Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Procedure ° Inleidend verzoekschrift ° Vormvereisten ° Identificatie van voorwerp van geschil
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c)
2. Beroep tot nietigverklaring ° Natuurlijke of rechtspersonen ° Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken ° Oproep tot kandidaatstelling met oog op benoeming van ombudsman
(EG-Verdrag, art. 173, eerste en vierde alinea)
Samenvatting
1. Volgens artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dient een verzoekschrift het voorwerp van het geschil aan te geven, hetgeen inhoudt dat dit voorwerp voldoende duidelijk wordt omschreven om verweerder in staat te stellen daartegen nuttig verweer te voeren en om het Gerecht in staat te stellen het voorwerp van verzoekers vorderingen te begrijpen. Moet derhalve wegens onvoldoende duidelijke omschrijving niet-ontvankelijk worden verklaard een vordering tot nietigverklaring van alle in de procedure tot benoeming van de Europese ombudsman gestelde handelingen, wanneer uit het verzoekschrift niet kan worden opgemaakt om welke handelingen het gaat.
2. Artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag stelt de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring dat een natuurlijke persoon tegen een niet tot hem gerichte beschikking instelt, afhankelijk van de voorwaarde, dat de bestreden beschikking hem rechtstreeks en individueel raakt. Dienaangaande kan een verzoeker slechts dan op goede gronden stellen individueel te zijn geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, indien de bestreden beschikking hem raakt uit hoofde van bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem daardoor individualiseert op soortgelijke wijze als de geadresseerde.
Moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard een beroep tot nietigverklaring van een oproep tot kandidaatstelling met het oog op de benoeming van de Europese ombudsman, welke oproep naar zijn aard tot een onbepaald aantal personen is gericht, zonder dat behoeft te worden nagegaan, of het daarbij gaat om een handeling van het Parlement die ten aanzien van derden rechtsgevolgen beoogt te sorteren in de zin van artikel 173, eerste alinea.
Partijen
In zaak T-146/95,
G. Bernardi, wonende te Luxemburg, vertegenwoordigd door G. Lattanzi, advocaat te Massa-Carrara, en tijdens de mondelinge behandeling door S. Vormann, advocaat te Trier, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij verzoeker, Rue Godchaux 33,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door E. Perillo en C. Pennera, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van de op 23 mei 1995 gepubliceerde "Oproep tot kandidaatstelling met het oog op de benoeming van de Europese ombudsman" (PB 1995, C 127, blz. 4) en van alle daarmee samenhangende en daaruit voortvloeiende handelingen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. P. Briët, kamerpresident, B. Vesterdorf en A. Potocki, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 11 juni 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De aan het geschil ten grondslag liggende feiten
1 Bij artikel 138 E EG-Verdrag, dat is ingevoegd bij artikel G, punt 41, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, is het ambt van Europees ombudsman gecreëerd. Dit artikel bepaalt, dat het Parlement de ombudsman benoemt.
2 Daar een in juli 1994 verrichte eerste oproep tot kandidaatstelling geen resultaat had opgeleverd, deed het Parlement een nieuwe oproep.
3 Daartoe wijzigde het Parlement tijdens zijn plenaire vergadering van 16 mei 1995 artikel 159 van zijn reglement.
4 Sedertdien bepaalt dit artikel:
"1. (...) roept de voorzitter [van het Parlement] op tot kandidaatstelling met het oog op de benoeming van de ombudsman en stelt hij hiervoor de termijn vast. Deze oproep wordt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen gepubliceerd.
2. De kandidaten moeten worden gesteund door ten minste negenentwintig leden uit ten minste twee Lid-Staten.
Ieder lid mag slechts één kandidaat steunen.
De kandidaatstellingen dienen alle bewijsstukken te bevatten op grond waarvan met zekerheid kan worden vastgesteld dat de kandidaat voldoet aan de voorwaarden als gesteld in het Statuut van de ombudsman.
3. De kandidaatstellingen worden aan de bevoegde commissie toegezonden die kan verzoeken de betrokkenen te horen.
(...)"
5 Op 23 mei 1995 publiceerde het Parlement een "Oproep tot kandidaatstelling met het oog op de benoeming van de Europese ombudsman" (PB 1995, C 127, blz. 4; hierna: "oproep" of "oproep tot kandidaatstelling"). Het enig artikel van deze oproep nam de bepalingen van artikel 159, lid 2, van genoemd reglement over. In lid 3 van het enig artikel werden de kandidaten verzocht hun kandidaatstelling vóór 16 juni 1995 te richten tot de voorzitter van het Europees Parlement.
6 Op 9 juni 1995 stuurde verzoeker de voorzitter van het Parlement een brief waarbij hij een schriftelijke kandidaatstelling voor de benoeming tot Europees ombudsman voegde. Bij die gelegenheid maakte verzoeker twee reeksen bezwaren tegen de voorwaarde, dat een kandidaat door negenentwintig leden moet worden gesteund. Allereerst formuleerde hij een aantal formele bezwaren, betreffende de onduidelijkheid van de wijze waarop die steun moet worden verleend, de hoedanigheid van de leden wier steun moet worden verkregen (leden van het Europees Parlement of van de nationale parlementen) en de datum waarop die steun moest zijn verleend. Vervolgens formuleerde hij een aantal bezwaren ten gronde: ondersteuning door negenentwintig leden zou afbreuk doen aan de onafhankelijkheid van de ombudsman, onafhankelijkheid die nochtans in artikel 138 E van het Verdrag wordt voorgeschreven. In die omstandigheden verklaarde verzoeker, dat in zijn kandidaatstelling geen melding werd gemaakt van de namen van negenentwintig leden die hun zouden steunen. Om aan dit vereiste te voldoen, verzocht hij de voorzitter van het Parlement om, indien hij het nuttig achtte, zijn kandidaatstelling, na vertaling in alle officiële talen van de Unie, met spoed te laten meedelen aan de verschillende leden en fracties van het Parlement.
7 Bij fax van 15 juni 1995 deelde de secretaris-generaal van het Parlement verzoeker mee, dat de griffie zijn kandidaatstelling had ingeschreven, maar "niet het recht had zich met de procedure in te laten de kandidaatstellingen aan de leden mee te delen om hun eventuele steun in de zin van artikel 159, lid 2, van het reglement te vragen".
8 Op 15 juni 1995 stuurde verzoeker zijn kandidaatstelling samen met een begeleidende brief per fax aan de fractievoorzitters van het Parlement en per post aan de uit de nieuwe Lid-Staten van de Unie afkomstige leden van het Europees Parlement.
9 Op 23 juni 1995 stuurde verzoeker de voorzitter van het Parlement een met de hand geschreven brief, waarin hij om antwoord op zijn brief van 9 juni 1995 verzocht. Zijns inziens bood alleen een verspreiding van zijn kandidaatstelling de mogelijkheid aan de voorwaarde van ondersteuning door negenentwintig leden te voldoen zonder de onafhankelijkheid van de ombudsman op te offeren. Met een beroep op die onafhankelijkheid betwistte hij overigens de kandidaatstelling van politici.
10 Bij brief van 4 juli 1995 bevestigde de secretaris-generaal van het Parlement zijn antwoord van 15 juni 1995.
Procedure
11 Bij een op 2 juli 1995 ter griffie van het Hof neergelegde akte stelde verzoeker het onderhavige beroep krachtens artikel 173 EG-Verdrag in. De zaak werd ingeschreven onder het nummer C-228/95.
12 Bij een op dezelfde dag ter griffie neergelegde akte verzocht verzoeker krachtens artikel 186 van het Verdrag en artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof in kort geding om voorlopige maatregelen. Dit verzoek werd ingeschreven onder het nummer C-228/95 R.
13 Bij beschikking van 11 juli 1995 stelde het Hof vast, dat de beroepen onder de bevoegdheid van het Gerecht vielen, en verwees het de twee zaken krachtens artikel 47 van 's Hofs Statuut-EG naar die rechterlijke instantie. Op 13 juli 1995 werden de zaken ter griffie van het Gerecht ingeschreven onder de nummers T-146/95 en T-146/95 R.
14 Bij beschikking van 18 augustus 1995 (Jurispr. 1995, blz. II-2255) wees de president van het Gerecht het verzoek in kort geding af.
15 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten, zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
16 Ter terechtzitting van 11 juni 1996 zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht.
Conclusies van partijen
17 In zijn beroepschrift concludeert verzoeker dat het het Gerecht behage:
"het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
vast te stellen:
° dat geen enkele parlementaire commissie uitdrukkelijk en formeel 'bevoegd' is verklaard voor de toepassing van artikel 159 [van het reglement van het Europees Parlement],
° dat geen enkele ambtenaar en geen enkel lid uitdrukkelijk en formeel is belast met het onderzoek van de kandidaatstellingen,
° dat er geen enkele termijn is vastgesteld om op te komen tegen de besluiten betreffende het aanvaarden of niet-aanvaarden van de kandidaatstellingen,
° dat de voorwaarde van onafhankelijkheid van de ombudsman in beginsel onverenigbaar is met de hoedanigheid van politicus, die lid is van en actie voert voor een politieke partij, onderworpen is aan de partijdiscipline en gebonden is aan de verschillende politieke verbintenissen,
° dat de controletaak van de ombudsman een aanvulling vormt van de politieke controle die wordt uitgeoefend door het EP [Europees Parlement] (en diens commissie Verzoekschriften);
nietig te verklaren de op 23 mei 1995 gepubliceerde 'oproep tot kandidaatstelling met het oog op de benoeming van de Europese ombudsman' (PB 1995, C 127, blz. 4), alsmede alle daarmee samenhangende en daaruit voortvloeiende handelingen, met name:
° besluit nr. 019473 van de secretaris-generaal van 15 juni 1995, inzonderheid voor zover daarbij wordt geweigerd verzoekers kandidaatstelling aan de leden van het EP mee te delen (...);
° de schriftelijke of mondelinge handelingen betreffende de aanvaarding van de kandidaatstellingen van de ° vooral politieke ° belangstellenden,
° de uit de hoorzitting [van] 28-29 juni 1995 voortvloeiende administratieve handelingen;
tegelijkertijd vast te stellen, dat het Europees Parlement verzoekers kandidaatstelling daadwerkelijk heeft ontvangen, maar dat hem geen duidelijk, schriftelijk en te zijnen aanzien met redenen omkleed besluit ter kennis is gebracht; dat hem derhalve niet de mogelijkheid is geboden, vast te stellen of zijn uitsluiting onregelmatig was, en in voorkomend geval daartegen op te komen;
in ieder geval en gelet op de hoogdringendheid:
° de administratieve procedure voor de benoeming van de Europese ombudsman, die voorafgaat aan de voor 12 juli 1995 geplande stemming te Straatsburg, te schorsen,
° te verklaren, dat verzoeker er recht op heeft dat zijn kandidaatstelling en de daarop betrekking hebbende bewijsstukken, daaronder begrepen de kopie van het beroep in de hoofdzaak en van het verzoek in kort geding, ter kennis worden gebracht van alle leden van het Parlement, zo niet
° [te verklaren] dat verzoeker het recht heeft te worden gehoord vóór (zo niet tijdens) de stemming van het EP, die voor 12 juli 1995 te Straatsburg is gepland;
de termijnen van de 'oproep tot kandidaatstelling met het oog op de benoeming van de Europese ombudsman' te heropenen in afwachting dat de kandidaatstellingen van verzoeker (en van de andere kandidaten) alsmede de andere daarop betrekking hebbende stukken, na behoorlijke vertaling in de voornaamste zo niet in alle officiële talen, volledig ter kennis zijn gebracht van de verschillende leden van het EP;
de nakoming van alle rechtsplichten te gelasten;
met spoed te verklaren, dat verzoeker het recht heeft een kopie van het beroep in de hoofdzaak, van het verzoek in kort geding alsmede van de vandaag gevraagde beschikking in kort geding, na vertaling in de elf officiële talen, door het EP ° en op kosten van het EP ° te doen toezenden aan de 626 leden (voorkomend op de ledenlijst van het EP van maart 1995 zo niet op recenter bijgewerkte ledenlijst van het EP) van de vijftien landen van de EU [Europese Unie];
de wederpartij in de kosten te verwijzen;
uitdrukkelijk voorbehoud te verlenen voor alle andere rechten, middelen en acties".
18 In repliek concludeert verzoeker dat het het Gerecht behage:
"vast te stellen dat verzoeker het slachtoffer is geworden van een 'rechtsweigering' door het feit dat genoemd artikel 36 van [' s Hofs] Statuut[-EG] niet is toegepast;
vast te stellen dat het verzoek in kort geding van 26 juni 1995 (herhaald in de namiddag van 26 juni alsmede op 28 juni en 2 juli 1995) uiteindelijk slechts (ten dele) in aanmerking is genomen op 11 juli 1995 door de verwijzingsbeschikking en op 18 augustus 1995 door de afwijzende beschikking;
vast te stellen dat daardoor het zogenoemde beginsel van de 'redelijke termijn' is geschonden, met name in het onderhavige geval van hoogdringendheid;
de algemene schending vast te stellen van het fundamentele recht van verweer, dat het onderwerp is van de artikelen 6, 13 en 14 van het Verdrag van Straatsburg;
te verklaren dat het beroep ontvankelijk is naar de vorm en gerechtvaardigd wat de grond van de zaak betreft;
de reeds geformuleerde conclusies toe te wijzen;
voorbehoud te verlenen voor alle andere rechten, middelen en acties".
19 Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
° subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;
° kosten rechtens.
De ontvankelijkheid
20 Het Parlement betoogt, dat de vorderingen tot nietigverklaring niet-ontvankelijk zijn, omdat verzoeker geen procesbelang heeft daar de bestreden handelingen hem niet rechtstreeks en individueel raken in de zin van artikel 173 van het Verdrag. Het laat het aan het Gerecht over de ontvankelijkheid van de andere vorderingen ambtshalve te onderzoeken.
21 Verzoeker is van mening, dat hij als burger van de Unie en onafhankelijke kandidaat een rechtstreeks en onmiddellijk belang heeft.
22 Het Gerecht herinnert eraan, dat aangezien het gaat om een middel van niet-ontvankelijkheid dat van openbare orde is, het krachtens artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering alle aspecten van de ontvankelijkheid van het beroep ambtshalve in behandeling kan nemen.
23 In het onderhavige geval verklaart het Gerecht allereerst, dat in het kader van een beroep tot nietigverklaring vorderingen die enkel strekken tot vaststelling van feitelijke of juridische aspecten, op zichzelf geen geldige vorderingen kunnen vormen.
24 Alle vorderingen van deze aard moeten derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
25 Ten tweede is verzoeker volgens artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering verplicht, in zijn beroepschrift het voorwerp van het geschil aan te geven. Dit houdt in, dat het voorwerp van geschil voldoende duidelijk moet worden omschreven om verweerder in staat te stellen daartegen nuttig verweer te voeren en om het Gerecht in staat te stellen het voorwerp van verzoekers vorderingen te begrijpen.
26 Het Gerecht is van oordeel, dat niet voldoende nauwkeurig is geformuleerd de vordering tot nietigverklaring van "alle daarmee samenhangende en daaruit voortvloeiende handelingen", en met name van de "schriftelijke of mondelinge handelingen betreffende de aanvaarding van de kandidaatstellingen van de ° vooral politieke ° belangstellenden" en de "uit de hoorzitting [van] 28-29 juni 1995 voortvloeiende administratieve handelingen", welke overigens ook niet duidelijk wordt uit de inhoud van het beroepschrift (zie beschikking Gerecht van 29 november 1993, zaak T-56/92, Koelman, Jurispr. 1993, blz. II-1267, r.o. 19).
27 Is evenmin voldoende nauwkeurig de vordering die ertoe strekt "de nakoming van alle rechtsplichten te gelasten". Bovendien moet eraan worden herinnerd, dat indien deze vordering dient te worden uitgelegd als een vordering om een bevel te geven aan het Parlement, het Gerecht in het kader van een beroep krachtens artikel 173 van het Verdrag niet bevoegd is, bevelen te geven aan de instellingen (arrest Koelman, reeds aangehaald, r.o. 18).
28 Al deze conclusies moeten derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
29 Ten derde herinnert het Gerecht eraan, dat volgens artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering een verzoek om voorlopige maatregelen bij afzonderlijke akte moet worden gedaan.
30 Bijgevolg moeten de in het beroepschrift geformuleerde verzoeken om voorlopige maatregelen niet-ontvankelijk worden verklaard (arrest Gerecht van 22 mei 1996, zaak T-140/94, Gutiérrez de Quijano Y Llorens, JurAmbt. 1996, blz. II-689, r.o. 32). Verder stelt het Gerecht vast, dat verzoeker bij afzonderlijke akte van 2 juli 1995 identieke vorderingen heeft geformuleerd en dat deze zijn afgewezen bij de reeds aangehaalde beschikking van de president van het Gerecht van 18 augustus 1995, zodat hoe dan ook niet behoeft te worden beslist op de in het beroepschrift vervatte verzoeken om voorlopige maatregelen.
31 Ten vierde herinnert het Gerecht eraan, dat uit artikel 19 van 's Hof Statuut-EG en artikel 44 van het Reglement voor de procesvoering volgt, dat door een verzoeker in repliek geformeerde nieuwe vorderingen niet-ontvankelijk zijn (arrest Gerecht van 26 oktober 1993, zaak T-22/92, Weissenfels, Jurispr. 1993, blz. II-1095, r.o. 27).
32 In het onderhavige geval houden de in repliek geformuleerde vorderingen, met uitzondering van de vorderingen om het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en van de vorderingen die naar de conclusies van het beroepschrift verwijzen, geen enkel verband met de in het beroepschrift geformuleerde vorderingen. Zij moeten derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
33 Ten vijfde herinnert het Gerecht er met betrekking tot de vordering tot nietigverklaring van de "oproep tot kandidaatstelling" aan, dat artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring dat een natuurlijke persoon tegen een niet tot hem gerichte beschikking instelt, afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat de bestreden beschikking hem rechtstreeks en individueel raakt. Volgens vaste rechtspraak kan een verzoeker slechts stellen individueel te zijn geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag, indien de bestreden beschikking hem raakt uit hoofde van bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de geadresseerde (arrest Hof van 15 juli 1963, zaak 25/62, Plaumann, Jurispr. 1963, blz. 205, 232).
34 In het onderhavige geval volstaat de vaststelling, dat de bestreden handeling een oproep tot kandidaatstelling is en derhalve naar haar aard tot een onbepaald aantal personen is gericht. Verzoeker wordt dus slechts geraakt zoals iedere potentiële kandidaat. Bijgevolg dient de vordering tot nietigverklaring van de oproep tot kandidaatstelling niet-ontvankelijk te worden verklaard zonder dat behoeft te worden nagegaan, of het daarbij gaat om een handeling van het Parlement die ten aanzien van derden rechtsgevolgen beoogt te sorteren in de zin van artikel 173, eerste alinea, van het Verdrag.
Ten gronde
35 Om te beginnen stelt het Gerecht vast dat, gelet op hetgeen hierboven (r.o. 22-34) is uiteengezet, naast de vordering betreffende de kosten van geding, alleen de vordering tot nietigverklaring van de door de secretaris-generaal van het Parlement op 15 juni 1995 aan verzoeker gerichte brief (zie hierboven r.o. 7) ontvankelijk is.
36 Voor zover het valt te begrijpen bevat verzoekers beroep één enkel middel tot staving van zijn vordering tot nietigverklaring van dat besluit, te weten schending van het non-discriminatiebeginsel doordat verzoeker niet in staat is gesteld zich daadwerkelijk kandidaat te stellen voor benoeming tot Europees ombudsman.
37 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak het non-discriminatiebeginsel verlangt, dat vergelijkbare situaties niet zonder objectieve rechtvaardiging op verschillende wijze worden behandeld (arrest Gerecht van 24 april 1996, gevoegde zaken T-551/93, T-231/94, T-232/94, T-233/94 en T-234/94, Industrias Pesqueras Campos e.a., Jurispr. 1996, blz. II-247, r.o. 164).
38 In het onderhavige geval heeft verzoeker geen enkel element aangedragen waaruit blijkt, dat andere kandidaten verschillend zijn behandeld. Hij heeft met name niet aangetoond, dat de griffie van het Parlement een op dezelfde wijze ingediende kandidaatstelling van een ander persoon wel heeft willen verspreiden.
39 Mitsdien moet het enige middel worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
40 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Parlement dit heeft gevorderd, dient verzoeker in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart het beroep ongegrond voor zover het strekt tot nietigverklaring van de brief van de secretaris-generaal van het Parlement van 15 juni 1995.
2) Verklaart het beroep voor overige niet-ontvankelijk.
3) Verwijst verzoeker in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy