BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Tweede kamer — uitgebreid)
26 juni 1996 ( *1 )
In zaak T-11/95,
BP Chemicals Ltd, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Londen, vertegenwoordigd door J. Flynn, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Loesch & Wolter, advocaten aldaar, Rue Goethe 11,
verzoekster,
ondersteund door
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door L. Nicoli, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door K. Parker, QC, van de balie van Engeland en Wales, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter ambassade van het Verenigd Koninkrijk, Boulevard Roosevelt 14,
interveniënt,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door J.-P. Keppenne en P. Nemitz, leden van haar juridische dienst, en later alleen door P. Nemitz, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C, Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
ENI SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Rome,
Enichem SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Milaan (Italië),
vertegenwoordigd door M. Siragusa, advocaat te Rome, G. Scassellati-Sforzolini, advocaat te Bologna, en N. Levy, van de balie van Engeland en Wales, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger & Hoss, advocaten aldaar, Côte d'Eich 15,
en door
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza en M. Fiorilli, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade, Rue Marie-Adélaïde 5,
intervenienten,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van de beschikking die is aangekondigd in de door de Commissie overeenkomstig artikel 93, lid 2, EG-Verdrag aan de andere Lid-Staten en belanghebbenden gerichte mededeling 94/C 330/06 betreffende steun die Italië besloten heeft te verlenen aan Enichem SpA (PB 1994, C 330, blz. 7),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer — uitgebreid),
samengesteld als volgt: H. Kirschner, kamerpresident, B. Vesterdorf, C. W. Bellamy, A. Kalogeropoulos en A. Potocki, rechters,
griffier: H.Jung
de navolgende
Beschikking
1
In haar op 14 maart 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegde opmerkingen over de memorie in interventie van ENI SpA (hierna: „ENI”) en Enichem SpA (hierna: „Enichem”) eiste verzoekster, dat aan ENI en Enichem zou v/orden gelast overeenkomstig artikel 35, lid 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering een vertaling in de procestaai van de in het Italiaans gestelde bijlagen bij hun memorie in interventie over te leggen.
2
Bij een aan het Gerecht gerichte brief van 4 april 1996 verzetten ENI en Enichem zich tegen deze eis en verzochten zij het Gerecht, krachtens artikel 35, lid 2, sub b, van het Reglement voor de procesvoering vrijstelling te verlenen van de verplichting tot gebruik van de procestaai. Zij voeren aan, dat de eis om de betrokken bijlagen in de procestaai te vertalen overdreven is, met name omdat: i) het Engels in de onderhavige zaak slechts een rol speelt doordat verzoekster heeft verkozen haar beroepschrift in die taal te stellen, terwijl de omstreden beschikking in het Italiaans is gesteld en tot de Italiaanse regering is gericht na een in het Italiaans gevoerde administratieve procedure betreffende twee Italiaanse vennootschappen; ii) de betrokken stukken voor het merendeel afkomstig zijn uit het administratief dossier en, indien zij als bijlage bij de memorie in interventie van de Italiaanse regering waren gevoegd, eventueel door de diensten van het Gerecht zouden zijn vertaald; iii) het onbillijk zou zijn intervenienten, naast de last om een omvangrijke interventie voor te bereiden in een taal die niet de hunne is, de bijkomende last op te leggen van het vertalen van de bewijsstukken die zij hebben moeten overleggen om hun belangen te verdedigen, terwijl verzoekster geen bewijzen heeft aangedragen voor haar stellingen over de grond van de zaak.
3
ENI en Enichem voegen daaraan toe, dat de vertaling van de bijlagen bij hun memorie in interventie in elk geval niet noodzakelijk is, daar van sommige bijlagen reeds een officiële vertaling bestaat en de andere begrijpelijk zijn, hetzij doordat de inhoud ervan in de memorie in interventie in het Engels is overgenomen, hetzij doordat het slechts gaat om gemakkelijk te begrijpen tabellen.
4
Subsidiair verzoeken zij het Gerecht, aan te geven welke bijlagen moeten worden vertaald en of die bijlagen volledig moeten worden vertaald dan wel bij wege van uittreksel overeenkomstig artikel 35, lid 3, derde alinea, van het Reglement voor de procesvoering.
5
Bij brief van 23 april 1996 handhaafde verzoekster haar eis, behalve met betrekking tot de bijlagen 1 en 3a bij de memorie in interventie van ENI en Enichem, waarvan intussen een Engelse vertaling in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen was verschenen.
6
Het Gerecht is van oordeel, dat het door ENI en Enichem in hun brief van 4 april 1996 geformuleerde verzoek een procesincident vormt dat volgens artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering zonder mondelinge behandeling kan v/orden afgedaan.
7
Het Gerecht herinnert eraan, dat artikel 35, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt:
„De procestaai wordt door de verzoeker gekozen, behoudens de volgende bepalingen:
a)
op gemeenschappelijk verzoek van partijen kan het Gerecht het bezigen van een andere van de in lid 1 van dit artikel vermelde talen voor het gehele of een gedeelte van het proces toestaan;
b)
het Gerecht kan, op verzoek van een partij, de wederpartij en de advocaat-generaal gehoord, in afwijking van het sub a) bepaalde, verlof verlenen tot het geheel of gedeeltelijk bezigen van een andere van de in lid 1 van dit artikel vermelde talen als proccstaal; dit verzoek kan niet worden gedaan door een van de instellingen.”
8
Artikel 35, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt:
„De procestaai wordt in het bijzonder gebezigd voor de memories en pleidooien van partijen, de bijlagen en produkties daaronder begrepen, alsmede voor de processen-verbaal en de beslissingen van het Gerecht.
Alle stukken en bijlagen die in een andere dan de procestaai zijn gesteld, gaan van een vertaling in de procestaai vergezeld.
In geval van omvangrijke bescheiden en documenten kunnen evenwel uittreksels in vertaling worden overgelegd. Het Gerecht kan te allen tijde hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een van de partijen een meer uitvoerige of een volledige vertaling eisen.
(...)”
9
Uit deze bepalingen blijkt enerzijds, dat verzoekster het recht heeft de procestaai te kiezen, en anderzijds, dat alle bijlagen bij de memories van de andere partijen, intervenienten daaronder begrepen, in beginsel in de procestaai moeten worden vertaald. Deze bepalingen beogen onder meer de bescherming van de positie van een partij die de wettigheid van een door de gemeenschapsinstellingen gestelde administratieve handeling wil betwisten, ongeacht welke taal de betrokken instelling in dit verband, met name tijdens de precontentieuze procedure, heeft gebruikt.
10
In die omstandigheden moet tijdens de schriftelijke behandeling voor het Gerecht strikt worden vastgehouden aan het gebruik van de door verzoekster gekozen procestaai, al kunnen voor de mondelinge behandeling andere overwegingen gelden (zie beschikking Gerecht van 17 november 1995, zaak T-330/94, Salt Union, Jurispr. 1995, blz. II-2881). Slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan krachtens artikel 35, lid 2, sub b, van het Reglement voor de procesvoering een afwijking worden toegestaan van de in artikel 35, lid 3, tweede alinea, geformuleerde regel, dat alle stukken en bijlagen die in een andere dan de procestaai zijn gesteld, vergezeld gaan van een vertaling in de procestaai.
11
In het onderhavige geval is het bestaan van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden evenwel niet aangetoond. De door ENI en Enichem aangevoerde argumenten maken op zichzelf immers niet aannemelijk dat het voor deze intervenienten onmogelijk of zelfs maar moeilijk zou zijn, zich met eigen middelen een vertaling van de betrokken bijlagen te verschaffen. Uit die argumenten kan niet worden geconcludeerd, dat zonder afwijking van de regel van het gebruik van de procestaai hun rechten tijdens de schriftelijke behandeling zouden worden aangetast. Hun verzoek moet derhalve worden afgewezen (zie beschikking Gerecht van 12 juni 1995, zaak T-394/94, British Midland Airways, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
12
Met betrekking tot het subsidiaire verzoek van ENI en Enichem (zie r. o. 4 supra) moet worden opgemerkt, dat de in artikel 35, lid 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering geformuleerde verplichting in beginsel geldt voor alle stukken en bijlagen bij de memories van partijen, behalve voor de omvangrijke documenten bedoeld in lid 3, derde alinea, van dat artikel, die behoudens andersluidende beslissing van het Gerecht bij wege van uittreksel in vertaling mogen worden overgelegd. In het onderhavige geval vormt geen enkele van de betrokken bijlagen bij de memorie in interventie van ENI en Enichem een omvangrijk document in de zin van laatstgenoemde bepaling. Derhalve moet worden geëist dat zij in de procestaai worden vertaald.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer — uitgebreid),
beschikt:
1)
Het verzoek van de intervenienten ENI en Enichem om een afwijking als bedoeld in artikel 35, lid 2, sub b, van het Reglement voor de procesvoering voor de vertaling in de procestaai van de bijlagen bij hun memorie in interventie, wordt afgewezen.
2)
Aan ENI en Enichem zal een termijn worden verleend voor het overleggen van de vertaling van de niet in de procestaai gestelde bijlagen, met uitzondering van de bijlagen 1 en 3 a, bij hun memorie in interventie.
3)
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 26 juni 1996.
De griffier
H. Jung
De president van de Tweede kamer
H. Kirschner
( *1 ) Proccstaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy