Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Ruwe tabak - Afzet van voorraden in bezit van interventiebureaus - Beoordelingsvrijheid van Commissie - Draagwijdte - Gevolgen
(Verordening nr. 3389/73 van de Commissie)
2 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Ruwe tabak - Afzet van voorraden in bezit van interventiebureaus - Besluit omtrent inschrijving - Termijn - Niet-inachtneming - Geen aansprakelijkheid van Commissie buiten geval van verzuim
(Verordening nr. 3389/73 van de Commissie, art. 6, lid 1)
3 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Ruwe tabak - Afzet van voorraden in bezit van interventiebureaus - Zekerheidsvoorwaarden die worden verlangd van ondernemingen die aan inschrijving deelnemen - Uitsluiting van tekortschietende ondernemingen - Discriminatie - Afwezigheid
(Verordening nr. 3389/73 van de Commissie, art. 5, lid 1)
Samenvatting
4 De Commissie heeft bij het beheer van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector tabak, en meer in het bijzonder bij de afzet van tabak die in het bezit is van de interventiebureaus, een commerciële taak. Zij moet beslissen of een bieding voor een bij inschrijving verkochte partij moet worden aanvaard of niet, rekening houdend met alle gegevens waarover zij op het moment van haar beslissing beschikt. Zij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsvrijheid, omdat bij deze beslissingen verschillende factoren tegen elkaar moeten worden afgewogen, zoals de voor de verschillende partijen geboden prijzen alsmede de kosten van opslag van onverkocht gebleven partijen. In die omstandigheden kan de Commissie ook niet aansprakelijk worden gesteld voor besluiten waarop achteraf kritiek mogelijk is, zolang geen sprake is van een kennelijke beoordelingsfout vanwege de instelling.
5 Omdat er geen enkele sanctie is gesteld op de niet-naleving door de Commissie van de termijn, die in artikel 6, lid 1, van verordening nr. 3389/73 houdende vaststelling van de procedures en de voorwaarden bij verkoop van tabak die in het bezit is van de interventiebureaus is gesteld voor het nemen van een besluit over een inschrijving, is die termijn slechts als een ordetermijn te beschouwen, bij verstrijken waarvan de Commissie slechts aansprakelijk kan worden gesteld indien de termijnoverschrijding het gevolg is van een verzuim harerzijds.
6 In het kader van haar beheer van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector tabak moet de Commissie onder meer vermijden dat de afzet van tabak in het bezit van de interventiebureaus de markt verstoort. Dat de Commissie van de ondernemingen die aan een inschrijving wensen deel te nemen, strenge waarborgen verlangt wijst er overigens op, dat zij zich naar behoren van deze taak kwijt. Dergelijke vereisten brengen noodzakelijkerwijs de uitsluiting mee van ondernemingen die niet in staat zijn daaraan te voldoen. Een dergelijke uitsluiting, die eigen is aan elke zekerheidsvoorwaarde, vormt dus geen schending van het beginsel van gelijke behandeling.
Partijen
In zaak T-152/95,
Odette Nicos Petrides Co. Inc., vennootschap naar Grieks recht, gevestigd te Kavala (Griekenland), vertegenwoordigd door E. Didier en J. Grangé, advocaten te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van C. Zeyen, Rue Ermesinde 67,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Berscheidt, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een vordering tot veroordeling van de Commissie om schadevergoeding te betalen uit hoofde van de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EG-Verdrag, wegens de schade veroorzaakt door bepaalde handelingen in het kader van haar beheer van de gemeenschappelijke marktordening voor ruwe tabak gedurende de periode 1990/1991,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, P. Lindh en J. D. Cooke, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 2 mei 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Toepasselijke verordeningen
1 Op 21 april 1970 heeft de Raad verordening (EEG) nr. 727/70 vastgesteld, houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB 1970, L 94, blz. 1; hierna: "verordening nr. 727/70"). Tot de belangrijkste mechanismen van deze gemeenschappelijke marktordening behoort de verplichting van de interventiebureaus van de Lid-Staten om in de Gemeenschap geoogste tabaksbladeren die niet via de normale handelskanalen zijn afgezet, tegen de interventieprijs aan te kopen. De aldus aangekochte tabak dient aldus te worden afgezet dat iedere verstoring van de markt wordt voorkomen en een gelijke toegang tot de goederen en een gelijke behandeling van de kopers wordt gewaarborgd (artikel 7, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 727/70).
2 Artikel 3 van verordening (EEG) nr. 327/71 van de Raad van 15 februari 1971 houdende vaststelling van bepaalde algemene voorschriften betreffende de contracten voor eerste bewerking en verpakking, de opslagcontracten, alsmede de afzet van tabak die in het bezit is van de interventiebureaus (PB 1971, L 39, blz. 3; hierna: "verordening nr. 327/71"), bepaalt, dat de afzet van tabak geschiedt op grond van prijsvoorwaarden die voor elk geval afzonderlijk worden vastgesteld, rekening houdend met onder meer de ontwikkeling en de behoeften van de markt.
3 Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 3389/73 van de Commissie van 13 december 1973 houdende vaststelling van de procedures en de voorwaarden bij verkoop van tabak die in het bezit is van de interventiebureaus (PB 1973, L 345, blz. 47; hierna: "verordening nr. 3389/73"), welke verordening herhaaldelijk is gewijzigd, bepaalt:
"1. De interventiebureaus brengen de in hun bezit zijnde verpakte tabak weer op de markt door middel van een verkoop bij inschrijving of van een openbare verkoop bij opbod.
2. Onder verkoop bij inschrijving wordt verstaan een openbare aanbesteding, na een uitnodiging aan belangstellenden tot het indienen van biedingen, waarbij de partij wordt gegund aan degene wiens bieding het gunstigste is en beantwoordt aan het bepaalde in deze verordening.
(...)"
4 Artikel 6, lid 1, bepaalt met betrekking tot de afwikkeling van de verkoop bij inschrijving:
"Binnen 15 dagen na het verstrijken van de voor het indienen van de biedingen vastgestelde termijn wordt met inachtneming van de ontvangen biedingen volgens de procedure van artikel 17 van verordening (EEG) nr. 727/70 voor elke partij een minimumverkoopprijs vastgesteld of wordt besloten geen gevolg te geven aan de verkoop bij inschrijving."
5 Oorspronkelijk bepaalde artikel 5, lid 1:
"Elke inschrijver moet een waarborg stellen van 0,28 rekeneenheid per kg ruwe tabak bij het betrokken interventiebureau."
6 Het bedrag van de waarborg werd verhoogd tot 0,339 ECU per kilo bij verordening (EEG) nr. 3263/85 van de Commissie van 21 november 1985, tot wijziging van verordening nr. 3389/73 (PB 1985, L 311, blz. 22). In afwijking van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 3389/73 werd de waarborg verhoogd tot 0,7 ECU per kilo verpakte tabak bij verordening (EEG) nr. 3040/91 van de Commissie van 15 oktober 1991 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2436/91 inzake de verkoop bij inschrijving voor uitvoer van verpakte tabak die in het bezit is van het Duitse, het Griekse en het Italiaanse interventiebureau (PB 1991, L 288, blz. 18; hierna: "verordening nr. 3040/91").
De feiten
7 Verzoekster is een Griekse vennootschap met als belangrijkste activiteit de verwerking en de verhandeling van tabak in Griekenland en in het buitenland. Gedurende de relevante periode beschikte zij over een fabriek voor de verwerking en de opslag van tabak, en een andere opslagplaats. Naar behoefte huurde zij ook verschillende kleine fabrieken en bureaus. Zij werkte in Griekenland en in het buitenland met tussenhandelaren en andere agenten.
8 De periode die hier in geding is, liep van april 1990 en tot eind 1991. In die periode heeft de Commissie drie verkopen bij inschrijving georganiseerd voor tabak in het bezit van het Griekse interventiebureau, en een vierde verkoop bij inschrijving voor tabak in het bezit van drie interventiebureaus, waaronder het Griekse. Op 15 oktober 1991 stelde zij tevens verordening nr. 3040/91 vast, waarbij de hoogte van de waarborg die iedere inschrijver bij het betrokken interventiebureau moest stellen, werd verhoogd.
9 De eerste van de litigieuze verkopen (hierna: "eerste inschrijving") werd georganiseerd bij verordening (EEG) nr. 899/90 van de Commissie van 5 april 1990 inzake de verkoop bij inschrijving voor uitvoer van verpakte tabak die in het bezit is van het Griekse interventiebureau (PB 1990, L 93, blz. 7). Het ging om vier partijen verpakte ruwe tabak van de oogsten 1986 en 1987, in het bezit van het Griekse interventiebureau, verdeeld naar variëteit, met een totaalgewicht van 5 271 428 kg. De uiterste datum waarop de Commissie over de toewijzing moest beslissen was 14 juni 1990. De eerste partij omvatte 1 805 903 kg tabak. Deze bestond uit de variëteiten Mavra, Kaba Koulak (klassiek) en Elassona, Kaba Koulak (niet-klassiek), Katerini, Burley EL, en Basmas. De tweede partij omvatte 1 519 836 kg tabak, bestaande uit dezelfde variëteiten, uitgezonderd de variëteit Basmas. De derde partij omvatte 1 519 991 kg tabak, bestaande uit dezelfde variëteiten als de tweede partij. De vierde partij omvatte 425 698 kg tabak, alleen samengesteld uit de variëteiten Mavra en Basmas. Verzoekster diende een bieding in voor de eerste en de tweede partij (voor een bedrag van 76,11 DR respectievelijk 63,11 DR per kilo). Op 14 juni 1990 besloot de Commissie evenwel niet op de biedingen van de inschrijvers in te gaan, omdat de aangeboden prijzen tot marktverstoring zouden kunnen leiden.
10 De tweede verkoop (hierna: "tweede inschrijving") werd georganiseerd bij verordening (EEG) nr. 1560/90 van de Commissie van 8 juni 1990 inzake de verkoop bij inschrijving voor uitvoer van verpakte tabak die in het bezit is van het Griekse interventiebureau (PB 1990, L 148, blz. 7; hierna: "verordening nr. 1560/90"). Het ging hierbij opnieuw om dezelfde vier partijen verpakte ruwe tabak. De uiterste datum voor de beslissing van de Commissie over de inschrijving was 9 augustus 1990. Verzoekster diende een bieding in voor de eerste en de vierde partij (voor een bedrag van 91,11 DR respectievelijk 101,11 DR per kilo). Op 7 augustus 1990 accepteerde de Commissie de bieding van een andere inschrijver voor de tweede partij (voor een bedrag van 102 DR per kilo), maar zij wees alle biedingen voor de eerste, de derde en de vierde partij af, met een beroep op het gevaar van marktverstoring.
11 De derde litigieuze inschrijving (hierna: "derde inschrijving") werd georganiseerd voor de drie resterende partijen, bij verordening (EEG) nr. 2610/90 van de Commissie van 10 september 1990 inzake de verkoop bij inschrijving voor uitvoer van verpakte tabak die in het bezit is van het Griekse interventiebureau (PB 1990, L 248, blz. 5). De uiterste datum voor de beslissing van de Commissie over de inschrijving was 12 november 1990. Verzoekster diende een bieding in voor de drie partijen (voor respectievelijk 152,26 DR, 132,26 DR en 121,26 DR per kg). Haar bieding voor de eerste partij was de hoogste van alle ingekomen biedingen. Opnieuw besloot de Commissie op 16 november 1990 om niet op de biedingen van de inschrijvers in te gaan, omdat de geboden prijzen een abnormale ontwikkeling van de markt in de hand konden werken.
12 De vierde litigieuze inschrijving (hierna: "vierde inschrijving") werd georganiseerd bij verordening (EEG) nr. 2436/91 van de Commissie van 7 augustus 1991 inzake de verkoop bij inschrijving voor uitvoer van verpakte tabak die in het bezit is van het Duitse, het Griekse en het Italiaanse interventiebureau (PB 1991, L 222, blz. 23; hierna: "verordening nr. 2436/91"). De totale hoeveelheid van 105 486 276 kg werd verdeeld in elf partijen, die in vier groepen werden verdeeld. Iedere groep van partijen kon pas te koop worden aangeboden nadat de voorgaande partij was toegewezen. De bedoeling was ervoor te zorgen, dat voor alle tabakssoorten biedingen zouden worden uitgebracht, waarbij zou worden begonnen met de soorten die het minst goed in de markt lagen. Iedere partij omvatte de tabak van een bepaalde soort in het bezit van de respectieve interventiebureaus van de verschillende betrokken Lid-Staten. Verzoekster heeft aan een aantal verkopen van deze reeks deelgenomen. Haar biedingen voor een kleinere hoeveelheid dan voor de betrokken partijen was vastgesteld, werden afgewezen omdat zij niet voldeden aan de inschrijvingsvoorwaarden.
13 Nadat zij op 13 september 1991 het voor landbouwzaken verantwoordelijke lid van de Commissie schriftelijk had verzocht om opschorting van verordening nr. 2436/91, en daarop geen voor haar bevredigend antwoord had ontvangen, heeft verzoekster bij het Hof beroep ingesteld tot nietigverklaring van genoemde verordening en eveneens van het bericht van openbare inschrijving nr. 91/C/213/04 van de Commissie, gepubliceerd krachtens genoemde verordening (zaak C-232/91). Tevens heeft zij in kort geding de opschorting gevraagd van de bestreden verordening (zaak C-232/91 R). Omdat verzoekster niet individueel door de bestreden handelingen werd geraakt, werd haar vordering in de hoofdzaak niet-ontvankelijk verklaard bij beschikking van 14 november 1991 (gevoegde zaken C-232/91 en C-233/91, Petridi en Kapnemporon Makedonias, Jurispr. 1991, blz. I-5351). Voorts werd ook haar vordering in kort geding afgewezen bij beschikking van 10 januari 1992 (gevoegde zaken C-232/91 R en C-233/91 R, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
14 Bij verordening (EEG) nr. 162/92 van de Commissie van 24 januari 1992 tot wijziging van verordening nr. 2436/91 (PB 1992, L 18, blz. 16), heeft de Commissie de laatste drie partijen van de vierde inschrijving verdeeld in tien partijen, op grond dat bij onderscheid naar oogstjaar een beter resultaat mocht worden verwacht.
Procesverloop en conclusies van partijen
15 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 juli 1995, heeft verzoekster tegen de Commissie een beroep tot schadevergoeding ingesteld op grond van artikel 215, tweede alinea, EG-Verdrag.
16 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vierde kamer) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Wel heeft het Gerecht beide partijen verzocht een aantal vragen schriftelijk te beantwoorden, wat zij hebben gedaan.
17 Ter openbare terechtzitting van 2 mei 1997 hebben partijen pleidooi gevoerd.
18 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- verweersters aansprakelijkheid krachtens artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag vast te stellen;
- verweerster derhalve te veroordelen om de door verzoekster geleden schade te vergoeden en haar een bedrag van 20 403 788 ECU te betalen;
- verweerster te verwijzen in de kosten.
19 In repliek verzoekt zij het Gerecht bovendien verweerster te gelasten de volgende stukken over te leggen:
- de notulen van de beheerscomités van 25 juli 1990 tot en met 30 januari 1992;
- alle analyses, interne nota's en documenten met betrekking tot het onderzoek van de behoeften van de markt en het beheer van de interventievoorraden van tabak gedurende genoemde periode;
- alle interne documenten met betrekking tot de voorgenomen verkoop van tabak aan afnemers in Rusland en alle briefwisseling tussen de Commissie en Agroïntorg alsmede alle bewijsstukken over de rol van de heer Ballot als tussenpersoon.
20 Verzoekster zegt geen bezwaar te hebben tegen de aanwijzing van een deskundige, op door verweerster vooruit te betalen kosten, om de door haar geleden schade te beoordelen.
21 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren, voor zover betrekking hebbende op feiten en handelingen van verweerster van vóór 23 juli 1990;
- de vordering tot overlegging van gegevens en informatie met betrekking tot de werkzaamheden van het beheerscomité voor tabak in het kader van de onderhavige procedure niet-ontvankelijk te verklaren;
- het beroep ongegrond te verklaren voor het overige;
- verzoekster te verwijzen in de kosten.
22 In dupliek vordert zij bovendien de niet-ontvankelijkverklaring dan wel verwerping van de nieuwe vorderingen tot overlegging van documenten en vooruitbetaling van de kosten van een eventueel deskundigenonderzoek.
De verjaring van de vordering voor zover deze betrekking heeft op handelingen van de Commissie van vóór 24 juli 1990
Argumenten van partijen
23 De Commissie betwist de ontvankelijkheid van het beroep voor zover betrekking hebbend op haar handelingen van vóór 23 juli 1990, aangezien het verzoekschrift op 24 juli 1995 is ingediend. Zij merkt op, dat voor de schadevergoedingsacties die op grond van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag worden ingesteld, een verjaringstermijn geldt van vijf jaar na het feit dat tot de vordering aanleiding heeft gegeven. De verjaringstermijn is volgens de Commissie ingegaan op het moment waarop aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan. Wat nu de eerste inschrijving betreft, stelt zij vast, dat het besluit om niet op de biedingen in te gaan van 14 juni 1990 dateert. De schade die verzoekster zegt te hebben geleden zou zich dus vóór 23 juli 1990 voldoende hebben geconcretiseerd. Derhalve is de vordering volgens de Commissie in ieder geval verjaard voor zover zij de eerste inschrijving betreft.
24 Verzoekster brengt daartegen in, dat zij opkomt tegen de latere omstandigheden waaronder haar biedingen werden geweigerd, de opschorting van de inschrijvingsprocedure, en de voorwaarden waaronder de inschrijvingen werden hervat. Deze verschillende onrechtmatige gedragingen van de Commissie dateren alle van na 23 juli 1990. De schade was nog niet in volle omvang ontstaan toen haar bieding op 14 juni 1990 door de Commissie werd afgewezen.
Beoordeling door het Gerecht
25 Volgens artikel 43 van 's Hofs Statuut-EG, dat ingevolge artikel 46 van dat Statuut ook geldt voor het Gerecht, verjaren vorderingen tegen de Gemeenschap inzake niet-contractuele aansprakelijkheid vijf jaar na het feit dat tot de vordering aanleiding heeft gegeven.
26 In casu heeft verzoekster niet gepoogd in haar memories aan te tonen in welk opzicht het afwijzende besluit van 14 juni 1990 in het kader van de eerste inschrijving een onrechtmatige gedraging van de Commissie oplevert. Zij heeft immers haar gehele betoog gewijd aan andere door haar gewraakte handelingen van de Commissie.
27 Voorts heeft zij, in tegenstelling tot wat zij in het kader van de betwisting van de ontvankelijkheid van haar beroep verklaart, niet getracht het bestaan aan te tonen van enigerlei band tussen het besluit van 14 juni 1990 en de andere door haar gewraakte handelingen van de Commissie. Evenmin heeft zij gewag gemaakt van enig causaal verband tussen het besluit van 14 juni 1990 en de schade waarvan zij vergoeding vordert.
28 Ten slotte wordt in de berekening waarop zij zich baseert voor de vaststelling van de door haar gevorderde schadevergoeding (zie het deskundigenbericht in bijlage nr. 121 bij het verzoekschrift) de eerste inschrijving als zodanig niet in aanmerking genomen.
29 In die omstandigheden kan zij zich niet zonder nadere toelichting van de omstandigheden die de toepassing ervan in het onderhavige geval zouden rechtvaardigen, beroepen op de rechtspraak volgens welke de verjaringstermijn niet begint te lopen voordat de te vergoeden schade zich heeft geconcretiseerd (arrest Hof van 27 januari 1982, Birra Wührer e.a., gevoegde zaken 256/80, 257/80, 265/80, 267/80 en 5/81, Jurispr. 1982, blz. 85, r.o. 10).
30 In het stadium van de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep is er dus geen reden om de beschikking van 14 juni 1990 te beschouwen als een onlosmakelijk element van een meer algemene onrechtmatige handelwijze van de Commissie.
31 Het beroep dient dus niet-ontvankelijk te worden verklaard voor zover het betrekking heeft op de eerste inschrijvingsprocedure.
Ten gronde
32 Volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht moeten voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap een aantal voorwaarden zijn vervuld: onrechtmatigheid van de aan de gemeenschapsinstelling verweten gedraging, bestaan van schade, en een causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en die schade (zie arrest Gerecht van 13 december 1995, gevoegde zaken T-481/93 en 484/93, Exporteurs in Levende Varkens e.a., Jurispr. 1995, blz. II-2941, r.o. 80).
33 Alvorens uitspraak te doen over de vraag of er sprake is van een onrechtmatige gedraging van de Commissie, moet worden beslist over de vordering tot verkrijging van informatie met betrekking tot de werkzaamheden van het beheerscomité voor tabak, waarop verzoekster zich in de onderhavige procedure beroept.
Verzoeksters recht om zich op bepaalde informatie te beroepen
Argumenten van partijen
34 De Commissie meent, dat verzoekster niet gerechtigd is om zich op informatie te beroepen met betrekking tot de werkzaamheden van het beheerscomité voor tabak, op grond dat ingevolge artikel 10 van het intern reglement van het comité de beraadslagingen van het comité geheim zijn. Bovendien mogen de leden van de comités ingevolge artikel 214 EG-Verdrag onder het beroepsgeheim vallende informatie niet openbaar maken. Verzoekster had dus niet het recht om zich de betrokken informatie te verschaffen en nog minder om deze in het kader van dit beroep te gebruiken. Artikel 214 EG-Verdrag heeft rechtstreekse werking en is niet in de tijd beperkt, en het feit dat verzoekster de notulen te goeder of te kwader trouw heeft verkregen, doet niet ter zake. Verzoekster kan immers niet onwetend zijn geweest van het feit dat die notulen niet openbaar zijn en dus niet voor openbaarmaking waren bestemd.
35 Verzoekster stelt, dat zij niet op de hoogte was van het interne reglement van het beheerscomité voor tabak, dat niet is gepubliceerd. Dit reglement kan haar dus niet worden tegengeworpen. Bovendien heeft zij zich de notulen van de door de Griekse instanties opgerichte beheerscomités niet op onwettige wijze verschaft. De Griekse vereniging voor de tabaksindustrie heeft deze notulen immers regelmatig aan haar leden rondgedeeld, zonder te wijzen op het vertrouwelijke karakter van deze documenten. Verzoekster heeft deze stukken dan ook legitiem in het rechtsgeding mogen produceren. Bovendien is het volgens haar absurd het vertrouwelijke karakter van die notulen meer dan vier jaar na de feiten nog te handhaven.
Beoordeling door het Gerecht
36 De enige relevante informatie in de beraadslagingen van het beheerscomité voor tabak die voor de oplossing van het geschil van belang zijn, zijn de gegevens met betrekking tot de biedingen voor de eerste, de tweede en de vierde partij van de tweede inschrijving, en de eerste partij van de derde inschrijving.
37 Nochtans zijn de door verzoekster bedoelde gegevens met betrekking tot die biedingen reeds bekend uit andere bronnen. De Commissie heeft immers zelf bevestigd in haar antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht, dat verzoeksters biedingen voor de eerste partij van de tweede en de derde inschrijving de hoogste biedingen waren die voor die partijen waren ingediend. Het bedrag van de voor de tweede partij van de tweede inschrijving aanvaarde bieding heeft de Commissie in haar besluit van 7 augustus 1990 aan verzoekster meegedeeld. Dat verzoeksters bieding voor de vierde partij van de tweede inschrijving de hoogste van de ingediende biedingen was, heeft de Rekenkamer bevestigd in haar speciaal verslag nr. 8/93 inzake de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB 1994, C 65, blz. 1; hierna: "speciaal verslag"). De tweede en de vierde partij van de tweede inschrijving ten slotte zijn onder de punten 4.53 tot en met 4.55 van bedoeld verslag uitvoerig besproken.
38 Alle informatie was dus reeds beschikbaar, zonder dat daarvoor enige aktie van Griekse autoriteiten of instanties nodig was.
39 De vraag of verzoekster gerechtigd is zich te beroepen op de beraadslagingen van het beheerscomité, is derhalve irrelevant.
De onrechtmatigheid van de handelwijze van de Commissie
40 Verzoekster schijnt de door haar gewraakte onrechtmatige handelwijze van de Commissie te beschouwen als een geheel van achtereenvolgende handelingen in het kader van de verschillende inschrijvingen. Zij gaat niettemin op elk aspect van deze handelwijze afzonderlijk in. Daarom moet het beweerde onrechtmatige karakter voor elk afzonderlijk aspect van deze handelwijze worden beoordeeld, met uitzondering van het besluit van 14 juni 1990 (zie hierboven, rechtsoverwegingen 25-31). Bovendien moeten verzoeksters grieven met betrekking tot de tijd die is verstreken tussen de derde en de vierde inschrijving en de verhoging door de Commissie van de waarborg worden onderzocht.
De tweede inschrijving
- Argumenten van partijen
41 Verzoekster stelt, dat de Commissie met de afwijzing op 7 augustus 1990 van haar biedingen in het kader van de tweede inschrijving, het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.
42 In de eerste plaats was de afwijzing van de biedingen niet, zoals de Commissie beweert, gerechtvaardigd door een dreigende verstoring van de markt. De door de Commissie gehanteerde middelen waren volgens verzoekster niet geschikt om het beoogde doel te verwezenlijken en gingen bovendien verder dan daarvoor noodzakelijk was, in strijd met de door de rechtspraak geboden naleving van het evenredigheidsbeginsel (arrest Hof van 8 april 1992, Mignini, zaak C-256/90, Jurispr. 1992, blz. I-2651, r.o. 16).
43 Nu de afwijzing van verzoeksters biedingen niet dienstig of nodig was, zou zij dus een schending van het evenredigheidsbeginsel uitmaken.
44 Verzoekster wijst erop, dat haar bieding voor de eerste partij het hoogste bod bevatte, en toch terzijde werd gelegd. Zelfs indien men het argument van de Commissie zou aanvaarden, die in haar antwoord op het speciaal verslag verklaarde, dat de prijzen van de tweede en de vierde partij gelijk waren, is de afwijzing van haar bieding voor de vierde partij niet serieus te nemen, omdat het verschil tussen de geboden prijzen minder dan 1 DR bedroeg. Daarentegen was haar bieding voor de vierde partij volgens haar wel degelijk hoger (meer dan driemaal) dan de bieding op basis waarvan de tweede partij werd toegewezen. In dit verband haalt zij een passage uit het speciaal verslag aan (punt 4.55): "De afgewezen bieding voor de kwalitatief mindere partij [de vierde partij] was hier relatief gezien een beter bod dan het bod dat aanvaard is voor de tweede [kwalitatief betere] partij". Zij herinnert eraan, dat de vierde partij betrekking had op slechts 425 ton, en betoogt dat de verkoop van een dergelijke hoeveelheid geen gevaar voor marktverstoring zou hebben opgeleverd.
45 In de tweede plaats beweert verzoekster dat de Commissie, door haar bieding voor de vierde partij af te wijzen en de bieding van een andere inschrijver voor de tweede partij te aanvaarden, klaarblijkelijk het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, dat in casu van toepassing is ingevolge artikel 40, lid 3, EG-Verdrag, alsmede de communautaire rechtspraak en artikel 7, lid 2, van verordening nr. 727/70.
46 De Commissie betoogt in de eerste plaats, dat zij de marktdeelnemers duidelijk heeft willen maken, dat zij bereid was de inschrijvingen te hervatten zodra de prijzen voldoende zouden zijn gestegen. De prijzen die uiteindelijk bij andere inschrijvingen voor de twee variëteiten van de vierde partij werden behaald, hebben haar aarzelingen volledig gerechtvaardigd. Daarentegen was de bieding voor de tweede partij aanvaardbaar, gelet op de samenstelling van de partij en de gemiddelde prijzen van de respectieve variëteiten waaruit deze bestond, en vergeleken met de voor de derde partij geboden prijzen, welke partij nagenoeg dezelfde samenstelling had als de tweede.
47 In de tweede plaats werpt de Commissie tegen, dat verzoekster in het algemeen de tabaksvariëteiten dooreen haalt zonder te letten op de respectieve prijzen ervan. Er is dus geen sprake van, dat het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden door de verwerping van verzoeksters bieding voor de vierde partij en de gelijktijdige aanvaarding van de bieding van een inschrijver voor de tweede partij.
- Beoordeling door het Gerecht
48 Volgens vaste rechtspraak behoort het evenredigheidsbeginsel tot de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht. Krachtens dit beginsel moeten de in een gemeenschapshandeling voorgeschreven maatregelen geschikt zijn om het beoogde doel te bereiken en mogen zij de grenzen van hetgeen daartoe noodzakelijk is, niet overschrijden. Wanneer bovendien een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, moet die maatregel worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en mogen de opgelegde lasten niet onevenredig zijn aan het nagestreefde doel (zie arrest Exporteurs in Levende Varkens e.a., reeds aangehaald, r.o. 119).
49 In casu stelt verzoekster wel dat het besluit van de Commissie om haar biedingen voor de eerste en de vierde partij te verwerpen, nutteloos en ongeschikt was, maar zij geeft niet nader aan, ten opzichte van welk doel dit besluit als zodanig te kwalificeren zou zijn, en verschaft geen enkel gegeven dat de juistheid van haar zienswijze aantoont.
50 In werkelijkheid beweert zij, dat het besluit van de Commissie van 7 augustus 1990, gebaseerd op het bij artikel 6, lid 1, van verordening nr. 3389/73 toegekende recht om niet verder te gaan met de verkoop bij inschrijving (zie hierboven, r.o. 4), niet werd gerechtvaardigd door vrees voor marktverstoring wegens het niveau van de geboden prijzen, maar door haar onwetendheid over de marktprijzen, zoals zou blijken uit het besluit om haar de vierde partij niet toe te wijzen, maar voor de tweede partij wel de minder interessante bieding van een andere inschrijver te aanvaarden.
51 Niettemin, gesteld al dat de Commissie bij de vaststelling van het litigieuze besluit werkelijk onwetend was over de marktprijzen, wegens haar eigen beslissing om partijen samen te stellen met tabak van verschillende variëteiten, zoals verzoekster beweert, dan is deze omstandigheid irrelevant om te beoordelen of deze instelling bij die gelegenheid het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden.
52 In ieder geval moet worden geconstateerd, dat een van de oogmerken van de geldende regeling is, verstoring van de betrokken markt te voorkomen (zie in dit verband artikel 7, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 727/70). Vaststaat, dat het besluit van de Commissie tot gevolg heeft gehad dat de betrokken marktdeelnemers in het kader van de derde inschrijving hogere prijzen hebben geboden dan die welke in het kader van de tweede inschrijving voor dezelfde partijen waren geboden (zie hierboven, r.o. 10 en 11). Verzoekster kan dus niet de door haar gestelde onbekendheid van de Commissie met de prijzen aanvoeren ten betoge dat het besluit van 7 augustus 1990 niet in overeenstemming is met het doel, de betrokken markt niet te verstoren.
53 Uit een en ander volgt, dat het middel ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel, ongegrond is.
54 Wat betreft het gelijkheidsbeginsel, dat volgens verzoekster eveneens zou zijn geschonden, zij eraan herinnerd dat het ook hier gaat om een van de fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht, dat verlangt dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is (zie arrest Hof van 5 oktober 1994, zaak C-280/93, Duitsland/Raad, Jurispr. 1994, blz. I-4973, r.o. 67).
55 In casu bestonden de tweede en de vierde partij, die verzoekster met elkaar vergelijkt, niet uit dezelfde tabaksvariëteiten. Zoals in verordening nr. 1560/90 vermeld, was de tweede partij samengesteld uit Mavra, Kaba Koulak (klassiek) en Elassona, Kaba Koulak (niet-klassiek), Katerini en Burley EL, terwijl de vierde partij was samengesteld uit Mavra en Basmas; de enige tabaksvariëteit die beide partijen gemeen hadden, was dus de variëteit Mavra. Bovendien ging het om duidelijk verschillende hoeveelheden: bij de tweede partij ging het om 1 519 836 kg tabak, en bij de vierde partij om 425 698 kg.
56 Op grond van de gegevens waarover zij destijds beschikte, heeft de Commissie verzoeksters bieding voor de vierde partij te laag bevonden, maar die voor de tweede partij aanvaard, vooral in vergelijking met de prijs die was geboden voor de derde partij, van nagenoeg dezelfde samenstelling als de tweede partij, zowel op het punt van tabaksvariëteiten als van gewicht.
57 Zou men, zo betoogt de Commissie ten slotte, uit de tweede en de vierde partij de Mavra, in beide partijen ongeveer dezelfde hoeveelheid (306 491 kg in de tweede partij en 333 872 kg in de vierde partij), weghalen, dan zou blijken dat verzoekster voor de tabaksvariëteit Basmas in de vierde partij een lagere prijs per kilo heeft geboden dan voor de de andere tabaksvariëteit in de tweede partij was geboden door de andere inschrijver aan wie die partij werd toegewezen, hoewel de variëteit Basmas beter in de markt ligt dan de andere variëteiten waaruit de tweede partij bestond, wat verzoekster niet betwist. Verzoekster heeft in deze procedure niet aangetoond in welk opzicht deze beoordeling klaarblijkelijk onjuist is, en haalt alleen een passage uit het speciaal verslag aan, waarin wordt gesteld dat de geweigerde bieding voor de vierde partij interessanter was dan de bieding die voor de tweede partij werd aanvaard (zie hierboven, r.o. 44), zonder overtuigend in te gaan op de hierboven genoemde argumenten van de Commissie, die de conclusie in het speciaal verslag weerleggen.
58 In dit verband zij benadrukt, dat de Commissie bij het beheer van de gemeenschappelijke marktordening voor tabak een commerciële taak heeft. Zij moet beslissen of een bieding voor een bij inschrijving verkochte partij moet worden aanvaard of niet, rekening houdend met alle gegevens waarover zij op het moment van haar beslissing beschikt. Volgens vaste rechtspraak beschikt zij ter zake over een ruime beoordelingsvrijheid, omdat bij deze beslissingen verschillende factoren tegen elkaar moeten worden afgewogen, zoals de voor de verschillende partijen geboden prijzen alsmede de kosten van opslag van onverkocht gebleven partijen. In die omstandigheden kan de Commissie ook niet aansprakelijk worden gesteld voor besluiten waarop achteraf kritiek mogelijk is, zolang geen sprake is van een kennelijke beoordelingsfout vanwege de instelling (zie in dit verband arrest Hof van 11 maart 1987, zaak 27/85, Vandemoortele, Jurispr. 1987, blz. 1129, r.o. 31-34).
59 Nu verzoekster niet heeft aangetoond dat de Commissie twee vergelijkbare situaties verschillend heeft behandeld, is haar beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel dus ongegrond.
60 Uit al het voorgaande volgt, dat het besluit van de Commissie van 7 augustus 1990 tot afwijzing van verzoeksters biedingen voor de eerste en de vierde partij van de tweede inschrijving in geen enkel opzicht onrechtmatig is. Er kan dan ook geen sprake zijn van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie jegens verzoekster.
De derde inschrijving
- Argumenten van partijen
61 Verzoekster, die zich ook in het kader van de derde inschrijving beroept op schending van het evenredigheidsbeginsel, betoogt dat de afwijzing door de Commissie op 16 november 1990 van de ingediende biedingen, wederom op grond van het gevaar van marktverstoring, heeft bijgedragen tot een abnormale prijsstijging, extra opslagkosten heeft veroorzaakt en de Gemeenschap belangrijke inkomsten heeft doen mislopen. Anders dan de Commissie, beschouwt zij de stijging van de geboden prijzen niet als abnormaal of excessief ten opzichte van de verkoopprijs bij uitvoer. Zij ziet dit integendeel als een logische consequentie van de afwijzing van de biedingen bij de voorgaande inschrijving.
62 De Commissie brengt daartegen in, dat zij alle biedingen bij deze inschrijving heeft afgewezen, en wel enerzijds om te proberen alle voorraden in één keer te verkopen, en anderzijds om later verkopen per variëteit te organiseren om de werkelijke handelswaarde daarvan te kunnen vaststellen. Omdat de markt indertijd onzeker was, zo voegt zij daaraan toe, heeft zij er de voorkeur aan gegeven alle biedingen af te wijzen om nieuwe verkopen te kunnen voorbereiden.
- Beoordeling door het Gerecht
63 Evenals ten aanzien van de tweede inschrijving voert verzoekster tot staving van haar middel ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel aan, dat het besluit van de Commissie van 16 november 1990 nutteloos en ongeschikt was, maar geeft zij niet nader aan ten opzichte van welk doel dat besluit als zodanig zou moeten worden aangemerkt; zij verwijst daarbij in het algemeen naar de "met de verkoop bij inschrijving van tabak nagestreefde doeleinden", en voorts ook naar de noodzaak "bij de inschrijvingen rekening te houden met de behoeften van de markt".
64 Gesteld al dat de Commissie bij het nemen van haar besluit van 16 november 1990 werkelijk niet op de hoogte was van de marktprijzen, zoals verzoekster ook hier aanvoert, dan is deze omstandigheid irrelevant bij de beoordeling of de instelling bij die gelegenheid het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden (zie hierboven, r.o. 50 en 51).
65 Overigens heeft verzoekster niets aangevoerd waaruit zou blijken, dat de Commissie bij haar besluit van 16 november 1990 om alle biedingen af te wijzen ter voorkoming van marktverstoringen, geen oog zou hebben gehad voor de marktbehoeften, waarmee volgens artikel 3, sub c, van verordening nr. 327/71 rekening moet worden gehouden. Dat de Commissie de markt niet heeft willen verstoren, is totdat het tegendeel wordt bewezen, een aanwijzing dat zij rekening heeft gehouden met de ontwikkeling en de behoeften van de markt, althans zoals zij die op het bewuste moment heeft beoordeeld.
66 In ieder geval moet worden bedacht, dat de zorg om marktverstoringen te voorkomen, één der met de regeling nagestreefde doeleinden is (zie hierboven, r.o. 52), en dat de Commissie ingevolge artikel 6, lid 1, van verordening nr. 3389/73 gerechtigd was om verzoeksters bieding voor de eerste partij, al was dit het hoogste bod, evenals alle andere ontvangen biedingen niet te aanvaarden.
67 Het middel ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel, is dus ongegrond.
68 Daar komt bij, dat het van weinig belang is dat het besluit van 16 november 1990 is vastgesteld na afloop van de termijn van 15 dagen waarin artikel 6, lid 1, van verordening nr. 3389/73 voorziet voor het nemen van een besluit over een inschrijving. Omdat er geen enkele sanctie is gesteld op de niet-naleving van deze termijn, is deze slechts als een ordetermijn te beschouwen, bij verstrijken waarvan volgens de rechtspraak de Commissie slechts aansprakelijk kan worden gesteld indien de termijnoverschrijding het gevolg is van een verzuim harerzijds (arrest Hof van 6 oktober 1993, zaak C-55/91, Italië/Commissie, Jurispr. 1993, blz. I-4813, r.o. 69). In casu heeft verzoekster zelfs niet beweerd dat de Commissie zich aan een dergelijk verzuim schuldig heeft gemaakt, en beperkt zij zich ertoe in haar enig antwoord op de schriftelijke vragen van het Gerecht te verwijzen naar de niet-naleving van de termijn.
69 Uit een en ander volgt, dat het besluit van de Commissie van 16 november 1990 tot afwijzing van verzoeksters biedingen voor de drie partijen van de derde inschrijving, in geen enkel opzicht onwettig is. Dat besluit kan dus niet de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens verzoekster tot gevolg hebben.
Het tijdsverloop tussen de derde en de vierde inschrijving
- Argumenten van partijen
70 Verzoekster stelt, dat tussen de derde en de vierde inschrijving een onredelijk lange periode is verstreken, omdat daardoor aanzienlijke voorraden zijn ontstaan en de markt aldus ernstig is verstoord. Zij licht toe, dat de Commissie over een transactie met de Sovjet-Unie heeft onderhandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7 van verordening nr. 727/70 en van de behoeften van de markt als bedoeld in artikel 3, sub c, van verordening nr. 327/71, en daarmee het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden, nu deze transactie noodzakelijk noch geschikt was. Zij betwist de verschillende argumenten die de Commissie aanvoert ter rechtvaardiging van de gewraakte termijn.
71 De Commissie zet uiteen, dat het tijdsverloop tussen de derde en de vierde inschrijving toe te schrijven was aan verschillende oorzaken, met name de enorme prijsschommelingen tussen de derde inschrijving en de eerdere inschrijvingen, de onderhandelingen die de Commissie begonnen is om alle voorraden ineens aan de voormalige Sovjetunie te verkopen, en de wens van de Commissie om zich in één keer van alle interventievoorraden te ontdoen om de nieuwe gemeenschappelijke marktordening te beginnen met een gesaneerde interventietoestand.
- Beoordeling door het Gerecht
72 Verzuimen van gemeenschapsinstellingen kunnen slechts tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap leiden voor zover de instellingen een uit een gemeenschapsbepaling voortvloeiende wettelijke verplichting tot handelen niet zijn nagekomen (zie arrest Hof van 15 september 1994, zaak C-146/91, KYDEP, Jurispr. 1994, blz. I-4199, r.o. 58).
73 In casu verplichtte geen enkele bepaling van de geldende regeling de Commissie om binnen een bepaalde termijn tot verkoop bij inschrijving over te gaan, wat verzoekster trouwens ook niet heeft beweerd.
74 In die omstandigheden moet worden vastgesteld, zonder dat op de uitleg van de Commissie behoeft te worden ingegaan, dat het tijdsverloop van elf maanden tussen de derde en de vierde inschrijving in geen enkel opzicht onwettig is, en dus niet de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens verzoekster tot gevolg kan hebben.
De vierde inschrijving
- Argumenten van partijen
75 In de eerste plaats stelt verzoekster, dat de wijze waarop de Commissie de inschrijving heeft georganiseerd, een kennelijke en ernstige schending oplevert van het evenredigheidsbeginsel, nu de kleine en middelgrote ondernemingen daarvan de facto uitgesloten zijn gebleven. De in het kader van deze vierde inschrijving aangeboden partijen omvatten hoeveelheden tabak in het bezit van de interventiebureaus van meerdere Lid-Staten, en de totale hoeveelheid was zo groot, dat de inschrijving slechts binnen het bereik lag van multinationale groepen met een aangepaste structuur om uitvoer uit elk van de Lid-Staten waar de in het kader van deze inschrijving verkochte voorraden waren opgeslagen, mogelijk te maken. De Commissie heeft deze stand van zaken impliciet erkend door de laatste drie partijen die bij de vierde inschrijving niet waren toegewezen, bij de vijfde inschrijving, waartoe op 24 januari 1992 was besloten (zie hierboven, r.o. 14), in tien nieuwe partijen te verdelen.
76 Ook de verplichting zekerheid te stellen overeenkomstig de eisen van verschillende interventiebureaus, hield de inschrijving buiten het bereik van kleine en middelgrote ondernemingen. De aankoop van zulke grote hoeveelheden zou bovendien opslagkosten met zich hebben gebracht die niet in verhouding staan tot de omvang van zulke ondernemingen, waaronder verzoekster. De hoeveelheid van de in het kader van de vierde inschrijving verkochte tabak kwam overeen met de jaarproductie in Griekenland en een derde van de communautaire jaarproductie.
77 Verzoekster klaagt, dat de verordening tot organisatie van de vierde inschrijving een termijn stelde van twintig dagen tussen de dag van publicatie van het bericht van openbare inschrijving en de vastgestelde datum voor indiening van biedingen, in plaats van de normale termijn van 45 dagen als bedoeld in artikel 3 van verordening nr. 3389/73, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1344/75 van de Commissie van 27 mei 1975 (PB 1975, L 137, blz. 20). De verkorting van deze termijn was volgens verzoekster nog een extra handicap voor de kleine en middelgrote ondernemingen.
78 Verzoekster wijst de suggestie van de Commissie van de hand, dat zij tezamen met andere inschrijvers een gemeenschappelijk bieding had kunnen indienen. Zij herinnert eraan, dat de Rekenkamer in haar speciaal verslag heeft beklemtoond, dat een gezamelijk optreden van verschillende marktdeelnemers voor de Commissie gevaar van kartelvorming zou opleveren.
79 In de tweede plaats stelt verzoekster, dat de wijze waarop de Commissie de vierde inschrijving heeft georganiseerd, ook een kennelijke en ernstige schending oplevert van het beginsel van gelijke behandeling, en met name van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 727/70, doordat kleine en middelgrote ondernemingen daardoor de facto werden uitgesloten.
80 In de eerste plaats ontkent de Commissie dat zij in enig opzicht het evenredigheidsbeginsel zou hebben geschonden, omdat haar benadering geschikt en noodzakelijk was voor een goed beheer van de gemeenschappelijke marktordening. De samenstelling van de partijen beantwoordde volgens haar aan de concrete behoeften van de markt destijds. De Commissie betwijfelt of gegadigden voor het uitbrengen van een gezamelijke bieding, zoals verzoekster beweert, in de verschillende Lid-Staten over een structuur moeten beschikken. Wel is het volgens haar duidelijk, dat uitvoer uit het land van opslag gemakkelijker is en dat dit een redelijke keuze is om de beheerskosten zo laag mogelijk te houden. Dat zekerheid moest worden gesteld bij meerdere interventiebureaus, is volgens de Commissie geen belemmering voor een onderneming die met de internationale handel vertrouwd is. Overigens hebben ook middelgrote ondernemingen aan de inschrijvingen deelgenomen, en sommigen daarvan hebben partijen toegewezen gekregen.
81 De Commissie stelt, dat zij gerechtigd was de termijn van 45 dagen terug te brengen tot 20 dagen, omdat bij verordening nr. 2436/91 rechtsgeldig mocht worden afgeweken van verordening nr. 3389/73; beide verordeningen waren immers gebaseerd op artikel 7, lid 4, van verordening nr. 727/70, op grond waarvan de Commissie bevoegd is om de procedures en de voorwaarden voor de verkoop door de interventiebureaus vast te stellen.
82 Bovendien bestaat er een verschil tussen een geoorloofde samenwerking van ondernemers die in tijdelijke vereniging een gemeenschappelijke bieding uitbrengen, en een verboden kartel. In dit verband is het gebruikelijk dat ondernemingen samenwerken om een gemeenschappelijke bieding uit te brengen voor een partij die voor elk van de ondernemingen afzonderlijk te groot is.
83 Ten slotte bestaan er volgens de Commissie verschillende gronden die de nieuwe, bij de vierde inschrijving gevolgde benadering rechtvaardigen.
84 Enerzijds was er veel vraag naar tabak vanuit de Sovjet-Unie voor producten van mindere kwaliteit, waardoor homogene partijen konden worden samengesteld, terwijl voordien de overschotsituatie op de wereldtabaksmarkt tot verkoop van uit verschillende variëteiten samengestelde partijen had genoopt. De voortzetting van de verkoopoperatie maakte het nodig dat biedingen voor alle partijen werden ingediend, welk doel alleen op bevredigende wijze kon worden bereikt door de verkoop van omvangrijke partijen.
85 Anderzijds zou de op handen zijnde hervorming van de gemeenschappelijke marktordening voor tabak een belangrijke rol hebben gespeeld, ondermeer door de voorgenomen afschaffing van de interventieregeling, wat betekende dat de nog bij de interventiebureaus opgeslagen voorraden moesten worden opgeruimd. De destijds gunstige marktsituatie noopte tot een snelle en volledige verkoop. Een homogeen product kon gemakkelijker worden getaxeerd en afgezet omdat het was afgestemd op specifieke kopers en afzetkanalen.
86 Op dezelfde gronden betwist de Commissie vervolgens, dat zij bij de organisatie van de vierde inschrijving het beginsel van gelijke behandeling zou hebben geschonden.
- Beoordeling door het Gerecht
87 Tot staving van haar middelen ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel en schending van het beginsel van gelijke behandeling, voert verzoekster dezelfde argumenten aan.
88 Geen van deze argumenten kan worden aanvaard.
89 In de eerste plaats kan verzoekster niet stellen, dat de hoeveelheid ten verkoop aangeboden tabak van de verschillende partijen van de vierde inschrijving voor kleine en middelgrote ondernemingen een beletsel zou zijn voor deelname daaraan. Uit de antwoorden van de Commissie op de schriftelijke vragen van het Gerecht blijkt immers, dat meerdere middelgrote ondernemingen biedingen hebben ingediend en dat sommige daarvan door de Commissie zijn aanvaard. Uit die zelfde antwoorden blijkt voorts, dat voor de eerste inschrijving 20 geldige biedingen zijn ingediend, voor de tweede 11, voor de derde 14, en voor de vierde 25.
90 Evenmin kan verzoekster beweren, dat de geografische spreiding van de hoeveelheden tabak waaruit de partijen waren samengesteld, voor kleine en middelgrote ondernemingen een beletsel was om aan de vierde inschrijving deel te nemen. Nu uit verordening nr. 2436/91 immers blijkt, dat van de elf partijen tabak er zes bij één enkel interventiebureau berustten, vier bij twee verschillende interventiebureaus, en slechts één bij drie verschillende interventiebureaus, heeft de geografische spreiding van de verkochte tabak niet zulke aanzienlijke praktische problemen tot gevolg gehad als verzoekster beweert.
91 Verzoekster kan zich evenmin op enige onwettigheid beroepen waar het gaat om de verkorting van de termijn tussen het bericht van inschrijving en de datum voor het indienen van biedingen van 45 tot 20 dagen. De Commissie kon afwijken van artikel 3 van verordening nr. 3389/73, zoals gewijzigd, in het kader van de ruime beoordelingsbevoegdheid die haar op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid toekomt (zie arrest Hof van 19 mei 1992, gevoegde zaken C-104/89 en C-37/90, Mulder e.a., Jurispr. 1992, blz. I-3061, r.o. 12). Verzoekster heeft gesteld noch aangetoond, dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt waar zij oordeelde dat de toepasselijke termijn moest worden verkort om de partijen sneller te kunnen verkopen vóór de invoering van een nieuwe gemeenschappelijke marktordening. De verkorting van de termijn gold bovendien voor alle gegadigden, ongeacht de omvang van hun onderneming. Overigens geeft verzoekster niet nader aan hoe de kortere termijn voordelig kon zijn geweest voor de ene marktdeelnemer ten opzichte van de andere, naar gelang van hun respectieve grootte.
92 Nu de Commissie heeft aangetoond dat ook middelgrote ondernemingen aan de inschrijving hebben deelgenomen, behoeft het Gerecht zich niet uit te spreken over de toelaatbaarheid van een eventuele gezamenlijke bieding van meerdere marktdeelnemers voor eenzelfde partij.
93 In ieder geval waren de maatregelen die de Commissie in het kader van de vierde inschrijving heeft gekozen om de bij de interventiebureaus opgeslagen hoeveelheden tabak af te zetten, geschikt om het nagestreefde doel te bereiken, en gingen zij niet verder dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk was (arrest Vandemoortele, reeds aangehaald, r.o. 34), aangezien tussen 1991 en 1992 een aanzienlijke vermindering van de bij de interventiebureaus opgeslagen hoeveelheden heeft plaatsgevonden, en althans voor bepaalde variëteiten de bij de vierde inschrijving verkregen prijzen duidelijk hoger waren dan de bij de eerdere inschrijvingen geboden prijzen. In deze context heeft de Commissie de grenzen van haar beoordelingsvrijheid in het kader van de uitvoering van de gemeenschappelijke marktordening voor ruwe tabak niet overschreden.
94 Bovendien moet worden vastgesteld, dat de vierde inschrijving open stond voor alle ondernemingen in de betrokken sector onder dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde regels, en dat niets zich ertegen verzette dat zij anders werd georganiseerd dan de voorgaande inschrijvingen, nu de Commissie vrij bleef om haar beleid aan te passen aan de evolutie van de marktgegevens en de nagestreefde doelstellingen (zie in dit verband arrest Hof van 17 december 1981, gevoegde zaken 197/80, 198/80, 199/80, 200/80, 243/80, 245/80 en 247/80, Ludwigshafener Walzmühle e.a., Jurispr. 1981, blz. 3211, r.o. 40).
95 Daaruit volgt, dat de middelen ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel en schending van het beginsel van gelijke behandeling, ongegrond zijn.
96 Uit een en ander volgt, dat verordening nr. 2436/91 niet is aangetast door een onwettigheid die de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens verzoekster tot gevolg kan hebben.
De verhoging van de waarborgsom
- Argumenten van partijen
97 Verzoekster beweert dat de Commissie met de verhoging van het waarborgbedrag het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden, omdat een dergelijke verhoging niet werd gerechtvaardigd door de ontwikkeling van de markt en evenmin door de restituties bij uitvoer. De waarborg heeft volgens haar tot doel te garanderen dat de inschrijver voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit zijn deelneming aan de inschrijving, met name dat de goederen daadwerkelijk moeten worden uitgevoerd. Door de waarborg op een uniform bedrag vast te stellen, ongeacht de tabaksvariëteit en dus de waarde daarvan, heeft de Commissie laten blijken dat de evolutie van de markt niet de reden was voor de verhoging.
98 Verzoekster meent voorts, dat de verhoging tot doel had bepaalde mogelijke kopers te weren, hetgeen eveneens zou wijzen op een schending van het beginsel van gelijke behandeling.
99 De Commissie brengt daartegen in, dat het waarborgbedrag niet buitensporig hoog was en noodzakelijk was ter dekking van het verschil tussen de verkoopprijs bij uitvoer en de prijs op de gemeenschappelijke markt, en in ieder geval van de invloed van de restituties bij uitvoer.
100 Zij wijst er bovendien op, dat verzoekster heeft deelgenomen aan een vijfde inschrijving, waarvoor een waarborg van 0,7 ECU werd verlangd, hetgeen bewijst dat zij in geen enkel opzicht was uitgesloten van interventieverkopen.
101 Hierop repliceert verzoekster, dat haar deelname aan een inschrijving waarvoor de waarborg was vastgesteld op 0,7 ECU per kilo, zich laat verklaren door het feit dat die inschrijving een veel kleinere hoeveelheid tabak betrof.
- Beoordeling door het Gerecht
102 In de eerste overweging van de considerans van verordening nr. 3040/91 heeft de Commissie uiteengezet, dat verhoging van het bedrag van de waarborg gerechtvaardigd was omdat rekening moest worden gehouden met de ontwikkeling van de markt en de uitvoerrestituties die sedertdien hadden plaatsgevonden. In de onderhavige procedure heeft de Commissie nader verklaard, dat de verhoging nodig was om zich ervan te verzekeren dat de inschrijvers de uit hun deelneming aan hun inschrijving voortvloeiende verplichtingen zouden naleven en bij toewijzing van een partij voor uitvoer, de goederen daadwerkelijk uit de Gemeenschap zouden uitvoeren.
103 Voorts blijkt uit een antwoord van de Commissie op een schriftelijke vraag van het Gerecht, dat zelfs na verhoging van de waarborg, de som van dit bedrag en van de bij de door de Commissie georganiseerde inschrijvingen behaalde prijzen minder bedroeg dan de aankoopprijs waarvoor de betrokken interventiebureaus de tabak hadden ingekocht, wat verzoekster ter terechtzitting niet heeft weersproken.
104 In die omstandigheden kan de verhoging van het waarborgbedrag bij verordening nr. 3040/91 niet als buitensporig worden beschouwd.
105 Tenslotte moet worden benadrukt, dat de Commissie in het kader van haar beheer van de gemeenschappelijke marktordening voor tabak onder meer moet vermijden dat de afzet van tabak de markt verstoort. Dat de Commissie strenge waarborgen verlangt wijst er in beginsel op, dat de Commissie zich naar behoren van deze taak kwijt. Zekerheidsvoorwaarden als die van verordening nr. 3040/91 brengen noodzakelijkerwijs de uitsluiting mee van ondernemingen die niet in staat zijn daaraan te voldoen. Een dergelijke uitsluiting, die eigen is aan elke zekerheidsvoorwaarde, vormt dus geen schending van het beginsel van gelijke behandeling (zie arrest Hof van 7 april 1992, zaak C-358/90, Compagnia italiana alcool, Jurispr. 1992, blz. I-2457, r.o. 54). Aangezien er onder de inschrijvers voor de vierde inschrijving ook kleine en middelgrote ondernemingen waren, hebben de zekerheidsvoorwaarden in ieder geval niet tot gevolg gehad dat zulke ondernemingen in de praktijk van deelneming aan deze inschrijving waren uitgesloten.
106 Hieruit volgt dat de middelen ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel en schending van het beginsel van gelijke behandeling, ongegrond zijn.
107 Uit het voorgaande volgt, dat verordening nr. 3040/91, voor zover daarbij het waarborgbedrag werd verhoogd, niet is aangetast door een onwettigheid die de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens verzoekster tot gevolg kan hebben.
108 Het door verzoekster in het stadium van repliek ingediende verzoek om een deskundige aan te wijzen en de Commissie te vragen bepaalde aanvullende documenten over te leggen, kan niet worden toegewezen. Enerzijds zijn de bewuste documenten niet nodig voor de oplossing van het geschil, en anderzijds heeft de aanwijzing van een deskundige ter beoordeling van de schade in casu geen enkele zin, nu verzoekster de onwettigheid van de gewraakte handelingen van de Commissie niet heeft aangetoond.
109 Uit al het voorgaande volgt, dat het beroep in zijn geheel dient te worden verworpen, zonder dat behoeft te worden nagegaan of de andere voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap zijn vervuld, te weten dat werkelijk schade is geleden en er een oorzakelijk verband bestaat tussen de handelwijze van de Commissie en de gestelde schade.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
110 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld en de Commissie zulks heeft gevorderd, dient verzoekster in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) verwerpt het beroep.
2) verwijst verzoekster in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy