Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Bezwarend besluit ° Motiveringsplicht ° Doel
(Ambtenarenstatuut, art. 25)
2. Ambtenaren ° Bezoldiging ° Gezinstoelagen ° Nationale toelagen ° Anticumulatieregel ° Stopzetting van wegens cumulatie verrichte minderingen ° Voorwaarden ° Ten onrechte verrichte minderingen ° Recht op vergoeding ° Omvang
(Ambtenarenstatuut, art. 67, lid 2; bijlage VII, art. 2)
Samenvatting
1. De verplichting om een besluit te motiveren heeft tot doel, de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid van het bestreden besluit te toetsen en de betrokkene de gegevens te verstrekken die deze nodig heeft om te kunnen uitmaken of het besluit gegrond is, dan wel of het is aangetast door een gebrek op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist.
Voldoet aan deze vereisten een besluit dat de administratie aan een ambtenaar richt bij een brief waarin melding wordt gemaakt van een "wijziging van de administratieve praktijk", zonder terugwerkende kracht, om de betaling van de krachtens artikel 67, lid 2, van het Statuut op diens bezoldiging in mindering gebrachte gezinstoelagen te beperken tot de periode vanaf de datum waarop de "nieuwe praktijk is ingevoerd".
2. Het staat aan de instellingen om met het oog op een eventuele toepassing van de anticumulatieregel van artikel 67, lid 2, van het Statuut zo snel mogelijk te bepalen, of de nationale gezinstoelagen waarvan de ambtenaren of andere personeelsleden uit hoofde van de in die bepaling vervatte verplichting opgave doen, van dezelfde aard zijn als die welke uit hoofde van de artikelen 1, 2 en 3 van bijlage VII bij het Statuut worden ontvangen.
De instellingen kunnen de krachtens de anticumulatieregel van artikel 67, lid 2, verrichte minderingen slechts stopzetten in twee gevallen: ten eerste in geval van een objectieve wijziging van de aard van de toelagen uit andere bron, met name ten gevolge van een wijziging van de wettelijke regeling uit hoofde waarvan zij worden betaald, en ten tweede ingeval de instelling bij de nakoming van de op haar rustende verplichting om te onderzoeken of het om het toelagen van dezelfde aard gaat, vaststelt, dat zij de door de betrokkene opgegeven nationale toelagen niet juist en volgens eenvormige objectieve criteria heeft gekwalificeerd en deze derhalve ten onrechte in mindering heeft gebracht. In dit tweede geval gaat het dwingend vereiste besluit om artikel 67, lid 2, van het Statuut niet meer toe te passen, in op het ogenblik van de eerste ten onrechte verrichte mindering.
Partijen
In zaak T-141/95,
K. Schelbeck, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Luxemburg, vertegenwoordigd door J.-N. Louis, T. Demaseure en V. Leclercq, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij de Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door M. Peter, afdelingshoofd bij de juridische dienst, en J. Pantalis, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 1 december 1994, vastgesteld na een besluit om artikel 67, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen niet meer toe te passen op sommige toelagen waarin de Deense wettelijke regeling voorziet, houdende weigering om verzoekster de bedragen te betalen die over de periode van 1 november 1987 tot en met 30 april 1993 krachtens die bepaling op haar bezoldiging in mindering waren gebracht,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Saggio, president, V. Tiili en R. M. Moura Ramos, rechters,
griffier: B. Pastor, hoofdadministrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 24 januari 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Feiten en rechtskader van het beroep
1 Verzoekster werd per 1 november 1987 bij overeenkomst van hulpfunctionaris aangeworven als vertaalster. Zij werd tewerkgesteld bij de Deense vertaalafdeling van het Europees Parlement.
2 Bij besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 3 maart 1988 werd zij per 1 januari 1988 aangesteld als ambtenaar op proef. Bij besluit van 10 oktober 1988 werd zij per 1 oktober 1988 in vaste dienst aangesteld in de rang LA 7, salaristrap 3.
3 Overeenkomstig artikel 67, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") deed zij opgave van de toelagen die zij uit hoofde van de Deense wet nr. 147 van 19 maart 1986 (hierna: "nationale wet") voor haar drie kinderen ontving.
4 Daarop bracht het Parlement die nationale toelagen per 1 november 1987 krachtens artikel 67, lid 2, van het Statuut in mindering op de gezinstoelagen die verzoekster uit hoofde van artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut ontving.
5 Op 17 maart 1994 zond verzoekster een nota aan de dienst "Statuut en personeelsbeheer" van het Parlement. Daarin wees zij erop, dat het Parlement sedert 1 november 1987 op haar bezoldiging de toelagen in mindering bracht die zij uit hoofde van de nationale wet ontving. Onder verwijzing naar een besluit van de bevoegde dienst over de aard van die toelagen verzocht zij het Parlement haar de "verkeerdelijk" in mindering gebrachte bedragen te betalen en haar mee te delen, binnen welke termijn dit zou gebeuren.
6 Uit een door de dienst "Statuut en personeelsbeheer" opgestelde afrekeningsnota van 14 maart 1994 blijkt, dat de toelagen die verzoekster uit hoofde van de nationale wet ontving, vanaf 1 maart 1994 niet meer in mindering zouden worden gebracht van de kindertoelage die zij uit hoofde van artikel 2, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut ontving. Verder blijkt uit een tweede afrekeningsnota van dezelfde dienst van 20 juli 1994, dat de bedragen die sedert 1 mei 1993 krachtens artikel 67, lid 2, van het Statuut op verzoeksters bezoldiging in mindering waren gebracht, aan verzoekster zouden worden betaald.
7 Samen met haar bezoldiging over de maand juni 1994 ontving verzoekster de bedragen die de administratie van het Parlement over de periode van 1 maart 1994 tot en met 31 mei 1994 in mindering was blijven brengen.
8 Op 24 augustus 1994 zond verzoekster een nota aan het hoofd van de personeelsafdeling. Zij verwees daarin naar de nota van 14 maart 1994, die haar naar eigen zeggen door de dienst "Statuut en personeelsbeheer" was meegedeeld en waaruit zij had vernomen, dat de door de Deense administratie betaalde toelagen niet meer op haar bezoldiging in mindering zouden worden gebracht. Zij wees erop, dat het Parlement die aftrek had verricht sedert haar aanstelling op 1 november 1987 en verzocht "derhalve om betaling van de ten onrechte in mindering gebrachte bedragen".
9 Samen met haar bezoldiging over de maand september 1994 ontving verzoekster de bedragen die over de periode van 1 mei 1993 tot en met 28 februari 1994 in mindering waren gebracht.
10 Omdat zij geen antwoord had gekregen op haar brief van 24 augustus 1994 zond verzoekster het hoofd van de personeelsafdeling op 18 november 1994 een nieuw verzoek om betaling. Daarin deelde zij mee, dat zij samen met haar bezoldiging over de maand september 1994 de bedragen had ontvangen die sedert 1 mei 1993 in mindering waren gebracht, en verzocht zij om betaling van de bedragen die over de periode van 1 november 1987 tot en met 30 april 1993 "ten onrechte in mindering waren gebracht".
11 Bij brief van 1 december 1994 liet de dienst "Statuut en personeelsbeheer" verzoekster weten, dat "wegens een wijziging in de praktijk" de anticumulatieregel van artikel 67, lid 2, van het Statuut sedert 1 mei 1993 niet meer werd toegepast op de toelagen die zij uit hoofde van de nationale wet ontving. In die brief werd verder gezegd, "dat aangezien de nieuwe praktijk is ingegaan op 1 mei 1993, de over de periode van 1 november 1987 tot en met 30 april 1993 in mindering gebrachte bedragen niet dienen te worden betaald".
12 Op 1 maart 1995 diende verzoekster tegen het in die brief vervatte besluit een klacht als bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Statuut in.
Procedure en conclusies van partijen
13 In die omstandigheden heeft verzoekster bij een op 5 juli 1995 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift krachtens artikel 91, lid 2, van het Statuut het onderhavige beroep ingesteld.
14 Na de instelling van het onderhavige beroep heeft de secretaris-generaal van het Parlement bij brief van 18 juli 1995 de door verzoekster op 1 maart 1995 ingediende klacht uitdrukkelijk afgewezen.
15 De schriftelijke procedure voor het Gerecht is op 17 oktober 1995 afgesloten met de indiening van de dupliek.
16 Het Gerecht heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Ter terechtzitting van 24 januari 1996 zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Hof.
17 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
° nietig te verklaren het besluit van het Europees Parlement van 1 december 1994 houdende weigering om haar de bedragen te betalen die over de periode van 1 november 1987 tot 30 april 1993 krachtens artikel 67, lid 2, van het Statuut op haar bezoldiging in mindering waren gebracht;
° voor zoveel nodig, nietig te verklaren het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van haar klacht van 1 maart 1995;
° het Parlement in de kosten te verwijzen.
18 Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:
° uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het beroep;
° het beroep ongegrond te verklaren en het verzoek om betaling van de bedragen die krachtens artikel 67, lid 2, van het Statuut op verzoeksters bezoldiging in mindering waren gebracht, bijgevolg af te wijzen;
° kosten rechtens.
De ontvankelijkheid
Summiere uiteenzetting van de argumenten van partijen
19 Zonder een formele exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, wijst het Parlement erop, dat het onderhavige beroep als tardief kan worden beschouwd. Verzoeksters nota van 17 maart 1994 kan als een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut worden aangemerkt en de brief van de administratie van 1 december 1994 als een bevestiging van de salarisafrekeningen over de maanden juni en september 1994, die de bezwarende besluiten in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut vormen.
20 Volgens het Parlement had verzoekster uiterlijk na ontvangst van haar salarisafrekening voor de maand september 1994 een klacht moeten indienen. Uit die salarisafrekening kon zij immers opmaken, dat de krachtens artikel 67, lid 2, van het Statuut in mindering gebrachte bedragen haar slechts voor de periode na 1 mei 1993 zouden worden betaald.
21 Verzoekster stelt allereerst, dat het besluit van het Parlement over de aard van de betrokken nationale toelagen, dat op een onbepaalde datum is vastgesteld en niet is gepubliceerd, niet als een voor haar bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut kan worden aangemerkt. Pas bij haar nota van 24 augustus 1994 heeft zij formeel om betaling van de sedert 1 november 1987 op haar bezoldiging in mindering gebrachte bedragen verzocht. Haar salarisafrekening voor de maand september 1994 bevatte geen enkele aanwijzing, dat het Parlement betaling van de over de periode van 1 november 1987 tot en met 30 april 1993 in mindering gebrachte bedragen weigerde.
22 Pas bij de ontvangst van de nota van 1 december 1994 heeft zij voor het eerst kennis kunnen nemen van het voor het Gerecht bestreden bezwarend besluit, te weten het besluit van het Parlement houdende weigering om haar de bedragen te betalen die over de periode van 1 november 1987 tot en met 30 april 1993 op haar bezoldiging in mindering waren gebracht. Aangezien zij tijdig krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht tegen dit besluit heeft ingediend, kan het Parlement de ontvankelijkheid van het beroep niet op goede gronden betwisten.
Beoordeling door het Gerecht
23 Het Gerecht merkt om te beginnen op, dat verzoekster met haar beroep opkomt tegen het besluit van het Parlement houdende weigering om haar de bedragen te betalen die over de periode van 1 november 1987 tot en met 30 april 1993 krachtens artikel 67, lid 2, van het Statuut op haar bezoldiging in mindering waren gebracht.
24 Om uit te maken of verzoeksters beroep ontvankelijk is, moet worden onderzocht, of verzoekster, zoals verweerder stelt, vóór de brief van het Parlement van 1 december 1994 kennis heeft kunnen nemen van dit voor haar bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut. Nagegaan moet derhalve worden, of die brief als een bevestigende handeling moet worden aangemerkt.
25 Dienaangaande moet allereerst worden vastgesteld, dat verzoekster in haar aan het Parlement gerichte brief van 17 maart 1994 onder verwijzing naar een nieuw besluit over de aard van de toelagen die zij uit hoofde van de nationale wet ontving, om betaling heeft verzocht van alle bedragen die sedert haar indiensttreding bij het Parlement op 1 november 1987 krachtens artikel 67, lid 2, van het Statuut op haar bezoldiging in mindering waren gebracht.
26 Verder stelt het Gerecht vast, dat verzoekster samen met haar bezoldiging over de maand juni 1994 een deel van de krachtens artikel 67, lid 2, van het Statuut in mindering gebrachte bedragen heeft ontvangen. Anders dan het Parlement stelt, kan deze gedeeltelijke betaling evenwel in redelijkheid niet worden uitgelegd als een weigering van het Parlement om verzoekster de rest van de uit dien hoofde in mindering gebrachte bedragen te betalen.
27 Hetzelfde geldt voor de na verzoeksters brief van 24 augustus 1994 samen met haar bezoldiging over de maand september 1994 verrichte betaling. De betaling ° op grond van een besluit om artikel 67, lid 2, van het Statuut niet meer op de betrokken nationale toelagen toe te passen ° van de bedragen die over de periode van 1 mei 1993 tot en met 28 februari 1994 op haar bezoldiging in mindering waren gebracht, staat immers geenszins gelijk met een besluit houdende weigering van betaling van de over de periode van 1 november 1987 tot en met 30 april 1993 krachtens die bepaling in mindering gebrachte bedragen.
28 Ten slotte zij opgemerkt, dat de omstandigheid dat verzoekster op het ogenblik van de in september 1994 verrichte betaling de afrekeningsnota' s van 14 maart en 20 juli 1994 kende, bovengenoemde vaststellingen geenszins in geding brengt. Deze nota' s bevatten immers geen enkel objectief gegeven dat kan worden uitgelegd als een weigering van het Parlement om verzoekster de over de periode van 1 november 1987 tot en met 30 april 1993 op haar bezoldiging in mindering gebrachte bedragen te betalen.
29 Uit een en ander volgt, dat het in de brief van het Parlement van 1 december 1994 vervatte besluit als een bezwarend besluit in de zin van artikel 91, lid 1, van het Statuut en niet als een bevestigende handeling moet worden aangemerkt. In die omstandigheden moet het daartegen ingestelde beroep ontvankelijk worden verklaard.
Ten gronde
30 Tot staving van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan, te weten ontbreken van motivering en schending van artikel 67, lid 2, van het Statuut juncto artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut.
Het middel inzake ontbreken van motivering
Summiere uiteenzetting van de argumenten van partijen
31 Volgens verzoekster bevat het omstreden besluit geen enkele motivering, daar het Parlement, anders dan door vaste rechtspraak wordt geëist, de gronden waarop het besluit is gebaseerd en waarvan kennis absoluut noodzakelijk is om rechterlijke controle mogelijk te maken, niet aangeeft. Het Parlement geeft met name niet aan, waarom het heeft besloten de betaling van de krachtens artikel 67, lid 2, van het Statuut in mindering gebrachte bedragen te beperken tot de periode na 1 mei 1993.
32 Het Parlement betoogt, dat het betrokken middel in de administratieve klacht niet is opgeworpen en derhalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het is evenwel van mening, dat de in de brief van 1 december 1994 voorkomende verwijzing naar een nieuwe administratieve praktijk, te weten het niet meer toepassen van de anticumulatieregel op de betrokken nationale toelagen, in elk geval een aannemelijk en passend antwoord geeft dat rechtstreeks verband houdt met het bepalen van de datum van inwerkingtreding van het omstreden besluit, te weten 1 mei 1993.
Beoordeling door het Gerecht
33 Het Gerecht herinnert er om te beginnen aan, dat volgens vaste rechtspraak de verplichting om een besluit te motiveren, tot doel heeft de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid van het bestreden besluit te toetsen en de betrokkene de gegevens te verstrekken die deze nodig heeft om te kunnen uitmaken of het besluit gegrond is, dan wel of het is aangetast door een gebrek op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist (zie arrest Gerecht van 27 oktober 1994, zaak T-508/93, Mancini, JurAmbt. 1994, blz. II-761, r.o. 36).
34 Vervolgens stelt het Gerecht vast, dat het Parlement zich blijkens de brief van 1 december 1994 op het begrip "wijziging van de administratieve praktijk" zonder terugwerkende kracht heeft gebaseerd om de betaling van de krachtens artikel 67, lid 2, van het Statuut in mindering gebrachte bedragen te beperken tot de periode vanaf de datum waarop de "nieuwe praktijk is ingevoerd", te weten 1 mei 1993.
35 Hieruit volgt, dat het omstreden besluit voldoende gegevens verstrekt om de betrokkene in staat te stellen de gegrondheid ervan te betwisten, hetgeen deze trouwens heeft gedaan, en om de gemeenschapsrechter in staat te stellen zijn controle te verrichten. Het middel inzake ontbreken van motivering moet derhalve worden afgewezen.
Het middel inzake schending van artikel 67, lid 2, van het Statuut juncto artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut
Summiere uiteenzetting van de argumenten van partijen
36 Verzoekster betoogt, zakelijk weergegeven, dat artikel 67, lid 2, van het Statuut slechts aftrek toestaat indien de instelling aantoont dat de uit andere bron ontvangen toelagen van dezelfde aard zijn als de gezinstoelagen waarop de ambtenaar recht heeft volgens afdeling 1 van bijlage VII bij het Statuut. In het onderhavige geval kan het feit dat het Parlement heeft besloten de anticumulatieregel niet meer toe te passen op toelagen als die welke verzoekster uit hoofde van de Deense wet ontving, enkel betekenen, dat het Parlement formeel erkent, dat het zich heeft vergist omtrent de aard van die toelagen. In die omstandigheden is het Parlement gehouden verzoekster alle bedragen die het sedert 1 november 1987 krachtens artikel 67, lid 2, van het Statuut in mindering had gebracht, te betalen, vermeerderd met interest op de voet van 8 % per jaar.
37 Het Parlement wijst er om te beginnen op, dat het Statuut nergens uitdrukkelijk bepaalt, dat artikel 67, lid 2, van het Statuut niet van toepassing is op de toelagen die krachtens de Deense wet worden betaald. Verder beschikken de instellingen over een ruime beoordelingsvrijheid ter zake van het bepalen van de aard van de krachtens een nationale wettelijke regeling betaalde toelagen. Bovendien vormt zijn eerdere "administratieve praktijk" met betrekking tot artikel 67, lid 2, van het Statuut geen handeling die vatbaar is voor intrekking ex tunc en vloeit zijn nieuwe praktijk niet voort uit een individueel besluit dat subjectieve rechten in het leven kan roepen, maar uit een besluit dat van toepassing is op de abstracte categorie van Deense ambtenaren met een of meer ten laste komende kinderen. Ten slotte heeft het Parlement zich uitsluitend op de opgaven van verzoekster gebaseerd en heeft deze laatste de eerdere praktijk nooit betwist.
Beoordeling door het Gerecht
38 Het Gerecht herinnert eraan, dat volgens artikel 67, lid 2, van het Statuut "de ambtenaar die de in dit artikel bedoelde gezinstoelagen geniet, verplicht is opgave te doen van soortgelijke toelagen uit andere bron; deze komen in mindering op die welke uit hoofde van de artikelen 1, 2 en 3 van bijlage VII worden betaald".
39 Deze bepaling moet aldus worden uitgelegd, dat het aan de instellingen staat te bepalen of de toelagen waarvan de ambtenaren of andere personeelsleden uit hoofde van de in die bepaling vervatte verplichting opgave doen, van dezelfde aard zijn als de gezinstoelagen die uit hoofde van de artikelen 1, 2 en 3 van bijlage VII bij het Statuut worden ontvangen. Hieruit volgt, dat het feit dat een ambtenaar krachtens artikel 67, lid 2, van het Statuut opgave doet van toelagen, de betrokken instelling geenszins ontslaat van de verplichting zo spoedig mogelijk te onderzoeken, of deze toelagen voor de toepassing van de betrokken anticumulatieregel "soortgelijke toelagen uit andere bron" vormen.
40 Artikel 67, lid 2, van het Statuut staat de instellingen overigens slechts in twee gevallen toe de toepassing van de daarin vervatte anticumulatieregel stop te zetten: ten eerste in geval van een objectieve wijziging van de aard van de toelagen uit andere bron, met name ten gevolge van een wijziging van de nationale wettelijke regeling uit hoofde waarvan zij worden betaald, en ten tweede ingeval de instelling bij de nakoming van de krachtens die bepaling op haar rustende verplichting (zie rechtsoverweging 39) vaststelt, dat zij de door de betrokkene opgegeven nationale toelagen niet juist en volgens op eenvormige wijze toe te passen objectieve criteria heeft gekwalificeerd en deze derhalve ten onrechte in mindering heeft gebracht. In dat geval gaat het vereiste besluit om artikel 67, lid 2, van het Statuut niet meer toe te passen, in op het ogenblik van de eerste ten onrechte verrichte aftrek.
41 In die omstandigheden moet worden vastgesteld, dat het Parlement, na in het onderhavige geval te hebben besloten artikel 67, lid 2, van het Statuut niet meer op de betrokken nationale toelagen toe te passen omdat deze niet van dezelfde aard waren als de uit hoofde van artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut ontvangen toelagen, ten onrechte heeft geweigerd verzoekster de bedragen te betalen die het over de periode van 1 november 1987 tot en met 30 april 1993 krachtens die bepaling op haar bezoldiging in mindering had gebracht.
42 Dit middel moet derhalve worden aanvaard.
43 Mitsdien is het beroep gegrond.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
44 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Parlement in het ongelijk is gesteld en verzoekster heeft gevorderd het Parlement in de kosten te verwijzen, dient het in alle kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig het besluit van het Europees Parlement van 1 december 1994 houdende weigering om verzoekster de bedragen te betalen die over de periode van 1 november 1987 tot 30 april 1993 krachtens artikel 67, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen op haar bezoldiging in mindering waren gebracht.
2) Verstaat dat het Europees Parlement zijn eigen kosten zal dragen alsmede de kosten van verzoekster.
Full & Egal Universal Law Academy