Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Bepaling houdende vaststelling van afgeleide interventieprijs voor witte suiker voor alle gebieden van Italië voor verkoopseizoen - Beroep van Italiaanse suikerfabrikanten - Niet-ontvankelijkheid
[EG-Verdrag, art. 173, vierde alinea (thans, na wijziging, art. 230, vierde alinea, EG); verordening nr. 1534/95 van de Raad, art. 1, sub f]
Samenvatting
$$Het door de Italiaanse suikerfabrikanten ingestelde beroep tot nietigverklaring van artikel 1, sub f, van verordening nr. 1534/95, waarbij de afgeleide interventieprijs voor witte suiker voor alle gebieden van Italië voor het verkoopseizoen 1995/1996 is vastgesteld, is niet-ontvankelijk.
Deze bepaling is immers van toepassing op objectief bepaalde situaties en richt zich in algemene bewoordingen tot abstract aangewezen categorieën van personen, aangezien zij enerzijds het Italiaanse interventiebureau verplicht om tegen die prijs alle witte suiker te kopen die hem door die fabrikanten wordt aangeboden en zij aldus van toepassing is op een onbepaald aantal transacties, en zij anderzijds, aangezien de vaststelling van die prijs een rechtstreekse invloed heeft op de minimale aankoopprijzen die de suikerfabrikanten aan de Italiaanse suikerbietenproducenten dienen te betalen, ook van toepassing is op een onbepaald aantal transacties die aan de interventiehandelingen voorafgaan.
Het stelsel van "regionalisering" van de prijs van witte suiker, dat voorziet in de jaarlijkse vaststelling van een interventieprijs voor de gebieden zonder tekort en van een afgeleide interventieprijs voor elk van de gebieden met een tekort op een basis die zo nauw mogelijk aanleunt bij de economische realiteit, is objectief van toepassing op alle suikerfabrikanten en op alle suikerbietenproducenten, en is niet individueel tot die fabrikanten gericht.
Zelfs gesteld dat de Raad ten tijde van de vaststelling van voornoemde verordening verzoeksters' identiteit, als houders van productiequota voor suiker, kende, betekent dit niet dat zij individueel worden geraakt, aangezien de algemene strekking, en daarmee het normatieve karakter, van een bepaling niet wordt aangetast door de mogelijkheid, dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop deze op een bepaald moment van toepassing is, met meer of mindere mate van zekerheid kan worden bepaald, zolang maar vaststaat, dat deze toepassing geschiedt op grond van een door de betrokken handeling omschreven rechtens of feitelijk objectieve situatie.
Het enkele feit dat verzoeksters houders van productiequota zijn, betekent niet dat specifieke rechten van hen zijn aangetast. Vóór de vaststelling van de litigieuze verordening ging de toekenning van productiequota aan verzoeksters immers niet gepaard met een verworven recht op vaststelling van een bepaalde interventieprijs. Verzoeksters' rechtspositie verschilde dus niet van die van de andere houders van productiequota, die allen genoegen dienden te nemen met de interventieprijzen die de Raad had vastgesteld op basis van de vooruitzichten inzake de voorziening in de verschillende productiegebieden.
Partijen
In zaak T-168/95,
Eridania Zuccherifici Nazionali SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Genua (Italië),
ISI - Industria Saccarifera Italiana Agroindustriale SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Padua (Italië),
Sadam Zuccherifici, afdeling van SECI - Società Esercizi Commerciali Industriali SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Bologna (Italië),
Sadam Castiglionese SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Bologna,
Sadam Abruzzo SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Bologna,
Zuccherificio del Molise SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Termoli (Italië),
SFIR - Società Fondiaria Industriale Romagnola SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Cesena (Italië),
Ponteco Zuccheri SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Pontelagoscuro (Italië),
vertegenwoordigd door B. O'Connor, Solicitor, en I. Vigliotti en P. Crocetta, advocaten te Genua, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Kronshagen, advocaat aldaar, Boulevard de la Foire 12,
verzoeksters,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.-P. Hix en I. Díez Parra, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Morbilli, directeur-generaal van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. de March, juridisch adviseur, en F. P. Ruggeri Laderchi, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
interveniënte,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1534/95 van de Raad van 29 juni 1995 tot vaststelling voor het verkoopseizoen 1995/1996 van de afgeleide interventieprijzen voor witte suiker, de interventieprijs voor ruwe suiker, de minimumprijzen voor A-suikerbieten en B-suikerbieten, alsmede het bedrag van de vergoeding voor de verevening van de opslagkosten (PB L 148, blz. 11), voor zover daarin in het kader van de vaststelling van de afgeleide interventieprijzen voor witte suiker is verklaard, dat een tekort te verwachten valt in de productiegebieden van Italië,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Eerste kamer),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, president, J. Pirrung en M. Vilaras, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 26 januari 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Rechtskader
1 Verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 177, blz. 4; hierna: "basisverordening"), herhaaldelijk gewijzigd, heeft onder meer tot doel de suikerbieten- en suikerrietproducenten van de Gemeenschap de noodzakelijke waarborgen inzake werkgelegenheid en levensstandaard te blijven verzekeren (derde overweging van de considerans), en voert daartoe met name een prijsregeling en een quotaregeling in.
2 In de quotaregeling is voor elk van de productiegebieden van de Gemeenschap de te produceren hoeveelheid suiker vastgesteld, welke hoeveelheid de lidstaten in de vorm van productiequota moeten verdelen onder de verschillende op hun grondgebied gevestigde suikerproducerende ondernemingen. De basisverordening voert een onderscheid in tussen verschillende soorten quota, waaronder de "geprivilegieerde" quota, die binnen de gemeenschappelijke markt vrij kunnen worden verhandeld. Deze quota hebben betrekking op een jaarlijks verkoopseizoen, dat loopt van 1 juli tot en met 30 juni van het daaropvolgende jaar.
3 De prijsregeling bevat een interventieregeling ter garantie van de prijzen en de afzet van de producten, waarbij de door de interventiebureaus toegepaste prijzen elk jaar door de Raad worden vastgesteld.
4 Voor witte suiker gelden niet in de gehele Gemeenschap dezelfde prijzen. Ingevolge lid 1 van artikel 3 van de basisverordening wordt namelijk voor de gebieden zonder tekort een "interventieprijs" en voor de gebieden met een tekort een "afgeleide interventieprijs" vastgesteld. Volgens artikel 9, lid 1, tweede alinea, van die verordening zijn die verschillende prijzen van toepassing naar gelang van het gebied waar de suiker zich op het ogenblik van de aankoop bevindt. Gebieden met een tekort zijn gebieden waarin de uit hoofde van "geprivilegieerde" quota geproduceerde hoeveelheid kleiner is dan het verbruik. Die differentiatie van de prijzen, "regionalisering" genaamd, beoogt de bevoorrading van gebieden met een tekort door de suikerfabrikanten van andere gebieden te verzekeren. De afgeleide interventieprijzen worden immers op een hoger niveau vastgesteld dan de interventieprijzen, daar het verschil tussen de twee prijzen wordt geacht de extra vervoerskosten te dekken.
5 De basisverordening voorziet in artikel 5 ook in een prijsregeling voor de tot suiker verwerkte bieten. De suikerfabrikanten moeten ingevolge artikel 6, leden 1 en 2, namelijk aan de suikerbietenproducenten minimumprijzen betalen, die variëren naar gelang van het gebied waar de bieten zijn geproduceerd. Volgens artikel 5, lid 3, worden voor de gebieden waarvoor een afgeleide interventieprijs voor witte suiker is vastgesteld, deze minimumprijzen verhoogd met een bedrag gelijk aan het verschil tussen de afgeleide interventieprijs voor het betrokken gebied en de interventieprijs, op welk bedrag de coëfficiënt 1,30 wordt toegepast.
6 Aldus stelt de basisverordening voor de gebieden met een tekort, binnen de grenzen van de toegekende quota, een hogere prijs vast voor de aankoop van de voor de suikerproductie benodigde grondstof en tegelijkertijd, een hogere vergoeding voor in die gebieden geproduceerde suiker.
7 Tot het verkoopseizoen 1994/1995 deelde de Raad bij elke jaarlijkse vaststelling van de interventieprijzen Italië in bij de gebieden van de Gemeenschap met een tekort, en stelde hij dus afgeleide interventieprijzen voor dit gebied vast, terwijl volgens de Italiaanse suikerindustrie Italië een gebied met een overschot aan het worden was.
8 Voor het verkoopseizoen 1995/1996 werden de interventieprijzen voor witte suiker voor de gebieden zonder tekort bij artikel 1, lid 2, van verordening (EG) nr. 1533/95 van de Raad van 29 juni 1995 tot vaststelling voor het verkoopseizoen 1995/1996 van bepaalde prijzen in de sector suiker en van de standaardkwaliteit voor suikerbieten (PB L 148, blz. 9; hierna: "verordening nr. 1533/95") vastgesteld op 63,19 ECU per 100 kg. Overeenkomstig artikel 1, sub f, van verordening (EG) nr. 1534/95 van de Raad van 29 juni 1995 tot vaststelling voor het verkoopseizoen 1995/1996 van de afgeleide interventieprijzen voor witte suiker, de interventieprijs voor ruwe suiker, de minimumprijzen voor A-suikerbieten en B-suikerbieten, alsmede het bedrag van de vergoeding voor de verevening van de opslagkosten (PB L 148, blz. 11; hierna: "verordening nr. 1534/95" of "bestreden verordening"), bedroeg de afgeleide interventieprijs voor witte suiker voor datzelfde verkoopseizoen voor alle gebieden van Italië 65,53 ECU per 100 kg, nu zoals in de derde overweging van de considerans van die verordening was vastgesteld, "een tekort te verwachten [viel] in de productiegebieden van Italië (...)".
Procesverloop
9 In die omstandigheden hebben verzoeksters, in Italië gevestigde vennootschappen die samen 92 % van de aan Italië toegekende productiequota voor suiker bezitten, bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 5 september 1995, krachtens artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230, vierde alinea, EG) het onderhavige beroep ingesteld.
10 Bij beschikking van 7 november 1995, Eridania e.a./Raad (T-168/95 R, Jurispr. blz. II-2817), heeft de president van het Gerecht het door verzoeksters ingediende verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 1, sub f, van verordening nr. 1534/95 afgewezen.
11 Bij afzonderlijke akte, op 9 november 1995 ter griffie van het Gerecht neergelegd, heeft de Raad krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Verzoeksters hebben op 5 januari 1996 hun opmerkingen over deze exceptie ingediend.
12 Bij beschikking van 19 maart 1996 heeft de president van de Tweede kamer van het Gerecht het door de Commissie op 31 januari 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoek tot tussenkomst aan de zijde van de Raad toegewezen. Op 3 mei 1996 heeft de Commissie een memorie in interventie ingediend. Bij memories, ter griffie neergelegd op respectievelijk 25 mei en 14 juni 1996, hebben verzoeksters en de Raad hun opmerkingen over die memorie in interventie ingediend.
13 Bij beschikking van 25 juni 1997 heeft het Gerecht (Tweede kamer) deze exceptie met de zaak ten gronde gevoegd.
14 Bij beschikking van het Gerecht van 21 september 1998 is de rechter-rapporteur bij de Eerste kamer aangewezen, zodat de zaak aan die kamer is toegewezen.
15 Het Gerecht (Eerste kamer) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Ter terechtzitting van 26 januari 1999 zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht.
Conclusies van partijen
16 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
- het beroep ontvankelijk te verklaren;
- verordening nr. 1534/95, of althans artikel 1, sub f, daarvan, nietig te verklaren;
- in voorkomend geval nietig te verklaren alle voor of na verordening nr. 1534/95 vastgestelde handelingen die daarmee verband houden, met inbegrip van de basisverordening, of althans de artikelen 3, 5 en 6 daarvan en alle bepalingen tot uitvoering van die artikelen;
- de Raad te verwijzen in de kosten;
- de Commissie te verwijzen in de kosten die voortvloeien uit haar interventie.
17 De Raad concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;
- verzoeksters in de kosten te verwijzen.
18 In haar memorie in interventie concludeert de Commissie dat het het Gerecht behage:
- de conclusies van de Raad toe te wijzen en het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren.
De ontvankelijkheid van het beroep
19 Tot staving van zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid voert de Raad drie middelen aan. Het eerste middel is gebaseerd op het verstrijken van de beroepstermijn van artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag; met het tweede middel wordt betoogd, dat verzoeksters geen procesbevoegdheid hebben uit hoofde van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag; het derde middel is ontleend aan schending van artikel 19, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG en van artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, omdat het verzoekschrift de door die bepalingen verlangde nauwkeurigheid mist.
Middelen en argumenten van partijen
Eerste middel: verstrijken van de beroepstermijn
20 Volgens de Raad is het beroep, voor zover het strekt tot nietigverklaring van de artikelen 3, 5 en 6 van de basisverordening, ingediend na het verstrijken van de termijn van twee maanden als bedoeld in artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag. De basisverordening is immers vastgesteld op 30 juni 1981, en de huidige tekst van voornoemde artikelen is in 1995 niet gewijzigd.
21 Verzoeksters betogen, dat zij in hun verzoekschrift in de eerste plaats de nietigverklaring van artikel 1, sub f, van verordening nr. 1534/95 hebben gevorderd, en subsidiair de geldigheid hebben betwist van de artikelen 3, 5 en 6 van de basisverordening, voor zover zou blijken dat artikel 1, sub f, van verordening nr. 1534/95 op die artikelen is gebaseerd. Zij onderstrepen dienaangaande, dat ingevolge artikel 184 EG-Verdrag (thans artikel 241 EG) degene die de nietigverklaring van een verordening vordert, onrechtstreeks ook kan opkomen tegen een tweede verordening waarop de eerste is gebaseerd.
Tweede middel: ontbreken van procesbevoegdheid van verzoeksters
22 Volgens de Raad worden verzoeksters door artikel 1, sub f, van verordening nr. 1534/95 rechtstreeks noch individueel geraakt. De Raad verzet zich in het bijzonder tegen verzoeksters' stelling, dat zij zouden behoren tot een beperkte kring van geïndividualiseerde en identificeerbare marktdeelnemers, met name de Italiaanse suikerfabrikanten met een productiequotum, precies omdat die kring niet beperkt is.
23 De Raad preciseert, dat de productiequotaregeling in de suikersector voorziet in de mogelijkheid om quota toe te kennen aan "nieuwkomers". Artikel 25 van de basisverordening staat de lidstaten immers toe om op basis van herstructureringsplannen onbegrensd quotaoverdrachten tussen ondernemingen te verrichten. De potentiële kring van Italiaanse suikerfabrikanten met productiequota kan bijgevolg niet a priori worden bepaald. Hij voegt daaraan toe, dat de bestreden handeling niet alleen de Italiaanse suikerfabrikanten betreft, maar ook de Italiaanse suikerbietenproducenten, aangezien de minimumprijzen voor suikerbieten worden berekend op basis van de afgeleide interventieprijzen voor suiker. De kring van personen die door de bestreden verordening worden geraakt, is derhalve niet gesloten en kan in de toekomst worden uitgebreid, zodat in casu aan de in de arresten van het Hof van 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie (C-152/88, Jurispr. blz. I-2477), en 6 november 1990, Weddel/Commissie (C-354/87, Jurispr. blz. I-3847), gestelde ontvankelijkheidsvoorwaarden niet is voldaan.
24 De Raad brengt ook in herinnering, dat volgens de rechtspraak de algemene strekking en, daarmee, het normatieve karakter van een handeling niet worden aangetast door de omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie deze op een bepaald moment van toepassing is, met meer of mindere mate van zekerheid kan worden bepaald, zolang maar vaststaat dat deze toepassing geschiedt op grond van een rechtens of feitelijk objectieve situatie die door de handeling is omschreven in samenhang met de doelstelling van die handeling (arrest Hof van 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C-309/89, Jurispr. blz. I-1853, punt 18, en beschikking Gerecht van 29 juni 1995, Cantina cooperativa fra produttori vitivinicoli di Torre di Mosto e.a./Commissie, T-183/94, Jurispr. blz. II-1941, punt 48). Welnu, verordening nr. 1534/95 is juist op grond van een rechtens en feitelijk objectieve situatie vastgesteld. Bij die verordening werden namelijk voor het verkoopseizoen 1995/1996 de afgeleide interventieprijzen voor witte suiker en de minimumprijzen voor suikerbieten bepaald. Uit de considerans van die verordening blijkt, dat de Raad de prijzen op basis van objectieve criteria heeft vastgesteld, onder meer rekening houdend met het feit dat er in bepaalde gebieden, waaronder Italië, een tekort te verwachten viel. De bestreden verordening bevat daarentegen geen enkel concreet element op grond waarvan kan worden besloten, dat de afgeleide prijzen zijn vastgesteld met inaanmerkingneming van verzoeksters' specifieke situatie. Verzoeksters worden door de bestreden verordening derhalve enkel geraakt in hun objectieve hoedanigheid van suikerfabrikanten.
25 De enkele omstandigheid dat verzoeksters productiequota bezitten, volstaat hoe dan ook niet om aan te tonen dat zij in hun rechtspositie zijn geraakt, zoals de rechtspraak voorschrijft (arrest Codorníu/Commissie, reeds aangehaald, punt 20). Anders dan de verordening waarom het in de zaak Codorníu ging, doet de vaststelling van het bedrag van de afgeleide interventieprijzen geen afbreuk aan verzoeksters' "rechtspositie" en raakt zulks evenmin hun "specifieke rechten" (beschikking Gerecht van 20 oktober 1994, Asocarne/Raad, T-99/94, Jurispr. blz. II-871, punt 20).
26 In haar memorie in interventie sluit de Commissie zich aan bij de argumenten van de Raad. Zij onderstreept, dat de bestreden verordening het te verwachten tekort in Italië wil verhelpen op basis van objectieve marktcriteria, de tendensen van de voorgaande verkoopseizoenen daaronder begrepen. De verordening heeft niet alleen betrekking op de Italiaanse suikerfabrikanten, maar op alle marktdeelnemers van de sector, met inbegrip van de producenten en de verkopers van suikerbieten, zonder dat aan bepaalde marktdeelnemers een specifieke bescherming wordt verleend.
27 Om te beginnen betogen verzoeksters, dat artikel 1, sub f, van verordening nr. 1534/95 de afgeleide interventieprijs voor witte suiker voor alle gebieden van Italië vaststelt, hetgeen betekent dat zij voor suikerbieten een hogere minimumprijs moeten betalen dan de fabrikanten uit gebieden zonder een tekort. De uitvoering van die bepaling gebeurt automatisch en laat geen ruimte voor enige beoordelingsvrijheid, zodat zij voor verzoeksters rechtstreekse werking heeft.
28 Vervolgens stellen verzoeksters, dat artikel 1, sub f, van verordening nr. 1534/95 hen individueel raakt omdat zij deel uitmaken van een beperkte kring van personen die bij de gemeenschapsinstellingen bekend waren. In dat kader verwijzen zij naar de op de lidstaten rustende verplichting om de communautaire autoriteiten in te lichten over de verdeling van de quota over de suikerproducenten, zoals blijkt uit de artikelen 25, lid 2, en 39 van de basisverordening en uit verordening (EEG) nr. 787/83 van de Commissie van 29 maart 1983 betreffende de mededelingen in de sector suiker (PB L 88, blz. 6; hierna: "verordening nr. 787/83"). De Raad kende bij de vaststelling van verordening nr. 1534/95 de identiteit van de Italiaanse suikerproducenten die voor het verkoopseizoen 1995/1996 over quota zouden beschikken. Welnu, verzoeksters maakten daar deel van uit, en het was uitgesloten dat daar nog andere quotabezitters konden bijkomen.
29 Voor zover de Raad onder verwijzing naar artikel 25 van de basisverordening stelt dat het aantal suikerproducenten niet vaststaat maar dat "nieuwkomers" toegelaten zijn, beklemtonen verzoeksters dat de lidstaten de quota voor het verkoopseizoen 1995/1996 slechts konden overdragen vóór 1 maart 1995. Artikel 7 van verordening (EEG) nr. 193/82 van de Raad van 26 januari 1982 houdende de algemene voorschriften voor quotaoverdrachten in de sector suiker (PB L 21, blz. 3), bepaalt immers, dat de lidstaat die artikel 25, lid 2, van de basisverordening toepast, de gewijzigde quota vóór 1 maart toewijst, voor toepassing ervan tijdens het volgende verkoopseizoen. Verzoeksters maken daaruit op, dat artikel 1, sub f, van verordening nr. 1534/95 ten tijde van de vaststelling van die verordening op 29 juni 1995 enkel betrekking kon hebben op de beperkte kring van Italiaanse suikerproducerende ondernemingen die op 1 maart 1995 waren bepaald.
30 Tevens betogen verzoeksters, dat blijkens het bijzonder rapport nr. 4/91 van de Rekenkamer betreffende de werking van de gemeenschappelijke marktordening in de sector suiker en isoglucose, de langdurige toepassing van de quotaregeling productierechten in het leven heeft geroepen ten voordele van de houders van quota, zodat die productiequota tot echte individuele rechten hebben geleid. Aangezien de Commissie in haar officieel antwoord op die verklaringen dienaangaande geen bezwaren heeft geformuleerd, heeft zij impliciet erkend dat de productiequota echte individuele rechten zijn geworden en dat elke maatregel die de communautaire autoriteiten op het vlak van die rechten treffen, de houders van die rechten bijgevolg rechtstreeks en individueel raakt.
31 Onder verwijzing naar met name de reeds aangehaalde arresten Sofrimport/Commissie en Weddel/Commissie, en naar de arresten van het Hof van 1 juli 1965, Töpfer e.a./Commissie (106/63 en 107/63, Jurispr. blz. 507), en 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie (11/82, Jurispr. blz. 207), stellen verzoeksters, dat zij een tegenover de producenten uit andere regio's van de Gemeenschap voldoende gekarakteriseerde groep vormen. Verordening nr. 1534/95 stelt immers de afgeleide interventieprijzen vast voor de zes gebieden met een tekort van de Gemeenschap en vormt aldus, aangezien zij op uitzonderlijke omstandigheden is gebaseerd, een afwijking van de basisregeling van verordening nr. 1533/95, waarbij met name de interventieprijzen voor witte suiker voor de gebieden zonder een tekort van de Gemeenschap zijn vastgesteld. Overigens zou zij zijn vastgesteld op basis van door verzoeksters zelf verstrekte informatie.
32 Wat dat laatste punt betreft, preciseren verzoeksters dat de overweging dat Italië een gebied met een tekort is, berust op een verkeerde interpretatie van de inlichtingen die zij via de Italiaanse autoriteiten aan de Commissie zouden hebben verstrekt. De cijfers die zij hebben voorgelegd en die betrekking hadden op de reeds bereikte en de te verwachten productie en op hun individuele productiecapaciteit, zouden aantonen dat Italië geen gebied met een tekort is. Verzoeksters voegen daaraan toe, dat zij overeenkomsten hebben gesloten met de Italiaanse bietentelers. De vaststelling van de afgeleide interventieprijs is bepalend voor de prijs die zij aan hen moeten betalen. Bovendien zou verzoeksters' productiecapaciteit met die overeenkomsten verbonden zijn.
33 Ten slotte onderstrepen zij, dat Italië bij artikel 46 van de basisverordening is gemachtigd om tot het verkoopseizoen 1994/1995 steun aan de Italiaanse industrie te verlenen, hetgeen de bijzondere situatie van de Italiaanse producenten met quota zou bevestigen. Door voor Italië de geregionaliseerde prijzen te behouden, en tegelijkertijd, bij verordening (EG) nr. 1101/95 van 24 april 1995 tot wijziging van verordening nr. 1785/81 en van verordening (EEG) nr. 1010/86 houdende vaststelling van de algemene voorschriften inzake de restitutie bij de productie voor bepaalde in de chemische industrie gebruikte producten van de sector suiker (PB L 110, blz. 1; hierna: "verordening nr. 1101/95"), de mogelijkheid van toekenning van steun voor het verkoopseizoen 1995/1996 af te schaffen, was de Raad zich er perfect van bewust dat dit neerkwam op een discriminatoire behandeling van de verzoeksters.
Het derde middel: de onnauwkeurigheid van het verzoekschrift
34 De Raad betoogt, dat het verzoekschrift niet voldoet aan de vereisten inzake nauwkeurigheid neergelegd in artikel 19, eerste alinea, van 's Hofs Statuut, en in artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. De conclusies strekkende tot nietigverklaring, in het algemeen, van andere bepalingen dan artikel 1, sub f, van verordening nr. 1534/95 en van alle voor of na die verordening vastgestelde handelingen die daarmee verband houden, met inbegrip van de basisverordening, volstaan niet om het voorwerp van het beroep te bepalen, nu verzoeksters niet hebben gepreciseerd tegen welke bepalingen van voornoemde verordeningen hun bezwaren zijn gericht.
35 Verzoeksters zijn van mening, dat het voorwerp van hun verzoekschrift voldoende nauwkeurig is.
Beoordeling door het Gerecht
De onnauwkeurigheid van het verzoekschrift en het verval van recht (eerste en derde middel)
36 Verzoeksters hebben in hun verzoekschrift gepreciseerd, dat zij enkel om nietigverklaring van artikel 1, sub f, van verordening nr. 1534/95 verzoeken, en dat zij tegen de artikelen 3, 5 en 6 van de in 1981 vastgestelde basisverordening slechts "in voorkomend geval" opkomen, dat wil zeggen voor zover artikel 1, sub f, op die artikelen is gebaseerd. Verzoeksters voeren aldus de niet-toepasselijkheid van die artikelen van de basisverordening aan onder verwijzing naar artikel 184 van het Verdrag, hetgeen neerkomt op het opwerpen van een exceptie van onwettigheid tot staving van de conclusies van het beroep. Gelet op deze beperking van de conclusies van het beroep, is het eerste middel van niet-ontvankelijkheid, ontleend aan het verstrijken van de beroepstermijn, zonder voorwerp geworden.
37 Verzoeksters hebben ook verzocht om nietigverklaring van alle voor of na verordening nr. 1534/95 vastgestelde handelingen, met inbegrip van de basisverordening, die daarmee verband houden, en van alle bepalingen tot uitvoering daarvan, doch hebben niet gepreciseerd welke handelingen of bepalingen zij bedoelden. Krachtens artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet het verzoekschrift evenwel het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Bovendien staat het niet aan de gemeenschapsrechter om zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de verzoeker, en zelf te bepalen welke handelingen de verzoeker kunnen bezwaren en waarvan hij de nietigverklaring kan vorderen (arrest Hof van 28 mei 1970, Lacroix/Commissie, 30/68, Jurispr. blz. 301, punten 22 en 24). Voornoemde conclusies moeten derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
Verzoeksters' procesbevoegdheid (tweede middel)
38 Krachtens artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag, is de ontvankelijkheid van een door een natuurlijk of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring van een verordening afhankelijk van de voorwaarde, dat de bestreden verordening in werkelijkheid een beschikking is die de verzoeker rechtstreeks en individueel raakt. Het criterium voor het onderscheid tussen een verordening en een beschikking moet worden gezocht in de al dan niet algemene strekking van de betrokken handeling. Een handeling heeft een algemene strekking, indien zij van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor algemeen en abstract aangewezen categorieën van personen (beschikking Hof van 24 april 1996, CNPAAP/Raad, C-87/95 P, Jurispr. blz. I-2003, punt 33; arrest Gerecht van 10 juli 1996, Weber/Commissie, T-482/93, Jurispr. blz. II-609, punt 55, en beschikking Gerecht van 8 december 1998, Sadam e.a./Raad, T-39/98, Jurispr. blz. II-4207, punt 17).
39 In casu betekent de vaststelling, bij artikel 1, sub f, van de bestreden verordening, van de afgeleide interventieprijs voor witte suiker "voor alle gebieden van Italië" voor het verkoopseizoen 1995/1996, dat het Italiaanse interventiebureau krachtens artikel 9, lid 1, van de basisverordening verplicht is om tegen die prijs alle witte suiker te kopen die hem door de Italiaanse producenten wordt aangeboden, voor zover de daartoe vastgestelde voorwaarden zijn vervuld. De betrokken bepaling is dus van toepassing op een onbepaald aantal transacties die in de loop van het bedoelde verkoopseizoen zullen plaatsvinden. Krachtens de gecombineerde bepalingen van de artikelen 3, lid 1, 5, lid 3, en 6, leden 1 en 2, van de basisverordening, heeft de vaststelling van de afgeleide interventieprijs ook een rechtstreekse invloed op de aankoopprijzen die de Italiaanse suikerfabrikanten in het kader van de voor hetzelfde verkoopseizoen te sluiten leveringsovereenkomsten aan de Italiaanse suikerbietenproducenten dienen te betalen. De betrokken bepaling heeft derhalve ook gevolgen voor een onbepaald aantal transacties die aan de interventiehandelingen voorafgaan. Daaruit volgt, dat artikel 1, sub f, van verordening nr. 1534/95 van toepassing is op objectief bepaalde situaties en zich in algemene bewoordingen richt tot abstract aangewezen categorieën van personen.
40 Het is evenwel niet uitgesloten, dat een bepaling die naar haar aard en strekking algemeen van aard is, een natuurlijke of rechtspersoon individueel kan raken, wanneer die persoon wordt geraakt uit hoofde van bepaalde specifieke eigenschappen van die persoon of uit hoofde van een feitelijke situatie, welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem dus individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat van een beschikking (arrest Hof van 15 februari 1996, Buralux e.a./Raad, C-209/94 P, Jurispr. blz. I-615, punt 25).
41 In casu zij opgemerkt, dat artikel 1, sub f, van de bestreden verordening voor alle productiegebieden van Italië één specifieke afgeleide interventieprijs vaststelt, die volgens het hierboven beschreven mechanisme van toepassing is op de Italiaanse suikerfabrikanten in hun relaties met enerzijds het interventiebureau en anderzijds de suikerbietenproducenten. De vaststelling dat in de gebieden van Italië een tekort te verwachten viel, was bovendien het noodzakelijk uitvloeisel van het naast elkaar leggen van de productiecijfers van de Italiaanse suikerproducerende ondernemingen, waaronder verzoeksters, en de nationale consumptiecijfers. Om te bepalen of op basis daarvan kan worden geconcludeerd, dat verzoeksters individueel werden geraakt, moet voornoemde verordeningsbepaling worden beschouwd in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker.
42 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat artikel 3, lid 1, van de basisverordening voor witte suiker voorziet in de jaarlijkse vaststelling van een interventieprijs voor de gebieden zonder tekort van de Gemeenschap, en van een afgeleide interventieprijs voor ieder gebied met een tekort. Krachtens die bepaling heeft de Raad voor het verkoopseizoen 1995/1996 artikel 1, sub a tot en met f, van verordening nr. 1534/95 vastgesteld, waarbij alle gebieden van het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Portugal, Finland, Spanje en Italië als gebieden met een tekort zijn aangemerkt.
43 In het kader van die "regionalisering" van de prijsregeling (zie hierboven, punt 4), streeft de gemeenschapswetgever ernaar, om de goede werking van de gemeenschappelijke ordening der markten te verzekeren, rekening te houden met de specifieke eigenschappen van elk van de verschillende productiegebieden die samen de gemeenschappelijke markt vormen. Het enkele feit dat de wetgever de afgeleide interventieprijzen voor witte suiker niet op forfaitaire en algemene wijze vaststelt, maar op een basis die zo nauw mogelijk aanleunt bij de economische realiteit en daarmee, zoals in punt 3 van de derde overweging van de considerans is gezegd, de "stabilisatie van de suikermarkt" beoogt, is evenwel niet voldoende om artikel 1, sub f, van de bestreden verordening het karakter van een geheel van beschikkingen te verlenen, die elk van de producenten in gebieden met een tekort individueel zouden raken. De "regionalisering" is immers objectief van toepassing op alle suikerfabrikanten en op alle suikerbietenproducenten, en is niet individueel tot de verzoeksters gericht.
44 Verzoeksters' argument, dat zij de gemeenschapsinstellingen vóór de vaststelling van de bestreden verordening cijfergegevens over hun productie hadden verstrekt, is dienaangaande niet relevant. Vastgesteld moet immers worden, dat de regeling van de "regionalisering" noodzakelijkerwijze berust op de productiecijfers van elke suikerproducerende onderneming die in een gebied met of zonder tekort is gevestigd. De Raad kan de verschillende productiegebieden van de Gemeenschap enkel op basis van hem verstrekte gegevens over de actuele en/of te verwachten productie en consumptie als een gebied met of zonder een tekort aanmerken. Dienaangaande legt verordening nr. 787/83 elk van de lidstaten een informatieplicht op, die onder meer de mededeling behelst van bepaalde gegevens betreffende "elk suikerproducerend bedrijf op zijn grondgebied" (artikel 9, punt 1). Dat verzoeksters de gemeenschapsinstellingen dergelijke inlichtingen hebben verstrekt, volstaat derhalve niet om hen in het kader van de "regionalisering" te onderscheiden van elke andere communautaire suikerproducent, te meer daar de Raad, zoals uit de stukken blijkt, de bestreden verordening niet heeft vastgesteld op basis van de door de Commissie verstrekte informatie over de specifieke situatie van elk van de verzoekende ondernemingen.
45 Daaraan dient hoe dan ook nog te worden toegevoegd, dat indien verzoeksters' stelling zou worden aanvaard, elke in enig gebied met een tekort gevestigde suikerfabrikant de jaarlijkse vaststelling van de afgeleide interventieprijs opnieuw ter discussie zou kunnen stellen en bijgevolg weigeren om de suikerbietenproducenten een hogere aankoopprijs te betalen, door het bestaan van een tekort in zijn gebied te betwisten. Omgekeerd zou deze stelling ook betekenen, dat elke in een gebied zonder tekort gevestigde suikerbietenproducent de jaarlijkse vaststelling van de interventieprijs ter discussie zou kunnen stellen en bijgevolg de betaling van een hogere aankoopprijs door de suikerfabrikanten zou kunnen verkrijgen, door te stellen dat er in zijn gebied wél een tekort is. Alle marktdeelnemers die betrokken zijn bij de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt en die zich door de kwalificatie van hun gebied benadeeld voelen, zouden dus de op het communautaire vlak toegepaste regeling van de gedifferentieerde prijzen in haar geheel ter discussie kunnen stellen, wat zou indruisen tegen het verordenend karakter van de daartoe door de Raad vastgestelde maatregelen.
46 Verzoeksters' argument, dat zij door de bestreden verordeningsbepaling "individueel worden geraakt" doordat zij deel uitmaken van een "gesloten kring", kan evenmin worden aanvaard. In de eerste plaats - gesteld dat de Raad ten tijde van de vaststelling van de bestreden verordening verzoeksters' identiteit werkelijk kende - volgt uit vaste rechtspraak, dat de algemene strekking en, daarmee, het normatieve karakter van een bepaling niet wordt aangetast door de mogelijkheid, dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop deze op een bepaald moment van toepassing is, met meer of mindere mate van zekerheid kan worden bepaald, zolang maar vaststaat, dat deze toepassing geschiedt op grond van een door de handeling omschreven rechtens of feitelijk objectieve situatie (beschikking Hof van 18 december 1997, Sveriges Betodlares en Henrikson/Commissie, C-409/96 P, Jurispr. blz. I-7531, punt 37).
47 In de tweede plaats, zoals hierboven reeds is uiteengezet, vloeit de "gesloten kring" waarop verzoeksters zich beroepen, voort uit de aard zelf van de regeling inzake "regionalisering", die is gebaseerd op het informatiemechanisme van verordening nr. 787/83, en juist tot gevolg heeft dat de gemeenschapsinstellingen de identiteit van de in elk productiegebied gevestigde suikerfabrikanten kunnen kennen. Verzoekster maken derhalve deel uit van een "gesloten kring" op dezelfde manier als alle andere communautaire suikerfabrikanten die zich in dezelfde situatie bevinden.
48 In ieder geval - zoals de Raad ter terechtzitting door verzoeksters onweersproken heeft onderstreept - delen de lidstaten de Commissie vóór de vaststelling van de verschillende suikerprijzen voor elk jaarlijks verkoopseizoen weliswaar inlichtingen mee betreffende de evolutie van de productie en het verbruik van suiker op hun grondgebied en betreffende de reeds toegekende productiequota voor suiker, doch beschikte de Raad bij de vaststelling van de bestreden verordening niet over specifieke informatie over elk van de Italiaanse ondernemingen die voor het verkoopseizoen 1995/1996 suikerproductiequota hadden, maar stelde hij de verschillende prijzen voor witte suiker vast op basis van de algemene gegevens inzake de suikerproductie in Italië.
49 De rechtspraak die verzoeksters dienaangaande ter ondersteuning van de ontvankelijkheid van hun beroep aanhalen, is in casu evenmin relevant. Deze rechtspraak heeft immers betrekking op bepaalde specifieke situaties betreffende individuele aanvragen van invoervergunningen, die gedurende een gegeven korte periode en voor welbepaalde hoeveelheden zijn ingediend (zie arresten Töpfer e.a./Commissie en Weddel/Commissie, reeds aangehaald), of op situaties waarin op de gemeenschapsinstellingen de verplichting rust om rekening te houden met de gevolgen welke de overwogen handeling voor de situatie van bepaalde rechtssubjecten zal hebben (zie arresten Sofrimport/Commissie en Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, reeds aangehaald). Dergelijke omstandigheden doen zich in casu evenwel niet voor. Verzoeksters hebben met name niet gesteld, dat op de Raad een verplichting rustte om de Italiaanse producenten in het kader van de regeling inzake "regionalisering" een bijzonder uitgebreide bescherming te verzekeren, welke verder zou gaan dan het doel van de "regionalisering" zelf, dat erin bestaat rekening te houden met de specifieke kenmerken van elk productiegebied en, daarmee, met de belangen van alle suikerfabrikanten en van alle suikerbietenproducenten van de Gemeenschap (zie ook arrest Buralux e.a./Raad, reeds aangehaald, punten 32-34).
50 Verzoeksters betogen voorts, dat de bestreden verordeningsbepaling de individuele productierechten aantast die hun als houders van krachtens de basisverordening toegekende productiequota toekomen (arresten Codorníu/Raad en Weber/Commissie, reeds aangehaald).
51 Dienaangaande kan worden volstaan met op te merken, dat vóór de vaststelling van de litigieuze verordening de toekenning van productiequota aan verzoeksters niet gepaard ging met een verworven recht op vaststelling van een bepaalde interventieprijs. Verzoeksters' rechtspositie verschilde dus niet van die van de andere houders van productiequota die allen genoegen dienden te nemen met de interventieprijzen die de Raad had vastgesteld op basis van de vooruitzichten inzake de voorziening in de verschillende productiegebieden. In die omstandigheden betekent het enkele feit dat verzoeksters productiequota bezitten, niet dat hun toekomende specifieke rechten - in de zin van het arrest Codorníu/Raad, reeds aangehaald - zouden geschonden zijn, te meer daar zij niet hebben beweerd dat de bestreden verordeningsbepaling een waardedaling van hun quota teweegbracht.
52 Het argument dat verzoeksters ontlenen aan de vermeende afschaffing, bij verordening nr. 1101/95, van de mogelijkheid voor de Italiaanse Staat om steun toe te kennen aan de Italiaanse suikerproducerende industrie, welke mogelijkheid aanvankelijk was neergelegd in artikel 46 van de basisverordening, kan evenmin worden aanvaard. Gesteld dat die afschaffing het gevolg zou zijn van de vaststelling van voornoemde verordening, kan deze omstandigheid verzoeksters' situatie evenmin voldoende karakteriseren ten aanzien van de situatie van alle andere marktdeelnemers in de suikersector. Bovendien moet worden vastgesteld, dat verzoeksters geen elementen hebben aangevoerd waaruit blijkt dat zij zich in een zodanig specifieke situatie bevonden, dat de vermeende afschaffing van de steun aan de Italiaanse suikerindustrie bij verordening nr. 1101/95 geen algemene strekking had, maar hen individueel betrof.
53 Hetzelfde geldt voor het feit dat verzoeksters met de suikerbietenproducenten leveringsovereenkomsten hadden gesloten die werden beheerst door de litigieuze afgeleide interventieprijs. Verzoeksters hebben immers niet beweerd, dat de uitvoering van hun specifieke overeenkomsten was verhinderd door de toepassing van de bestreden verordeningsbepaling, zodat een concrete rechtspositie zou zijn aangetast. Het sluiten van dergelijke overeenkomsten kan derhalve enkel worden aangemerkt als een onderdeel van de normale handelsactiviteit van elke suikerproducerende onderneming.
54 Daaruit volgt dat verzoeksters door artikel 1, sub f, van verordening nr. 1534/95 niet individueel worden geraakt. Het tweede middel van niet-ontvankelijkheid moet derhalve worden aanvaard.
55 Uit een en ander volgt, dat het beroep niet-ontvankelijk is.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
56 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld en de Commissie dit heeft gevorderd, dienen zij hoofdelijk in hun eigen kosten te worden verwezen alsmede in de kosten die in het kader van de onderhavige zaak aan de Raad zijn opgekomen, met inbegrip van de kosten betreffende de procedure in kort geding (zie punt 11, supra). Overeenkomstig artikel 87, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering zal de Commissie haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
2) Verwijst verzoeksters hoofdelijk in hun eigen kosten en in alle kosten die in het kader van de onderhavige procedure aan de Raad zijn opgekomen, met inbegrip van de kosten betreffende de procedure in kort geding.
3) Verstaat dat de Commissie haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy