de communautaire wettelijke regeling, de indeling van artikel 1, lid 3, sub b, van verordening nr. 985/68, te weten de indeling als "melkerijboter, extra kwaliteit", hadden verleend. Bij gebreke van communautaire harmonisatie staat het enkel aan de betrokken Lid-Staat om de criteria en de methodes voor de indeling van boter vast te stellen.
52 Verzoekster erkent, dat gerecombineerde boter ook als tussenproduct in de zin van artikel 9 bis van verordening nr. 570/88 kan worden aangemerkt, doch herinnert eraan, dat volgens de communautaire regeling aan tussenproducten verklikstoffen moeten worden toegevoegd en dat zij verplicht is haar product "tussenproduct" te noemen. Haars inziens zou artikel 9 bis ook gerecombineerde boter waarin geen verklikstoffen zijn bijgemengd, en het gebruik van de benaming boter moeten toestaan, ofschoon het eenvoudiger en duidelijker zou zijn het product eenvoudigweg toe te staan in het kader van artikel 1 van die verordening. De bijmenging van verklikstoffen leidt altijd tot een kenmerkende smaak of kleur, waardoor het product door de klanten niet wordt gewaardeerd. Verzoekster heeft zowel door de bijmenging van verklikstoffen als door het gebruik van de benaming "tussenproduct" een aanzienlijk aantal grote fabrikanten als klant verloren. Dezen hebben zich sindsdien gewend tot concurrenten die boter volgens de klassieke techniek van karnen vervaardigen, of tot de fabrikanten van margarine. Ten slotte heeft de benaming "tussenproduct" negatieve gevolgen voor de uitvoer buiten de Gemeenschap van producten waarin verzoeksters product is opgenomen.
53 Verzoekster is van mening, dat zij door de bestreden maatregel rechtstreeks wordt geraakt, aangezien er geen enkele uitvoeringsmaatregel nodig is en de maatregel op 1 maart 1995 in werking is getreden.
54 Verder is zij van mening, dat de bestreden maatregel haar individueel raakt. Zij vertoont een aantal bijzondere kenmerken die haar karakteriseren ten opzichte van haar concurrenten. Zij is de enige onderneming in de Europese Unie die botervet verwerkt zonder op enige wijze met een "zuivelfabriek" te zijn verbonden. Dit heeft in het kader van het onderhavige beroep een belangrijk gevolg, namelijk de feitelijke onmogelijkheid om voldoende room te betrekken om de fabriek te laten draaien. Zij wijst erop, dat zij voor haar jaarlijkse productie drieëneenhalf miljard liter melk nodig heeft, een verbruik dat nagenoeg overeenkomt met de jaarlijkse Belgische melkproductie. Bovendien kan room moeilijk worden vervoerd en is hij slechts korte tijd houdbaar. Anders dan haar concurrenten in de Europese Unie, geniet zij niet het voordeel van het regelmatig ophalen van melk in de nabijheid van haar plaats van productie.
55 Verzoeksters werkzaamheid in Europa, die 75 % van haar totale jaarlijkse verkoop vertegenwoordigt, bestaat in de verkoop van het overschot van het in de Gemeenschap vervaardigd vet ten belope van 70 000 ton per jaar op een totale hoeveelheid van 450 000 ton per jaar voor de Gemeenschap. Doordat haar grondstof voor een groot deel uit interventieboter bestaat, levert zij dus een bijdrage aan de vermindering van de botervoorraad van de Gemeenschap en aan het reguleren van de markt, door de overschotten van de boterproductie over het gehele kalenderjaar te verdelen.
56 Verzoekster wijst nog op een andere bijzonderheid. Zij is de enige onderneming in de Europese Unie die nagenoeg uitsluitend en voornamelijk werkzaam is op het gebied van botervet, terwijl dit voor haar concurrenten een nevenactiviteit is. Zij is dan ook de enige onderneming in de Europese Unie die uiterst belangrijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling heeft gedaan, waardoor zij een geheim procédé van fractionering, recombinatie en standaardisatie van boter heeft kunnen ontwikkelen. Daarop heeft zij geïnvesteerd in de productielijnen om de boter te kunnen behandelen (waarbij voorzorgsmaatregelen moesten worden getroffen wegens de bacteriologische gevaren) en een volledig gestandaardiseerde "technische" boter van 82 % vet te kunnen produceren. Laatstgenoemd product wordt vervaardigd uit een mengsel dat voor 65 % uit boter van eerste kwaliteit en voor 35 % uit room bestaat. Volgens verzoekster is het niet mogelijk haar machines te laten werken met slechts één van deze twee bestanddelen. Bovendien is het niet mogelijk om uit room alleen een gestandaardiseerde boter te vervaardigen, daar de vastheid van room niet kan worden beheerst en varieert naar gelang van de seizoenen. Room kan overigens slechts korte tijd worden bewaard, terwijl het belang van een productie als die van verzoekster juist bestaat in het reguleren van de markt voor boter, die zowel qua hoeveelheid als qua kwaliteit seizoensgebonden variaties kent, daar waar het verbruik van de huishoudens lineair is. Deze regulering vereist echter perioden van opslag, hetgeen alleen mogelijk is voor boter en niet voor room.
57 De omstreden bepaling treft 30 % van verzoeksters productie. Door deze plotselinge wijziging verkeert zij in de onmogelijkheid om de investeringen in haar productielijnen af te schrijven, haar verplichtingen na te komen en het gebruik van haar botervoorraden te plannen.
58 De nieuwe boter concurreert met verschillende plantaardige oliën door haar prijs, wanneer zij communautaire steun geniet, en haar structuur, waardoor zij kan worden gebruikt in de automatische spuitlijnen die zijn opgezet voor het gebruik van margarine. Bovendien heeft de boter eigenschappen die door banketbakkers en consumptie-ijsfabrikanten bijzonder worden gewaardeerd. In de loop van de laatste twee jaren vóór de omstreden wijziging heeft verzoekster in die sector een belangrijke nieuwe klantenkring opgebouwd. Deze klanten zoeken boter als basisproduct en willen geen tussenproduct als omschreven in andere verordeningen.
59 Verzoekster merkt op, dat haar specifieke karakter in de botersector zowel de Belgische autoriteiten (waarvan drie vertegenwoordigers permanent toezicht houden op haar productie) als de communautaire autoriteiten bekend is. Vertegenwoordigers van de Commissie hebben herhaalde malen haar fabriek bezocht en de Rekenkamer heeft in 1988/1989 een rapport aan de betrokken sector gewijd. Zij heeft haar standpunt kenbaar gemaakt aan het Belgische Ministerie van Landbouw, dat dit punt heeft benadrukt tijdens werkvergaderingen en vergaderingen van het Comité van beheer, waarop de wijziging van de verordening door de Commissie is uiteengezet en met de nationale vertegenwoordigers is besproken. De Commissie had daarom rekening moeten houden met verzoeksters bijzondere positie.
60 Verzoekster concludeert hieruit, dat deze zeer specifieke feitelijke situatie haar, wat de omstreden bepaling betreft, karakteriseert ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer in dezelfde sector, en dat haar beroep derhalve ontvankelijk is, met name gelet op de recente rechtspraak van het Hof (arrest Codorníu, reeds aangehaald, r.o. 19), volgens welke, zelfs indien de omstreden bepaling, qua aard en draagwijdte, een normatief karakter heeft, waar zij van toepassing is op alle betrokken marktdeelnemers, het nochtans niet is uitgesloten, dat zij bepaalde marktdeelnemers individueel kan raken.
Beoordeling door het Gerecht
61 Om te beginnen moet de technische vraag van de omschrijving van verzoeksters product tegen de achtergrond van verordening nr. 570/88 worden onderzocht.
62 Volgens de door verzoekster gegeven omschrijving bestaat het omstreden product uit 82 % vet, 16 % water en 2 % van melk afkomstige droge stof. De gebruikte grondstoffen - 65 % boter en 35 % room - worden eerst geconcentreerd en het op die wijze verkregen onvermengde vet, dat wil zeggen het boterconcentraat, wordt nadien gefractioneerd en gerecombineerd teneinde BITA te verkrijgen. Verzoeksters product is dus een product met een botervetgehalte van ten minste 82 %, dat uitsluitend uit boterconcentraat wordt vervaardigd.
63 Deze omschrijving van het betrokken product komt precies overeen met de omschrijving van het begrip tussenproduct in artikel 9 bis van verordening nr. 570/88, dat bij verordening nr. 1813/93 is ingevoegd.
64 Verzoekster erkent overigens, dat BITA als een tussenproduct in de zin van dit artikel kan worden aangemerkt en dat daarvoor sinds 1989 en tot aan de indeling door de Belgische autoriteiten op 28 februari 1994 de steun werd ontvangen waarin de artikelen 9 en 9 bis van verordening nr. 570/88 ten behoeve van tussenproducten voorzien. Voorts heeft zij erkend, dat ook na de inwerkingtreding van de omstreden verordening voor het product nog steeds de in artikel 9 bis bedoelde steun wordt ontvangen.
65 Zij klaagt evenwel over het vereiste om verklikstoffen toe te voegen en over de verplichting om haar product "tussenproduct" te noemen.
66 Dienaangaande zij opgemerkt, dat de bijmenging van verklikstoffen, die tot doel heeft fraude te voorkomen, niet noodzakelijk is voor de bereiding van het product, maar een door artikel 9 bis van verordening nr. 570/88 gestelde voorwaarde is om het tussenproduct in aanmerking te laten komen voor de communautaire steun waarin die verordening voorziet. Het niet bijmengen van verklikstoffen wijzigt derhalve de aard van het product niet, maar leidt er eenvoudigweg toe, dat het niet in aanmerking komt voor de communautaire steun.
67 Het bij verordening nr. 1813/93 ingevoerde vereiste van bijmenging van verklikstoffen voor de in artikel 9 bis bedoelde producten, wordt bovendien door de omstreden verordening op geen enkele wijze geraakt. Verzoekster kan dit vereiste daarom niet betwisten in het kader van dit beroep.
68 Hetzelfde geldt voor de aanduiding "tussenproduct", die slechts één van de gevolgen is van het feit dat het in artikel 9 bis omschreven product één van de "in artikel 9 bedoelde tussenproducten" is, waarvoor de aanduiding "tussenproduct" door verordening nr. 570/88 sedert haar inwerkingtreding is voorgeschreven.
69 Vastgesteld moet worden, dat verzoeksters BITA-product een product als bedoeld in artikel 9 bis van verordening nr. 570/88 en niet een product als bedoeld in artikel 1 van verordening nr. 570/88 is. Daar de bestreden verordening enkel laatstgenoemd artikel heeft gewijzigd, heeft zij dus geen betrekking op het door verzoekster vervaardigde tussenproduct.
70 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door verzoeksters argument, dat de indeling door de Belgische autoriteiten tot gevolg heeft, dat haar product binnen de werkingssfeer van artikel 1 van verordening nr. 570/88 wordt geplaatst. Ter terechtzitting heeft verzoekster immers in antwoord op een vraag van het Gerecht erkend, dat de samenstelling van het product geenszins was veranderd, maar dat de Belgische indeling haar oorsprong vond in de wijziging van de Belgische expertiseregeling van boter en in de opvatting die naar boven was gekomen bij de besprekingen die hadden geleid tot de vaststelling van verordening nr. 2991/94, die een veel ruimere definitie van boter bevat dan verordening nr. 570/88. Dat een tussenproduct volgens de wettelijke regeling van een Lid-Staat als boter kan worden aangemerkt, kan evenwel niet leiden tot het opzijzetten van de voorwaarden die door artikel 9 bis, sub a, van verordening nr. 570/88 worden gesteld om een in die bepaling genoemd product in aanmerking te laten komen voor de steun waarin die verordening voorziet.
71 Bovendien volgt uit de bewoordingen van artikel 1 van verordening nr. 570/88, zowel in de versie vóór de omstreden verordening als in de versie voortvloeiend uit de omstreden verordening, dat de in artikel 9 bis, sub a, genoemde producten een uitzondering vormen op het algemene verbod om de in verordening nr. 570/88 bedoelde steun voor andere dan de in artikel 1, tweede alinea, genoemde producten te verlenen. De eerste overweging van de considerans van verordening nr. 2443/93, die de inleidende zin van laatstgenoemde bepaling wijzigt (zie r.o. 11 hierboven), preciseert dienaangaande, dat de invoeging van artikel 9 bis, sub a, in verordening nr. 570/88 ertoe strekt, het mogelijk te maken voor de in dat artikel bedoelde producten de in verordening nr. 570/88 bedoelde steun aan te vragen, "zelfs als die produkten niet onder artikel 1 vallen".
72 Volgens de bewoordingen van artikel 1 van verordening nr. 570/88 komt een in artikel 9 bis, sub a, bedoeld product, zoals dat van verzoekster, dus niet in aanmerking voor de steun waarin voor de in artikel 1 van deze verordening bedoelde producten is voorzien.
73 Ten overvloede zij erop gewezen dat, gelijk de Commissie terecht stelt, de in artikel 1, tweede alinea, sub a, van verordening nr. 570/88 aangebrachte wijziging, slechts een bevestiging vormt van de vroegere situatie met betrekking tot het vereiste, dat voor steun in aanmerking komende boter moet worden vervaardigd uit room.
74 Het in laatstgenoemd artikel bedoelde product was immers vóór de bij de bestreden verordening ingevoerde wijziging een boter die in de Lid-Staat van vervaardiging beantwoordde aan de omschrijving en de indeling vastgesteld in artikel 1, lid 3, sub b, van verordening nr. 985/68.
75 Ook al verwijst artikel 1, tweede alinea, sub a, van verordening nr. 570/88 dus enkel uitdrukkelijk naar artikel 1, lid 3, sub b, van verordening nr. 985/68, betreffende de indeling van boter, het eist eveneens, dat het product aan een bepaalde "omschrijving" beantwoordt.
76 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat artikel 1, lid 1, sub b, van verordening nr. 985/68 bepaalt:
"De interventiebureaus kopen slechts boter die:
(...)
b) voldoet aan de definitie en de indeling die voorkomen in lid 3, respectievelijk sub a) en b)."
77 Uit deze formulering kan worden afgeleid, dat de "definitie" van boter wordt gegeven in artikel 1, lid 3, sub a, van verordening nr. 985/68, terwijl de indeling wordt aangegeven in dezelfde bepaling, sub b.
78 In deze context moet worden aangenomen, dat, ofschoon artikel 1, tweede alinea, sub a, van verordening nr. 570/88 niet cumulatief verwijst naar artikel 1, lid 3, sub a en b, van verordening nr. 985/68, de "omschrijving" waarnaar artikel 1, tweede alinea, sub a, van verordening nr. 570/88 verwijst, die van artikel 1, lid 3, sub a, van verordening nr. 985/68 is.
79 Deze omschrijving verwijst naar de technische voorwaarden voor de vervaardiging en de samenstelling van boter. Met name wordt bepaald, dat de boter uit zure of zoete room moet zijn vervaardigd.
80 De term "boter" in artikel 1, tweede alinea, sub a, van verordening nr. 570/88 heeft derhalve een precieze inhoud wat betreft de technische kenmerken van de boter die voor de in dit artikel bedoelde steun in aanmerking komt, kenmerken waaraan verzoeksters product niet voldoet, aangezien het altijd uit 65 % boter en 35 % room is vervaardigd.
81 Verzoekster kan niet op goede gronden stellen, dat de ruimere definitie van boter in verordening nr. 2991/94 gerecombineerde boter omvat. Deze verordening behoort immers niet tot de interventiemaatregelen bedoeld om de afzet van de communautaire overschotten van boter te bevorderen. Zij heeft tot doel, de consument te beschermen en voor te lichten. Zij beoogt het de consument gemakkelijker te maken bij zijn keuze tussen producten die, wat het algemeen vetgehalte betreft, vergelijkbaar zijn, maar die, wat de plantaardige of dierlijke oorsprong van de gebruikte vetten betreft, verschillen (zevende overweging van de considerans van de verordening). Teneinde verwarring bij de consument te voorkomen, beperkt zij het gebruik van de benamingen "boter" en "margarine" tot bepaalde in de verordening omschreven categorieën producten. Ter terechtzitting heeft verzoekster overigens erkend, dat ook al is de definitie van boter in verordening nr. 2991/94 van toepassing op haar product, deze definitie eveneens tal van andere producten omvat die, ongeacht de bij de omstreden verordening ingevoerde wijziging, niet in aanmerking komen voor de steun van verordening nr. 570/88.
82 Deze verordening heeft derhalve niet betrekking op het door verzoekster vervaardigde product, dat altijd onder de in artikel 9 bis van verordening nr. 570/88 gegeven definitie van tussenproduct viel.
83 Onder deze omstandigheden kan verzoekster niet op goede gronden stellen dat zij door de omstreden verordening wordt geraakt, zodat zij er geen belang bij heeft, krachtens artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag een beroep tot nietigverklaring in te stellen.
84 Mitsdien moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat gevolg behoeft te worden gegeven aan verzoeksters vordering tot overlegging van stukken en zonder dat de andere argumenten van verzoekster en de Commissie behoeven te worden onderzocht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
85 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering dient de in het ongelijk gestelde partij in de kosten te worden verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld en de Commissie verwijzing van verzoekster in de kosten heeft gevorderd, moet verzoekster in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
2) Verwijst verzoekster in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy